HR, 19-01-2018, nr. 16/05066
ECLI:NL:HR:2018:48
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-01-2018
- Zaaknummer
16/05066
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑01‑2018
ECLI:NL:HR:2018:48, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑01‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2016:2647, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2018/0344
NTFR 2018/200 met annotatie van dr. mr. M van Dun
FutD 2018-0217
Viditax (FutD) 2018011901
Beroepschrift 19‑01‑2018
Edelhoogachtbaar college,
Namens belanghebbende hebben wij hierbij de eer bij uw Raad over te gaan tot motivering van het pro forma beroepschrift in cassatie d.d. 13 oktober 2016 tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (hierna: ‘het Hof’) inzake de aanslagen Vpb 2005, 2006 en 2007.
Inleiding
1. Oordeel Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004:
1.
Het jaar 2004 is onder te verdelen in twee periodes, te weten de Curaçaose periode (lopende van 1 januari tot 9 juli 2004) en de Singaporese periode (lopende van 9 juli tot en met 31 december 2004). Uit het onderstaande volgt dat de Rechtbank de bewijslastverdeling voor de Curaçaose periode enerzijds en de Singaporese periode anderzijds verschillend toepast; in de Curaçaose periode met toepassing van de bewijslasttoedeling, zoals deze volgt uit art. 35b lid 7 BRK, en in de Singaporese periode met toepassing van de hoofdregel, zoals voortvloeit uit het arrest van uw Raad van 23 september 1992, nr. 27.293, BNB 1993/193
— Oordeel Rechtbank met betrekking tot de Curaçaose periode; 1 januari 2004 tot en met 8 juli 2004
1.1
Met betrekking tot de eerste periode van 2004 ( de zogeheten Curaçaose periode, lopende van 1 januari 2004 tot en met 8 juli 2004) heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende (zie overweging 23 van de Rechtbank uitspraak) ‘(ook) voor het jaar 2003 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar werkelijke leiding heeft overgebracht naar Curaçao en dus in dat jaar voor de toepassing van de BRK inwoner was van Nederland. Nu niet is gebleken dat ten opzichte van 2003 de wijze van belastingheffing in Curaçao ten aanzien van eiseres is gewijzigd, brengt de bewijslasttoedeling in artikel 35b, zevende lid van de BRK mee dat eiseres in het jaar 2004 geacht wordt in Nederland gevestigd te zijn gebleven indien zij niet aannemelijk maakt haar werkelijk leiding verplaatst te hebben naar een ander land van het Koninkrijk (zie Hoge Raad 30 november 2012, nr. 11/05198, BNB 2013/54). Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar werkelijke leiding in de onderhavige periode heeft verplaatst naar Curaçao of dat de aandeelhouder, anders dan voorheen, niet meer feitelijk de (uiteindelijke) werkelijke leiding over eiseres in Nederland uitoefende. De door eiseres overgelegde bescheiden met de aanduiding ‘bestuursbesluit’ van 14 april, 13 mei en 21 juni 2004 zijn daartoe onvoldoende omdat niet blijkt dat de daarin vermelde besluiten ook daadwerkelijk ten uitvoer zijn gebracht en dat daartoe door de directie opdracht is gegeven aan de vermogensbeheerder.’
— Oordeel Rechtbank met betrekking tot de Singaporese periode: 9 juli 2004 tot en met 31 december 2004
1.2
Met betrekking tot de tweede periode van 2004 (de zogeheten Singaporese periode, lopende van 9 juli 2004 tot en met 31 december 2004) neemt de Rechtbank bij de beoordeling van de vestigingsplaats in de tweede periode van 2004 het arrest van uw Raad van 23 september 1992, nr. 27.293, BNB 1993/193, tot uitgangspunt (zie overweging 6 van de Hof uitspraak, onder overweging 23 van de Rechtbank uitspraak). Met toepassing van dit arrest heeft de Rechtbank aannemelijk geacht (zie overweging 6 van de Hof uitspraak, onder overweging 24 van de Rechtbank uitspraak) ‘dat de formele directie in de periode 9 juli 2004 tot en met 31 december 2004 (nog) niet feitelijk leidde en bestuurde maar dat de aandeelhouder dit, gelet op zijn woonplaats, nog steeds in Nederland deed.’ Uit de rechtsoverweging van de Rechtbank volgt dat de Rechtbank tot dit oordeel met betrekking tot de tweede periode van 2004 is gekomen, omdat zij deze periode kennelijk als een ‘overgangsperiode’ heeft aangemerkt. In dat verband overweegt de Rechtbank dat de door belanghebbende in voornoemde periode overgelegde bescheiden naar het oordeel van de Rechtbank geen wezenlijke directiebesluiten of handelingen, die de kernactiviteiten van de onderneming raken, zijn, nu van daadwerkelijke opdrachten aan de vermogensbeheerder niet is gebleken (zie overweging 6 van de Hof uitspraak, onder overweging 24 van de Rechtbank uitspraak):
‘De door eiseres over de periode 9 juli 2004 tot en met 31 december 2004 overgelegde bescheiden, vermeld bij overweging 6. tot en met 11., inzake door [C] en/of [E] genomen besluiten en verrichte handelingen en zijn geen bestuursbesluiten of bestuurshandelingen die de kernactiviteit(en) van de onderneming raken nu van daadwerkelijke opdrachten aan de vermogensbeheerder is niet gebleken.’
2. Oordeel Rechtbank met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007:
2.1
De Rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007 gegrond verklaard. Ook bij de beoordeling van de vestigingsplaats van belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 heeft de Rechtbank het arrest van uw Raad van 23 september 1992, nr. 27.293, BNB 1993/193, tot uitgangspunt genomen. Met toepassing van voornoemd arrest komt de Rechtbank ten aanzien van de jaren 2005, 2006 en 2007 tot het volgende oordeel (zie overweging 6 van de Hof uitspraak, onder overweging 25 van de Rechtbank uitspraak):
‘Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat eiseres vanaf het jaar 2005 niet in Singapore wordt geleid en bestuurd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat [C] en [E] in januari 2005 namens eiseres een Asset Management Agreement met [L] en in februari 2005 een bijlage daarbij hebben ondertekend en dat uit de in overwegingen 14., 15. en 16 vermelde e-mailcorrespondentie volgt dat [C] en/of [E] feitelijk de onderneming van eiseres hebben geleid en bestuurd door opdrachten aan de vermogens beheerder te geven. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opdrachten aan de vermogensbeheerder feitelijk in Nederland door de aandeelhouder werden gegeven, noch dat [C] en/of [E] dit niet konden doen zonder toestemming van de aandeelhouder. Verweerder heeft zijn stelling dat aan deze door [C] en/of [E] gegeven opdrachten aandeelhoudersbesluiten ten grondslag liggen onvoldoende onderbouwd.
Dat [C] en/of [E] volgens de statuten niet bevoegd waren om zelfstandig beslissingen te nemen boven een bedrag van € 4.540 leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de gedingstukken volgt dat dit in 2005 feitelijk wel is gebeurd. Verweerder heeft — mede gelet op het feit dat de formele directie in de jaren 2006 en 2007 nog steeds bij [C] en [E] berustte — evenmin aannemelijk gemaakt dat eiseres in de jaren 2006 en 2007 weer in Nederland werd geleid en bestuurd. Voorts acht de rechtbank, gezien het feit dat eiseres een formele Singaporese directie en haar adres in Singapore had en gelet op de kopie van het aangifteblad 2005, aannemelijk dat eiseres in de jaren 2005 tot en met 2007 ingevolge de wetgeving van Singapore aldaar aan belasting was onderworpen.’
3. Oordeel Hof met betrekking tot het jaar 2004:
3.1
Met betrekking tot het jaar 2004 heeft het Hof in zijn uitspraak van 4 mei 2016, kenmerk BK-14-00350, het volgende geoordeeld (zie overweging 7.1 van Hof uitspraak):
‘7.1
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank voor wat betreft het jaar 2004 op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt dit oordeel en de gronden waarop het berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Ter aanvulling overweegt het Hof het volgende.
7.2
In het oordeel dat gedurende het jaar 2004 de feitelijke leiding van belanghebbende niet is verplaatst naar hetzij Curaçao hetzij naar Singapore ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof de feitelijke leiding van belanghebbende gedurende het onderhavige jaar ongewijzigd ten opzichte van de daaraan voorafgaande jaren door haar aandeelhouder in Nederland is uitgeoefend. Aan dit oordeel liggen ten grondslag de feiten zoals deze zijn vastgesteld in de procedure voor de jaren 2002 en 2003, met name de statutaire beperking van het formele bestuur van belanghebbende, de managementovereenkomsten met de trustkantoren op Curaçao en in Singapore, de vermogensbeheerovereenkomst met de bank in [R], die in het onderhavige jaar ook na wisseling van de formele directie is gehandhaafd, alsmede de allonge van 19 december 2001. Uit de gehele constellatie leidt het Hof af dat de kernbeslissingen met betrekking tot het beleggingsbeleid en het beheer van het vermogen van belanghebbende door de aandeelhouder worden genomen, die daarmee de feitelijke leiding over belanghebbende uitoefent. De directiebesluiten waar belanghebbende op wijst liggen naar het oordeel van het Hof in het verlengde van de door de aandeelhouder genomen beslissingen en zijn slechts uitvoerend van aard.
7.3
Voor zijn oordeel dat de feitelijke leiding van belanghebbende medio 2004 niet is verplaatst naar Singapore neemt het Hof verder in aanmerking dat de managementovereenkomst met [F] en de daarin overeengekomen beloning van de formele bestuurders niet wezenlijk afwijkt van hetgeen is overeengekomen met [N]. De in de bijlage van de managementovereenkomst met [F] omschreven werkzaamheden van de directie sluiten geenszins beleidsbepalende beslissingen in. Gedurende het onderhavige jaar, ook na wisseling van de directie, heeft de statutaire beperking van de bevoegdheden van het formele bestuur van belanghebbende onverkort gegolden. [C] heeft te kennen gegeven de statuten van belanghebbende zorgvuldig te hebben doorgenomen en zich rekenschap te hebben gegeven van de beperking als neergelegd in meergenoemd artikel 11. De stelling van belanghebbende dat aan deze statutaire beperking geen betekenis toekomt acht het Hof in deze context onwaarachtig.’
4. Oordeel Hof m.b.t. de jaren 2005, 2006 en 2007:
4.1
In rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van het Hof overweegt het Hof met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007 als volgt:
‘De hiervoor geciteerde overwegingen met betrekking tot het jaar 2004 hebben evenzeer te gelden voor de onderhavige jaren en brengen het Hof tot het oordeel dat het de Inspecteur geslaagd acht aannemelijk te maken dat in de onderhavige jaren de feitelijke leiding niet is verplaatst naar Singapore maar — tot 3 april 2007 — onverkort is gebleven in Nederland in de persoon van haar aandeelhouder. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat aannemelijk is dat het, gelet op de gehandhaafde statutaire beperking van de bevoegdheden van de formele directie, de met de trustmaatschappij in Singapore gesloten managementovereenkomst, de hoogte van de beloning voor de werkzaamheden van het trustkantoor, de aard van de door het trustkantoor te verrichten werkzaamheden, de vermogensbeheerovereenkomsten met de banken in [R] en Zwitserland en de voorgeschiedenis in de jaren 2002 tot en met 2004 (met name de allonge van 19 december 2001), aannemelijk is dat de kernbeslissingen met betrekking tot het beleggingsbeleid en het beheer van het vermogen van belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 zijn genomen door haar — tot 3 april 2007 — in Nederland wonende aandeelhouder, bij wie derhalve naar het oordeel van het Hof de feitelijke leiding berustte. De in 2005 genomen besluiten van de formele directie zoals vermeld onder de feiten doen aan dit oordeel niet af; deze liggen naar het oordeel van het Hof in het verlengde van de door de aandeelhouder genomen beslissingen en zijn slechts uitvoerend van aard. ’
4.2
De in 2005 genomen besluiten van de formele directie, waarvan het Hof geoordeeld heeft dat deze in het verlengde van de door de aandeelhouder genomen beslissingen zouden liggen en slechts uitvoerend van aard zijn, zijn door het Hof niet genoemd. Bij gebreke van uitdrukkelijke vermelding door het Hof zijn het naar wij aannemen de volgende (zie overweging 3.1 van de Hof uitspraak, onder 12 t/m 16):
- •
Een door [C] en [E] namens belanghebbende op 19 januari 2005 getekende ‘Asset Management Agreement’ van [L] (onder 12);
- •
Een op 8 februari 2005 door [C] en [E] namens belanghebbende ondertekende ‘Attachment to Asset Management Agreement’ (onder 13);
- •
In de maand februari 2005 hebben [C] en/of [E] namens belanghebbende aan de vermogensbeheerder • in [R] telefonisch en per e-mail opdracht gegeven tot verkoop van de volgende bonds:
- —
EUR 750.000 — 4 ½% Ireland 2020
- —
EUR 750.000 — 4,3% La Poste 2023
- —
EUR 800.000 — 4,65% Austria 2018
Voorts hebben zij de vermogensbeheerder opdracht gegeven om EUR 250.000 — 4 3/5% Ireland 2016 terug te kopen (onder 14);
- •
In de maand maart 2005 heeft [C] namens belanghebbende aan de vermogensbeheerder in [R] per e-mail opdracht gegeven tot verkoop van de volgende bonds tegen ‘competitive rates’:
- 1.
All bonds that mature after 2018
- 2.
Austria 2018: sell 50%
- 3.
Ireland 4,5%: sell 50%
- 4.
Ireland 4,6%: sell 100%
- 5.
All bonds that mature in 2013: sell 20%
- 6.
All bonds that mature in 2014: sell 20%
Voorts heft [C] in de maand maart 2005 een beleggingsvoorstel van de vermogensbeheerder goedgekeurd (onder 15);
- •
Bij e-mail van 6 oktober 2005 heeft [E] namens belanghebbende aan [L] opdracht gegeven tot aankoop van fondsen tot een bedrag van in totaal (nominaal) 525.000 Euro nominaal (onder 16);
- •
Bij e-mail van 2 december 2016 volgde een opdracht van [E] namens belanghebbende aan [L] tot aankoop voor rekening van belanghebbende van Bonds for a total EUR 1.5 million’ en ‘4 stock funds for EUR 100.000 each’ (onder 16).
4.3
Uit de hierboven onder 14, 15 en 16 vermelde e-mail-correspondentie volgde echter volgens de Rechtbank juist dat de Singaporese directie in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk de onderneming van eiseres heeft geleid en bestuurd door opdrachten aan de vermogensbeheerder te geven (zie de hierboven geciteerde overweging 25 uit haar oordeel met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007).
Gronden van cassatie
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 3 lid 4 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Singapore tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het Inkomen en naar het vermogen, 19 februari 1971, (hierna ook: ‘het Verdrag’) en/of artikel 2 lid 2 van het Verdrag, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met de nietigheid is bedreigd, doordat het Hof in rechtsoverweging 7.2 heeft geoordeeld dat de feitelijke leiding van belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 niet is verplaatst naar Singapore, zulks ten onrechte dan wel op onjuiste gronden, omdat het Hof bij de beoordeling van de vestigingsplaats voor de toepassing van het Verdrag het begrip ‘geleid en bestuurd’ onjuist heeft uitgelegd, althans met miskenning van nationale jurisprudentie, met name het arrest van uw Raad van 22 april 2016, nr. 15/03006, BNB 2016/157.
Toelichting
5.1
Aan de beslissing van het Hof ligt ten grondslag de gedachte dat voor de plaats waar belanghebbende geleid en bestuurd wordt, bepalend is waar de feitelijke leiding van belanghebbende plaatsvindt, meer in het bijzonder waar de kernbeslissingen met betrekking tot het beleggingsbeleid en het beheer van het vermogen een vennootschap worden genomen. Echter, ‘de plaats van feitelijke leiding’ is de Nederlandse vertaling uit de jurisprudentie van het begrip ‘place of effective management’. In art. 3 lid 4 van het Verdrag is voor de toepassing van het belastingverdrag met Singapore, ingeval van dubbel inwonerschap, ter bepaling waar een lichaam feitelijk gevestigd is niet het begrip ‘the place of effective management’ als doorslaggevende criterium opgenomen, maar het begrip ‘the place of management and control’, oftewel ‘de plaats waar een lichaam wordt geleid en bestuurd’. ‘The place of management and control’ is een enigszins formeler criterium. Van belang is bijvoorbeeld dat de meerderheid van de management board formeel inwoner is van het betrokken land en dat de board meetings worden gehouden in het betrokken land. Het door het Hof gehanteerde criterium ‘feitelijke leiding’ moet derhalve voor onjuist worden gehouden, en wel meer in het bijzonder om het hiernavolgende.
— (Dubbel) inwonerschap op grond van het Verdrag
Inwonerschap op grond van het Verdrag:
5.2
In artikel 3 lid 1 van het Verdrag is vastgelegd wanneer een lichaam als inwoner van Nederland dan wel Singapore wordt aangemerkt.
5.3
Artikel 3 lid 1 van het Verdrag luidt als volgt:
‘Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking ‘inwoner van een van de Staten’ iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding en bestuur of enige andere soortgelijke omstandigheid.’
5.4
Uit de authentieke Engelse taalversie blijkt dat ‘plaats van leiding en bestuur’ vertaald is van ‘place of management and control’. In het OESO-modelverdragartikel wordt de term ‘place of management’ gehanteerd in plaats van ‘place of management and control’.
5.5
Uitgangspunt voor het inwonerschap is derhalve dat voor het inwonerschap voor de toepassing van het Verdrag wordt aangesloten bij de betekenis van de uitdrukking ‘inwoner’ in de nationale belastingwetgeving van Nederland, respectievelijk Singapore.
5.6
Voor Nederland betekent dit dat in het onderhavige geval voor de toepassing van de vennootschapsbelasting wordt aangesloten bij de vestigingsplaatsfictie als bedoeld in artikel 2 lid 4 Wet Vpb 1969, waarin is bepaald dat een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap, zoals belanghebbende, steeds geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd. Hierdoor worden bepaalde entiteiten altijd geacht in Nederland gevestigd te zijn, ongeacht de feitelijke vestigingsplaats van deze entiteiten. De vestigingsplaatsfictie als bedoeld in artikel 2 lid 4 Wet Vpb 1969 is een ‘soortgelijke omstandigheid’ als bedoeld in artikel 3 lid 1 van het Verdrag. Voor Singapore wordt echter aangesloten bij de Singaporese en in het Verdrag gehanteerde term ‘place of management and control’.
5.7
Het uitgangspunt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van het Verdrag leidt er toe dat belanghebbende door zowel Nederland als Singapore als inwoner wordt beschouwd en derhalve een dubbele woonplaats heeft.
Dubbel inwonerschap / corporate tie breaker bepaling:
5.8
Ingeval van dubbel inwonerschap bepaalt art. 3 lid 4 als volgt:
‘Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarin hij wordt geleid en bestuurd.’
(onderstreping van ondergetekenden)
5.9
Uit de authentieke Engelse taalversie blijkt dat ‘waarin hij wordt geleid en bestuurd’ vertaald is van ‘in which it is managed and controlled’. In het OESO-modelverdragartikel wordt ‘in which its place of effective management is situated’ gehanteerd.
5.10
Uit het bovenstaande volgt dat in artikel 3, leden 1 en 4, van het Verdrag woordelijk is afgeweken van het vergelijkbare OESO-modelverdragartikel, artikel 4, leden 1 en 3. Zo spreekt het Verdragsartikel enerzijds van ‘place of management and control’ in lid 1 respectievelijk ‘managed and controlled’ in lid 4 en het OESO-modelverdragartikel anderzijds van ‘place of management’ in lid 1 respectievelijk ‘place of effective management’ in lid 3.
— Het criterium ‘place of management and control’
5.11
Het tussen Singapore en Nederland gesloten belastingverdrag dateert van 19 februari 1971 (oftewel ruim 45 jaar geleden en 10 jaar na de oprichting van de OESO) en is met terugwerkende kracht van toepassing sinds 1 januari 1968. Het Verdrag is derhalve geschoeid op de leest van de eerste versie van het OESO-modelverdrag, te weten de versie van 1963. In het Verdrag wordt duidelijk woordelijk afgeweken van het OESO-Modelverdrag versie 1963. In plaats van de term ‘place of effective management’ is duidelijk gekozen voor de ruimere Singaporese term ‘place of management and control’.
5.12
Het commentaar op art. 4 OESO-modelverdrag versie 1963 luidde als volgt:
- ‘17.
This paragraph concerns companies and other bodies of persons, irrespective of whether they are or not legal persons. It may be rare in practice for a company, etc. to be subject to tax as a resident in more than one State, but it is, of course, possible if, for instance, one State attaches importance to the registration and the other State to the place of effective management. So, in the case of companies, etc. also, special rules as to the preference must be established.
- 18.
It would not be natural to attach importance to a purely formal criterion like registration which is used but rarely in double taxation Conventions. Generally, these attach importance to the place where the company is actually managed, but the formulation of this criterion varies from one Convention to another.
- 19.
The formulation of the preference criterion in the case of persons other than individuals was considered with the question of the taxation of income of shipping, inland waterways transport and air transport enterprises. A study of the existing bilateral Conventions for the avoidance of double taxation on such income has shown that a number of Conventions accord the taxing power to the State in which the ‘place of management’ of the enterprise is situated; other Conventions attach importance to its ‘place of effective management’ others again to the ‘fiscal domicile of the operator’. The Conventions concluded by the United Kingdom in recent years provide, as regards corporate bodies, that a company shall be regarded as resident in the State in which ‘its business is managed and controlled’. In this connection it has been made clear on the United Kingdom side that this expression means the ‘effective management’ of the enterprise.
- 20.
As a result of these considerations, the place of ‘effective management’ has been adopted as the preference criterion for persons other than individuals.’
5.13
Uit het hierboven geciteerde commentaar op het OESO-modelverdrag 1963 volgt dat de plaats van feitelijke leiding het voorkeurscriterium was ten tijde van de totstandkoming van het Verdrag. Uit het commentaar op het OESO-modelverdrag 1963 volgt ook dat voor de bepaling van de vestigingsplaats dit begrip niet ook steeds doorslaggevend was en voor meerderlei uitleg vatbaar is.
5.14
Een definitie van de term ‘place of effective management’ is pas in het jaar 2000 toegevoegd aan het commentaar op het OESO-modelverdrag 1992. Tot het jaar 2000 was er zelfs geen definitie van de term ‘place of effective management’ in het commentaar op artikel 4 OESO-modelverdrag opgenomen.
5.15
Sinds de aanvulling in het jaar 2000 wordt de term ‘place of effective management’ in §24 van het commentaar op het OESO-modelverdrag 1992 als volgt gedefinieerd:
‘The place of effective management is the place where key management and commercial decisions that are necessary for the conduct of the entity's business as a whole are in substance made. All relevant facts and circumstances must be examined to determine the place of effective management. An entity may have more than one place of management but it can have only one place of effective management at any one time.’
5.16
Volgens het commentaar bij art. 4 OESO-modelverdrag gaat het dus om de plaats waar het substantiële deel van het kernmanagement en de commerciële beslissingen plaatsvinden, die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. Bij de invulling van de hier bedoelde feitelijke leiding gaat het om de ‘hoofdleiding’.
5.17
Dat Nederland in bilaterale overleggen ook andere aanknopingspunten dan de feitelijke leiding als corporate tiebreaker in aanmerking neemt blijkt a contrario ook uit het feit dat de Staatssecretaris in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 verklaard heeft dat Nederland er voortaan naar zal streven om in belastingverdragen een corporate tiebreaker op te nemen, gebaseerd op de plaats waar de werkelijke leiding zich bevindt (zie onderdeel 2.2.2, p. 34, Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011). En verder (onderdeel 2.2.2): ‘Naar aanleiding van een tweetal discussiestukken van de OESO33 is met ingang van juli 2008 in par. 24 van het OESO-commentaar op artikel 4 OESO-modelverdrag verduidelijkt dat de plaats van de werkelijke leiding de plaats Is waar de belangrijkste besluiten op bestuurlijk en commercieel gebied die nodig zijn voor de bedrijfsvoering van het lichaam als geheel, hoofdzakelijk worden genomen’.
— Uitlegging van het criterium ‘place of management and control’
5.18
Artikel 2 lid 2 van het Verdrag bevat een algemene interpretatieregel voor begrippen die in het Verdrag worden gebruikt, maar daarin niet worden gedefinieerd. Deze regel houdt in dat het ongedefinieerde begrip in beginsel wordt uitgelegd volgens het recht van de verdragsluitende staat die het Verdrag toepast. De verwijzing naar het nationale recht vindt haar begrenzing in de context van de verdragsterm: indien die context anders vereist, wordt de betekenis in het nationale recht niet gevolgd.
5.19
Zoals uit het bovenstaande volgt, is op het punt van de corporate tiebreaker bepaling in het Verdrag duidelijk afgeweken van het destijds geldende OESO-modelverdrag 1963.
5.20
De term ‘place of management and control’ is in het Verdrag niet gedefinieerd. Ook in de Nederlandse belastingwetgeving is geen bepaling opgenomen, waarin de term ‘place of management and control’ in een vergelijkbare context wordt gebruikt. Op het eerste gezicht lijkt ‘place of management and control’ gelijk aan ‘place of effective management’ (c.q. de Nederlandse definitie uit de jurisprudentie: ‘feitelijke leiding’), maar dat is het niet. In het OESO-modelverdrag staat evenmin een definitie van het begrip ‘place of management and control’. Ook in het commentaar op het OESO-modelverdrag staat geen definitie van voornoemd begrip.
5.21
In Singapore kent men het criterium ‘place of management and control’ daarentegen wel. In de Singaporese nationale belastingwetgeving wordt de vestigingsplaats van een lichaam beoordeeld aan de hand van de term ‘place of management and control’. ‘Management and control’ is (in de Singaporese nationale belastingwetgeving) een minder stringent en enigszins formeler begrip, zoals ook uitgelegd door de Singaporese Belastingautoriteiten in de eerder in de procedure aan de orde gekomen e-mail van 4 mei 2013 (zie bijlage 8 bij de conclusie van dupliek d.d. 22 december 2014 inzake hoger beroep 2005):
‘Generally, central control and management is the making of decisions on strategic matters, such as those on company policy and strategy, etc. IRAS would considers the following factors:
Board of directors' meetings are held in Singapore even if decisions made pertain only to routine matters and
- i)
Presence of other related companies (tax resident or with business activities) in Singapore; or
- ii)
Receives support or administrative services from a related company in Singapore; or
- iii)
Have at least 1 director based in Singapore who holds an executive position and is not a nominee director; or
- iv)
Have at least 1 key employee (e.g. CEO, CFO, COO) based in Singapore.’
5.22
Het is dus mogelijk dat het ‘management and control’ geacht wordt in Singapore plaats te vinden, terwijl de feitelijke leiding elders plaatsvindt. In een dergelijk geval zal voor de corporate tiebreaker bepaling door toepassing van het criterium ‘place of management and control’ in plaats van ‘place of effective management’ eerder sprake zijn van een feitelijke vestigingsplaats van belanghebbende in Singapore, als gevolg waarvan de corporate tiebreaker bepaling voor de bepaling van inwonerschap voor de toepassing van het Verdrag eerder in het voordeel van Singapore uitvalt.
5.23
Alhoewel het uit te leggen Verdrag nu juist duidelijk afwijkt van het (in het commentaar bij art. 4 OESO-modelverdrag sinds 2000 gedefinieerde) begrip ‘place of effective management’ en duidelijk gekozen is voor de ruimere Singaporese term ‘place of management and control’, gaat het Hof hier volledig aan voorbij en rept hier met geen woord over in zijn uitspraak, terwijl door belanghebbende uitdrukkelijk is gewezen op dit — naar het oordeel van belanghebbende — essentiële verschil (vgl. p. 22, middenin, t/m 25 van de conclusie van dupliek d.d. 22 december 2014 inzake hoger beroep 2005 en p. 10, onderaan, en 11 van het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005). Het oordeel van het Hof is dus voor belanghebbende onbegrijpelijk.
5.24
Daarnaast dient naar het oordeel van belanghebbende geconcludeerd te worden dat bij de uitlegging van de term ‘place of management and control’ geen ruimte is voor een dynamische verdragsinterpretatie en derhalve bij de uitlegging van de term ‘place of management and control’ geen betekenis dient toe te komen aan het in OESO-modelverdrag opgenomen (en de in het commentaar op het OESO-modelverdrag sinds 2000 opgenomen definitie van het) begrip ‘place of effective management’, c.q. de Nederlandse definitie uit de jurisprudentie: ‘feitelijke leiding’. Nergens blijkt uit dat Nederland en Singapore de OESO-conforme, van het spraakgebruik afwijkende, invulling van het begrip ‘place of management and control’ voor ogen zou hebben gestaan.
5.25
Naar het oordeel van belanghebbende dient de interpretatie van het criterium ‘place of management and control’ gegrond te worden op de inzichten en intenties van de partijen bij het sluiten daarvan. Aan latere ontwikkelingen dient in beginsel geen betekenis toe te komen, omdat de partijen daarmee geen rekening konden houden en hun parlementen zich daarover niet hebben kunnen uitlaten.
5.26
Zo heeft uw Raad in het arrest van 22 april 2016, nr. 15/03006, BNB 2016/157, geoordeeld dat een OESO-conforme uitleg van belastingverdragen niet aan de orde is, wanneer er in het belastingverdrag duidelijk is afgeweken van het OESO-modelverdrag en een begripsdefinitie in het Verdrag ontbreekt. Naar het oordeel van belanghebbende heeft dat ook in het onderhavige geval te gelden.
5.27
In het verlengde daarvan wordt nog gewezen op het volgende. Het OESO-modelverdrag, wordt evenals het OESO-commentaar opgesteld door het Committee on Fiscal Affairs en in de vorm van een aanbeveling (‘recommendation’) aan de lidstaten vastgesteld door de Council van de OESO. Wanneer lidstaten het niet eens zijn met een bepaling van het OESO-Modelverdrag dan kunnen ze een voorbehoud (‘reservation’) bij die bepaling maken. Evenzo kunnen lidstaten een opmerking (‘observation’) plaatsen bij een passage in het OESO-commentaar waarmee zij het oneens zijn. Deze voorbehouden en opmerkingen worden opgenomen bij het OESO-commentaar. Het OESO-modelverdrag is derhalve tot stand gekomen op basis van interstatelijke consensus.
5.28
Singapore is en was echter geen lidstaat van de OESO. Vanaf 1997 worden ook niet-lidstaten in de gelegenheid gesteld om hun standpunten (‘position’) kenbaar te maken met betrekking tot het OESO-modelverdrag en het OESO-commentaar. Verschillende niet-lidstaten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Met betrekking tot deze landen kan er derhalve vanuit worden gegaan dat deze zich kunnen verenigen met de bepalingen van het OESO-modelverdrag en het OESO-commentaar daarop als interpretatiemiddel, indien zij geen standpunt hebben bepaald en hun verdragen conform het OESO-model luiden (vgl. het OESO-commentaar onder ‘Introduction’ op het onderdeel ‘Non-member countries positions’).
5.29
De vraag is dan ook wat voor betekenis het OESO-modelverdrag heeft voor belastingverdragen die worden gesloten tussen lidstaten, zoals Nederland, en landen die (nog) geen lid zijn van de OESO en die (vooralsnog) niet van de mogelijkheid gebruik hebben gemaakt om hun standpunt kenbaar te maken, zoals Singapore. Er is namelijk geen sprake van een door zowel Nederland als Singapore onderschreven aanbeveling. In een dergelijk geval dient aan de hand van andere uitleggingsmiddelen nagegaan te worden of de bedoeling van de twee betrokken landen overeenkomt met het commentaar bij het OESO-modelverdrag, daarbij rekening houdende met de goede verdragstrouw.
5.30
Het feit dat in het belastingverdrag Nederland-Singapore bewust woordelijk is afgeweken van de tekst in het OESO-modelverdrag (‘place of management and control’ In plaats van ‘place of effective management’) en dat in het Verdrag aangesloten is bij de ruimere Singaporese term ‘management and control’, bevestigt naar het oordeel van belanghebbende dat (het commentaar op) art. 4 lid 3 van het OESO-Modelverdrag (1963) geen betekenis heeft voor de uitleg van art. 3 lid 4 van het belastingverdrag Nederland-Singapore.
Conclusie met betrekking tot middel 1
5.31
Gelet op de van de zijde van belanghebbende aangevoerde argumenten is het onbegrijpelijk en onjuist dat het Hof op basis van de door belanghebbende aangevoerde argumenten tot het oordeel is gekomen dat [X] ook voor wat betreft de jaren 2005, 2006 en 2007 haar feitelijke leiding niet naar Singapore heeft verplaatst, nog afgezien van het feit dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat ook de feitelijke leiding conform het begrip ‘place of effective management’ in de jaren 2005, 2006 en 2007 daadwerkelijk vanuit Singapore werd gevoerd.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de norm dat de bewijslast naar redelijkheid moet worden verdeeld, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met de nietigheid is bedreigd, doordat het Hof in rechtsoverweging 7.2 heeft geoordeeld dat het uit de overwegingen met betrekking tot het jaar 2004 de Inspecteur geslaagd acht aannemelijk te maken dat in de jaren 2005, 2006 en 2007 de feitelijke leiding van belanghebbende niet is verplaatst naar Singapore, zulks ten onrechte dan wel op onjuiste gronden, omdat het Hof van de Inspecteur het bewijs had behoren te verlangen dat de aandeelhouder in de jaren 2005, 2006 en 2007 daadwerkelijk dat beleid vormde en — in materiële zin — de beslissingen nam, althans met in ieder geval miskenning van nationale jurisprudentie, met name het arrest van uw Raad van 23 september 1992, BNB 1993/193.
Toelichting
— Bewijslastverdeling
6.1
Dat de feitelijke leiding in de onderhavige jaren door de aandeelhouder van belanghebbende is gevormd, leidt het Hof, anders dan de Rechtbank, in rechtsoverweging 7.2 af uit de hieronder in onderdeel 7.4 uiteengezette formele aanknopingspunten, te weten de statutaire beperking, de managementovereenkomst, de hoogte van de beloningen voor en de aard van de (te verrichten) werkzaamheden, de vermogensbeheer- overeenkomsten, alsmede de voorgeschiedenis in de voorgaande jaren, en dan met name de brief van 19 december 2001. Op basis van deze aanknopingspunten acht het Hof de Inspecteur geslaagd aannemelijk te maken dat in de jaren 2005, 2006 en 2007 de feitelijke leiding van belanghebbende niet is verplaatst naar Singapore, maar onverkort is gebleven in Nederland bij haar aandeelhouder. Volgens het Hof is op basis van deze aanknopingspunten aannemelijk dat de kernbeslissingen met betrekking tot het beleggingsbeleid en het beheer van het vermogen in de onderhavige jaren 2005, 2006 en 2007 door de in Nederland wonende aandeelhouder van belanghebbende zijn genomen. De in 2005 genomen bestuursbesluiten liggen naar het oordeel van het Hof in het verlengde van de door de aandeelhouder genomen beslissingen en zijn inzoverre naar het oordeel van het Hof niet relevant. Het Hof had echter bij de beoordeling van de feitelijke leiding van de Inspecteur het bewijs behoren te verlangen dat de aandeelhouder in de jaren 2005, 2006 en 2007 daadwerkelijk dat beleid vormde en — in materiële zin — de beslissingen nam. De feitelijk (objectieve) omstandigheden zijn immers doorslaggevend bij de bepaling van vestigingsplaats van een vennootschap.
6.2
Uit de uitspraak van het Hof volgt niet dat het Hof de bewijslast verdeeld heeft conform uw arrest van 23 september 1992, nr. 27 293, BNB 1993/193, waar uw Raad in rechtsoverweging 3.3.3 oordeelde over de vestigingsplaats als bedoeld in art. 4 lid 1 AWR. In dat arrest heeft uw Raad bepaald dat bij de beoordeling naar de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam in het algemeen ervan moet worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent. Uit het besluit van 6 maart 2001, nr. CPP2000/3020, NFR 2001/436, blijkt dat de Staatssecretaris dezelfde methode voor het bepalen van de plaats van werkelijke leiding hanteert.
6.3
Nu vaststaat, zoals vermeld onder de feiten, dat het formele bestuur van belanghebbende per 9 juli 2004 aan [C] en [E] die hun werkzaamheden in Singapore verrichtten, is opgedragen, is vaste rechtspraak dat de bewijslast, dat de feitelijke leiding in de jaren 2005, 2006 en 2007 door de in Nederland wonende aandeelhouder werd uitgeoefend, bij de inspecteur ligt. In de onderhavige procedure had de Inspecteur feiten moeten stellen dan wel — bij betwisting daarvan — aannemelijk moeten maken dat belanghebbende niet in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk in Singapore is gevestigd.
6.4
Welke leidinggevende handelingen ook aan de aandeelhouder worden toegeschreven, niet is gebleken — en dat is een feit — dat de aandeelhouder in de onderhavige periode enige dergelijke handeling feitelijk heeft verricht. Dit volgt in ieder geval niet uit de enkele algemene stelling van de Inspecteur dat aan iedere bestuursbeslissing een aandeelhoudersbesluit ten grondslag ligt, temeer uit de feiten en uit de gedingstukken juist blijkt dat dat niet het geval is geweest. De Inspecteur heeft ook in hoger beroep op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de opdrachten aan de vermogensbeheerder in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk in Nederland door de aandeelhouder werden gegeven, maar ook niet dat [C] en/of [E] dit niet konden zonder toestemming van de aandeelhouder, hetgeen de Rechtbank in eerste aanleg heeft overwogen.
6.5
Desalniettemin meent het Hof in rechtsoverweging 7.2 uit de voorgeschiedenis af te kunnen leiden dat in de onderhavige periode de feitelijke leiding ongewijzigd door de aandeelhouder is uitgeoefend. Naar het oordeel van belanghebbende getuigt deze rechtsoverweging van een onjuiste rechtsopvatting door niet van de Inspecteur het bewijs te verlangen dat de in Nederland wonende aandeelhouder daadwerkelijk in de jaren 2005, 2006 en 2007 het beleid vormde en — in materiële zin — de beslissingen nam.
— Bewijsvermoeden
6.6
Nu de Inspecteur ook in hoger beroep geen bewijs voor zijn stelling kon leveren, dat aan de door de Singaporese directie gegeven opdrachten aandeelhoudersbesluiten ten grondslag zouden liggen, heeft hij in hoger beroep getracht te voldoen aan de op hem rustende bewijslast door gebruikmaking van een bewijsvermoeden, ontleend aan de jaren 2002 en 2003 (vgl. p. 20 van het verweerschrift d.d. 2 juli 2004 inzake hoger beroep 2004). Ook het Hof hecht in zijn uitspraak voor de jaren 2005, 2006 en 2007 in rechtsoverweging 7.2 enkel waarde aan de voorgeschiedenis in de jaren 2002 t/m 2004. Op basis daarvan acht het Hof namelijk de Inspecteur geslaagd aannemelijk te maken dat de feitelijke leiding in de onderhavige jaren onverkort bij de aandeelhouder in Nederland is gebleven. Het lijkt er derhalve op dat het Hof in rechtsoverweging 7.2 voor de jaren 2005, 2006 en 2007 een bewijsvermoeden heeft ontleend aan de jaren 2002 en 2003, alhoewel uit de uitspraak van het Hof niet volgt dat het Hof (nergens heeft het Hof dat vermeld) gebruik heeft gemaakt van bewijsvermoedens.
6.7
Het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen, omdat anders in feite sprake is van omkering van de bewijslast. In het onderhavige geval levert dat strijd op met het feit dat de inspecteur geen informatiebeschikking aan [X] heeft opgelegd. Dit laatste is echter wel een vereiste om tot omkering van de bewijslast te kunnen komen als gevolg van de wetswijziging per 1 juli 2011; de uitspraken op bezwaar dateren immers allen van na deze datum.
6.8
Verder moet de feitelijke situatie in de beoordelingsperiode wel voldoende vergelijkbaar te zijn, wil er sprake zijn van een bewijsvermoeden (zie ook p. 7, middenin, t/m 10 van het verweerschrift in hoger beroep inzake 2005). Uit de vastgestelde feiten blijkt juist dat de Curaçaose periode wezenlijk verschilt van de Singaporese periode. Reeds op deze grond is het ontlenen van een bewijsvermoeden in de onderhavige procedure niet mogelijk.
6.9
Voor het ontzenuwen van een bewijsvermoeden is ingevolge het arrest van uw Raad van 25 oktober 2002, nr. 36898, BNB 2003/1418, niet vereist dat de onjuistheid c.q. onaannemelijkheid van het vermoeden wordt bewezen. Doorslaggevend is of met hetgeen de wederpartij stelt redelijke twijfel ontstaat over de juistheid van het vermoeden. Uit voornoemd arrest volgt ook dat, indien en voor zover het Hof voornemens is een bewijsvermoeden te gebruiken, belanghebbende door het Hof in staat moet worden gesteld tegenbewijs te leveren, hetgeen in de procedure bij het Hof niet is gebeurd.
6.10
Mocht het Hof voor de Singaporese periode een bewijsvermoeden hebben ontleend aan de Curaçaose periode, dan is naar het oordeel van belanghebbende dit vermoeden voldoende ontzenuwd door onder meer te wijzen op de in 2005 genomen bestuursbeslissingen, zoals vermeld onder de feiten, als gevolg waarvan de op de Inspecteur rustende bewijslast dient te herleven. Het oordeel van het Hof dat deze bestuursbeslissingen in het verlengde van de beslissingen van de aandeelhouder zouden liggen en derhalve slechts uitvoerend van aard zijn, is in dat verband onbegrijpelijk, nu er geen aandeelhoudersbesluiten zijn — niet vermeld onder de feiten en ook niet opgenomen in de gedingstukken — die dat oordeel onderschrijven.
Middel 3
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, zulks ten onrechte dan wel op onjuiste gronden, doordat het Hof in rechtsoverweging 7.2 zonder draagkrachtige motivering heeft geoordeeld dat de feitelijke leiding van belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 niet naar Singapore is verplaatst, respectievelijk doordat het Hof tot deze conclusie is gekomen die niet uit de vaststaande feiten kan volgen, meer in het bijzonder omdat:
- a.
het Hof op (zonder nadere motivering) onbegrijpelijke gronden geen waarde heeft gehecht aan de door belanghebbende in hoger beroep uiteengezette analyse van de performance rapportages, waaruit volgt dat de in 2004 genomen bestuursbesluiten ook daadwerkelijk door de vermogensbeheerder zijn uitgevoerd en daartoe opdracht is gegeven door de directie;
- b.
het Hof op (zonder nadere motivering) onbegrijpelijke gronden (kennelijk) heeft aangenomen dat het in Verdrag gehanteerde begrip ‘place of management and control’ gelijk is aan het begrip ‘feitelijke leiding’, zijnde de vertaling van het in het OESO-modelverdrag gehanteerde ruimere begrip ‘place of effective management’;
- c.
het Hof bij de beoordeling van de vestigingsplaats van belanghebbende op (zonder nadere motivering) onbegrijpelijke gronden meer waarde heeft gehecht aan de formele aanknopingspunten, terwijl fiscaal de feitelijke omstandigheden doorslaggevend dienen te zijn;
- d.
het Hof op (zonder nadere motivering) onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de in 2005 genomen bestuursbeslissingen in het verlengde van de beslissingen van de aandeelhouder liggen en bij dit oordeel voorts volledig voorbij gaat aan de in 2006 en 2007 zelfstandig genomen bestuursbeslissingen, en
- e.
het Hof op (zonder nadere motivering) opbegrijpelijke gronden ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de feitelijke situatie in de jaren 2005, 2006 en 2007 en de feitelijke situatie in de jaren 2002 tot en met 2004.
Toelichting
7.1
Uit de hierboven geciteerde rechtsoverweging 7.2 volgt dat het Hof van oordeel is dat de overwegingen met betrekking tot het jaar 2004 evenzeer hebben te gelden voor de jaren 2005, 2006 en 2007. In de procedure voor het jaar 2004 heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen, als gevolg waarvan het Hof het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004 en de gronden waarop dit berust tot de zijne heeft gemaakt.
— ad a: de analyse van de performance rapportages
7.2
Zoals uit de hierboven geciteerde overwegingen uit de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004 volgt, is de Rechtbank met name tot het oordeel gekomen dat belanghebbende niet feitelijk gevestigd was op Curaçao, respectievelijk Singapore, ‘nu van daadwerkelijke opdrachten door de Singaporese directie aan de vermogensbeheerder is niet gebleken’. Naar aanleiding van dit oordeel van de Rechtbank is in hoger beroep aan de hand van een analyse van de performance rapportages ten aanzien van de in 2004 genomen bestuursbesluiten uitvoerig uiteengezet dat deze bestuursbesluiten ook daadwerkelijk door de vermogensbeheerder zijn uitgevoerd en mitsdien daartoe opdracht is gegeven door de Singaporese directie (vgl. de pleitnota d.d. 4 november 2015 inzake hoger beroep 2004, 2005, 2006 en 2007, p. 7 t/m 9, middenin, alsmede onderdeel 1.35, p. 13). Hiermee zou het oordeel van de Rechtbank, dat de bestuursbesluiten onvoldoende zijn om aannemelijk te kunnen maken dat de aandeelhouder niet meer feitelijk de (uiteindelijke) werkelijke leiding over belanghebbende in Nederland uitoefende, komen te vervallen. Het Hof heeft het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004 en de gronden waarop dit berust tot de zijne gemaakt en vervolgens geoordeeld dat de overwegingen met betrekking tot het jaar 2004 evenzeer hebben te gelden voor de jaren 2005, 2006 en 2007, maar gaat in zijn uitspraak met geen woord in op deze voor de Rechtbank essentiële overweging en motiveert een en ander in het geheel niet, anders dan dat de directiebesluiten slechts uitvoerend van aard zouden zijn en in het verlengde van de door de aandeelhouder genomen beslissingen liggen.
— ad b: ‘place of management and control’ is niet gelijk aan ‘feitelijke leiding’
7.3
Voor belanghebbende is het onbegrijpelijk dat het Hof volledig voorbij gaat aan de stelling van belanghebbende dat in het Verdrag gekozen is voor de ruimere Singaporese term ‘place of management and control’ en nu juist duidelijk afwijkt van het (in het commentaar bij artikel 4 OESO-modelverdrag sinds 2000 gedefinieerde) begrip ‘place of effective management’ (vgl. de conclusie van dupliek d.d. 22 december 2014 inzake hoger beroep 2005, p. 22, middenin, t/m 25, het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005, p. 10, onderaan, en 11, alsmede de pleitnota d.d. 4 november 2015 inzake hoger beroep 2004, 2005, 2006 en 2007, p. 10 t/m 12).
— ad c: bij beoordeling van de vestigingsplaats zijn de feitelijke omstandigheden doorslaggevend
7.4
Zoals uit de rechtsoverweging 7.2 uit de uitspraak van het Hof met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007 blijkt, is naar het oordeel van het Hof de feitelijk leiding in de jaren 2005, 2006 en 2007 ongewijzigd door de aandeelhouder uitgeoefend. Het Hof meent dit af te kunnen leiden uit de feitenconstellatie, zoals vastgesteld in de procedure voor de jaren 2002 en 2003 (de zogeheten Curaçaose periode), en dan met name uit de volgende punten, waarover hierna meer:
- 1.
de gehandhaafde statutaire beperking van de bevoegdheden van de formele directie;
- 2.
de met de Singaporese directie gesloten managementovereenkomst;
- 3.
de hoogte van de beloningen voor de werkzaamheden van de Singaporese directie;
- 4.
de aard van de door de Singaporese directie te verrichten werkzaamheden;
- 5.
de vermogensbeheerovereenkomsten met de banken in Amsterdam en Zwitserland, en
- 6.
de voorgeschiedenis in de jaren 2002 tot en met 2004, en dan met name de allonge (zoals het Hof dat noemt) van 19 december 2001.
7.5
Op basis van de bovenstaande punten 1 tot en met 6 oordeelt het Hof dat belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 niet in Singapore is gevestigd. Voor belanghebbende is dit een onbegrijpelijk oordeel. Immers, waar een lichaam is gevestigd, is een tamelijk feitelijk oordeel en dient blijkens vaste jurisprudentie naar de relevante feiten en omstandigheden van het desbetreffende geval en het betreffende jaar beoordeeld te worden. Daarbij heeft onder meer te gelden dat bij het bepalen van de feitelijke vestigingsplaats niet enkel naar de statutaire of civielrechtelijke verdeling van de leiding dient te worden gekeken, zoals het Hof kennelijk heeft gedaan. Deze formele bepalingen kunnen weliswaar een eerste indicatie vormen bij de bepaling waar het lichaam feitelijk is gevestigd, maar doorslaggevend zijn fiscaal toch de feitelijke omstandigheden, zoals ook de Rechtbank in haar oordeel terecht heeft overwogen.
7.6
De omstandigheid dat een aandeelhouder door middel van zijn stemrechten het beleid van een lichaam in belangrijke mate kan beïnvloeden en het bestuur aanwijzingen kan geven, leidt er in beginsel nog niet toe dat de feitelijke leiding is gegeven in de plaats waar de aandeelhouder woont (zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 22 januari 1982, nr. 100/81, BNB 1984/9). Dit kan anders bij een zodanig vergaande bemoeienis dat het statutaire bestuur slechts handelt volgens de aanwijzingen van de aandeelhouder en geen zelfstandige beslissingen neemt. Of sprake is van zulk een feitelijke leiding door de aandeelhouder, dient naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld te worden. Fiscaal gaat de materiële werkelijkheid immers boven de formele aanknopingspunten.
7.7
Het Hof kent daarbij geen enkel gewicht toe aan de onder de feiten vermelde — in 2005 genomen — bestuursbeslissingen, alsmede aan de wisseling van de directie van belanghebbende per 9 juli 2004, waaruit naar het oordeel van de Rechtbank zou blijken dat de Singaporese directie de onderneming van de belanghebbende feitelijk heeft geleid en bestuurd in de jaren 2005, 2006 en 2007, maar ook niet aan de afgelegde verklaringen van [C] (bijlage 2 bij het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005) en van de aandeelhouder (bijlage 1 bij het verweerschrift d.d. 22 juli inzake hoger beroep 2005, alsmede p. 2 van het verweerschrift). Het Hof overweegt enkel ten aanzien van de in 2005 genomen bestuursbeslissingen dat deze bestuursbeslissingen in het verlengde van de beslissingen van de aandeelhouder liggen en slechts uitvoerend van aard zijn, evenzo het Hof heeft overwogen in de procedure voor het jaar 2004 met betrekking tot de in 2004 genomen bestuursbeslissingen. Dit, terwijl de Inspecteur geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat de opdrachten aan de vermogensbeheerder in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk door de in Nederland wonende aandeelouder zijn gegeven. In zijn uitspraak gaat het Hof daarnaast volledig voorbij aan de door de Singaporese directie in 2006 en 2007 genomen bestuursbeslissingen. In het licht daarvan acht belanghebbende onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat de aandeelhouder in de jaren 2005, 2006 en 2007 ongewijzigd de feitelijke leiding van de onderneming zou hebben uitgeoefend. Dat 's Hofs beslissing niet juist kan zijn, moge ook blijken uit het volgende.
• Ad 1; feitelijk was er geen statutaire beperking
7.8
Een beperking in de statuten doet bij de beoordeling van de vestigingsplaats fiscaal niet ter zake, indien daar feitelijk niet naar gehandeld is, zoals in de onderhavige procedure het geval is. De Rechtbank heeft naar het oordeel van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007 dan ook terecht geoordeeld: ‘Dat [C] en/of [E] volgens de statuten niet bevoegd waren om zelfstandig beslissingen te nemen boven een bedrag van € 4.540 leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de gedingstukken volgt dat dit in 2005 feitelijk wel is gebeurd.’ (vgl. conclusie van dupliek d.d. 22 december 2014 inzake hoger beroep 2005, p.5 t/m 9).
7.9
Het oordeel van het Hof komt erop neer dat aan elke beleggingstransactie boven € 4.540 een aandeelhoudersbesluit ten grondslag ligt. Dit is feitelijk niet gebeurd en blijkt ook niet uit de vastgestelde feiten, noch uit de gedingstukken.
7.10
Ook [C] heeft uitdrukkelijk verklaard niet naar de statutaire beperking gehandeld te hebben (vgl. de verklaring van [C] d.d. 26 augustus 2013; bijlage 2 bij het verweerschrift d.d. 22 juli 2014, , p. 8 middenin):
‘Dit artikel hebben wij vanaf het begin genegeerd. Wij hebben nooit goedkeuring van de aandeelhouder gevraagd voor het doen van investeringen. De bankier deed voorstellen op basis van het beleggingsprofiel en wij bespraken deze voorstellen met de bankier en namen op basis van deze gesprekken een beslissing. Het gevoerde beleid werd besproken op de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering.’
• Ad 2 en 3; de met [F]gesloten managementovereenkomst en de aard van de werkzaamheden
7.11
In rechtsoverweging 7.1 onder 7.3 overweegt het Hof met betrekking tot het jaar 2004 ten aanzien van de verplaatsing naar Singapore ‘dat de managementovereenkomst was afgesloten met [F] en de daarin overeengekomen beloning van de formele bestuurders niet wezenlijk afwijkt van hetgeen is overeengekomen met [N].’ Ook zouden de in de bijlage van de managementovereenkomst met [F] omschreven werkzaamheden van de directie geenszins beleidsbepalende beslissingen inhouden.
7.12
Ook dit oordeel is onbegrijpelijk. De managementovereenkomst, die met [F] is afgesloten, wijkt enkel niet af van hetgeen is overeengekomen met [N] voor wat betreft de in deze gevallen min of meer standaard geldende vaste beloningen voor onder andere domicilie en directievoering (in de managementovereenkomst aangeduid als zogenaamde routineactiviteiten). Dat laat onverlet, dat de directie voor alle andere zaken die zij als directie heeft verricht [X] aanvullend mag belasten — en dat is ook gedaan, en wel op uurbasis voor SGD 400,- per uur (1 SGD = circa € 0,50).
7.13
Wanneer in artikel 1.1 van de managementovereenkomst staat dat de Singaporese directie belast wordt met de directie van [X], is onbegrijpelijk dat dit, zoals het Hof heeft overwogen, ‘geenszins beleidsbepalende beslissingen’ zouden inhouden. Een directie belasten met de directie van een vennootschap brengt nu eenmaal met zich mee dat er beleidsbepalende beslissingen worden genomen door deze directie ten aanzien van alle zaken die de vennootschap betreffen.
7.14
[C] heeft, zoals ook van de zijde van belanghebbende uitvoerig is aangevoerd, ook uitdrukkelijk verklaard dat hij de statutaire beperking van het begin heeft genegeerd (vgl. hierboven onderdeel 7.8.3). De aandeelhouder heeft hem daarvoor ook niet ter verantwoording geroepen, dan wel aansprakelijk gesteld. Hij heeft ook uitdrukkelijk verklaard dat hij voor alle door hem genomen besluiten nimmer voorafgaande goedkeuring heeft gevraagd aan de aandeelhouder en deze besluiten zelfstandig heeft genomen. De overweging van het Hof dat hij zich rekenschap heeft gegeven van de beperking als neergelegd in meergenoemd artikel 11, is dan ook — gelet op vorenbedoelde verklaring — niet alleen onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken, maar ook onjuist en daarmee ook het oordeel van het Hof dat een en ander in deze context ‘onwaarachtig’ is (rechtsoverweging 7.1, onder 7.3).
• Ad 5; de vermogensbeheerovereenkomsten met de banken in [R] en Zwitserland
7.15
In rechtsoverweging 7.1 onder 7.2 overweegt het Hof met betrekking tot het jaar 2004 ten aanzien van de verplaatsing naar Singapore dat de vermogensbeheerovereenkomst met de bank in [R] na de wisseling van de formele directie onverkort gehandhaafd is. Ook dit is onjuist. Uit de vastgestelde feiten blijkt immers dat de Singaporese directie na haar aanstelling — zoals van de zijde van belanghebbende ook is aangevoerd — op zoek is gegaan naar een andere vermogensbeheerder. Deze is ook gevonden, hetgeen uiteindelijk geresulteerd heeft in een met de nieuwe vermogensbeheerder door de Singaporese directie afgesloten totaal andere overeenkomst, in casu enkel een adviesovereenkomst (vgl. conclusie van dupliek in hoger beroep inzake 2005 van 22 december 2014; p.10 t/m 11 middenin).
7.16
De nieuwe vermogensbeheerovereenkomst met de bank in Zwitserland had het karakter van een adviesovereenkomst, zoals ook uitvoerig door belanghebbende aangevoerd (vgl. pleitnota d.d. 4 november 2015 inzake hoger beroep 2004, 2005, 2006 en 2007, p. 15 en 16). De destijds overeengekomen beleggingswijze blijkt uit de op 8 februari 2005 door de Singaporese directie namens belanghebbende ondertekende ‘Attachment to Asset Agreement’. Rechtbank heeft dit ook terecht als feit vastgesteld en het Hof heeft dit als vaststaand feit overgenomen (zie overweging 3.1 van Hof uitspraak, onder 13): ‘(…) waarin de beleggingswijze is vastgesteld. Hierin staat onder meer vermeld: Client wants restricted management: no centralised managed portfolio management.’ Dit, terwijl de vermogensbeheer-overeenkomst met de bank in [R] het karakter had van een vermogensbeheer op basis van vrij beheer. Het cruciale verschil tussen een adviesovereenkomst en een vermogensbeheer op basis van vrij beheer wordt ook uiteengezet in de brief van 1 oktober 2004 van de Zwitserse bank aan de Singaporese directie: ‘Instead of u staking the desicisons fort he client, it is the client who decides if he wants to make changes in the portfolio.’ Dit, terwijl onder vrij beheer wordt verstaan: ‘The bank can act independently, without informing the client.’ (bijlage 25 bij het hoger beroepschrift in 2004). Daarbij wordt met cliënt uiteraard bedoeld de directie van belanghebbende als opdrachtgever.
7.17
Bij de beoordeling van de vestigingsplaats van een passieve beleggingsmaatschappij, zoals belanghebbende, gaat het — indien ‘management and control’ als ‘feitelijke leiding’ zou moeten worden uitgelegd — om de vraag of de Singaporese directie in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk zelfstandige beslissingsbevoegdheid heeft gehad ten aanzien van het beleggingsbeleid en/of het beheer van het vermogen. Dit dient naar de feiten en omstandigheden beoordeeld te worden. Of de Singaporese directie daarbij geadviseerd is door een externe vermogensbeheerder, doet daarbij niet ter zake. Het zwaartepunt dient in de onderhavige periode te liggen bij de door de Singaporese directie zelfstandig genomen bestuursbeslissingen ten aanzien van de beleggingen en niet bij de uitvoering van het vermogensbeheer door de banken in [R] en opeenvolgend Zwitserland, nu de vermogensbeheerder enkel uitvoerder is van de door de directie genomen beleggingsbeslissingen.
7.18
De Inspecteur heeft, alhoewel de bewijslast daartoe op hem rust, niet aannemelijk gemaakt dat de opdrachten aan de aandeelhouder feitelijk vanuit Nederland door de aandeelhouder werden gegeven, noch dat [C] en/of [E] dit niet konden doen zonder toestemming van de aandeelhouder, zoals de Rechtbank naar het oordeel van belanghebbende terecht heeft geoordeeld. Dat de opdrachten in de jaren 2005, 2006 en 2007 door de aandeelhouder zijn gegeven, blijkt voorts niet uit de door het Hof vastgestelde feiten en ook niet uit de gedingstukken.
— ad d en Ad 4; de in 2005, 2006 en 2007 door de Singaporese directie zelfstandig genomen bestuursbeslissingen raken de kernactiviteiten van de onderneming van belanghebbende
7.19
Naar het oordeel van belanghebbende heeft het Hof miskend dat de aard van de onderneming van belanghebbende, waarvan kenmerkend is het nagenoeg passief beleggen in risicomijdende waarden, zodanig is dat de feitelijk leiding daarvan slechts weinig activiteiten omvat. Als feitelijke leiding zullen niet kunnen worden aangemerkt …, zoals het opstellen van de jaarstukken en het verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders. Als zodanig moeten in casu naar het oordeel van belanghebbende wel worden beschouwd — indien ‘management and control’ als ‘feitelijke leiding’ zou moeten worden uitgelegd — activiteiten die een beslissing inhouden met betrekking tot de keuze van de (soort van) beleggingen, alsook met betrekking tot het uitbesteden van het vermogensbeheer en/of het beleggingsbeleid.
7.20
De uit de stukken bekende feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat laatstbedoelde beslissingen, die de kernactiviteit van de onderneming raken, in de jaren 2005, 2006 en 2007 zelfstandig zijn genomen door de Singaporese directie. In het licht daarvan acht belanghebbende onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat het Hof uit de aard van de door de Singaporese directie heeft afgeleid dat de aandeelhouder de feitelijke leiding van de onderneming in de onderhavige jaren zou hebben uitgeoefend. Dat 's Hofs beslissing niet juist kan zijn, moge ook meer in het bijzonder blijken uit de in 2005 hierboven uiteengezette genomen bestuursbesluiten.
7.21
Naar het oordeel van belanghebbende raken de door de Singaporese directie in het jaar 2005 genomen bestuursbesluiten, zoals vastgesteld onder de feiten, bij uitstek de kernactiviteiten van de onderneming van belanghebbende. Uit de feiten blijkt ook uitdrukkelijk dat door de Singaporese directie ter uitvoering van de bestuursbesluiten opdracht is gegeven aan de vermogensbeheerder (dit was voor de Rechtbank met betrekking tot het jaar 2004 een cruciaal onderdeel bij de bepaling van de vestigingsplaats in enerzijds de Curaçaose periode en anderzijds de Singaporese periode). Desalniettemin heeft het Hof met betrekking tot de jaren 2005, 2006 en 2007 ten aanzien van de bestuursbesluiten zonder dit nader te motiveren geoordeeld dat deze slechts uitvoerend van aard zijn, aangezien deze in het verlengde zouden liggen van de door de aandeelhouder genomen beslissingen. Dit oordeel van het Hof is voor belanghebbende volstrekt onbegrijpelijk. Er is juist door belanghebbende aangetoond dat dit niet het geval was.
7.22
Het Hof gaat in zijn uitspraak bovendien zonder dit nader te motiveren volledig voorbij aan de vele in 2006 en in 2007 door de Singaporese directie genomen bestuursbeslissingen. Deze bestuursbeslissingen zijn in hoger beroep onder meer als bijlage 4b (inzake het jaar 2006) en als bijlage 4c (inzake het jaar 2007) bij het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005 door belanghebbende overgelegd. Met geen woord rept het Hof over deze zelfstandig door de Singaporese directie in de jaren 2006 en 2007 genomen bestuursbeslissingen, die de kernactiviteiten van de onderneming raken, terwijl het Hof wel hetgeen volgens zijn oordeel voor 2005 heeft te gelden onverkort in zijn uitspraak toepast op de jaren 2006 en 2007. Uit deze bestuursbeslissingen dient naar het oordeel van belanghebbende wel degelijk te volgen dat belanghebbende in de onderhavige jaren in Singapore is gevestigd. Het Hof heeft zelfs niet geoordeeld dat deze in 2006 en 2007 genomen bestuursbeslissingen in het verlengde van de beslissingen van de aandeelhouder liggen, zoals het Hof met betrekking tot de in 2005 genomen bestuursbeslissingen heeft geoordeeld. Voor belanghebbende is dit onbegrijpelijk.
7.23
Op welke beslissingen van de aandeelhouder het Hof ten aanzien van de in 2005 door de Singaporese directie genomen bestuursbeslissingen doelt, is voor belanghebbende onduidelijk en volgt ook niet uit de rechtsoverwegingen van het Hof. Ook uit de door het Hof vastgestelde feiten en uit de gedingstukken volgt niet welke beslissingen van de aandeelhouder dit zouden kunnen zijn geweest.
7.24
Het oordeel van het Hof komt er feitelijk op neer dat elk door de Singaporese directie genomen bestuursbesluit vooraf werd gegaan door een aandeelhoudersbesluit. Dat dit feitelijk zo zou zijn gegaan, volgt echter, het zij herhaald, niet uit de door het Hof vastgestelde feiten, maar ook niet uit de gedingstukken. Integendeel. Dergelijke aandeelhoudersbesluiten zijn ook niet aangetroffen bij belanghebbende, dan wel bij een derde. Dit is ook niet geheel verwonderlijk, simpelweg omdat in de onderhavige periode — anders dan in 2002 — geen bijzondere aandeelhoudersbesluiten zijn genomen door de aandeelhouder. De enkele algemene stelling van de Inspecteur dat aan de door de Singaporese directie aan de vermogensbeheerder gegeven opdrachten aandeelhoudersbesluiten ten grondslag zouden liggen, maakt dit niet anders, hetgeen de Rechtbank in eerste aanleg ook terecht heeft overwogen. Deze (andere) overweging van het Hof is echter wel van essentieel belang bij de beoordeling waar belanghebbende in de jaren 2005, 2006 en 2007 feitelijk is gevestigd.
— ad e en Ad 6; de voorgeschiedenis in de jaren 2002 tot en met 2004, en dan met name de allonge van 19 december 2001, verschilt wezenlijk van de feitelijke situatie in de jaren 2005, 2006 en 2007
7.25
Feiten en omstandigheden, die zich hebben voorgedaan in een ander jaar dan de jaren 2005, 2006 en 2007, kunnen van belang zijn voor de beoordeling van de vestigingsplaats in de onderhavige periode (vgl. HR 23 september 1992, BNB 1993/193c; rechtsoverweging 3.3.5). Voorwaarde is echter wel dat de feitelijke situatie in de betreffende beoordelingsperiode voldoende vergelijkbaar is. Zo stelt ook A-G Overgaauw in de bijlage bij zijn conclusies met nrs. 39 713 e.v. van 4 maart 2004, BNB 2005/106, onder 7.6: ‘Een zekere beoordelingsperiode kan bij het onderzoek naar de vraag waar de vestigingsplaats van het lichaam is gelegen weliswaar in ogenschouw worden genomen, maar dan dient de feitelijke situatie (…) in die periode wel voldoende vergelijkbaar te zijn.’
7.26
Zoals in de gedingstukken uitvoerig is uiteengezet, verschilt de feitelijke situatie in de Curaçaose periode wezenlijk ten opzichte van de feitelijke situatie in de Singaporese periode (vgl. conclusie van dupliek d.d. 22 december 2014 inzake hoger beroep 2005, p. 4 t/m 13, bovenaan).
7.27
Daarnaast betreft de ‘allonge’ van 19 december 2001, die voor het Hof voor wat betreft de jaren 2005, 2006 en 2007 ‘met name’ van belang wordt geacht, enkel een afspraak met de Curaçaose directie vooraf gemaakt bij haar aanstelling. Deze afspraak was derhalve enkel van kracht tot 9 juli 2004. Dit is ook door belanghebbende in hoger beroep aangevoerd. Ook de Inspecteur heeft aldus uitdrukkelijk erkend: ‘De overeenkomst van 19 december 2001 (…) blijft tot 9 juli 2004 van kracht’ (zie de conclusie van repliek in hoger beroep van 22 oktober 2014 in de procedure voor het jaar 2005, p. 15 bovenaan, 2e gedachtestreepje). De reden dat de bedoelde ‘allonge’ enkel van kracht was tot 9 juli 2004 is dat met ingang van 9 juli 2004 de Singaporese directie aantrad, zoals vermeld onder de feiten.
7.28
In hoger beroep is ook door belanghebbende uitdrukkelijk aangevoerd dat met de Singaporese directie niet (ook) bij haar aanstelling een soortgelijke afspraak is gemaakt, maar het Hof is daaraan naar het oordeel van belanghebbende ten onrechte aan voorbijgegaan (vgl. het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005, p. 2, onderaan, alsmede de pleitnota d.d. 4 november 2015 inzake hoger beroep 2004, 2005, 2006 en 2007, onderdeel 1.38, p. 14). Ook [C] heeft verklaard dat met hem geen soortgelijke afspraak is gemaakt (vgl. de verklaring van [C] d.d. 26 augustus 2013; bijlage 2 behorende bij het verweerschrift d.d. 22 juli 2014 inzake hoger beroep 2005, p. 9, onderaan:
‘Tot slot wil ik kort ingaan op de insinuatie die de inspecteur aan het einde van 4.4.4.5 maakt, want deze toont aan dat hij zich laat leiden door emoties in plaats van feiten: ‘Of [A] met [F] nog aanvullende afspraken heeft gemaakt, vergelijkbaar met de brief van 19-12-2001, weet ik niet, maar ik acht zulks zeer wel mogelijk en zelfs aannemelijk.’
Buiten de management agreement en de jaarlijkse aandeelhoudersvergaderingen, heb ik geen afspraken met de aandeelhouder gemaakt. Het contact beperkte zich tot verzoeken om periodieke overzichten.’
7.29
De enkele algemene stelling van de Inspecteur dat hij het zeer aannemelijk acht dat met de Singaporese directie eenzelfde overeenkomst is gesloten (vgl. de conclusie van repliek in hoger beroep van 22 oktober 2014 in de procedure voor het jaar 2005, p. 15 bovenaan, 2e gedachtestreepje) is daartoe onvoldoende, temeer uit de vaststaande feiten en uit de gedingstukken juist volgt dat een soortgelijke afspraak niet met de Singaporese directie is gemaakt. Ook volgens de partijen met wie zo een overeenkomst gesloten zou moeten zijn, is een soortgelijke afspraak niet gemaakt.
7.30
De voorgeschiedenis in de jaren 2002 tot en met 2004, en dan met name de allonge van 19 december 2001, kan inzoverre geen relevante omstandigheid zijn voor de bepaling van de vestigingsplaats in de jaren 2005, 2006 en 2007. In het licht van het bovenstaande acht belanghebbende 's Hofs oordeel dat onder meer uit de voorgeschiedenis in de jaren 2002 tot en met 2004, en dan met name uit de allonge van 19 december 2001, valt af te leiden dat de feitelijke leiding ongewijzigd door de aandeelhouder in de jaren 2005, 2006 en 2007 is uitgeoefend, onbegrijpelijk.
Met conclusie
Op voormelde gronden zijn wij van oordeel dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust en/of onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen omkleed is. Namens belanghebbende concluderen wij dan ook tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, alsook tot integrale vernietiging van de litigieuze aanslagen en beschikkingen heffingsrente, onder de bepaling dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en tevens de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade.
Uitspraak 19‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 3, lid 4, Verdrag Nederland-Singapore. Uitleg van de uitdrukking "geleid en bestuurd".
Partij(en)
19 januari 2018
nr. 16/05066
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 augustus 2016, nrs. BK14/00364, BK‑14/00365 en BK‑14/00366, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 13/5165, SGR 13/5166 en SGR 13/5167) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2005, 2006 en 2007 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
De middelen richten zich tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende in de jaren 2005 en 2006 alsmede tot 3 april van het jaar 2007 voor de toepassing van het Belastingverdrag Nederland-Singapore van 19 februari 1971 (hierna: het Verdrag) inwoner was van Nederland.
2.2.
Middel 1 en ten dele middel 3 betogen dat ’s Hofs hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel berust op een onjuiste uitleg van artikel 3, lid 4, van het Verdrag. Middel 1 en middel 3 in zoverre falen op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 16/03321 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.
2.3.
Middel 2, dat betoogt dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling, faalt omdat het berust op een onjuiste lezing van ’s Hofs uitspraak. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het Hof bij zijn hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel niet enig bewijsvermoeden ten nadele van belanghebbende aangenomen en heeft het evenmin belanghebbende niet geslaagd geacht in enig van haar verlangd bewijs.
2.4.
Middel 3 voor het overige, dat het hiervoor in 2.1 vermelde oordeel bestrijdt met motiveringsklachten, kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.