Procestaal: Zweeds.
HvJ EU, 25-02-2025, nr. C-339/22
ECLI:EU:C:2025:108
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-02-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, M. Gavalec, E. Regan, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-339/22
- Conclusie
N. emiliou
- Roepnaam
BSH Hausgeräte
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:108, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑02‑2025
ECLI:EU:C:2024:687, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑09‑2024
Uitspraak 25‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 4, lid 1 — Algemene bevoegdheid — Artikel 24, punt 4 — Exclusieve bevoegdheid — Bevoegdheid inzake de registratie of de geldigheid van octrooien — Vordering wegens octrooi-inbreuk — Europees octrooi dat geldig is verklaard in lidstaten en in een derde land — Betwisting van de geldigheid van het octrooi bij wege van exceptie — Internationale bevoegdheid van het gerecht waarbij de vordering wegens octrooi-inbreuk aanhangig is gemaakt
K. Lenaerts, T. von Danwitz, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen, M. Gavalec, E. Regan, Z. Csehi, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-339/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) bij beslissing van 24 mei 2022, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
BSH Hausgeräte GmbH
tegen
Electrolux AB,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin, N. Jääskinen en M. Gavalec, kamerpresidenten, E. Regan, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 juni 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
BSH Hausgeräte GmbH, vertegenwoordigd door M. Dahlman, T. Grennard, advokater, en R. Sedlmaier, Rechtsanwalt,
- —
Electrolux AB, vertegenwoordigd door C. Harmsen, Rechtsanwalt, P. Larsson, B. Rundblom Andersson en J. Westerberg, advokater,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, A. Daniel en E. Timmermans als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Gustafsson, S. Noë en I. Söderlund als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2024,
gezien de beschikking van 16 april 2024 tot heropening van de mondelinge behandeling en na de terechtzitting op 14 mei 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
BSH Hausgeräte GmbH, vertegenwoordigd door M. Dahlman, T. Grennard, advokater, en R. Sedlmaier, Rechtsanwalt,
- —
Electrolux AB, vertegenwoordigd door C. Harmsen, Rechtsanwalt, en B. Rundblom Andersson, advokat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard, A. Daniel en E. Timmermans als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková, S. Noë en I. Söderlund als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, punt 4, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘Brussel I bis-verordening’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BSH Hausgeräte GmbH (hierna: ‘BSH’), een vennootschap naar Duits recht, en Electrolux AB, een vennootschap naar Zweeds recht, over de inbreuk op een Europees octrooi.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 13, 15 en 34 van de Brussel I bis-verordening luiden als volgt:
- ‘(13)
Er moet een band bestaan tussen de procedures waarop deze verordening van toepassing is en het grondgebied van de lidstaten. De gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid moeten derhalve in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft.
[…]
- (15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.
[…]
- (34)
De continuïteit tussen het Verdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’)], verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: ‘Brussel I-verordening’)] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het [Executieverdrag] en de verordeningen ter vervanging daarvan.’
4
Hoofdstuk II van die verordening, met als opschrift ‘Bevoegdheid’, bevat tien afdelingen. Artikel 4 van die verordening, dat is opgenomen in afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) van hoofdstuk II, bepaalt in lid 1 ervan:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
5
Artikel 24 van die verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 6 (‘Exclusieve bevoegdheid’) van hoofdstuk II, schrijft voor:
‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
[…]
- 4.
voor de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten die aanleiding geven tot deponering of registratie, ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen: de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de deponering of registratie is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Unie of een internationale overeenkomst.
Onverminderd de bevoegdheid van het Europees octrooibureau [(EOB)] krachtens het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München op 5 oktober 1973, zijn de gerechten van elke lidstaat bij uitsluiting bevoegd voor de registratie of de geldigheid van een voor die lidstaat verleend Europees octrooi;
[…]’
6
Artikel 27 van die verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 8 (‘Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid’) van hoofdstuk II, luidt:
‘Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 24 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.’
7
In de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening, die deel uitmaken van afdeling 9 (‘Aanhangigheid en samenhang’) van dat hoofdstuk, wordt vastgesteld in welke omstandigheden een gerecht van een lidstaat zijn uitspraak kan aanhouden of zelfs het geding kan beëindigen of, omgekeerd, het geding kan voortzetten, wanneer zijn bevoegdheid met name voortvloeit uit artikel 4 van die verordening en, op het moment dat een vordering wordt aangebracht bij dat gerecht van een lidstaat, voor een gerecht van een derde land een vordering tussen dezelfde partijen aanhangig is die op dezelfde oorzaak berust en hetzelfde onderwerp betreft, respectievelijk een samenhangende vordering aanhangig is.
8
Artikel 63, lid 1, van die verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk V (‘Algemene bepalingen’), bepaalt dat vennootschappen en rechtspersonen voor de toepassing van die verordening woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging.
9
Artikel 73 van de Brussel I bis-verordening, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VII (‘Verhouding tot andere regelgeving’), luidt:
- ‘1.
Deze verordening laat onverlet de toepassing van het Verdrag [betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 (PB 2007, L 339, blz. 3; hierna: ‘Verdrag van Lugano’)].
- 2.
Deze verordening laat onverlet de toepassing van het Verdrag [over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 1958].
- 3.
Deze verordening laat onverlet de toepassing van bilaterale verdragen en overeenkomsten tussen een derde land en een lidstaat, die zijn gesloten vóór de datum van inwerkingtreding van [de Brussel I-verordening] en die betrekking hebben op door de onderhavige verordening geregelde aangelegenheden.’
Zweeds recht
10
§ 61, tweede alinea, van de patentlag (1967:837) [octrooiwet (1967:837; hierna: ‘octrooiwet’)] bepaalt:
‘Indien een vordering wegens octrooi-inbreuk wordt ingesteld en de verweerder aanvoert dat het octrooi ongeldig is, kan de vraag betreffende de geldigheid pas worden onderzocht nadat daartoe een vordering is ingesteld. De rechter gelast de partij die aanvoert dat het octrooi ongeldig is, om een dergelijke vordering binnen een bepaalde termijn in te stellen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
BSH is houder van EP 1 434 512, een Europees octrooi dat een met stofzuigers verband houdende uitvinding beschermt. Dit octrooi is geldig verklaard in Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Turkije, hetgeen heeft geleid tot de verlening van nationale octrooien in die staten.
12
Op 3 februari 2020 heeft BSH bij de Patent- och marknadsdomstol (bijzondere rechter in eerste aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden) een vordering ingesteld tegen Electrolux wegens inbreuk op alle nationale gedeelten van dat Europees octrooi. Zij heeft die rechter met name verzocht Electrolux te gelasten het gebruik van de geoctrooieerde uitvinding te staken in alle staten waar dat Europees octrooi geldig is verklaard, en haar te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en tot vergoeding van de uit het gestelde onrechtmatige gebruik van die uitvinding voortvloeiende schade.
13
Electrolux heeft geconcludeerd tot afwijzing van die vorderingen. Bovendien heeft zij aangevoerd dat de vorderingen wegens inbreuk op de andere nationale gedeelten van octrooi EP 1 434 512 dan het Zweedse gedeelte (hierna: ‘buitenlandse octrooien’) niet-ontvankelijk waren.
14
In dat verband heeft Electrolux betoogd dat de buitenlandse octrooien ongeldig waren en dat de Zweedse gerechten niet bevoegd waren om over inbreuken op die octrooien uitspraak te doen. Volgens Electrolux moet de vordering wegens octrooi-inbreuk worden beschouwd als een geschil inzake ‘de geldigheid van octrooien’ in de zin van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening, aangezien zij onlosmakelijk verbonden is met de vraag betreffende de geldigheid van de betrokken octrooien. Krachtens die bepaling zijn dan ook de gerechten van de lidstaten waar de buitenlandse octrooien geldig zijn verklaard, bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van BSH wegens inbreuk op die nationale octrooien. Hieruit volgt dat het Zweedse gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, niet bevoegd is om uitspraak te doen over de inbreuk op die octrooien.
15
Volgens Electrolux ziet § 61, tweede alinea, van de octrooiwet, volgens welke de vraag betreffende de geldigheid van een octrooi moet worden onderzocht in een procedure die losstaat van de vordering wegens inbreuk op dat octrooi, enkel op Zweedse octrooien. Aangezien het Zweedse recht uitsluitend van toepassing is op Zweedse octrooien, kan een Zweeds gerecht op grond van die bepaling geen kennis nemen van een geding waarin de verweerder zich in het kader van een vordering wegens octrooi-inbreuk beroept op de ongeldigheid van een door een andere staat dan het Koninkrijk Zweden verleend octrooi. Als gevolg daarvan moet BSH vorderingen wegens inbreuk op buitenlandse octrooien instellen in de staten waar deze geldig zijn verklaard.
16
Bij beslissing van 21 december 2020 heeft de Patent- och marknadsdomstol zich op grond van artikel 24, punt 4, en artikel 27 van de Brussel I bis-verordening onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de door BSH ingestelde vordering wegens inbreuk op in andere lidstaten dan het Koninkrijk Zweden geldig verklaarde octrooien. Die rechter heeft zich ook onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vordering wegens inbreuk op het in Turkije geldig verklaarde octrooi (hierna: ‘Turks octrooi’), op grond dat artikel 24, punt 4, van die verordening zijns inziens de uitdrukking vormt van een internationaal aanvaard beginsel van rechtsmacht.
17
BSH heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, in zijn hoedanigheid van rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendomszaken en handelszaken, Zweden), de verwijzende rechter. BSH heeft aangevoerd dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing is op ‘zuivere’ vorderingen wegens octrooi-inbreuk, zodat het op grond van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aangezochte gerecht kennis kan nemen van een vordering wegens inbreuk op een buitenlands octrooi, ook al is het niet bevoegd om uitspraak te doen over een vordering tot nietigverklaring van dat octrooi. Volgens die partij in het hoofdgeding kon de Patent- och marknadsdomstol op grond van de uit artikel 4, lid 1, van die verordening voortvloeiende internationale rechtsmacht bovendien kennisnemen van de vordering wegens inbreuk op een niet in een lidstaat verleend of geldig verklaard buitenlands octrooi, zoals in casu het Turkse octrooi. Dientengevolge was die rechter bevoegd om uitspraak te doen over de vordering wegens octrooi-inbreuk in haar geheel, zelfs wat dat Turkse octrooi betreft. Het beginsel dat de rechtsmacht in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder, wordt namelijk internationaal aanvaard.
18
Electrolux heeft bij de verwijzende rechter in wezen herinnerd aan het standpunt dat zij bij de Patent- och marknadsdomstol had ingenomen, namelijk dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening van toepassing is op inbreukprocedures in het kader waarvan de ongeldigheid van het betrokken octrooi wordt aangevoerd als verweermiddel. De Zweedse gerechten zijn niet bevoegd om kennis te nemen van het geding in zijn geheel omdat de inbreuk- en de geldigheidskwestie niet los van elkaar kunnen worden gezien.
19
De verwijzende rechter is onzeker of de Zweedse gerechten bevoegd zijn. Hij vraagt zich allereerst af of artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de uitdrukking ‘voor de registratie of de geldigheid van octrooien, […], ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen’ ook de vordering wegens inbreuk op het octrooi omvat wanneer de verweerder bij wege van exceptie de ongeldigheid van dat octrooi heeft opgeworpen. Die bepaling zou aldus kunnen worden uitgelegd dat het nationale gerecht geen kennis kan nemen van de vordering wegens inbreuk op alle andere nationale gedeelten van het Europees octrooi dan het in de lidstaat van dat gerecht geldig verklaarde gedeelte, wanneer de verweerder in het kader van die vordering een exceptie van ongeldigheid van die nationale gedeelten heeft opgeworpen. Eén enkele procedure bij één enkel gerecht zou het risico van tegenstrijdige beslissingen verminderen, maar een dergelijke uitlegging zou inhouden dat de verzoeker ook in andere lidstaten vorderingen wegens octrooi-inbreuk moet instellen.
20
De verwijzende rechter verklaart dat volgens een andere mogelijke uitlegging het nationale gerecht waarbij een vordering wegens octrooi-inbreuk is ingesteld en in het kader waarvan de verweerder een exceptie van ongeldigheid van de buitenlandse octrooien opwerpt, enkel onbevoegd is om kennis te nemen van die exceptie en bijgevolg uitspraak kan doen over die vordering wegens octrooi-inbreuk. Die uitlegging vindt met name steun in de noodzaak om artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening, als uitzondering op de algemene regel van artikel 4, lid 1, van die verordening, restrictief uit te leggen, alsmede in het doel ervan om geschillen over de geldigheid van octrooien voor te behouden aan de gerechten van de staat van registratie.
21
Voor het geval dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen in het kader van een vordering wegens octrooi-inbreuk, die vordering onder de in die bepaling vastgestelde exclusieve bevoegdheid valt, vraagt de verwijzende rechter zich vervolgens af of die uitlegging terzijde kan worden geschoven op grond van een nationale bepaling als § 61, tweede alinea, van de octrooiwet, die de verweerder verplicht om voor de nietigverklaring van dat octrooi een afzonderlijke vordering in te stellen.
22
Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of het feit dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees octrooi geldig is verklaard in een derde land van enig belang is voor zijn bevoegdheid. Volgens die rechter is het niet duidelijk of artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening van toepassing is op de gerechten van een derde land, in casu de Republiek Turkije, aangezien de artikelen 33 en 34 van die verordening op dergelijke gerechten zien. De verwijzende rechter merkt daarbij op dat uit het arrest van 1 maart 2005, Owusu (C-281/02, EU:C:2005:120, punten 26 en 35), zou kunnen voortvloeien dat artikel 4 van de Brussel I bis-verordening ook geldt voor de gerechten van derde landen.
23
Tegen die achtergrond heeft de Svea hovrätt, Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 24, punt 4, van [de Brussel I bis-verordening] aldus te worden uitgelegd dat de uitdrukking ‘voor de registratie of de geldigheid van octrooien, […] ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen’ inhoudt dat een nationale rechter die zich overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een geschil ter zake van een octrooi-inbreuk, niet meer bevoegd is om uitspraak te doen over die inbreuk indien een exceptie wordt opgeworpen waarmee wordt gesteld dat het betreffende octrooi ongeldig is, of dient die bepaling aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter dan enkel onbevoegd is om kennis te nemen van de exceptie van ongeldigheid?
- 2)
Hangt het antwoord op de eerste vraag af van het antwoord op de vraag of het nationale recht [soortgelijke] bepalingen bevat [als] de tweede alinea van § 61 van de [octrooiwet], op grond waarvan de verweerder in een inbreukprocedure slechts een exceptie van ongeldigheid kan opwerpen indien hij een afzonderlijke vordering tot nietigverklaring instelt?
- 3)
Dient artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus te worden uitgelegd dat het van toepassing is op een gerecht van een derde [staat], dat wil zeggen, in de onderhavige zaak, aldus dat ook aan een gerecht in Turkije exclusieve bevoegdheid wordt toegekend ten aanzien van het gedeelte van het aldaar geldig verklaarde Europees octrooi?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
24
Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi aanhangig is gemaakt, bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering wanneer de verweerder in het kader van die vordering bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi ter discussie stelt.
25
De verwijzende rechter wenst tevens te vernemen of het voor het antwoord op die vraag van belang is dat die verweerder op grond van een nationale procedureregel een afzonderlijke vordering tot nietigverklaring van dat octrooi moet instellen.
26
Wat die laatste vraag betreft, moet er meteen op worden gewezen dat een dergelijke nationale regel geen invloed kan hebben op de uitlegging van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening. Deze bepaling bevat namelijk geen enkele verwijzing naar het recht van de lidstaten, zodat de daarin opgenomen uitdrukkingen moeten worden beschouwd als autonome Unierechtelijke begrippen die, ongeacht een nationale regel of procedure ter zake, in alle lidstaten op uniforme wijze dienen te worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Berlin Chemie A. Menarini, C-333/20, EU:C:2022:291, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In de specifieke context van de uitlegging van de Brussel I bis-verordening dient overeenkomstig overweging 34 van die verordening bovendien continuïteit te worden gewaarborgd in de uitlegging van de bepalingen die in de plaats zijn gekomen van de in de vorige regeling als ‘gelijkwaardig’ te beschouwen bepalingen, zoals artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag en artikel 22, punt 4, van de Brussel I-verordening, die zijn vervangen door artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening (zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punten 29 en 37).
29
Ingevolge artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Artikel 63, lid 1, van die verordening preciseert dat vennootschappen en rechtspersonen woonplaats hebben op de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging.
30
Die regel dat de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft bevoegd zijn, geldt volgens artikel 4, lid 1, van die verordening evenwel ‘onverminderd’ de andere bepalingen van de Brussel I bis-verordening. Die bevoegdheidsregel vormt overeenkomstig overweging 15 van die verordening immers een basisregel, waarop die verordening in een aantal uitzonderingen voorziet. Daartoe behoort onder meer artikel 24 van die verordening, op grond waarvan de gerechten van een bepaalde lidstaat ‘ongeacht de woonplaats van partijen’ bij uitsluiting bevoegd zijn voor bepaalde in dat artikel genoemde aangelegenheden.
31
Wat met name octrooien betreft, wordt in artikel 24, punt 4, eerste alinea, van de Brussel I bis-verordening bepaald dat ‘voor de registratie of de geldigheid van octrooien, […] ongeacht of de kwestie bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie wordt opgeworpen[…] de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de […] registratie [van het octrooi] is verzocht, heeft plaatsgehad of geacht wordt te hebben plaatsgehad in de zin van een besluit van de Unie of een internationale overeenkomst’ bij uitsluiting bevoegd zijn (hierna: ‘lidstaat waar het octrooi is verleend’).
32
Volgens punt 4, tweede alinea, van deze verordening zijn de gerechten van elke lidstaat bij uitsluiting bevoegd voor de registratie of de geldigheid van een voor die lidstaat verleend Europees octrooi.
33
Op grond van artikel 24, punt 4, tweede alinea, van de Brussel I bis-verordening gelden voor een Europees octrooi dat door het EOB is verleend volgens de procedure die in dat verband is vastgesteld in het te München op 5 oktober 1973 ondertekende Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien en dat vervolgens in een lidstaat geldig is verklaard, derhalve dezelfde bevoegdheidsregels ter zake van de geldigheid ervan als voor een nationaal octrooi.
34
Uit de bewoordingen van artikel 24, punt 4, eerste alinea, van die verordening, die in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, blijkt bovendien duidelijk dat het, wat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de betrokken lidstaat betreft, irrelevant is of de kwestie van de registratie of de geldigheid van het octrooi wordt opgeworpen bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie.
35
Krachtens artikel 24, punt 4, van die verordening zijn de gerechten van de lidstaat waar het octrooi is verleend, derhalve bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van een betwisting ter zake van de registratie of de geldigheid van dat octrooi, ongeacht of die betwisting aan de orde wordt gesteld bij wege van rechtsvordering dan wel exceptie als verweermiddel in het kader van een vordering wegens octrooi-inbreuk voor een gerecht van een andere lidstaat.
36
Die exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het octrooi is verleend voor geschillen over de registratie of de geldigheid van dat octrooi wordt gerechtvaardigd zowel door het feit dat de verlening van octrooien de tussenkomst van de nationale administratie impliceert, als door de omstandigheid dat deze gerechten het best geplaatst zijn om kennis te nemen van de gevallen waarin het geschil zelf de geldigheid van het octrooi of het bestaan van de deponering of de registratie tot inzet heeft. De gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de registers worden bijgehouden, kunnen krachtens hun nationaal recht uitspraak doen over de geldigheid van de octrooien die in die lidstaat werden verleend. Deze zorg voor een goede rechtsbedeling is des te belangrijker op het gebied van octrooien, nu meerdere lidstaten, gelet op de specifieke aard van de materie, een bijzonder stelsel van rechterlijke bescherming in het leven hebben geroepen waarbij deze geschillen aan gespecialiseerde gerechten worden voorbehouden (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, GAT, C-4/03, EU:C:2006:457, punten 22 en 23).
37
Wordt bij een gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening een vordering wegens inbreuk op een door een andere lidstaat verleend octrooi ingesteld in het kader waarvan de verwerende partij bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi betwist, dan is het dit gerecht — gelet op de in artikel 24, punt 4, van die verordening bedoelde exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het octrooi is verleend — dus niet toegestaan om incidenteel de nietigheid van dat octrooi vast te stellen, maar dient het zich overeenkomstig artikel 27 van die verordening onbevoegd te verklaren ten aanzien van de kwestie van de geldigheid van dat octrooi (zie met betrekking tot artikel 16, punt 4, van het Executieverdrag arrest van 13 juli 2006, GAT, C-4/03, EU:C:2006:457, punten 26 en 31).
38
De vraag rijst evenwel of in een dergelijk geval het gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering wegens octrooi-inbreuk, dan wel of het zich onbevoegd moet verklaren voor het gehele geschil betreffende het in een andere lidstaat verleende octrooi.
39
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat overeenkomstig de bewoordingen van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening de daarin neergelegde regel van exclusieve bevoegdheid uitsluitend betrekking heeft op geschillen ter zake van ‘de registratie of de geldigheid van octrooien’.
40
Het Hof heeft er reeds op gewezen dat die bepaling met name niet ziet op vorderingen wegens octrooi-inbreuk, ofschoon een dergelijke vordering een grondige analyse impliceert van de omvang van de bescherming die door dat octrooi wordt geboden krachtens het octrooirecht van het land waar dit octrooi is verleend (zie in die zin arresten van 15 november 1983, Duijnstee, 288/82, EU:C:1983:326, punten 22 en 23, en 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 48).
41
De in artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening vastgestelde regel van exclusieve bevoegdheid ziet dus slechts op het gedeelte van het geschil dat de geldigheid van het octrooi betreft. Hieruit volgt dat een gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, dat krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bevoegd is om kennis te nemen van een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi, die bevoegdheid niet verliest op de enkele grond dat die verweerder bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi betwist.
42
De in het vorige punt van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening vindt steun in de opzet van die verordening en in de doelstellingen die zowel door de verordening als door die bepaling worden nagestreefd.
43
In de eerste plaats moet het begrip geschil inzake ‘de geldigheid van octrooien’ in de zin van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening immers strikt worden uitgelegd, aangezien het een exclusieve bevoegdheid toekent die een uitzondering vormt op de in artikel 4 van die verordening geformuleerde algemene regel dat het gerecht waar de verweerder woonplaats heeft, bevoegd is (zie in die zin arresten van 15 november 1983, Duijnstee, 288/82, EU:C:1983:326, punt 23, en 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
Bovendien zou een uitlegging volgens welke een gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft zijn bevoegdheid tot kennisneming van een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi verliest louter omdat die verweerder incidenteel de geldigheid van dat octrooi betwist, impliceren, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 69 en 70 van zijn conclusie van 22 februari 2024, dat de uitzondering van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening de regel wordt in een groot deel van de octrooigeschillen.
45
Zoals het Hof in punt 17 van zijn arrest van 13 juli 2006, GAT (C-4/03, EU:C:2006:457), heeft opgemerkt, wordt de kwestie van de geldigheid van het octrooi immers zeer vaak als verweer opgeworpen in het kader van vorderingen wegens octrooi-inbreuk. De toepassing van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening zou derhalve beperkt blijven tot geschillen waarin een dergelijk verweermiddel niet wordt aangevoerd, terwijl die regel uitdrukking geeft aan de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, waarbij die bevoegdheid — zoals blijkt uit overweging 15 van die verordening — het beginsel vormt waarop de bevoegdheidsregels van die verordening zijn gebaseerd.
46
In de tweede plaats blijkt uit die overweging 15 dat de Brussel I bis-verordening beoogt de rechtszekerheid te waarborgen door de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar te maken. Een dergelijk doel kan niet worden bereikt mocht er worden aanvaard dat een gerecht van een lidstaat, naargelang het door de verweerder gekozen verweer en, in voorkomend geval, op het moment waarop deze dit opportuun acht — met name in de veronderstelling dat een dergelijk verweermiddel volgens de procedurevoorschriften van het forum mag worden aangevoerd in elke stand van het geding —, zijn bevoegdheid zou verliezen om uitspraak te doen over de vordering die rechtmatig bij hem aanhangig is gemaakt. Zoals de advocaat-generaal in de punten 73 en 74 van zijn conclusie van 22 februari 2024 heeft benadrukt, zou een dergelijke uitlegging van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening immers tot gevolg hebben dat gedurende de hele procedure bij dat gerecht het risico bestaat dat het zich onbevoegd moet verklaren.
47
Aangezien een gerecht van een lidstaat zich op grond van artikel 27 van de Brussel I bis-verordening onbevoegd moet verklaren wanneer een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, zonder dat hij de zaak aan dat gerecht kan overdragen, zou die uitlegging bovendien impliceren dat een verweerder, door een exceptie van ongeldigheid van een in een andere lidstaat dan die van zijn woonplaats verleend octrooi op te werpen, een einde kan maken aan de inbreukprocedure die nochtans rechtmatig tegen hem werd ingesteld bij een gerecht van de lidstaat waar hij woonplaats heeft.
48
In de derde plaats beantwoordt de in punt 41 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening helemaal aan de doelstelling van die bepaling — die erin bestaat, zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de gevallen waarin het geschil zelf de registratie of de geldigheid van een octrooi tot inzet heeft voor te behouden aan de gerechten van de lidstaat waar dat octrooi is verleend, welke gerechten het best geplaatst zijn om kennis te nemen van die geschillen gelet op de band van feitelijke nabijheid of de juridische band —, zonder verder te gaan dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken.
49
Zoals de advocaat-generaal in de punten 75 en 77 van zijn conclusie van 22 februari 2024 heeft opgemerkt, stelt deze uitlegging, anders dan die waarnaar wordt verwezen in punt 44 van het onderhavige arrest, de houder van een Europees octrooi die meent dat dezelfde verweerder in meerdere lidstaten inbreuk op dat octrooi heeft gemaakt, met name in staat om al zijn vorderingen wegens octrooi-inbreuk te bundelen en bij een enkel gerecht een allesomvattend herstel te verkrijgen, waardoor met name het risico van uiteenlopende beslissingen wordt vermeden.
50
Ten slotte wordt aan de in punt 41 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening niet afgedaan door het feit dat de toepassing ervan kan leiden tot een opsplitsing in, enerzijds, de inbreukprocedure, die aanhangig blijft bij een gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, en, anderzijds, het geschil betreffende de geldigheid van het in een andere lidstaat verleende octrooi, waarvoor de gerechten van laatstgenoemde lidstaat krachtens die bepaling bij uitsluiting bevoegd zijn.
51
Zoals de advocaat-generaal in de punten 79 tot en met 94 van zijn conclusie van 22 februari 2024 in wezen heeft opgemerkt, betekent een dergelijke opsplitsing immers niet dat het gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij de vordering wegens octrooi-inbreuk is ingesteld, voorbij dient te gaan aan het feit dat die verweerder naar behoren een vordering tot nietigverklaring van het in een andere lidstaat verleende octrooi heeft ingesteld in die andere lidstaat. Indien het gerecht dit gerechtvaardigd acht, met name wanneer het van oordeel is dat er een redelijke en niet te verwaarlozen kans bestaat dat dit octrooi door het bevoegde gerecht van die andere lidstaat nietig wordt verklaard (zie naar analogie arrest van 12 juli 2012, Solvay, C-616/10, EU:C:2012:445, punt 49), kan het gerecht waarbij de vordering wegens octrooi-inbreuk is ingesteld, in voorkomend geval de procedure schorsen zodat hij bij de uitspraak op die vordering rekening kan houden met een beslissing van het gerecht waarbij de vordering tot nietigverklaring is ingesteld.
52
Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus dient te worden uitgelegd dat een gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi aanhangig is gemaakt, bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering wanneer de verweerder in het kader van die vordering bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi ter discussie stelt, ofschoon de bevoegdheid om uitspraak te doen over die geldigheid uitsluitend bij de gerechten van die andere lidstaat berust.
Derde vraag
53
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een gerecht van een derde land en bijgevolg aan dat gerecht een exclusieve bevoegdheid toekent om de geldigheid van een in dat land verleend of geldig verklaard octrooi te beoordelen.
54
Volgens artikel 24, punt 4, van die verordening zijn, met name ter zake van de geldigheid van octrooien, de gerechten van de lidstaat waar het octrooi is verleend bij uitsluiting bevoegd, ongeacht de woonplaats van de partijen. Zoals blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest, maakt die bepaling in dat verband geen onderscheid tussen een in een lidstaat verleend nationaal octrooi en een in een lidstaat geldig verklaard Europees octrooi.
55
Uit de bewoordingen van artikel 24, punt 4, van die verordening volgt dat die bepaling ziet op de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten voor geschillen ter zake van de registratie of de geldigheid van door die lidstaten verleende octrooien. Zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie van 5 september 2024 in wezen heeft opgemerkt, is het stelsel van de Brussel I bis-verordening, net als de daaraan voorafgaande handelingen, immers een bevoegdheidsregeling die intern is aan de Europese Unie en die eigen doelstellingen nastreeft, zoals de goede werking van de interne markt en de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
56
Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing kan worden geacht in een situatie waarin de betrokken octrooien niet in een lidstaat, maar in een derde land zijn verleend of geldig verklaard (zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 35).
57
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening niet van toepassing is op een gerecht van een derde land en dat het aan een dergelijk gerecht dus geen — al dan niet exclusieve — bevoegdheid toekent om de geldigheid van een in dat land verleend of geldig verklaard octrooi te beoordelen.
58
Gelet op de twijfels die de verwijzende rechter heeft geuit over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening en teneinde die rechter een nuttig antwoord te geven, moet evenwel nog worden uitgemaakt of, wanneer bij een gerecht van een lidstaat krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening een vordering wegens inbreuk op een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi aanhangig is gemaakt en in het kader van die vordering bij wege van exceptie de kwestie van de geldigheid van dat octrooi wordt opgeworpen, dat gerecht op grond van artikel 4, lid 1, bevoegd is om over die exceptie uitspraak te doen.
59
In dat verband zij eraan herinnerd dat de betrokken rechtsverhouding een extraneïteitselement dient te bevatten om binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening te vallen. Dat element kan zowel voortvloeien uit de woonplaats van de verweerder als uit het voorwerp van het geschil, waarbij dit voorwerp gelegen kan zijn in een derde land, aangezien die rechtsverhouding van dien aard is dat zij bij een gerecht van een lidstaat de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband aan de orde stelt (zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punten 27–29).
60
Vast staat dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechtsverhouding, waarop de derde vraag betrekking heeft, extraneïteitselementen bevat die verband houden met, ten eerste, de woonplaats van de verzoeker, doordat deze zich in een andere lidstaat bevindt dan de woonplaats van de verweerder, en, ten tweede, het voorwerp van het geschil, doordat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde octrooi in een derde land, te weten in Turkije, geldig is verklaard. Bijgevolg valt deze rechtsverhouding binnen de werkingssfeer van die verordening.
61
Hieruit volgt dat de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, krachtens de algemene regel van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening in beginsel bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering wegens octrooi-inbreuk die tegen die verweerder is ingesteld door de houder van een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi die woonplaats heeft in een andere lidstaat. Bovendien strekt de bevoegdheid van het aldus aangezochte gerecht van de lidstaat zich op grond van die algemene regel in beginsel uit tot de kwestie van de geldigheid van dat octrooi die bij wege van exceptie wordt opgeworpen in het kader van die vordering wegens octrooi-inbreuk.
62
Opgemerkt zij evenwel dat deze principiële bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij een dergelijk geschil aanhangig is gemaakt, om kennis te nemen van het gedeelte van het geschil dat ziet op de geldigheid van een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi, kan zijn beperkt door bijzondere regels, zoals die van artikel 73 van de Brussel I bis-verordening.
63
Krachtens artikel 73, lid 1, van die verordening zijn de gerechten van de staten die partij zijn bij het Verdrag van Lugano, bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van een kwestie betreffende de geldigheid van een in een van die verdragsluitende staten verleend octrooi, aangezien dit verdrag in artikel 22, punt 4, ervan een soortgelijke regel als die van artikel 24, punt 4, van die verordening bevat.
64
Evenzo kan in een bilaterale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde land onder de voorwaarden van artikel 73, lid 3, van die verordening worden bepaald dat de gerechten van dat derde land bij uitsluiting bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen ter zake van de geldigheid van in dat derde land verleende octrooien.
65
Bovendien kan een gerecht van een lidstaat waarvan de bevoegdheid is gegrond op artikel 4 van die verordening, in de in de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening genoemde omstandigheden ertoe worden gebracht om de bevoegdheid van de gerechten van derde landen te erkennen door zijn uitspraak aan te houden of zelfs door het aanhangige geding te beëindigen, wanneer op het moment dat bij eerstgenoemd gerecht een vordering wordt aangebracht, voor een gerecht van een derde land hetzij tussen dezelfde partijen reeds een vordering aanhangig is die op dezelfde oorzaak berust en hetzelfde onderwerp betreft, hetzij een samenhangende vordering aanhangig is.
66
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt geen enkele beperking waarin dergelijke bijzondere regels voorzien, in casu relevant te zijn. De Republiek Turkije is namelijk geen partij bij het Verdrag van Lugano en het dossier waarover het Hof beschikt, bevat geen enkele aanwijzing over het bestaan van een tussen het Koninkrijk Zweden en dat derde land toepasselijke bilaterale overeenkomst of van een bij een gerecht van dat derde land aanhangige procedure in de zin van de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening.
67
Zoals de advocaat-generaal er in punt 23 van zijn conclusie van 22 februari 2024 op heeft gewezen, bevat het te München op 5 oktober 1973 ondertekende Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien bovendien geen enkele bepaling die de bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende partijen om kennis te nemen van grensoverschrijdende geschillen ter zake van het Europees octrooi, uitdrukkelijk afbakent of beperkt.
68
Niettemin moet worden uitgemaakt of de op artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening gebaseerde bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat om kennis te nemen van de kwestie van de geldigheid van een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi wanneer die kwestie bij wege van exceptie wordt opgeworpen in het kader van een bij dat gerecht ingestelde vordering wegens octrooi-inbreuk, wordt beperkt door het algemene volkenrecht.
69
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat de regels en beginselen van het algemene volkenrecht als zodanig bindend zijn voor de instellingen van de Unie en deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK, C-266/16, EU:C:2018:118, punt 47, en 7 mei 2020, Rina, C-641/18, EU:C:2020:349, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat een krachtens de bevoegdheden van de Unie vastgestelde handeling, zoals de Brussel I bis-verordening, moet worden uitgelegd — en haar werkingssfeer moet worden afgebakend — met inachtneming van die regels en beginselen (zie in die zin arresten van 24 november 1992, Poulsen en Diva Navigation, C-286/90, EU:C:1992:453, punt 9, en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punt 291).
70
Enerzijds moet erop worden gewezen dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de op de woonplaats van de verweerder gestoelde bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat om uitspraak te doen in een geschil dat wegens het voorwerp ervan minstens gedeeltelijk aanknoping heeft met een derde land, niet in strijd is met het volkenrechtelijk beginsel van de relatieve werking van verdragen (zie in die zin arrest van 1 maart 2005, Owusu, C-281/02, EU:C:2005:120, punten 30 en 31).
71
Anderzijds moet worden opgemerkt dat die bevoegdheid van het gerecht waar de verweerder woonplaats heeft, moet worden uitgeoefend zonder inbreuk te maken op het beginsel van niet-inmenging, dat inhoudt dat een staat zich niet mag mengen in zaken die hoofdzakelijk onder de nationale bevoegdheid van een andere staat vallen.
72
In de uitoefening van zijn bevoegdheden kan een staat intellectuele-eigendomstitels afgeven, geldig verklaren en registreren, waarbij die titels op het grondgebied van die staat aan de houder ervan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten, zoals een octrooi, verlenen. Uit het rapport van P. Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1) blijkt bovendien dat een van de redenen waarom bij artikel 16, punt 4, van dat verdrag — dat overeenkomt met artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening — aan de gerechten van de verdragsluitende staat die een octrooi heeft verleend een exclusieve bevoegdheid werd toegekend om uitspraak te doen in geschillen ter zake van de registratie of de geldigheid van dat octrooi, is gelegen in het feit dat ‘de verlening van een nationaal octrooi voortvloeit uit de nationale soevereiniteit’. Zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is opgemerkt, wordt die exclusieve bevoegdheid bovendien gerechtvaardigd zowel door het feit dat de verlening van octrooien de tussenkomst van de nationale administratie impliceert, als door de omstandigheid dat deze gerechten het best geplaatst zijn om kennis te nemen van de gevallen waarin het geschil zelf de geldigheid van het octrooi of het bestaan van de deponering of de registratie tot inzet heeft.
73
Aangezien een rechterlijke beslissing tot nietigverklaring van een octrooi gevolgen heeft voor het bestaan of, in geval van gedeeltelijke nietigverklaring, de inhoud van die exclusieve rechten, kunnen alleen de bevoegde gerechten van die staat een dergelijke beslissing geven. Uit het in punt 71 van het onderhavige arrest vermelde beginsel van niet-inmenging volgt namelijk dat enkel de gerechten van het derde land waar een octrooi is verleend of geldig verklaard, bevoegd zijn om dat octrooi nietig te verklaren bij een beslissing die kan leiden tot wijzigingen in het nationale register van dat land wat het bestaan of de inhoud van dat octrooi betreft.
74
Daarentegen is het gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij, zoals in het hoofdgeding, op grond van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening een vordering wegens octrooi-inbreuk is ingesteld in het kader waarvan bij wege van exceptie de kwestie van de geldigheid van een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi wordt opgeworpen, bevoegd om over die kwestie uitspraak te doen indien geen van de in de punten 63 tot en met 65 van het onderhavige arrest genoemde beperkingen van toepassing is, aangezien de in dat verband gevraagde beslissing van dat gerecht niet van dien aard is dat zij gevolgen heeft voor het bestaan of de inhoud van dat octrooi in dat derde land of dat het nationale register van dat land wordt gewijzigd.
75
Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie van 22 februari 2024 heeft opgemerkt en de partijen in het hoofdgeding en de Europese Commissie ter terechtzitting van 14 mei 2024 voor het Hof hebben aangegeven, heeft die beslissing immers uitsluitend werking inter partes, dat wil zeggen dat de draagwijdte ervan beperkt is tot de partijen in het geding. Wordt de kwestie van de geldigheid van een in een derde land verleend octrooi bij wege van exceptie opgeworpen in het kader van een vordering wegens inbreuk op dat octrooi voor een gerecht van een lidstaat, dan strekt die exceptie dus slechts tot afwijzing van die vordering en niet tot verkrijging van een beslissing die de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van dat octrooi met zich meebrengt. Die beslissing kan met name in geen geval een bevel inhouden dat is gericht aan de administratieve autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden van het nationale register van het betrokken derde land.
76
Uit een en ander volgt dat op de derde vraag dient te worden geantwoord dat artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een gerecht van een derde land en dat het aan een dergelijk gerecht dus geen — al dan niet exclusieve — bevoegdheid toekent om de geldigheid van een in dat land verleend of geldig verklaard octrooi te beoordelen. Indien krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening bij een gerecht van een lidstaat een vordering wegens inbreuk op een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi aanhangig wordt gemaakt en in dat kader bij wege van exceptie de kwestie van de geldigheid van dat octrooi wordt opgeworpen, is dat gerecht op grond van artikel 4, lid 1, van die verordening bevoegd om over die exceptie uitspraak te doen, aangezien zijn beslissing dienaangaande niet van dien aard is dat zij gevolgen heeft voor het bestaan of de inhoud van dat octrooi in dat derde land of dat het nationale register van dat land wordt gewijzigd.
Kosten
77
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 24, punt 4, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
een gerecht van de lidstaat van de woonplaats van de verweerder waarbij krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening een vordering wegens inbreuk op een in een andere lidstaat verleend octrooi aanhangig is gemaakt, bevoegd blijft om kennis te nemen van die vordering wanneer de verweerder in het kader van die vordering bij wege van exceptie de geldigheid van dat octrooi ter discussie stelt, ofschoon de bevoegdheid om uitspraak te doen over die geldigheid uitsluitend bij de gerechten van die andere lidstaat berust.
- 2)
Artikel 24, punt 4, van verordening nr. 1215/2012
moet aldus worden uitgelegd dat
het niet van toepassing is op een gerecht van een derde land en dat het aan een dergelijk gerecht dus geen — al dan niet exclusieve — bevoegdheid toekent om de geldigheid van een in dat land verleend of geldig verklaard octrooi te beoordelen. Indien krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening bij een gerecht van een lidstaat een vordering wegens inbreuk op een in een derde land verleend of geldig verklaard octrooi aanhangig wordt gemaakt en in dat kader bij wege van exceptie de kwestie van de geldigheid van dat octrooi wordt opgeworpen, is dat gerecht op grond van artikel 4, lid 1, van die verordening bevoegd om over die exceptie uitspraak te doen, aangezien zijn beslissing dienaangaande niet van dien aard is dat zij gevolgen heeft voor het bestaan of de inhoud van dat octrooi in dat derde land of dat het nationale register van dat land wordt gewijzigd.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑02‑2025
Conclusie 05‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten ten aanzien van geschillen inzake octrooien uit derde staten — Inbreukvordering — Exceptie van ongeldigheid — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 4, lid 1 — Werkingssfeer — Artikel 24, punt 4 — ‘Reflexieve werking’
N. emiliou
Partij(en)
Zaak C-339/221.
BSH Hausgeräte GmbH
tegen
Electrolux AB
[verzoek van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Op 22 februari 2024 heb ik mijn conclusie in deze zaak genomen.2. Vervolgens heeft het Hof op 9 april 2024 overeenkomstig artikel 60, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten deze zaak naar de Grote kamer te verwijzen. Bovendien heeft het Hof bij beschikking van 16 april 2024, vastgesteld op grond van artikel 83 van genoemd Reglement, de mondelinge behandeling heropend.
2.
In deze context heeft het Hof de belanghebbenden uitgenodigd om deel te nemen aan een nieuwe terechtzitting en hun toekomstige pleidooien toe te spitsen op de derde prejudiciële vraag van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden), die, zoals gezegd, betrekking heeft op de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten om overeenkomstig de Brussel I bis-verordening3. kennis te nemen van geschillen betreffende octrooien uit derde staten. De tweede terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024. De vertegenwoordigers van BSH Hausgeräte GmbH (hierna: ‘BSH’), Aktiebolaget Electrolux (hierna: ‘Electrolux’), de Franse regering en de Europese Commissie hebben op deze terechtzitting voornamelijk deze problematiek besproken.
3.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof kom ik met een nieuwe conclusie, gericht op deze derde vraag. Deze conclusie dient als ‘addendum’ bij de eerste. Zij biedt mij namelijk de zeldzame gelegenheid om bepaalde aspecten van mijn redenering ter zake verder uit te werken.
II. Analyse
4.
Ik zal kort de context in herinnering brengen. BSH (gevestigd in Duitsland) heeft bij de Zweedse gerechten een inbreukvordering ingesteld tegen Electrolux (gevestigd in Zweden). BSH stelt in wezen dat Electrolux inbreuk maakt op een ‘Europees octrooi’ dat het Europees Octrooibureau (EOB) aan BSH heeft verleend4. voor verschillende lidstaten van de Unie (waaronder Zweden) en een derde staat (Turkije). Aangezien dit ‘Europese octrooi’ geen supranationale eenheidstitel is, maar in wezen een bundel nationale octrooien die elk een op het grondgebied van de betrokken staat geldige bescherming bieden (overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel dat op dergelijke titels van toepassing is), vormt deze vordering in werkelijkheid een reeks inbreukvorderingen (één per titel). Electrolux heeft tegen deze vorderingen een exceptie van ongeldigheid van die titels opgeworpen. In het licht van deze exceptie vraagt de verwijzende rechter zich af of de Zweedse rechterlijke instanties bevoegd zijn om te oordelen over vorderingen betreffende octrooien uit andere lidstaten dan Zweden (eerste en tweede prejudiciële vraag) en betreffende het Turkse octrooi (derde prejudiciële vraag). Zoals in de inleiding is uiteengezet, zal mijn analyse zich toespitsen op dit laatste aspect en dus op de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten om kennis te nemen van geschillen betreffende octrooien uit derde staten.
5.
Het uitgangspunt van deze analyse is niet (of niet langer) omstreden. De Brussel I bis-verordening is van toepassing en bepaalt dus welke gerechten van de lidstaten bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijk geschil wanneer (en op de enkele grond dat) de verweerder woonplaats heeft in de Unie (zoals in casu Electrolux)5., ongeacht de ‘externe’ oorsprong van het octrooi in kwestie6.. Ik zal mij niet opnieuw over dit onderwerp buigen en verwijs voor nadere bijzonderheden naar de punten 24 en 101 van mijn eerste conclusie.
6.
Met betrekking tot de oplossingen die worden geboden door de regeling van de Brussel I bis-verordening (hierna: ‘stelsel van Brussel’), is nog een ander punt duidelijk. Tussen interveniënten staat vast dat krachtens de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van deze verordening de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, in de meeste gevallen7. bevoegd zijn om uitspraak te doen over vorderingen betreffende buitenlandse octrooien, met inbegrip van die uit derde staten. Op basis daarvan zijn die gerechten met name bevoegd om uitspraak te doen over inbreuken op een dergelijk octrooi die zich hebben voorgedaan buiten de grenzen van die lidstaat.8. Uit het arrest Owusu9.blijkt namelijk dat de bevoegdheid die voornoemde gerechten aan die regel ontlenen in beginsel niet enkel algemeen is, maar tevens universeel.
7.
De kern van de onderhavige zaak is echter dat overeenkomstig artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening de gerechten van een lidstaat, daaronder begrepen die van de verweerder, bij wijze van uitzondering niet bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die betrekking hebben op de registratie of de geldigheid van octrooien die in een andere ‘lidstaat’ zijn gedeponeerd of geregistreerd (of geacht worden dit te zijn). Deze gerechten kunnen zich evenmin incidenteel over deze vragen uitspreken in het kader van een inbreukvordering. Deze bepaling verleent ter zake immers exclusieve bevoegdheid aan de ‘gerechten van de lidstaat’ van de titel. De gehele discussie gaat over de vraag of de gerechten van de lidstaten krachtens deze verordening eveneens onbevoegd zijn om, primair of incidenteel, uitspraak te doen over de registratie of de geldigheid van octrooien uit derde staten. Het aldus gerezen probleem is lastig, oud en bovendien transversaal: het doet zich op gelijke wijze voor op alle gebieden waarvoor artikel 24 van deze verordening in een exclusieve bevoegdheidsregel voorziet (zakelijke rechten op onroerende goederen, geldigheid van inschrijvingen in openbare registers, tenuitvoerlegging van beslissingen, enzovoort), wanneer de betrokken staat geen lidstaat is maar een derde staat.10.
8.
Op deze vraag hebben BSH, de Franse regering en de Commissie een antwoord voorgesteld (dat ook transversaal is, aangezien het zonder onderscheid van toepassing is op al deze gebieden) volgens hetwelk artikel 24 van de Brussel I bis-verordening niet uitdrukkelijk in een dergelijk scenario voorziet, zodat de algemene regel van artikel 4, lid 1, van deze verordening ‘zonder meer’ van toepassing zou zijn. Bijgevolg zouden de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft op grond van die regel bevoegd zijn om met name te oordelen over de registratie of de geldigheid van een octrooi van een derde land. Bovendien zouden zij, eenmaal geadieerd, gehouden zijn zulks te doen, behoudens in de gevallen waarin de artikelen 33 en 34 van die verordening van toepassing zijn (gevallen die hieronder worden besproken).11.
9.
Ik zal eerst terugkomen op een aantal problemen van deze lezing van de Brussel I bis-verordening (A), alvorens de door mij voorgestelde oplossing te herhalen (B). Ten slotte zullen de besprekingen die tijdens de tweede terechtzitting voor het Hof hebben plaatsgevonden, mij ertoe brengen een ‘derde weg’ te onderzoeken (C).
A. Enkele problemen bij het voorstel om artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening ‘zonder meer’ toe te passen
10.
Ik zal hier niet alle kritiek herhalen die ik in mijn eerste conclusie heb geformuleerd op het voorstel om artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening ‘zonder meer’ toe te passen. Ik zal slechts terugkomen op twee aspecten die tijdens de besprekingen op de tweede terechtzitting centraal stonden, te weten (1) de mate waarin het strijdig met het internationaal gewoonterecht zou zijn indien de gerechten van een lidstaat zich zouden uitspreken over de registratie of de geldigheid van een octrooi van een derde staat en (2) de vraag of de tekst van deze verordening, in haar huidige versie, een dergelijke oplossing oplegt.
1. Grenzen die het internationaal gewoonterecht stelt aan de rechterlijke bevoegdheid van de staten
11.
Zoals de meerderheid van de deskundigen stelt en de Franse regering en de Commissie overigens (ondanks enige aanvankelijke terughoudendheid) tijdens de tweede terechtzitting hebben toegegeven, bakent het internationaal gewoonterecht de rechterlijke bevoegdheid van de staten (‘adjudicatory jurisdiction’) in burgerlijke en handelszaken af. Een staat kan in wezen uitsluitend aanspraak maken op een dergelijke bevoegdheid wanneer er tussen hem en een gegeven geschil een toereikend aanknopingspunt bestaat, dat van territoriale of nationale aard kan zijn. Wanneer een staat de internationale bevoegdheid van zijn rechterlijke instanties vastlegt door regels van internationaal privaatrecht vast te stellen (of wanneer de Unie dat doet, wat de rechterlijke instanties van de lidstaten betreft), moet hij dit kader dus eerbiedigen.12.
12.
In dit opzicht is de universele bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, zoals bepaald in artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening, voor de meeste geschillen in burgerlijke en handelszaken in overeenstemming met het internationaal gewoonterecht. Een staat kan immers worden geacht kennis te nemen van vorderingen tegen personen die op zijn grondgebied woonplaats hebben, zelfs wanneer deze vorderingen voor het overige betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan op het grondgebied van een andere staat (lidstaat of derde staat). Die woonplaats vormt een toereikend aanknopingspunt tussen de eerste staat en die vorderingen. Tegen deze achtergrond kunnen de gerechten van de lidstaten rechtmatig uitspraak doen, met name in zaken waarin sprake is van een inbreuk op een octrooi uit een derde land en die gericht zijn tegen een ‘lokale’ verweerder.13. Door een dergelijke rechterlijke bevoegdheid uit te oefenen, doet de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, geen afbreuk aan de soevereiniteit van de betrokken derde staat. Met name belet de eerste staat geenszins dat de tweede staat zijn eigen rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van het geschil in kwestie uitoefent.14. De daaruit voortvloeiende overlapping van bevoegdheden met betrekking tot één en hetzelfde geschil is niet in strijd met het internationaal gewoonterecht (maar daar eerder inherent aan).15.
13.
Daarentegen zou het, bij wijze van uitzondering, vanuit het oogpunt van dit gewoonterecht (ten zeerste) voor kritiek vatbaar zijn dat de gerechten van een lidstaat uitspraak doen over bepaalde geschillen in burgerlijke en handelszaken waarbij een andere staat (lidstaat of derde staat) betrokken is, zelfs wanneer de verweerder in kwestie woonplaats op het grondgebied van eerstgenoemde staat heeft. Dit geldt in het bijzonder voor de registratie of de geldigheid van octrooien. Tijdens de tweede terechtzitting hebben de Franse regering en de Commissie erkend dat op dit gebied soevereiniteitsoverwegingen spelen, waarbij zij erop hebben gewezen dat het belang ervan per geval verschilt. Mijns inziens moeten er de facto twee situaties worden onderscheiden.
14.
Enerzijds is het duidelijk dat de gerechten van een lidstaat zich niet rechtmatig kunnen uitspreken over vorderingen die specifiek als voorwerp hebben de registratie of geldigheid van een in een andere staat (lidstaat of derde staat) gedeponeerd of geregistreerd octrooi, gelet op het feit dat een instantie van deze laatste staat, te weten zijn bureau voor intellectuele eigendom (‘BIE’), betrokken is bij de toekenning van die titel en het beheer van het register waarin het is ingeschreven.
15.
Het is niet zo dat de verlening van een octrooi een ‘overheidshandeling’ is die ‘soevereine’ politieke keuzes weerspiegelt die zich niet lenen voor toetsing door een buitenlands gerecht. Tegenwoordig beschikken de BIE's niet (of zelden) over een beoordelingsmarge ten aanzien van de vraag of het opportuun is een dergelijke titel toe te kennen. Zij behandelen de octrooiaanvragen in het licht van de toepasselijke wettelijke vereisten, verlenen octrooien wanneer aan deze vereisten is voldaan en registreren de octrooien dienovereenkomstig. Kortom, hun betrokkenheid is meer ‘werktuiglijk’ dan ‘soeverein’. Dit geldt a fortiori voor de rol van de BIE's ten aanzien van Europese octrooien (zoals het octrooi dat in het hoofdgeding aan de orde is), aangezien deze bureaus, wanneer het gaat om het ‘geldig verklaren’ van een dergelijk octrooi voor hun grondgebied (waardoor het dezelfde werking heeft als een nationaal octrooi), zich ertoe beperken de voorafgaande toetsing door het EOB van de in het EOV gestelde voorwaarden voor octrooieerbaarheid te bekrachtigen.
16.
De verklaring is in werkelijkheid veel eenvoudiger. Het is namelijk een evident beginsel van gewoonterecht dat een staat zich niet kan mengen in de werking van de overheidsdiensten van een andere staat. Net zoals een staat een buitenlandse instantie niet via zijn gerechten kan gelasten een handeling vast te stellen, kan hij evenmin de door die instantie vastgestelde handelingen wijzigen of nietig verklaren. De staat waartoe de betrokken instantie behoort, beschikt dienaangaande immers over een uitsluitende materiële bevoegdheid. Net zoals de rechterlijke instanties van een lidstaat het BIE van een andere staat (lidstaat of derde staat) niet kunnen gelasten voor het grondgebied van deze laatste staat een octrooi te verlenen, kunnen zij dat bureau dus niet gelasten een inschrijving in het register dat het beheert te wijzigen of door te halen, of zelfs maar een verklaring erga omnes af te leggen over de geldigheid van de titel die aan die inschrijving ten grondslag ligt. Enkel de staat van dat BIE kan rechtmatig aanspraak maken op een rechterlijke bevoegdheid ter zake.16. Ik benadruk dat het probleem, anders dan ik in voetnoot 51 van mijn eerste conclusie heb aangegeven, precies hetzelfde is bij vorderingen die betrekking hebben op de registratie of de geldigheid van de nationale ‘delen’ van Europese octrooien.17.
17.
Anderzijds zou het in beginsel niet in strijd zijn met het internationaal gewoonterecht indien de gerechten van een lidstaat waarbij een vordering tegen een ‘lokale’ verweerder is ingesteld wegens inbreuk op een octrooi uit een derde land, vooraf of incidenteel uitspraak zouden doen over de geldigheid van dat octrooi (het bestaan van een geldige titel is een noodzakelijke voorwaarde voor het slagen van een dergelijke vordering), bijvoorbeeld wanneer deze verweerder een exceptie van ongeldigheid opwerpt.
18.
Zoals in het vorige punt is uiteengezet, is in dit verband immers, anders dan Electrolux stelt, niet de aard van de te beantwoorden vraag (de geldigheid van het octrooi) of de aard van de toe te passen regels (de gronden voor herroeping of, in geval van een vermeende procedurefout, de procedureregels die zijn neergelegd in het recht van de derde staat) doorslaggevend18., maar de aard van de te nemen beslissing. In het kader van een inbreukprocedure zullen de gerechten van de lidstaat waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, geen uitspraak doen over de rechtmatigheid van de betrokken titel, maar louter in een tussenstadium van hun redenering een stelling (geldigheid of ongeldigheid) poneren met het oog op de oplossing van de hun voorgelegde hoofdvraag (inbreuk of geen inbreuk). In het dictum van de door hen te geven beslissing worden de particuliere rechten van de partijen vastgelegd. In dit dictum zal de verweerder worden gelast schadevergoeding te betalen (enzovoort) indien een inbreuk is vastgesteld, of zal, bij gebreke daarvan, de vordering van de eiser worden afgewezen. Voor zover een dergelijke beslissing dus slechts werking inter partes heeft en aan de gronden betreffende de geldigheid van de titel geen werking erga omnes wordt verbonden, overschrijdt deze beslissing niet de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft.19.
2. Tekst van de Brussel I bis-verordening
19.
De regel van exclusieve bevoegdheid voor de registratie of de geldigheid van octrooien in artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening vloeit voort uit de voorgaande overwegingen van internationaal gewoonterecht. Deze regel beoogt, wanneer een lidstaat bij het geschil betrokken is, de soevereiniteit van die lidstaat in internationaal verband te beschermen20. door te waarborgen dat alleen zijn gerechten rechtsgeldig uitspraak kunnen doen.21. Die regel streeft dit doel zelfs in extreme mate na omdat hij, zoals reeds gezegd, de gerechten van een lidstaat belet om in het kader van een inbreukvordering zelfs maar incidenteel te onderzoeken of een door een andere lidstaat verleend octrooi geldig is.22.
20.
Aangezien artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening uitsluitend betrekking heeft op octrooien van lidstaten, kan deze bepaling echter (tenzij de bewoordingen ervan worden verdraaid) niet gelden voor titels van derde staten.23. Deze verordening bevat ook geen soortgelijke bepaling voor derde staten. In het arrest Owusu heeft het Hof voor recht verklaard dat de enige toegestane afwijkingen van de algemene regel die (thans) wordt genoemd in artikel 4, lid 1, van deze verordening de afwijkingen zijn die daarin ‘uitdrukkelijk [worden] bepaald’24.. Moet daaruit echter, zoals BSH, de Franse regering en de Commissie doen, de paradoxale oplossing worden afgeleid dat de gerechten van de lidstaat van de verweerder weliswaar volstrekt onbevoegd zijn om de geldigheid van octrooien van andere lidstaten te beoordelen, maar dat zij wel bevoegd (en zelfs verplicht zijn) om uitspraak te doen over vorderingen die betrekking hebben op de geldigheid van titels van derde staten?
21.
Ik ben (nog steeds) van mening dat dit niet het geval is.
22.
Dienaangaande wil ik meteen opmerken dat het Hof in het arrest Owusu een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het bijzondere scenario dat ons bezighoudt.25. De lessen die uit dat arrest kunnen worden getrokken kunnen dus niet zonder meer op dit scenario worden toegepast.
23.
In casu is er geenszins sprake van dat, zoals in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, aan het stelsel van Brussel een uitzondering wordt toegevoegd die in wezen niets met dit stelsel van doen heeft. In casu waren de opstellers van dat stelsel van meet af aan van mening dat de registratie en de geldigheid van octrooien bijzondere kwesties zijn die rechtvaardigen dat van de algemene regel inzake de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verweerder wordt afgeweken. Bijgevolg hebben zij ‘uitdrukkelijk voorzien’ in een aparte regel. Het feit dat deze regel beperkt is tot titels van lidstaten is gemakkelijk te verklaren. Het stelsel van Brussel is een bevoegdheidsregeling die intern is aan de Unie en die eigen doelstellingen van de Unie nastreeft (te weten de goede werking van de interne markt en, meer recentelijk, de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht). Bijgevolg zijn de afwijkingen van de in dit stelsel vastgestelde algemene regel, waaronder die op het gebied van de registratie en geldigheid van octrooien, ontworpen om de bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken tussen de gerechten van de lidstaten te verdelen.26. Aangezien de Unie niet de bevoegdheid van de gerechten van derde staten kan vaststellen, hadden de opstellers van deze regeling daarentegen logischerwijze niet voorzien in dergelijke afwijkingen ten gunste van derde staten. In feite voorzag het stelsel van Brussel aanvankelijk in geen enkele afwijking.
24.
In het licht van de voorgaande uitleg zou het al te simpel zijn om uit het feit dat de ‘uitdrukkelijke’ afwijkingen beperkt zijn tot de lidstaten af te leiden dat de algemene regel inzake de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, absoluut is in de betrekkingen met derde staten en ‘zonder meer’ ook van toepassing is op vorderingen die betrekking hebben op de geldigheid van de door deze staten verleende octrooien. Daarmee zou voorbij worden gegaan aan de algemene exclusieve bevoegdheid die de gerechten van derde staten ter zake hebben. Een dergelijk resultaat zou een zeer vreemd ‘extern effect’ van het stelsel van Brussel zijn, dat de oorspronkelijke opstellers ervan niet voor ogen stond.27.
25.
BSH, de Franse regering en de Commissie betogen niettemin dat het stelsel van Brussel sinds de vaststelling van de Brussel I bis-verordeningeen aantal afwijkingen bevat ten gunste van derde staten, namelijk de artikelen 33 en 34 van deze verordening. Volgens deze interveniënten beoogde de Uniewetgever met deze nieuwe artikelen de betrekkingen tussen de gerechten van de lidstaten en de gerechten van derde staten uitdrukkelijk en vooral uitputtend te regelen. Volgens hen heeft de wetgever de gerechten van de lidstaten willen toestaan zich enkel onbevoegd te verklaren ten gunste van de gerechten van derde staten in de in die artikelen bedoelde omstandigheden, namelijk wanneer bij een gerecht van een lidstaat een geschil aanhangig wordt gemaakt (ongeacht het voorwerp ervan) dat reeds aanhangig is voor de gerechten van een derde staat.
26.
Deze voorstelling van zaken kan mij niet overtuigen. De artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening hebben blijkens de bewoordingen ervan en volgens de titel van de afdeling waarin zij voorkomen betrekking op een bijzonder onderwerp, namelijk ‘externe’ aanhangigheid en samenhang. Deze artikelen regelen weliswaar dit specifieke onderwerp ontegenzeggelijk op uitdrukkelijke en uitputtende wijze, maar niets in de tekst van de verordening wijst erop dat de Uniewetgever met dergelijke specifieke bepalingen werkelijk alle kwesties die voortvloeien uit de betrekkingen tussen de gerechten van lidstaten en die van derde staten, daaronder begrepen die betreffende de eerbiediging van de soevereiniteit van die staten, heeft willen oplossen.28.
27.
Dienaangaande bieden de voorbereidende werkzaamheden evenmin verduidelijking. Uit deze werkzaamheden blijkt weliswaar, zoals diezelfde interveniënten hebben opgemerkt, dat de Franse delegatie bij de Raad had voorgesteld om in de toekomstige verordening een volledig ‘corpus’ van regels betreffende die betrekkingen toe te voegen (waarin met name wordt erkend dat de gerechten van de lidstaten zich onbevoegd kunnen verklaren in zaken die onder de exclusieve bevoegdheid van een derde staat vallen) en dat dit ‘corpus’ door de Uniewetgever niet is overgenomen, maar de reden hiervoor wordt in geen enkel openbaar document toegelicht (hetgeen de Franse regering tijdens de tweede terechtzitting heeft bevestigd). Uit de enkele weigering om de regels in kwestie toe te voegen kan evenmin worden afgeleid dat de Uniewetgever een ‘duidelijke bedoeling’ had omtrent de vraag die ons bezighoudt en, in het bijzonder, een politieke keuze heeft gemaakt ten gunste van de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten om uitspraak te doen over aangelegenheden die de soevereiniteit van derde staten raken, zoals de geldigheid van de door hen afgegeven titels.29. Het is immers evengoed mogelijk dat die wetgever zich heeft willen beperken tot het regelen van de ‘externe’ aanhangigheid en het vooralsnog heeft willen overlaten aan het nationale recht van elke lidstaat30. of aan het Hof, door middel van uitlegging van de bestaande regels31., om een antwoord te geven op andere kwesties betreffende de verhoudingen tussen de gerechten van de lidstaten en die van derde staten, waaronder het probleem dat in de onderhavige zaak aan de orde is.
28.
Kortom, noch de tekst van de verordening, gelezen in zijn context, noch het respect dat het Hof met inachtneming van het institutionele evenwicht aan de Uniewetgever verschuldigd is, vereist dat voor de door BSH, de Franse regering en de Commissie voorgestelde oplossing wordt geopteerd. Gelet op de ‘onduidelijkheid’ rond de bedoeling van de Uniewetgever zou het Hof, anders dan de Franse regering betoogt, geen ‘blijk geven van voorzichtigheid’ indien het door middel van een summiere redenering a contrario (zie punt 20 hierboven) een dermate drastische uitlegging aan de Brussel I bis-verordening gaf.32. Het Hof zou daarentegen wel ‘voorzichtigheid’ betrachten door op basis van deze verordening, aan de hand van de gebruikelijke uitleggingsmethoden, een antwoord te formuleren dat het meest in overeenstemming is met de door deze verordening nagestreefde doelstellingen en met de hogere rechtsnormen die haar afbakenen.33.
29.
In dit verband heb ik, ten eerste, in de punten 124 tot en met 134 van mijn eerste conclusie reeds uiteengezet waarom de stelling dat artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening ‘zonder meer’ van toepassing zou zijn, in strijd is met de doelstellingen van deze verordening. Ik zal hier enkel focussen op twee punten die tijdens de tweede terechtzitting (opnieuw) zijn besproken, namelijk de goede rechtsbedeling en de rechtsbescherming van verweerders die in de Unie gevestigd zijn.
30.
Wat het eerste punt betreft, draagt de universele bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verweerder om kennis te nemen van inbreukzaken bij tot een goede rechtsbedeling34., maar het zou niet in overeenstemming zijn met dit doel indien deze gerechten bevoegd (en verplicht) zouden zijn om uitspraak te doen over vorderingen die betrekking hebben op de geldigheid van een octrooi dat door een derde staat is afgegeven. Een vonnis waarbij de ongeldigheid van een octrooi zou worden uitgesproken, zou in deze derde staat nooit worden erkend en kan er in de praktijk derhalve niet toe leiden dat het BIE van die derde staat zijn registers rectificeert.
31.
Wat het tweede punt betreft, zou een dergelijke oplossing eveneens problematisch zijn. Zij zou er namelijk toe kunnen leiden dat in de Unie gevestigde personen die houder van octrooien uit derde staten zijn, zich voor de gerechten van hun woonplaats dienen te verweren tegen inbreukvorderingen die nutteloos zijn (wegens de in het voorgaande punt uiteengezette redenen), of zelfs tegen ongerechtvaardigde vorderingen die door hun concurrenten worden ingesteld met als enig doel hen te intimideren.35.
32.
Ten tweede herinner ik eraan dat de Unie bij de uitoefening van haar bevoegdheden gehouden is het internationaal recht te eerbiedigen, met inbegrip van het gewoonterecht, en dat de Brussel I bis-verordening derhalve in overeenstemming met dat recht moet worden uitgelegd.36. Gelet op de in de voorgaande afdeling gegeven toelichtingen zet ik grote vraagtekens bij de door BSH, de Franse regering en de Commissie voorgestelde uitlegging van deze verordening. Het stelsel van Brussel kan immers niet tegelijkertijd aanspraak maken op universaliteit wanneer een verweerder van de Unie in het geding is37., en enkel rekening houden met de soevereiniteit van de lidstaten, door voorbij te gaan aan die van derde staten38..
B. Theorie van de ‘reflexieve werking’
33.
Gelet op alle moeilijkheden die aan de ‘strikte’ toepassing van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening kleven, maar ook op het feit dat deze verordening (nog) geen uitdrukkelijke uitzondering bevat voor de in artikel 24 van deze verordening bedoelde aangelegenheden wanneer het een derde staat betreft, heb ik in de punten 147 e.v. van mijn eerste conclusie een oplossing voorgesteld (die ook transversaal is omdat zij van toepassing is op al deze aangelegenheden39.), die is geïnspireerd op de vele jaren geleden door Droz ontwikkelde theorie van de ‘reflexieve werking’40..
34.
Zij houdt in wezen in dat de gerechten van de lidstaten weliswaar op grond van de algemene regel van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening (bij gebreke van een andersluidende bepaling) bevoegd zijn om, op het gebied van de aan de orde zijnde materie, kennis te nemen van geschillen waarbij derde staten betrokken zijn, maar dat deze regel, contextueel en teleologisch uitgelegd, hun niettemin toestaat deze bevoegdheid niet uit te oefenen. Hoewel die regel, zoals het Hof in het arrest Owusu heeft geoordeeld, in beginsel een ‘dwingend karakter’ heeft, ben ik net als Droz van mening dat ‘het te ver zou gaan’41. om ook in dergelijke gevallen van dit ‘dwingende karakter’ uit te gaan.
35.
Hieruit volgt in de praktijk dat wanneer bij de gerechten van een lidstaat een vordering tegen een ‘lokale’ verweerder aanhangig is gemaakt die bijvoorbeeld betrekking heeft op de geldigheid van een octrooi uit een derde staat, artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening die gerechten toestaat gebruik te maken van de door hun nationale recht verleende bevoegdheden (met inbegrip van de bevoegdheden die voortvloeien uit hun regels van internationaal privaatrecht) om geen uitspraak te doen. Op dezelfde wijze kunnen deze gerechten, wanneer bij hen tegen een dergelijke verweerder een inbreukvordering aanhangig is gemaakt die betrekking heeft op een octrooi van een derde staat, en die verweerder een exceptie van ongeldigheid opwerpt, weigeren uitspraak te doen over deze exceptie en, in voorkomend geval, de behandeling van deze vordering schorsen totdat de autoriteiten van de derde staat die de titel hebben afgegeven uitspraak doen over de geldigheid ervan, op een wijze die de uit artikel 24, punt 4, van deze verordening voortvloeiende oplossing ‘weerspiegelt’42..
36.
Zoals ik in mijn eerste conclusie uitgebreid heb uitgelegd, is het pluspunt van deze uitlegging naar mijn mening dat een oplossing voor het besproken probleem wordt geboden die onmiskenbaar pragmatisch is, terwijl tegelijkertijd de grenzen van de tekst van de verordening in acht worden genomen.43. Aangezien de gerechten van de lidstaten hun bevoegdheid niet volledig is ontnomen, maar zij eenvoudigweg over de mogelijkheid beschikken om geen uitspraak te doen, laat deze oplossing hun vooral een zekere flexibiliteit om rekening te houden met de omstandigheden van elk individueel geval en, in voorkomend geval, deze bevoegdheid uit te oefenen wanneer de partijen geen eerlijk proces zouden krijgen voor de gerechten van de betrokken derde staat, teneinde rechtsweigering te voorkomen.44.
37.
Anders dan de Franse regering tijdens de tweede terechtzitting heeft betoogd, doet die uitlegging niet af aan de ‘omvattende en coherente’ aard45. van het stelsel van Brussel. In de eerste plaats gaat het er niet om de kwestie die ons bezighoudt van dit stelsel uit te sluiten en haar volledig over te laten aan het nationale recht. Deze kwestie valt wel degelijk onder dat stelsel, die ter zake in een gedeeltelijke en afgebakende verwijzing naar het nationale recht van het aangezochte gerecht voorziet.46. In de tweede plaats draagt de hier voorgestelde uitlegging juist bij tot de coherentie van het stelsel van Brussel. Zij zorgt er immers voor dat in het kader van die regeling voor soortgelijke situaties soortgelijke oplossingen worden gevonden.
38.
BSH47., de Franse regering en de Commissie hebben op de tweede terechtzitting eveneens de kritiek herhaald die zij in hun eerste opmerkingen hadden geformuleerd, namelijk dat, indien aan de gerechten van de lidstaten de mogelijkheid werd geboden om op basis van hun nationale recht geen uitspraak te doen op de betrokken gebieden, dit afbreuk zou doen aan de voorzienbaarheid van de bevoegdheid en bijgevolg aan de rechtszekerheid en de uniforme toepassing van de Brussel I bis-verordening, op een wijze die strijdig is met de ‘geest’ van het arrest Owusu.
39.
Ik ben daar nog steeds niet van overtuigd. In de eerste plaats gaat het er niet om, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest Owusu, aan de gerechten van de lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid te laten om hun bevoegdheid niet uit te oefenen in elk ‘extern’ geschil (hetgeen de voorspelbaarheid van hun bevoegdheid ernstig zou aantasten)48., maar gaat het erom hun een strikte beoordelingsmarge te laten om op geschillen op bepaalde gebieden geen uitspraak te doen voor zover dit de krachtens artikel 24 van de Brussel I bis-verordening toepasselijke oplossingen ‘zou weerspiegelen’.
40.
Wat in de tweede plaats de uniforme toepassing van de Brussel I bis-verordening in alle lidstaten betreft, wordt in deze lidstaten algemeen erkend dat de nationale gerechten geen kennis van de betrokken materie mogen nemen wanneer een andere staat bij de zaak betrokken is.49. De gerechten van de lidstaten zijn dus in het algemeen op grond van hun nationale recht bevoegd om in een dergelijke situatie geen uitspraak te doen.50. Tot slot wil ik erop wijzen dat de precieze voorwaarden waaronder deze gerechten van die bevoegdheid gebruikmaken weliswaar in beginsel per lidstaat kunnen verschillen, maar dat het Unierecht een vrij duidelijk kader biedt voor het nationale recht, zoals is uitgelegd in de punten 150 tot en met 152 van mijn eerste conclusie. Dit zou de garantie bieden dat een dergelijke oplossing in de hele Unie op voldoende coherente wijze wordt toegepast.
41.
De Franse regering heeft tijdens de tweede terechtzitting nog betoogd dat, om een dergelijke ‘reflexieve werking’ van de exclusieve bevoegdheidsregels vast te stellen, tal van praktische kwesties zouden moeten worden geregeld (de omstandigheden waarin de aangezochte rechter zijn uitspraak zou moeten aanhouden in plaats van de zaak uit handen te geven, de mogelijkheid voor die rechter om ambtshalve een dergelijke maatregel te nemen, enzovoort), hetgeen het Hof niet via een rechterlijke uitspraak kan doen. In werkelijkheid hoeft het Hof volgens mij de onbevoegdverklaring niet uitputtend te regelen, maar moet het bepaalde uit het Unierecht voortvloeiende dwingende eisen stellen en voor het overige verwijzen naar het nationale recht van elke lidstaat51. (in afwachting dat de Uniewetgever zelf een dergelijke regeling aan de Brussel I bis-verordening toevoegt).
C. Mogelijke ‘derde weg’
42.
Een aantal van de door het Hof met het oog op de tweede terechtzitting gestelde vragen en de antwoorden daarop van de Commissie wijzen echter op de mogelijkheid van een ‘derde weg’, die meer gefocust is (op de registratie of de geldigheid van octrooien) en tevens radicaler is dan het door mij voorgestelde antwoord (en waaraan ik, moet ik toegeven, bij de formulering van mijn eerste conclusie niet heb gedacht).
43.
Deze derde weg zou erin bestaan artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening, gelezen in het licht van de context ervan (zie punt 23 hierboven) en van het internationaal gewoonterecht (zie de punten 14 tot en met 18 hierboven), aldus uit te leggen dat het de gerechten van de lidstaat van de verweerder geen enkele bevoegdheid geeft om kennis te nemen van vorderingen met betrekking tot de registratie of de geldigheid van octrooien uit derde staten.52. Voorts zou deze bepaling, wanneer, zoals in casu, de geldigheid van een dergelijk octrooi in het kader van een inbreukvordering bij wege van exceptie wordt betwist, die gerechten enkel de bevoegdheid verlenen om het geschil incidenteel53. te beslechten, met als enig doel uitspraak te doen op de vordering.54. Zij zou hun geen bevoegdheid verlenen om erga-omneswerking toe te kennen aan de gronden waarop zij hun oordeel over de geldigheid van de titel baseren (of, a fortiori, om in het dictum van hun beslissing een verklaring over die geldigheid met een dergelijke werking op te nemen).55.
44.
In de praktijk zou dit betekenen dat de Brussel I bis-verordening wel op dergelijke vorderingen (of excepties) van toepassing is wanneer de verweerder woonplaats in de Unie heeft, maar aan geen enkel gerecht van de lidstaten bevoegdheid (of een dergelijke mogelijkheid tot het verlenen van erga-omneswerking) verleent. Wanneer bij een dergelijk gerecht een zodanige vordering tegen een ‘lokale’ verweerder aanhangig wordt gemaakt, zou het zich derhalve onbevoegd moeten verklaren om daarvan kennis te nemen (of, in het geval van een exceptie van ongeldigheid die in het kader van een inbreukvordering wordt opgeworpen, de gevolgen van zijn beslissing moeten beperken tot de partijen), zulks op grond van die verordening.56.
45.
Deze uitlegging heeft meerdere verdiensten. In de eerste plaats zou het Hof, door te verklaren dat de gerechten van de lidstaten aan het stelsel van Brussel geen enkele bevoegdheid ontlenen om octrooien uit derde landen ongeldig te verklaren (of in het kader van inbreukvorderingen aan sommige van hun vaststellingen ergaomnes-werking te verlenen), theoretisch weliswaar radicale, maar niettemin logische (en dus volledig verdedigbare) gevolgen trekken uit de in de punten 14 tot en met 18 van deze conclusie uiteengezette overwegingen van internationaal gewoonterecht.
46.
In de tweede plaats zou deze uitlegging in de praktijk zorgen voor een zekere coherentie tussen de oplossingen die van toepassing zijn op geschillen ‘die intern zijn aan de Unie’ en die welke van toepassing zijn op de betrekkingen met derde staten, zulks, nogmaals, met inachtneming van de letter van artikel 24, lid 4, van de Brussel I bis-verordening.57. Die uitlegging zou eveneens de oplossingen weerspiegelen die in het vergelijkend recht bestaan, met name in het recht van de lidstaten.58.
47.
In de derde en laatste plaats heeft deze uitlegging het voordeel dat zij voor het aan de orde gestelde probleem een oplossing biedt die volstrekt uniform is (aangezien de onbevoegdheid van de gerechten van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit de Brussel I bis-verordening, die op dezelfde wijze van toepassing is in de gehele Unie) en voorzienbaar is (aangezien deze gerechten geen enkele beoordelingsmarge wordt gelaten om al dan niet uitspraak te doen). Zij is dus volledig in overeenstemming met de ‘geest’ van het arrest Owusu.
48.
De hier voorgestelde uitlegging van de Brussel I bis-verordening zou echter vatbaar zijn voor kritiek. Om te beginnen zou op theoretisch vlak het bezwaar kunnen worden gemaakt dat die uitlegging op gespannen voet staat met de logica van de bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening. Deze regel berust op de persoonlijke banden tussen de aangewezen gerechten en een bepaalde verweerder. Op grond daarvan strekt de bevoegdheid van deze gerechten zich, zoals ik in punt 6 van deze conclusie heb aangegeven, in beginsel uit tot alle vorderingen die tegen die verweerder worden ingesteld. Deze regel maakt op zichzelf geen onderscheid naargelang van het voorwerp van het geschil.
49.
Dat bezwaar heeft echter zijn grenzen. In situaties ‘die intern zijn aan de Unie’ vallen immers bepaalde aangelegenheden op grond van andere bepalingen van die verordening (met name artikel 24) niet onder de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verweerder. Het komt er dus gewoon op aan te erkennen dat dit soms ook geldt in geschillen waarbij derde staten betrokken zijn, door te aanvaarden dat artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bepaalde impliciete grenzen stelt aan die bevoegdheid die door het internationaal gewoonterecht worden opgelegd.
50.
Vervolgens zou kunnen worden opgemerkt dat verschillende officiële rapporten over de instrumenten van Brussel59., een passage uit advies 1/0360. en overweging 24, tweede alinea, van de Brussel I bis-verordening61. suggereren dat de gerechten van de lidstaten op grond van artikel 4, lid 1, van deze verordening wel degelijk bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen betreffende de registratie of geldigheid van octrooien, wanneer een derde staat daarbij betrokken is.
51.
Ook dit bezwaar heeft echter zijn grenzen. Ten eerste bieden de betrokken rapporten, afgezien van het feit dat het daarin ingenomen standpunt niet wordt onderbouwd, geen authentieke uitlegging van het stelsel van Brussel, maar vormen zij hooguit een niet-bindende leidraad ter zake.62. Ten tweede heeft advies 1/03 als zodanig geen betrekking heeft op het probleem dat de kern vormt van de onderhavige zaak63., zodat de betrokken passage eerder dient te worden beschouwd als een obiter dictum dat nader genuanceerd en gepreciseerd moet worden dan als een volledig uitgewerkt standpunt van het Hof over dit onderwerp64.. Ten derde is de gespannen verhouding met overweging 24 van de Brussel I bis-verordening zeer relatief.65.
52.
Ten slotte kan uit praktisch oogpunt op een dergelijke uitlegging van artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening de kritiek worden geuit dat de daaruit voortvloeiende oplossing soepelheid mist. Aangezien de gerechten van de lidstaten (volstrekt) onbevoegd zouden zijn om uitspraak te doen over vorderingen betreffende de registratie of de geldigheid van octrooien uit derde staten, zouden zij over geen enkele vrijheid beschikken om te beoordelen of het opportuun is de zaak uit handen te geven. Zij zouden hoe dan ook daartoe verplicht zijn. In sommige gevallen zou dit kunnen betekenen dat de procespartijen verplicht zijn beroep in te stellen bij een gerecht van een derde staat dat niet de waarborgen van een eerlijk proces biedt. De gerechten van de lidstaten zouden in die gevallen geen kennis kunnen nemen van het geschil.
53.
Ook deze kritiek moet worden gerelativeerd. Hoewel bovengenoemde manoeuvreerruimte mijns inziens in bepaalde contexten noodzakelijk is66., is de opportuniteit ervan in het bijzondere geval dat in casu aan de orde is, meer voor discussie vatbaar. De gerechten van de lidstaten zouden de grenzen van het internationaal gewoonterecht overschrijden indien zij, zelfs ‘noodgedwongen’ (bij gebreke van waarborgen van de derde staat om een eerlijk proces te waarborgen), een octrooi uit deze derde staat erga omnes ongeldig zouden moeten verklaren, en hun beslissing zou steeds praktische waarde ontberen.67. Voorts zou uit bovengenoemde oplossing weliswaar met name volgen dat een concurrent van een in de Unie woonachtige houder van een octrooi van een derde staat nooit een vordering betreffende de ongeldigheid van dit octrooi bij de gerechten van de lidstaten kan instellen, maar hij zou de geldigheid van dat octrooi nog steeds incidenteel kunnen betwisten, bijvoorbeeld in het kader van een tegen hem ingestelde inbreukvordering (voor zover hij zelf in de Unie woonachtig is), dan wel in het kader van een tegen die houder ingestelde vordering ter verkrijging van een ‘negatieve verklaring’ dat de concurrent geen inbreuk heeft gepleegd. Deze laatste zou dus voor de gerechten van de lidstaten niet verstoken blijven van elke bescherming tegen onrechtmatige octrooien uit derde staten.
III. Conclusie
54.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de derde prejudiciële vraag van de Svea hovrätt te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 24, punt 4, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
die bepaling niet van toepassing is op de geldigheid van een in een derde staat geregistreerd octrooi. Gerechten van lidstaten die krachtens een andere regel van die verordening bevoegd zijn, kunnen er evenwel van afzien om over die kwestie uitspraak te doen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Conclusie in de zaak BSH Hausgeräte (C-339/22, EU:C:2024:159); hierna: ‘mijn eerste conclusie’.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘Brussel I bis-verordening’).
Overeenkomstig de procedure van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München (Duitsland) op 5 oktober 1973 (hierna: ‘EOV’).
Ten minste wanneer, zoals in casu, geen enkele internationale overeenkomst de kwestie regelt tussen de Unie (of de lidstaat van het aangezochte gerecht) en de betrokken derde staat (zie punten 23 en 135–138 van mijn eerste conclusie).
Zie in die zin arrest van 8 september 2022, IRnova (C-399/21, EU:C:2022:648, punten 40 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest IRnova’).
Een inbreuk vindt (noodzakelijkerwijs) plaats op het grondgebied van de staat die het betrokken octrooi heeft verleend, aangezien de omvang van de rechten die het verleent, overeenkomstig het territorialiteitsbeginsel beperkt is tot dat grondgebied.
Arrest van 1 maart 2005 (C-281/02, EU:C:2005:120, punten 10 en 11 alsmede punten 24–26; hierna: ‘arrest Owusu’). Dat arrest heeft betrekking op het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, dat vervolgens is vervangen door verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die op haar beurt is vervangen door de Brussel I bis-verordening. Niettemin moet de continuïteit in de uitlegging worden gewaarborgd wat de werkingssfeer van deze instrumenten en de overeenstemmende bepalingen ervan betreft [zie met name arrest IRnova (punten 29 en 37)].
De vraag rijst mutatis mutandis ook wanneer bij een rechterlijke instantie van de Unie een geschil aanhangig is gemaakt waarop een exclusief forumkeuzebeding van toepassing is. Artikel 25 van de Brussel I bis-verordening bepaalt immers dat de gerechten van de lidstaten in beginsel uitvoering moeten geven aan een dergelijke overeenkomst wanneer daarin de gerechten van een andere ‘lidstaat’ worden aangewezen, zonder te verwijzen naar het scenario van een overeenkomst ten gunste van de gerechten van een derde staat. Gelet op de aandachtspunten van deze conclusie zal ik mij toespitsen op de registratie en de geldigheid van octrooien uit derde staten, maar zal ik deze andere scenario's af en toe te berde brengen.
Evenzo zouden de gerechten van de lidstaat van de verweerder bevoegd zijn en uitspraak moeten doen wanneer de zaak bij hen aanhangig is gemaakt ondanks een exclusief forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een derde staat, aangezien de Brussel I bis-verordening geen andersluidende regel bevat.
Zie met name Parrish, A., ‘Adjudicatory Jurisdiction and Public International Law: The Fourth Restatement's New Approach’, in Stephan, P. B., en Cleveland, S. A. (red.), The Restatement and Beyond: The Past, Present, and Future of U.S. Foreign Relations Law, Oxford Academic, New York, 2020, blz. 303–318; Roorda, L., en Ryngaert, C., ‘Public International Law Constraints on the Exercise of Adjudicatory Jurisdiction in Civil Matters’, in Forlati, S., en Franzina, P. (red.), Universal Civil Jurisdiction — Which Way Forward?, Brill, Leiden, 2020, blz. 74–95, en Mills, A., ‘Rethinking Jurisdiction in International Law’, The British Yearbook of International Law, deel 84, nr. 1, 2014, blz. 187–239.
Sommige buitenlandse gerechten zijn van oordeel dat het internationaal gewoonterecht of de internationale courtoisie (comitas gentium) hun belet zich uit te spreken over inbreuken op een buitenlands octrooi (zie met name United States Court of Appeals for the Federal Circuit (rechter in tweede aanleg, Verenigde Staten), 1 februari 2007, Jan K. Voda, M.D. tegen Cordis Corp., 476 F.3d 887, 905 (Fed. Cir. 2007). Dat is niet het geval. Wat het gewoonterecht betreft, heb ik zojuist uitgelegd waarom. Wat het comitas gentium betreft, vormt het feit dat een gerecht van een staat werking toekent aan een titel van een andere staat, juist een blijk van courtoisie jegens die staat [zie Supreme Court (Verenigd Koninkrijk), 27 juli 2011, Lucasfilm Limited and others tegen Ainsworth and another, [2011] UKSC 39, § 104, 105 en 109].
Zie naar analogie arrest Owusu (punten 30 en 31).
Er kunnen immers toereikende aanknopingspunten in de zin van het gewoonterecht bestaan met verschillende staten, zoals in casu het geval is. Het aan een dergelijke overlapping van bevoegdheden inherente risico van parallelle procedures en tegenstrijdige beslissingen kan door de staten worden beperkt door middel van nationale oplossingen (zoals de leer van het ‘forum non conveniens’ van de landen van de common law of de aanhangingsheidsregels van de landen met continentaal recht), of door het sluiten van internationale verdragen, waarbij de bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken tussen hun respectieve gerechten wordt verdeeld.
Zie punt 61 en voetnoot 52 van mijn eerste conclusie en de aldaar aangehaalde verwijzingen. Zie voorts Droz, G., Compétence judiciaire et effets des jugements dans le Marché commun, Parijs, Dalloz, 1972, nr. 156; Mayer, P., ‘Droit international privé et droit international public sous l'angle de la notion de compétence’, Revue critique de droit international privé, nr. 54, 1979, blz. 362 en 374–376, en Pataut, E., Principe de souveraineté et conflits de juridictions (Étude de droit international privé), LGDJ, Parijs, 1999, nrs. 4–11, 48, 97 en 359. Dergelijke overwegingen van internationaal gewoonterecht gelden voor de meeste andere in artikel 24 van de Brussel I bis-verordening bedoelde aangelegenheden. Zo kunnen de gerechten van een lidstaat zich om de hierboven in punt 16 genoemde redenen niet uitspreken over een vordering betreffende de geldigheid van de inschrijving in een ander soort openbaar register in het buitenland (artikel 24, punt 3). Zij kunnen evenmin uitspraak doen over een vordering tot tenuitvoerlegging van een beslissing (artikel 24, punt 5) in een andere staat, gelet op de exclusieve bevoegdheid van elke staat om dwang uit te oefenen op zijn grondgebied [zie Permanent Hof van Internationale Justitie, arrest Frankrijk tegen Turkije (‘de zaak S.S. Lotus’), 7 september 1927, PHIJ, 1927, serie A 10, blz. 18]. Ten slotte zou het (waarschijnlijk) in strijd zijn met het internationaal gewoonterecht indien een gerecht van een lidstaat uitspraak zou doen over de geldigheid van een in het buitenland gelegen zakelijk recht op een onroerend goed (artikel 24, punt 1, eerste zin), gelet op het verband tussen een dergelijke beslissing en de territoriale soevereiniteit van elke staat (zie Mills, A., op. cit., blz. 204). Daarentegen gelden dergelijke vragen omtrent het gewoonterecht niet op het gebied van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor particulier gebruik (artikel 24, punt 1, tweede zin) of van de geldigheid van vennootschappen en van de besluiten van hun organen (artikel 24, punt 2).
Los van de bevoegdheid van het EOB (zie de artikelen 99–105 EOV) kan een dergelijk octrooi voor de nationale rechterlijke instanties namelijk enkel per ‘deel’ worden herroepen. Ook hier kan alleen een rechter van de staat waarin een ‘deel’ is geregistreerd, het octrooi ongeldig verklaren en de doorhaling ervan in het nationale register gelasten, ongeacht de omstandigheid dat de gronden voor herroeping van Europese octrooien zijn opgenomen in het EOV (artikel 100) en dat in casu het Turkse ‘deel’ van het betrokken octrooi dezelfde inhoud heeft als het Zweedse ‘deel’.
De gerechten van de lidstaat van de verweerder kunnen immers weliswaar kennisnemen van een vordering wegens inbreuk op een octrooi uit een derde staat, maar zij moeten de inbreuk op de titel (en de geldigheid ervan) noodzakelijkerwijs beoordelen in het licht van het recht van laatstgenoemde staat. Alle staten kunnen een octrooirecht instellen, maar elke staat heeft een exclusieve regelgevende bevoegdheid ten aanzien van de titels die hij voor zijn grondgebied afgeeft. Enkel de betrokken staat kan bepalen welke rechten deze titels verlenen en onder welke voorwaarden zij geldig zijn (zie in die zin Mayer, P., op. cit., blz. 349–351).
Zie de punten 44 en 62 van mijn eerste conclusie. Anders dan Electrolux betoogt, heeft het beginsel van territorialiteit van octrooien, dat met name is erkend in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, dat is ondertekend te Parijs (Frankrijk) op 20 maart 1883 en laatstelijk is herzien te Stockholm (Zweden) op 14 juli 1967 en is gewijzigd op 28 september 1979 (United Nations Treaties Series, deel 828, nr. 11851, blz. 305) (artikel 4 bis), en in het EOV (artikel 2, lid 2), geen invloed op de rechterlijke bevoegdheid van de lidstaten. Deze verdragen zijn in werkelijkheid neutraal op dit punt. Ofschoon een octrooi op grond van dit beginsel een bescherming biedt die beperkt is tot het grondgebied van de staat die het heeft verleend, en onderworpen is aan het recht van die staat, belet dit de buitenlandse gerechten niet om uitspraak te doen over de inbreuk of zelfs (incidenteel) over de geldigheid van de betrokken titel (zie naar analogie arrest van 19 april 2012, Wintersteiger, C-523/10, EU:C:2012:220, punt 30). Dat beginsel vereist enkel dat zij dit doen in het licht van het recht van die staat, welk vereiste overigens reeds voortvloeit uit het gewoonterecht (zie voetnoot 18 hierboven).
De regel van exclusieve bevoegdheid op het gebied van de geldigheid van de inschrijvingen in de openbare registers en op het gebied van de tenuitvoerlegging van beslissingen, die zijn vastgelegd in respectievelijk punt 3 en punt 5 van dit artikel, en zelfs de in punt 1, eerste zin ervan, neergelegde exclusieve bevoegdheidsregel betreffende zakelijke rechten op onroerende goederen, geven naar mijn mening eveneens uitdrukking aan het internationaal gewoonterecht. Daarentegen houden de respectievelijk in punt 1, tweede zin, en in punt 2 van dat artikel vervatte regels op het gebied van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor particulier gebruik en op het gebied van de geldigheid van vennootschappen (enzovoort) enkel verband met overwegingen inzake een goede rechtsbedeling. Zie voetnoot 16 van deze conclusie, punt 126 en voetnoot 113 van mijn eerste conclusie en de aldaar aangehaalde verwijzingen, alsmede Pataut, E., op. cit., nrs. 4–11, 357 en 385.
Deze regels hebben overeenkomstig hun bestaansreden een dwingend karakter dat ‘specifiek geldt voor […] de gerechten’; arrest van 13 juli 2006, GAT (C-4/03, EU:C:2006:457, punt 24) (‘arrest GAT’). De gerechten van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt dat met name de geldigheid van een octrooi van een andere lidstaat als inzet heeft, moeten zich ambtshalve onbevoegd verklaren (zie artikel 27 van de Brussel I bis-verordening). Bovendien kan een door deze gerechten in strijd met deze regels gewezen rechterlijke uitspraak niet in een andere lidstaat worden erkend of ten uitvoer worden gelegd [zie artikel 45, lid 1, onder e), van deze verordening].
Zie voor kritiek op deze oplossing de punten 41–63 van mijn eerste conclusie.
Zie arrest IRnova (punten 34 en 35).
Arrest Owusu (punt 37).
Zie arrest Owusu (punten 48–52) en punten 119 en 155 van mijn eerste conclusie. Daarmee heeft het Hof de conclusie van advocaat-generaal Léger in die zaak gevolgd (C-281/02, EU:C:2004:798, punten 69–71, 217 en 280).
Zie Droz, G., op. cit., nr. 165; de Vareilles-Sommières, P., ‘The Mandatory Nature of Article 2 of the Brussels Convention and Derogation from the Rule It Lays Down’, in de Vareilles-Sommières, P., (red.), Forum Shopping in the European Judicial Area, Hart Publishing, Londen, 2007, blz. 101–114; Schauwecker, M., ‘Extraterritorial Patent Jurisdiction: Can One Sue in Europe for Infringement of a U.S. Patent?’, TTLF Working Paper, nr. 10, 2011, blz. 43, en Mills, A., ‘Private International Law and EU External Relations: Think Local Act Global, or Think Global Act Local?’, The International and Comparative Law Quarterly, deel 65, nr. 3, 2016, blz. 541–579, met name blz. 541, 542, 568 en 569.
Zie punt 118 en voetnoot 108 van mijn eerste conclusie en de aldaar aangehaalde verwijzingen.
Ik merk in dit verband op dat de Franse delegatie bij de Raad eveneens heeft voorgesteld om in de Brussel I bis-verordening uitdrukkelijk te vermelden dat, wanneer bij een gerecht van een lidstaat een geschil aanhangig wordt gemaakt dat betrekking heeft op een materie waarvoor artikel 24 van die verordening in een exclusieve bevoegdheidsregel voorziet, maar waarbij een derde staat betrokken is, de algemene regel van artikel 4, lid 1, van die verordening van toepassing is [zie doc. 8205/12, 27 maart 2012, Note from the French delegation to Working Party on Civil Law Matters (Brussels I), blz. 5, ‘Article 34(1)’]. De Uniewetgever heeft dit voorstel evenmin overgenomen. Hij heeft duidelijk geen ‘eenduidig’ antwoord willen geven, maar de vraag die ons bezighoudt juist open willen laten.
Ik verwijs naar de nota van de Duitse delegatie waarin zij aangeeft bezwaar te maken tegen het voorstel van de Franse delegatie op grond dat ‘de Brussel I-verordening de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten ten aanzien van de gerechten van derde landen niet volledig regelt’, en dat dit zo moet blijven [Raad van de Europese Unie, doc. 13756/11 ADD 1, 9 september 2011, Note from German delegation to Working Party on Civil Law Matters (Brussels I), blz. 3].
Zie Hess, B., ‘The Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on Jurisdiction and the Recognition and Enforcement of Judgments in Civil and Commercial Matters (Recast)’, Think Tank European Parliament, 2011, blz. 13: ‘De Commissie heeft niet het voorstel uit de literatuur overgenomen dat de exclusieve bevoegdheidsgronden van artikel 22 van de [Brussel I-verordening] ook de bevoegdheid van de gerechten van de EU moeten uitsluiten in vergelijkbare situaties die zich in derde landen voordoen (‘reflexieve werking’). Deze oplossing lijkt aanvaardbaar, aangezien de vaststelling van een reflexieve werking kan worden beschouwd als een kwestie van uitlegging van de verordening die in voorkomend geval door het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden onderzocht […].’ (Cursivering van mij.)
Het meest ingrijpende (want in praktisch en economisch opzicht bijzonder belangrijk) gevolg van deze lezing zou zijn dat het nuttig effect van forumkeuzebedingen ten gunste van de gerechten van derde landen drastisch zou verminderen (aangezien de verordening geen enkele uitzondering voor deze bedingen bevat). Ik heb in de punten 129 tot en met 131 van mijn eerste conclusie afdoende aangetoond dat die lezing in dit verband onverdedigbaar is.
Anders dan de Franse regering stelt, zou het Hof, door aldus te handelen, niet ‘vooruitlopen op de keuzen van de Uniewetgever’. Niets belet deze wetgever immers om zich (uiteindelijk) over de kwestie te buigen bij een volgende herziening van het stelsel van Brussel en om ter zake uitdrukkelijke regels vast te stellen die in de plaats komen van de uitlegging van het Hof.
Daardoor kan een en dezelfde rechter een globale uitspraak doen over ‘multistatelijke’ inbreukvorderingen die betrekking hebben op nationale octrooien met identieke of soortgelijke voorwerpen en conclusies (in het bijzonder de verschillende ‘delen’ van Europese octrooien), zoals die welke door BSH zijn geformuleerd, zodat het risico van tegenstrijdige beslissingen wordt vermeden.
Zie in die zin Droz, G., op. cit., nr. 168.
Zie met name arresten van 16 juni 1998, Racke (C-162/96, EU:C:1998:293, punt 46), 27 februari 2018, Western Sahara Campaign UK (C-266/16, EU:C:2018:118, punt 47), en 26 april 2022, Polen/Parlement en Raad (C-401/19, EU:C:2022:297, punt 70).
Zie punten 5 en 6 van deze conclusie.
Of op zeer gedeeltelijke en indirecte wijze rekening houden met deze soevereiniteit in het kader van het aanhangigheidsmechanisme van de artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening, afhankelijk van zo onzekere en willekeurige omstandigheden als de vraag of de zaak bij de gerechten van de betrokken derde staat aanhangig is gemaakt, en of dat is gebeurd voordat de zaak aanhangig werd gemaakt bij de gerechten van de lidstaat van de verweerder (zie punt 25 van deze conclusie).
Daar waar de hierboven besproken overwegingen van internationaal gewoonterecht slechts op een deel van deze materie betrekking hebben (zie voetnoten 16 en 20 van deze conclusie), zijn de uit de opzet en de doelstellingen van de Brussel I bis-verordening ontleende overwegingen die voor de ‘reflexieve werking’ pleiten namelijk op eenvormige wijze van toepassing op die gehele materie. Bovendien is deze oplossing ook (zij het om andere redenen) van toepassing op geschillen die vallen onder een exclusief forumkeuzebeding ten gunste van gerechten van derde landen.
Zie Droz, G., op. cit., nrs. 164–169.
Droz, G., op. cit., nr. 167.
Zie voor deze oplossing de punten 77–94 van mijn eerste conclusie. In het kader van de theorie van de ‘reflexieve werking’ vallen de situaties waarin het de gerechten van de lidstaten toegestaan is geen uitspraak te doen, namelijk samen met de materiële werkingssfeer van artikel 24 van de Brussel I bis-verordening. Dit komt er weliswaar op neer dat deze oplossing voor excepties van ongeldigheid in de internationaal orde wordt uitgebreid, terwijl het internationaal gewoonterecht zulks niet oplegt (en ik zelf in de punten 41–63 van mijn eerste conclusie twijfels heb geuit over de gegrondheid van die oplossing), maar een dergelijk gevolg dringt zich op omwille van de samenhang tussen de ‘interne’ en ‘externe oplossingen’ die deze theorie beoogt te waarborgen (waarbij de externe oplossingen een ‘afspiegeling’ zijn van de interne oplossingen). Hoe dan ook wordt dit bezwaar gecompenseerd door het feit dat de voorgestelde oplossing, anders dan ‘binnen de Unie’ geldt, de gerechten van de lidstaten niet verplicht om geen uitspraak te doen over een dergelijke exceptie. Zij kunnen dit doen wanneer zij zulks dienstig achten (hetgeen minder problematisch is).
Het betoog van de Franse regering dat deze oplossing het probleem slechts gedeeltelijk zou wegnemen, met name omdat niets de aangezochte gerechten belet om geen gebruik te maken van deze mogelijkheid en, bijvoorbeeld, een octrooi van een derde staat ongeldig te verklaren, moet worden gerelativeerd. In de eerste plaats is het risico veeleer theoretisch dan reëel, aangezien de gerechten van de lidstaten zich traditiegetrouw niet bevoegd achten om de geldigheid van buitenlandse octrooien te beoordelen (zie voetnoot 49 hieronder). Ten tweede zou, indien de gerechten van een lidstaat aldus zouden handelen, de daaruit voortvloeiende schending van het internationaal gewoonterecht slechts kunnen worden toegerekend aan die lidstaat en niet aan de Uniewetgever, aangezien deze laatste die schending niet heeft opgelegd.
Dit probleem kan zich in beginsel niet voordoen bij geschillen ‘die intern zijn aan de Unie’, gelet op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in elkaars gerechtelijke instanties (zie punt 110 van mijn eerste conclusie).
Advies 1/03 van 7 februari 2006 (Nieuw Verdrag van Lugano) (hierna: ‘advies 1/03’, EU:C:2006:81, punt 148).
Evenmin kan worden betoogd dat dit afbreuk zou doen aan de voorrang van de Brussel I bis-verordening op het nationale recht. Het nationale recht wordt immers toegepast op grond van deze verordening. Zie naar analogie advies 1/03 (punt 148).
Overigens heeft BSH weliswaar kritiek op de theorie van de ‘reflexieve werking’, maar de door deze partij voorgestelde oplossing leunt daar zeer dicht bij aan. Zij geeft het Hof immers in overweging te oordelen dat de gerechten van de lidstaat van de verweerder weliswaar krachtens artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bevoegd en verplicht zijn om uitspraak te doen op vorderingen betreffende derde staten, maar niettemin kunnen weigeren uitspraak te doen over vorderingen die betrekking hebben op de geldigheid van een octrooi van een derde land, op grond dat de verzoeker krachtens hun nationale procedureregels geen procesbelang heeft (gelet op de onmogelijkheid voor die gerechten om een buitenlands BIE te gelasten een dergelijke titel uit zijn register te verwijderen).
Zie arrest Owusu (punten 38–42).
De rechtbanken van de lidstaten achten zich op grond van hun nationale recht in de regel onbevoegd om uitspraak te doen over de geldigheid van een buitenlands octrooi of van een eigendomsrecht op een onroerend goed dat in een andere staat is gelegen, of over de tenuitvoerlegging van beslissingen op het grondgebied van die staat. Zie in het algemeen Nuyts, A., Study on Residual Jurisdiction, General Report, 2007, punten 93–96 en 103. Voor voorbeelden zie i) in België, op het gebied van de geldigheid van octrooien, artikel 86, tweede alinea, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’, Numac 2004009511, Belgisch Staatsblad van 27 juli 2004, blz. 57344; ii) in Frankrijk, op het gebied van onroerende goederen, Pataut, E., op. cit., nrs. 139, 148, 360, 361 en 374–377, en op het gebied van de geldigheid van octrooien, Mayer, P., Heuzé, V., en Remy, B., Droit international privé, 12e uitgave, LGDJ, Parijs, 2019, punten 329 en 330; iii) in het Verenigd Koninkrijk, op het gebied van onroerende goederen, House of Lords (Verenigd Koninkrijk), 8 september 1893, British South Africa Co tegen Companhia de Moçambique, [1893] AC 602, en op het gebied van de geldigheid van octrooien, Supreme Court (Verenigd Koninkrijk), 27 juli 2011, Lucasfilm Limited and others tegen Ainsworth and another, §§ 54 en 56, en iv) in Zweden, op het gebied van de geldigheid van octrooien, Lundstedt, L., ‘Jurisdiction and enforcement outside of the Brussels System with a focus on IPR’, Nordiskt immateriellt rättsskydd, deel 76, nr. 4, blz. 348–364, nr. 3.2.1.
Zie a contrario arrest Owusu (punt 43).
Zie voor deze dwingende vereisten punten 149–152 van mijn eerste conclusie. Veel van de door de Franse regering aan de orde gestelde vragen zijn overigens zuiver procedureel van aard (of ambtshalve tot onbevoegdverklaring kan worden besloten, enz.). Dergelijke kwesties worden in het algemeen niet geregeld door het stelsel van Brussel, maar overgelaten aan de lex fori, mits geen afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van dit stelsel (zie arrest van 15 mei 1990, Hagen, C-365/88, EU:C:1990:203, punten 17, 19 en 20). Dat is wat ik voorsta.
Hetzelfde zou gelden voor de overige bepalingen van de Brussel I bis-verordening. Hoewel dit antwoord specifiek betrekking heeft op de geldigheid van octrooien uit derde staten, kan het mijns inziens naar analogie worden toegepast op vorderingen die betrekking hebben op de geldigheid van een eigendomstitel van een in een derde staat gelegen onroerend goed, de geldigheid van een inschrijving in een ander openbaar register van een dergelijke staat of van een door die staat op zijn grondgebied genomen uitvoeringsmaatregel, aangezien deze hele materie vragen over de staatssoevereiniteit binnen de internationale rechtsorde oproept. Het kan daarentegen niet van toepassing zijn op terreinen waarop dergelijke vragen niet aan de orde zijn (huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor particulier gebruik, geldigheid van vennootschappen), of op geschillen die vallen onder exclusieve forumkeuzebedingen ten gunste van gerechten van derde staten. Voor deze gevallen lijkt mij alleen de stelling inzake de reflexieve werking passend.
Wanneer in het kader van een vordering wegens inbreuk op een octrooi van een derde staat een exceptie van ongeldigheid wordt opgeworpen, zouden de gerechten van de lidstaten dus niet verplicht zijn om de behandeling van de zaak op te schorten totdat de autoriteiten van die staat de geldigheid van de titel vaststellen, zoals zij vaak moeten doen op grond van artikel 24, punt 4, van de Brussel I bis-verordening wanneer een octrooi van een lidstaat aan de orde is (zie punten 77–94 van mijn eerste conclusie). Overigens is het, zoals ik in punt 63 van die conclusie heb aangegeven, wenselijk dat de lege ferenda ook in geschillen die ‘intern zijn aan de Unie’ van die oplossing worden afgezien. Ik roep de Uniewetgever derhalve op om het stelsel van Brussel in die zin te wijzigen.
Het Hof heeft de interveniënten tijdens de tweede terechtzitting gevraagd of artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich tegen een dergelijke bevoegdheid zou kunnen verzetten. Ik denk van niet. Dit grondrecht houdt weliswaar in dat de gerechten van de lidstaten de door octrooien uit derde landen verleende rechten beschermen wanneer bij hen vorderingen in die zin zijn ingediend, maar zij hoeven dit enkel te doen wanneer de titels geldig zijn. Deze bepaling verbiedt hun niet om dit na te gaan. Indien deze gerechten in het kader van een inbreukvordering een dergelijk octrooi ongeldig zouden achten en de vordering op die grond zouden afwijzen, zou de houder de door het octrooi verleende rechten weliswaar niet meer kunnen uitoefenen ten aanzien van de aldus vrijuit gaande vermeende inbreukmaker, maar het gaat niet om een ‘ontneming van eigendom’, maar om het loutere gevolg van de vaststelling van ongeldigheid. Het feit dat een dergelijke beslissing inter partes is, terwijl het octrooi voor het overige geldig blijft, is inherent aan de grenzen van de rechterlijke bevoegdheid van de lidstaten ter zake. De daaruit voortvloeiende situatie kan op zich niet worden geacht in strijd te zijn met artikel 17, lid 2.
Het aangezochte gerecht kan zich niet op grond van zijn nationale recht bevoegd verklaren. Aangezien de Brussel I bis-verordening van toepassing is vanwege het feit dat de verweerder woonplaats in de Unie heeft, worden de nationale bevoegdheidsregels terzijde geschoven (zie arrest van 25 februari 2021, Markt24, C-804/19, EU:C:2021:134, punt 32).
Deze uitlegging zou tevens voorkomen dat de extreme oplossing die deze bepaling biedt voor excepties van ongeldigheid wordt uitgebreid tot de internationale rechtsorde (zie voetnoot 53 van deze conclusie). Zie bij wijze van vergelijking voetnoot 42 hierboven.
Zie voetnoot 49 van deze conclusie.
Zie Jenard, P., en Möller, G., rapport over het Verdrag van Lugano (PB 1990, C 189, blz. 57), punt 54, en de Almeida Cruz, M., Desantes Real, M., en Jenard, P., rapport over het Verdrag van San Sebastián (PB 1990, C 189, blz. 35), punt 25.
Zie punt 153 van advies 1/03 en punt 112 van mijn eerste conclusie.
De artikelen 33 en 34 van de Brussel I bis-verordening bepalen immers dat ‘[w]anneer de bevoegdheid voortvloeit uit artikel 4’, en er bij een gerecht van een derde staat een parallelle procedure loopt, een gerecht van een lidstaat de zaak uit handen kan geven indien dat in overeenstemming is met een goede rechtsbedeling. Volgens overweging 24, tweede alinea, van deze verordening kan zulks het geval zijn indien ‘het gerecht van de derde staat in een bepaalde zaak exclusief bevoegd is in omstandigheden waarin een gerecht van een lidstaat exclusief bevoegd zou zijn’ (sic). Dat houdt dus in dat een gerecht van een lidstaat bevoegdheid kan hebben op basis van artikel 4 van die verordening, zelfs ten aanzien van vorderingen die bijvoorbeeld betrekking hebben op de geldigheid van octrooien uit derde staten.
Zie in die zin arrest van 30 september 2021, Commerzbank (C-296/20, EU:C:2021:784, punt 58).
Dat advies had betrekking op de vraag of de Unie exclusieve bevoegdheid had om het Lugano II-Verdrag te sluiten (zie punt 112 van mijn eerste conclusie).
Overigens heeft het Hof in de betrokken passage zeer algemeen verwezen naar alle aangelegenheden waarvoor artikel 24 van de Brussel I bis-verordening in een exclusieve bevoegdheidsregel voorziet, en naar het geval van forumkeuzebedingen. Het heeft zich niet in detail gebogen over de vraag of voor sommige van deze aangelegenheden (waaronder de registratie en de geldigheid van octrooien uit derde staten), gelet op hun specifieke kenmerken, de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van de verweerder uitgesloten of beperkt is (zie dienaangaande ook de volgende voetnoot).
Zelfs indien artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening op de in deze afdeling van de onderhavige conclusie voorgestelde wijze zou moeten worden uitgelegd, zouden er immers nog steeds situaties zijn waarin de gerechten van een lidstaat op grond van deze bepaling bevoegd zouden zijn, ook al zou een gerecht van een derde staat tegelijkertijd een exclusieve bevoegdheid hebben die de in deze verordening bedoelde bevoegdheden zou weerspiegelen. Dit zou het geval kunnen zijn voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor particulier gebruik, de geldigheid van rechtspersonen of, naar analogie, voor een exclusief forumkeuzebeding ten gunste van het betrokken gerecht van een derde staat.
Met name wanneer de zaak bij de gerechten van de lidstaten aanhangig is gemaakt ondanks een exclusief forumkeuzebeding ten gunste van de gerechten van een derde staat.
Zie punt 30 van deze conclusie. Deze oplossing is niet onbekend in het vergelijkend recht. In het Franse recht bestaat er bijvoorbeeld geen forum necessitatis op het gebied van onroerend goed (zie Pataut, E., op. cit., nrs. 374–377).