Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (R&P nr. VG7) 2013/3.2.3.1
3.2.3.1 Inleiding
mr. A.J. van Heeswijck, datum 28-11-2013
- Datum
28-11-2013
- Auteur
mr. A.J. van Heeswijck
- JCDI
JCDI:ADS574897:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Aanbestedingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De deels gecodificeerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur komen hierna in § 4 aan bod.
Jansen 2009, p. 20.
Aldus ook Pijnacker Hordijk, Van der Bend & Van Nouhuys 2009, p. 350; Hebly 2003, p. 88. Zie bijv. Vzr. Rb. Zwolle-Lelystad 13 december 2011, LJN BU7691.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, nr. 170. Wanneer geen voorbehoud ten aanzien van gunning is gemaakt, zou volgens sommige schrijvers sprake zijn van een volledig openbaar aanbod. De inschrijving van de inschrijver die met de laagste prijs heeft ingeschreven zou dan de aanvaarding van het aanbod van de aanbesteder inhouden; zie Blei Weissmann (Verbintenissenrecht I), art. 6:217 BW, aant. 203.3.
Aldus ook Van Romburgh 2005, p. 118.
HR 4 april 2003, NJ 2004, 35 (RZG/Comformed).
Jansen 2009, p. 36; Slagter 2001, p. 2; Wedekind 2001, p. 17; Spier 1981, p. 61; Zonderland 1975, p. 260; Goudsmit 1974, p. 232; Anders: Kuypers in zijn noot onder Rb. Amsterdam 23 april 2008, BR 2008, 192. Sommige schrijvers behouden de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen aanbesteder en inschrijver als overeenkomst voor aan aanbestedingen die onder toepassing van een aanbestedingsreglement plaatsvinden; Pijnacker Hordijk, Van der Bend & Van Nouhuys 2009, p. 621-622; Asser/Van den Berg 7-VI, nr. 42-43; Van Wassenaer 1990, p. 22; Van Nouhuys 1986, p. 38-39; Rozemond 1982, p. 116; Van Werven 1985, p. 44; waarschijnlijk ook Essers 2009, p. 50 en p. 337. Zie voor een overzicht van literatuur en rechtspraak voorts Blei Weissmann (Verbintenissenrecht I), art. 6:217-227 I. BW, aant. 18.
Hiervoor is geconcludeerd dat de gunningsbeslissing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb. De betekenis van de Awb voor de besluitvorming in aanbestedingsprocedures is hierdoor beperkt.1 De rechtsverhouding tussen aanbesteder en inschrijver is privaatrechtelijk van aard. In deze paragraaf wordt deze rechtsverhouding in een breder verbintenisrechtelijk perspectief geplaatst en geanalyseerd.
Het doel dat zowel de aanbesteder als inschrijvers bij een aanbesteding voor ogen staat is het sluiten van een in economisch opzicht zo voordelig mogelijke overeenkomst tegen zo laag mogelijke transactiekosten.2 Op de totstandkoming van deze overeenkomst is het BW van toepassing.3 De aankondiging van een overheidsopdracht of de uitnodiging tot inschrijving op een aanbesteding geldt als een uitnodiging tot het doen van een aanbod.4 Een inschrijving is een aanbod in de zin van artikel 6:217 lid 1 BW. De (definitieve) gunning houdt vervolgens de aanvaarding in van het aanbod van een inschrijver, waarmee op grond van artikel 6:217 lid 1 BW een overeenkomst tot stand komt. Na de totstandkoming van de overeenkomst is de aanbesteding in beginsel afgewikkeld. De aanbesteding is dus een precontractuele rechtsverhouding.5 De Hoge Raad heeft dit in zijn roemruchte arrest RZG/Comformed bevestigd.6 Dat een aanbesteding een precontractuele rechtsverhouding is, wordt sinds dit arrest waarschijnlijk door niemand meer bestreden. De heersende opvatting is niettemin dat de rechtsverhouding tussen de aanbesteder en de inschrijvers als een overeenkomst moet worden aangemerkt.7 In deze paragraaf wordt de theorie van de aanbestedingsovereenkomst onder de loep genomen.
Paragraaf 2.3.2 begint met een uitwerking van de theorie van de aanbestedingsovereenkomst. In paragraaf 2.3.3 komen vervolgens bezwaren tegen deze theorie aan bod. Paragraaf 2.3.4 is gewijd aan de mogelijkheden om aspecten van de aanbestedingsprocedure bij overeenkomst te regelen. In paragraaf 2.3.5 wordt tot slot aandacht besteed aan het rechtskarakter van een specifieke categorie van aanbestedingsovereenkomsten, te weten aanbestedingsreglementen.