Procestaal: Frans.
HvJ EU, 30-10-2025, nr. C-321/24
ECLI:EU:C:2025:836
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-10-2025
- Magistraten
F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-321/24
- Conclusie
M. Campos sánchez-bordona
- Roepnaam
Attal en Associés
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:836, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑10‑2025
ECLI:EU:C:2025:376, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑05‑2025
Uitspraak 30‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Vrij verkeer van kapitaal — Artikel 63, lid 1, VWEU — Erfopvolging — Verplichting om een beroep te doen op een notaris voor het opstellen van de verklaring van erfrecht in een andere lidstaat dan die waar de nalatenschap is geopend — In de wetgeving van die lidstaat vastgestelde regeling volgens welke de emolumenten van de notaris worden berekend op basis van het totale brutovermogen van de nalatenschap — Parallelle uitoefening door de lidstaten van hun fiscale bevoegdheid — Geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal
F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-321/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 4 april 2024, ingekomen bij het Hof op 30 april 2024, in de procedure
BC
tegen
SCP Attal et Associés,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
SCP Attal et Associés, vertegenwoordigd door T. Ronzeau, avocat,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda, M. Guiresse en T. Lechevallier als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Ferrand, M. Mataija en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BC en SCP Attal et Associés over een certificaat van verificatie van de kosten van laatstgenoemde.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
Artikel 10 van de op 20 januari 1959 te Brussel ondertekende overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele aanslag en tot regeling van sommige andere vraagstukken inzake belastingen op de erfenissen en registratierechten (hierna: ‘Frans-Belgische overeenkomst’) bepaalt het volgende:
‘Niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande artikelen:
- a)
Elke staat behoudt het recht om de belasting op goederen die aan zijn belasting zijn voorbehouden, te berekenen volgens het gemiddelde tarief dat van toepassing zou zijn indien rekening zou worden gehouden met alle goederen die hij naar nationaal recht zou mogen belasten;
- b)
De staat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn woonplaats had, kan overeenkomstig zijn nationale wetgeving ook belasting heffen over de in de artikelen 4 tot en met 7 genoemde goederen die zich in de andere staat bevinden. In dat geval verrekent hij met zijn belasting, voor zover deze over die goederen wordt geheven, het bedrag van de belasting die in de andere staat over dezelfde goederen is geheven.’
Frans recht
4
Artikel 750 ter van de Code général des impôts (algemeen belastingwetboek), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘algemeen belastingwetboek’), bepaalt:
‘Aan de successierechten zijn onderworpen:
- 1o.
roerende en onroerende goederen gelegen in Frankrijk of buiten Frankrijk, en met name openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust als omschreven in artikel 792-0bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, schuldvorderingen en in het algemeen alle Franse of buitenlandse effecten van welke aard ook, wanneer de schenker of erflater zijn fiscale woonplaats in Frankrijk heeft in de zin van artikel 4 B;
- 2o.
in Frankrijk gelegen roerende en onroerende goederen, ongeacht of deze direct of indirect in eigendom zijn, en met name de Franse openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust in de zin van artikel 792-0bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, vorderingen en Franse effecten, wanneer de schenker of de erflater zijn fiscale woonplaats niet in Frankrijk heeft in de zin van voornoemd artikel.
[…]
- 3o.
roerende en onroerende goederen die in Frankrijk of buiten Frankrijk zijn gelegen, en met name openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust in de zin van artikel 792-0bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, schuldvorderingen en in het algemeen alle Franse of buitenlandse effecten van welke aard ook, ontvangen door de erfgenaam, de begiftigde, de legataris of de begunstigde van een trust als omschreven in hetzelfde artikel 792-0bis die zijn fiscale woonplaats in Frankrijk heeft in de zin van artikel 4 B. […]’
5
Artikel 800 van het algemene belastingwetboek luidt als volgt:
‘I. — Erfgenamen, legatarissen of begiftigden, of hun voogden of curatoren zijn verplicht een gedetailleerde verklaring over te leggen.
[…]’
6
De diensten die met name door een notaris worden verricht en aan een gereglementeerd tarief zijn onderworpen, zijn vermeld in tabel 5 van het artikel dat als bijlage 4–7 is toegevoegd aan artikel R444-31° van de code de commerce (handelswetboek). Regel 8 van deze tabel heeft betrekking op de ‘verklaring van erfrecht’.
7
Het tarief voor deze verklaring is vastgesteld in artikel A444-63 van de code de commerce, dat bepaalt dat het door de notaris geïnde bedrag wordt berekend naar rato van het totale brutovermogen van de nalatenschap volgens een schaal die is gebaseerd op vier basisschijven.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8
BC, die de Franse nationaliteit heeft en in Frankrijk woont, is na het overlijden van haar zus, die de Franse nationaliteit had en in België woonde, de enige erfgenaam van zowel in Frankrijk als in België gelegen roerende en onroerende goederen.
9
De nalatenschap is geopend door een in België gevestigde notaris. Overeenkomstig het Belgische recht heeft deze notaris, naast de akte van erfopvolging, een verklaring van erfrecht opgesteld die alle in Frankrijk en België gelegen goederen omvatte. Als tegenprestatie voor deze verklaring heeft BC hem een vergoeding betaald die was berekend op basis van het aldus vastgestelde brutovermogen van de nalatenschap.
10
Aangezien BC verplicht was om gebruik te maken van de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om de verklaring van erfrecht te kunnen indienen waarin artikel 800 van het algemene belastingwetboek voor de berekening van de belastingen op de nalatenschap voorziet, heeft zij daartoe Attal et Associés als notaris aangesteld. Als tegenprestatie voor de opstelling van deze verklaring waarin zowel de in Frankrijk als in het buitenland gelegen goederen moeten worden opgenomen, heeft BC aan Attal et Associés een voorschot betaald dat was berekend op basis van de raming van de waarde van de totale bruto-activa van de nalatenschap.
11
Vervolgens heeft BC in Frankrijk uitsluitend over de in Frankrijk gelegen roerende en onroerende goederen berekende successiebelastingen betaald. Daarnaast heeft zij ook in België successierechten betaald, berekend over alle in Frankrijk en België gelegen onroerende en roerende goederen, maar overeenkomstig artikel 10, onder b), van de Frans-Belgische overeenkomst verminderd met de belastingen die zij in Frankrijk had betaald. Aldus is BC niet onderworpen aan een dubbele belasting over de goederen van de nalatenschap.
12
Attal et Associés heeft zich tot de griffier van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) gewend om een certificaat van verificatie van de kosten te verkrijgen, teneinde met name het bedrag vast te stellen dat haar verschuldigd was als bezoldiging voor het opstellen van de verklaring van erfrecht.
13
BC heeft het door deze griffier opgestelde certificaat van verificatie van de proceskosten aangevochten bij de tribunal judiciaire de Paris, de verwijzende rechter. Zij verzoekt de verwijzende rechter een nieuw certificaat op te stellen waarin het uit hoofde van de verklaring van erfrecht aan Attal et Associés verschuldigde bedrag enkel wordt berekend op basis van het in Frankrijk gelegen gedeelte van de bruto-activa en niet op basis van het volledige aangegeven bruto-actief, alsmede te gelasten dat het verschil met het door haar reeds betaalde voorschot aan haar wordt terugbetaald.
14
Van oordeel dat de nalatenschap van BC kapitaalbewegingen van persoonlijke aard met zich meebrengt waarbij twee lidstaten betrokken zijn, in casu de Franse Republiek en het Koninkrijk België, en gelet op het feit dat BC naar Frans recht verplicht was om gebruik te maken van de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om in laatstgenoemde lidstaat de verklaring van erfrecht in te dienen, vraagt de verwijzende rechter zich af of de omstandigheid dat krachtens dit recht de kosten van deze notaris, net als die van de Belgische notaris, moeten worden berekend op basis van het volledige brutovermogen van de nalatenschap, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het kapitaalverkeer vormt, aangezien de waarde van de door BC ontvangen nalatenschap daardoor wordt verminderd.
15
Indien dat het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich tevens af of in een dergelijke situatie sommige van de afwijkingen waarin artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU voorziet, van toepassing zijn.
16
Tegen deze achtergrond heeft de tribunal judiciaire de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dubbele bezoldiging van de notarissen van twee lidstaten van de Europese Unie die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap die goederen in beide lidstaten omvat en waarvan de berekening in beide gevallen op het volledige bruto-actief van de nalatenschap is gebaseerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de aan de andere notaris betaalde bezoldiging, en dit terwijl de medewerking van de notaris wettelijk vereist is?
- 2)
Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bezoldiging van de notaris, wiens interventie in een nalatenschap met goederen in twee lidstaten van de Europese Unie bij wet is opgelegd, wordt berekend op basis van het volledige bruto-actief van de nalatenschap en niet enkel op basis van het in zijn lidstaat gelegen bruto-actief?
- 3)
Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen bruto-actief van de nalatenschap, een ‘ter zake dienende bepaling van hun belastingwetgeving’ kan vormen die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, zelfs wanneer het optreden van de notaris wettelijk vereist is?
- 4)
Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder b), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen bruto-actief van de nalatenschap, een maatregel kan vormen die noodzakelijk is om belastingovertredingen tegen te gaan, dan wel een procedure voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, rekening houdend met het feit dat de interventie van de notaris wettelijk vereist is?’
Procedure bij het Hof
17
Op 24 oktober 2024 heeft het Hof de verwijzende rechter verzocht om inlichtingen over het rechtskader van het hoofdgeding. Op 20 december 2024 heeft de verwijzende rechter op dat verzoek geantwoord.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
18
De Franse regering is van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. De verwijzende rechter heeft in dat verzoek in strijd met artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof immers niet de nationale bepalingen uiteengezet die voorzien in de verplichting om een beroep te doen op een notaris voor het opstellen van een verklaring van erfrecht, aangezien geen van de door de verwijzende rechter in dat verzoek genoemde bepalingen een erfgenaam als BC verplicht om een beroep te doen op de diensten van een notaris om een dergelijke verklaring op te stellen. Aangezien de prejudiciële vragen zijn gebaseerd op deze vermeende verplichting, die volgens de Franse regering in een situatie als die van het hoofdgeding niet voortvloeit uit het nationale recht, is deze regering in wezen van mening dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht niet objectief noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding, maar van algemene of hypothetische aard is.
19
In dit verband zij eraan herinnerd dat het uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Derhalve geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C-36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 6 maart 2025, Anikovi, C-395/23, EU:C:2025:142, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Volgens vaste rechtspraak, die naar voren komt in artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering, vereist de noodzaak om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen met name dat deze de wettelijke context omschrijft waarbinnen de gestelde vragen moeten worden geplaatst (arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C-320/90—C-322/90, EU:C:1993:26, punt 6, en 6 maart 2025, Anikovi, C-395/23, EU:C:2025:142, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
In casu zet de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing uiteen dat een erfgenaam als BC krachtens het nationale recht en gelet op de omstandigheden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nalatenschap een beroep moet doen op de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om in die lidstaat de verklaring van erfrecht te kunnen indienen. In antwoord op het in punt 17 van het onderhavige arrest vermelde verzoek om inlichtingen van het Hof heeft die rechter aangegeven dat deze verplichting in het Franse recht weliswaar niet is vastgesteld in een specifieke tekst, maar in een dergelijke situatie niettemin geldt.
22
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing voldoet aan het krachtens artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering geldende vereiste dat het regelgevingskader waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst, dient te worden omschreven.
23
Aangezien de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof de juistheid heeft bevestigd van de premisse waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd, te weten dat een persoon in de situatie van BC voor het opmaken van de verklaring van erfrecht een beroep moet doen op een notaris in Frankrijk, blijkt bovendien niet dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het opgeworpen probleem hypothetisch is in de zin van de in punt 19 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
24
Zo de Franse regering het nationale recht in verband met de verplichting om een beroep te doen op een notaris anders opvat dan de verwijzende rechter, zij er bovendien aan herinnerd dat het niet aan het Hof staat om zich in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uit te spreken over de uitlegging van het nationale recht en te beoordelen of de verwijzende rechter dit recht correct uitlegt, aangezien in het kader van deze procedure, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke waardering van de feiten en van het nationale recht tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort (arrest van 11 januari 2024, Nárokuj, C-755/22, EU:C:2024:10, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
26
Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen of artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
27
In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, deze laatste niettemin verplicht zijn die bevoegdheid uit te oefenen in overeenstemming met het Unierecht en met name met de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden [arrest van 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen — Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C-670/21, EU:C:2023:763, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28
Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
29
Zoals uit de rechtspraak blijkt, vallen successies, die hierin bestaan dat een of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, dat wil zeggen in de overdracht aan de erfgenamen van de eigendom van de verschillende goederen, rechten en elementen waaruit het betrokken vermogen bestaat, onder de bepalingen van het VWEU betreffende het kapitaalverkeer, in het bijzonder artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen ervan binnen één lidstaat gelegen zijn [zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-Van der Heijden, C-513/03, EU:C:2006:131, punt 41; 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging — Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C-394/20, EU:C:2021:1044, punt 29, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen — Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C-670/21, EU:C:2023:763, punt 38].
30
In casu wordt in de verwijzingsbeslissing vermeld dat in het hoofdgeding de Franse regeling betreffende de notariskosten ter zake van de verklaring van erfrecht wordt toegepast in een situatie waarin een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden in België woont, in deze twee lidstaten gelegen goederen via zijn erfenis laat toekomen aan een in Frankrijk wonende persoon en welke goederen in elk van deze lidstaten aan successierechten worden onderworpen. In die omstandigheden kan een dergelijke situatie niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd (zie naar analogie arrest van 17 januari 2008, Jäger, C-256/06, EU:C:2008:20, punt 26).
31
Aan het grensoverschrijdende karakter van deze situatie wordt niet afgedaan door het feit dat de kosten van de notaris die in Frankrijk de in het nationale recht vastgestelde verklaring van erfrecht moet opstellen, op zich geen deel uitmaken van het vermogen waarop de nalatenschap betrekking heeft en geen aanleiding geven tot een grensoverschrijdend kapitaalverkeer aangezien deze notaris onafhankelijk en los van de in België gevestigde notaris wordt vergoed.
32
Uit artikel 750 ter juncto artikel 800 van het algemene belastingwetboek blijkt immers dat de door de notaris in Frankrijk in een situatie als die in het hoofdgeding opgestelde verklaring van erfrecht betrekking heeft op zowel in Frankrijk als in het buitenland gelegen roerende en onroerende goederen, zodat de notariskosten overeenkomstig de nationale regeling moeten worden berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap. Bovendien bepaalt artikel 10, onder a), van de Frans-Belgische overeenkomst dat in het geval van een grensoverschrijdende nalatenschap die in Frankrijk en België gelegen goederen omvat, elke betrokken staat het recht behoudt om de belasting op de goederen die voor zijn belastingheffing zijn voorbehouden te berekenen aan de hand van het gemiddelde tarief dat van toepassing zou zijn indien rekening zou worden gehouden met alle goederen die deze staat naar nationaal recht zou kunnen belasten.
33
Het optreden van de notaris in Frankrijk bij het opstellen van een verklaring van erfrecht vormt dus een noodzakelijke stap om de Franse belastingdienst in staat te stellen de successierechten te berekenen, zodat de wijze van berekening van de kosten van deze notaris en het feit dat een erfgenaam als BC notariskosten betaalt in elk van de lidstaten waar zich de goederen bevinden waarop de nalatenschap betrekking heeft, onlosmakelijk verbonden zijn met deze nalatenschap en met het grensoverschrijdende karakter ervan.
34
Ten overvloede zij opgemerkt dat verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107) in deze context niet relevant is, aangezien zij volgens artikel 1, lid 1, ervan niet van toepassing is op fiscale zaken.
35
Bijgevolg valt een situatie als die in het hoofdgeding onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.
36
In die omstandigheden moet worden onderzocht of een nationale regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, een beperking van het kapitaalverkeer vormt in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU en, indien dat het geval is, of een dergelijke beperking is gerechtvaardigd.
37
In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip ‘beperking’ in de zin van deze bepaling overheidsmaatregelen omvat die discriminerend zijn doordat zij, al dan niet rechtstreeks, een verschil in behandeling tussen het nationale kapitaalverkeer en het grensoverschrijdende kapitaalverkeer invoeren dat niet overeenstemt met een objectief verschil in situaties en derhalve natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan kunnen weerhouden grensoverschrijdend kapitaalverkeer te verrichten (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C-602/23, EU:C:2025:290, punt 45).
38
Het Hof heeft op het gebied van de erfbelasting immers geoordeeld dat een nationale regeling die een dergelijk verschil in behandeling invoert en ertoe leidt dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen betrokken zijn of die in een andere lidstaat gelegen goederen bevatten, zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of waarbij alleen in de lidstaat van heffing gelegen goederen zijn betrokken, en die bijgevolg tot een waardevermindering van de nalatenschap leidt, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C-123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Uit de rechtspraak volgt dat zelfs een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en grensoverschrijdende situaties, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan vormen wanneer zij in feite tot gevolg heeft dat grensoverschrijdende situaties worden benadeeld (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C-602/23, EU:C:2025:290, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Er zij evenwel ook aan herinnerd dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie de nadelen die uit de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheden door de verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover die uitoefening niet discriminerend is, geen beperkingen van de verkeersvrijheden vormen. Zo heeft het Hof met name gepreciseerd dat artikel 63 VWEU geen betrekking heeft op maatregelen die uitsluitend tot gevolg hebben dat er voor de kapitaalverrichting in kwestie extra kosten ontstaan en die het kapitaalverkeer tussen lidstaten en dat binnen één lidstaat gelijkelijk raken (zie naar analogie arresten 8 september 2005, Mobistar en Belgacom Mobile, C-544/03 en C-545/03, EU:C:2005:518, punt 31, en 22 september 2022, Admiral Gaming Network e.a., C-475/20—C-482/20, EU:C:2022:714, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In casu voert de Franse regeling inzake notariskosten voor verklaringen van erfrecht geen verschil in behandeling in tussen zuiver interne en grensoverschrijdende situaties, aangezien deze kosten in alle gevallen worden berekend op basis van het volledige brutovermogen van de nalatenschap, ongeacht de plaats waar de betrokken goederen zich bevinden.
42
Bovendien maken de notariskosten, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest is uiteengezet, als zodanig geen deel uit van het vermogen van de nalatenschap, maar vormen zij de vergoeding die in beginsel juist en billijk wordt geacht voor de dienst die de notaris verricht met het oog op het opstellen van een verklaring van erfrecht met betrekking tot het totale bruto-actief van de nalatenschap.
43
Het is juist dat een erfgenaam als BC in het geval van een grensoverschrijdende nalatenschap die goederen omvat die zich zowel in Frankrijk als in België bevinden, zwaarder kan worden belast dan wat het geval zou zijn geweest bij een zuiver interne nalatenschap, omdat hij ook de kosten van een in België gevestigde notaris moet betalen voor het opstellen van een dergelijke verklaring in deze laatste lidstaat.
44
Daarbij zij er echter aan herinnerd dat, zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is aangegeven, de kosten van de notaris van wiens diensten de betrokken erfgenaam in Frankrijk gebruik moet maken, op basis van het totale brutovermogen van de nalatenschap worden berekend omdat dit vermogen volgens het Franse belastingrecht in de door deze notaris opgestelde verklaring van erfrecht moet worden vermeld teneinde de belastingdienst in staat te stellen de successierechten over de nalatenschap te berekenen, en dit krachtens artikel 10, onder a), van de Frans-Belgische overeenkomst.
45
Bijgevolg moeten de kosten die een erfgenaam als BC aan een in Frankrijk gevestigde notaris moet betalen bovenop de kosten die hij aan de in België gevestigde notaris dient te betalen, overeenkomstig de in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak worden beschouwd als nadelen in de vorm van extra kosten die voortvloeien uit de parallelle uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de Franse Republiek en het Koninkrijk België. Zoals uit de punten 41 en 42 van het onderhavige arrest blijkt, is die bevoegdheidsuitoefening immers niet discriminerend en beïnvloeden deze extra kosten het kapitaalverkeer tussen deze twee lidstaten op dezelfde wijze als het kapitaalverkeer binnen de Franse Republiek.
46
In die omstandigheden kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden geacht een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer in te voeren.
47
Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
Derde en vierde vraag
48
Gezien het antwoord op de eerste en de tweede vraag hoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 63, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑10‑2025
Conclusie 22‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 63, lid 1, VWEU — Vrij verkeer van kapitaal — Beperking — Erfopvolging — Verklaring van erfrecht — Berekening van de bezoldiging van de notaris — Nalatenschap die goederen in twee lidstaten omvat — Artikel 65, lid 1, onder a), VWEU — Fiscale bepalingen — Artikel 65, lid 1, onder b), VWEU — Maatregelen om belastingovertredingen te voorkomen of om een procedure in te leiden voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden
M. Campos sánchez-bordona
Partij(en)
Zaak C-321/241.
BC
tegen
SCP Attal et Associés
[verzoek van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
1.
In het geding waaruit deze prejudiciële verwijzing is voortgekomen, verzet de (in Frankrijk wonende) erfgename van een persoon die is overleden in België — waar deze laatste, wier nalatenschap goederen in België en in Frankrijk omvat, haar gewone verblijfplaats had — zich tegen de bezoldiging van de Franse notaris die is tussengekomen bij het opstellen van de in Frankrijk overgelegde verklaring van erfrecht.
2.
De lidstaat waar de nalatenschap wordt afgewikkeld, is België, en de verklaring van erfrecht in dat land is door een Belgische notaris opgesteld voor de gehele nalatenschap. Volgens de erfgename kan de bezoldiging van de Franse notaris niet worden berekend op basis van alle goederen, maar dient deze uitsluitend te worden berekend over het deel van de nalatenschap dat zich in Frankrijk bevindt. Anders zou er een ongerechtvaardigde dubbele betaling plaatsvinden.
3.
De rechter die het geding moet beslechten, verzoekt het Hof om uitlegging van de artikelen 63 en 65 VWEU teneinde te bepalen of deze in de weg staan aan de dubbele bezoldiging van notarissen van twee lidstaten die tussenkomen bij eenzelfde erfopvolging, wanneer beiden hun bezoldiging berekenen over het volledige brutoactief van de nalatenschap.
4.
Het Hof heeft zich reeds uitgesproken over beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal die voortvloeien uit het belasten van nalatenschappen met een grensoverschrijdende dimensie.2. Deze prejudiciële verwijzing verschilt van de eerdere door het voorwerp ervan: de vragen hebben betrekking op een nationale bepaling die, hoewel gerelateerd aan fiscale verplichtingen ter zake van de overdracht mortis causa, op zichzelf geen regel van fiscale aard is.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 1, lid 1, van richtlijn 88/361/EEG3. luidt:
‘Onverminderd de hiernavolgende bepalingen heffen de lidstaten de beperkingen op met betrekking tot het kapitaalverkeer tussen ingezetenen van de lidstaten. Teneinde de toepassing van deze richtlijn te vergemakkelijken, worden de verschillende categorieën kapitaalverkeer ingedeeld volgens de nomenclatuur van bijlage I.’
6.
In bijlage I bij richtlijn 88/361, waarin die nomenclatuur is neergelegd, heeft rubriek XI betrekking op kapitaalverkeer van persoonlijke aard, waaronder nalatenschappen en legaten.
B. Frans recht
1. Code de commerce
7.
In titel IV bis (‘Over bepaalde gereglementeerde tarieven’) van het wetgevende deel van de code de commerce (wetboek van koophandel) voorziet artikel L. 444-1 in de gereglementeerde tarieven die van toepassing zijn op de diensten van notarissen. Volgens de derde alinea van dat artikel worden door notarissen verrichte diensten die concurreren met die van andere beroepsbeoefenaren die niet aan een tariefregime zijn onderworpen, niet beheerst door gereglementeerde tarieven, maar door honoraria.
8.
In het regelgevende deel van dit wetboek worden in artikel R. 444-2 de volgende definities gegeven:
- ‘1o.
‘Tarief’: het geheel van elementen die worden gebruikt voor het bepalen van het bedrag van de emolumenten en forfaitaire vergoedingen die aan de in artikel L. 444-1, eerste alinea, vermelde beroepsbeoefenaren verschuldigd zijn voor hun gereglementeerde diensten;
- 2o.
‘Emolument’: het bedrag dat een van deze beroepsbeoefenaren ontvangt als tegenprestatie voor het verrichten van een dienst waarvan het tarief onder titel IV bis van het wetgevende deel van dit wetboek valt;
[…]
- 4o.
‘Evenredig emolument’: het emolument dat resulteert uit de toepassing van een percentage op een basiswaarde, of uit de toepassing van een tariefschaal van progressieve of degressieve percentages op verschillende basisschijven;
- 5o.
‘Honorarium’: het door een van deze beroepsbeoefenaren als tegenprestatie voor het verrichten van een dienst ontvangen bedrag waarvan de hoogte niet onder de in punt 2 vermelde titel valt;
[…]’
9.
In artikel R. 444-3 staat te lezen:
‘In de artikelen bijlage 4–7, bijlage 4–8 en bijlage 4–9 van deze titel [‘Over bepaalde gereglementeerde tarieven’] worden respectievelijk gespecificeerd:
- 1o.
De lijst van diensten van […] notarissen […] waarvan het tarief door deze titel wordt geregeld;
[…]
- 3o.
Een indicatieve lijst van diensten die worden verricht onder de voorwaarden van artikel L. 444-1, derde alinea, en, in voorkomend geval, de regels betreffende de honoraria die de respectieve beroepsbeoefenaren voor deze diensten in rekening brengen.’
10.
In bijlage 4–7 bij het regelgevende gedeelte van het wetboek van koophandel, met de lijst van diensten waarvan de gereglementeerde tarieven onder titel IV bis (regelgevende gedeelte) van het wetboek vallen, heeft tabel 5 bij artikel R. 444-3 betrekking op notarissen en betreft nummer 8 van die tabel de verklaring van erfrecht.
11.
In het deel ‘Arrêtés’ van dat wetboek wordt in artikel A. 444-63 bepaald:
‘De verklaring van erfrecht (nummer 8 van tabel 5) geeft recht op het in rekening brengen van een emolument dat in verhouding staat tot het volledige brutoactief […], volgens de hiernavolgende schaal […].’
2. Code général des impôts
12.
Artikel 800 van de code général des impôts (algemeen belastingwetboek), een van de bijzondere bepalingen inzake erfopvolging, luidt als volgt:
‘Erfgenamen, legatarissen of begiftigden, of hun voogden of curatoren zijn verplicht een gedetailleerde verklaring over te leggen.
Vrijgesteld zijn:
- 1o.
Rechtsopvolgers in rechte lijn, de langstlevende echtgeno(o)t(e) en de door een samenlevingscontract [(‘pacte civil de solidarité’)] gebonden samenwonende, indien het brutoactief van de nalatenschap minder dan 50 000 EUR bedraagt, op voorwaarde dat deze personen niet eerder de begunstigde van een schenking of van een niet-geregistreerde of niet-aangegeven handmatige schenking van de erflater zijn geweest;
- 2o.
Andere dan de in het eerste lid bedoelde personen, indien het brutoactief van de nalatenschap minder dan 3 000 EUR bedraagt.’
13.
Artikel 802 schrijft voor:
‘Elke verklaring van overdracht mortis causa, ondertekend door erfgenamen, legatarissen of begiftigden, of hun voogden, curatoren of wettelijke bewindvoerders wordt afgesloten met een aantekening met de volgende bewoordingen:
‘De declarant verklaart dat deze verklaring oprecht en waarheidsgetrouw is; ook verklaart hij, op straffe van de sancties van artikel 1837 van de code général des impôts, dat deze verklaring de contanten, schuldbewijzen en alle andere Franse of buitenlandse effecten omvat die, voor zover hem bekend, geheel of gedeeltelijk aan de overledene toebehoorden.’
[…]’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
14.
In de verwijzingsbeslissing worden de volgende feiten beschreven:
- —
XY, een Franse staatsburger die haar gewone verblijfplaats in België had, is op 29 juli 2020 overleden in België.
- —
BC, een Franse staatsburger die haar gewone verblijfplaats en haar fiscale woonplaats in Frankrijk heeft, is erfgename van XY.
- —
De nalatenschap van XY bestaat uit roerende en onroerende goederen in België en Frankrijk.
- —
De nalatenschap is op 12 oktober 2020 geopend door een notaris in Ukkel (België), die ook de verklaring van erfrecht in België heeft afgegeven. Deze verklaring omvat alle goederen van de nalatenschap, ongeacht waar deze zich bevinden.
- —
BC heeft de Belgische notaris een bezoldiging betaald die was berekend over het volledige brutoactief van de nalatenschap.4.
- —
In Frankrijk heeft BC het Parijse notariskantoor SCP Attal et Associés (hierna: ‘Attal et Associés’) belast met het opstellen van de verklaring van erfrecht. Deze verklaring is op 18 maart 2021 ondertekend en ingeschreven bij het bevoegde registerkantoor.
- —
Na de inschrijving van de verklaring van erfrecht heeft Attal et Associés de griffie van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) verzocht om een certificaat van verificatie van de kosten met het oog op de vaststelling van zijn bezoldiging.
- —
Het certificaat bevestigde het bedrag waarop Attal et Associés haar bezoldiging had becijferd, waarbij het volledige brutoactief van de nalatenschap als referentiewaarde werd genomen.
15.
BC betwist het certificaat voor de tribunal judiciaire de Paris. Zij vordert nietigverklaring van het certificaat en de afgifte van een nieuw certificaat waarop de bezoldiging van de Franse notaris is berekend over een grondslag die uitsluitend de brutowaarde van de zich in Frankrijk bevindende goederen van de nalatenschap vertegenwoordigt.
16.
Daartoe voert zij twee argumenten aan:
- —
De grondslag voor de berekening van het emolument van de notaris moet identiek zijn aan de grondslag die wordt gebruikt voor de berekening van de successiebelasting. Krachtens een op 20 januari 1959 tussen België en Frankrijk gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting5. moet voor de berekening van de grondslag in Frankrijk alleen de waarde van de goederen die zich in dat land bevinden in aanmerking worden genomen.
- —
De bezoldiging van de Franse notaris, zoals vastgesteld op basis van het volledige brutoactief van de nalatenschap en zonder rekening te houden met de bezoldiging van de Belgische notaris6., die is berekend over dezelfde grondslag, vormt een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU, aangezien zij de waarde van de nalatenschap vermindert.
17.
Attal et Associés concludeert tot bevestiging van het certificaat en betoogt dat:
- —
de belasting op overdrachten onder niet-bezwarende titel in Frankrijk wordt berekend over het totale bedrag van de goederen van de overledene, maar enkel is verschuldigd over de goederen die zich in Frankrijk bevinden, in toepassing van de Frans-Belgische overeenkomst van 20 januari 1959;
- —
in de verklaring van erfrecht die aan de Franse autoriteiten wordt overgelegd, alle goederen van de overledene moeten worden vermeld, met inbegrip van die welke zich in het buitenland bevinden;
- —
de grondslag voor het emolument van de notaris alle goederen van de nalatenschap moet omvatten, ongeacht of deze zich in Frankrijk of in een andere staat bevinden. Dientengevolge is aan de notaris het emolument verschuldigd dat is berekend over de waarde van het volledige brutoactief van de nalatenschap, waarvan de goederen zich in Frankrijk en België bevinden.
18.
In die omstandigheden heeft de tribunal judiciaire de Paris het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dubbele bezoldiging van de notarissen van twee lidstaten van de Europese Unie die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap die goederen in beide lidstaten omvat en waarvan de berekening in beide gevallen op het volledige brutoactief van de nalatenschap is gebaseerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de aan de andere notaris betaalde bezoldiging, en dit terwijl de medewerking van de notaris wettelijk vereist is?
- 2)
Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bezoldiging van de notaris, wiens interventie in een nalatenschap met goederen in twee lidstaten van de Europese Unie bij wet is opgelegd, wordt berekend op basis van het volledige brutoactief van de nalatenschap en niet enkel op basis van het in zijn lidstaat gelegen brutoactief?
- 3)
Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen brutoactief van de nalatenschap, een ‘ter zake dienende bepaling van hun belastingwetgeving’ kan vormen die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, zelfs wanneer het optreden van de notaris wettelijk vereist is?
- 4)
Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder b), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen brutoactief van de nalatenschap, een maatregel kan vormen die noodzakelijk is om belastingovertredingen tegen te gaan, dan wel een procedure voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, rekening houdend met het feit dat de interventie van de notaris wettelijk vereist is?’
III. Procedure bij het Hof
19.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 30 april 2024 ingekomen ter griffie van het Hof.
20.
Overeenkomstig artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft het Hof een verzoek om verduidelijkingen toegezonden aan de verwijzende rechter, die de gevraagde verduidelijkingen heeft verstrekt bij brief van 20 december 20247..
21.
Attal et Associés, de Franse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
22.
Het houden van een terechtzitting is niet noodzakelijk geacht.
IV. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid
23.
De Franse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen8. dat de prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk is. Volgens haar is de premisse waarop de vragen van de verwijzende rechter zijn gestoeld (de verplichting, naar Frans recht, om de verklaring van erfrecht te laten opstellen door een notaris) onjuist.
24.
Volgens de Franse regering:
- —
bepaalt artikel 800 van de code général des impôts dat het de erfgenamen, legatarissen of begiftigden zijn die de verklaring van erfrecht moeten indienen bij de belastingdienst. Als hulp bij het opstellen van deze verklaring kunnen zij beschikken over formulieren en gedetailleerde instructies op de website van het Franse ministerie van Financiën.9. Tussenkomst van een notaris is niet verplicht;
- —
is het inschakelen van een notaris daarentegen onontbeerlijk voor bepaalde door andere bepalingen geregelde erfrechtelijke handelingen, waarvan het doel verschilt van dat van de verklaring van erfrecht en waarvoor de notaris een andere bezoldiging ontvangt;
- —
hebben de bepalingen waarop de verwijzende rechter zich baseert om op te merken dat ‘[e]en beroep […] op een notaris [moet worden gedaan] als de nalatenschap meer dan 5 000 EUR waard is of wanneer de nalatenschap onroerend goed omvat’10., geen betrekking op de verklaring van erfrecht, maar op andere documenten;
- —
moet de verklaring van erfrecht in bepaalde gevallen vergezeld gaan van die documenten of van andere documenten waarvoor notariële tussenkomst verplicht is. Dit is het geval bij nalatenschappen die onroerend goed omvatten, waarvoor een eigendomsbewijs moet worden overgelegd, alsook wanneer het bedrag van de nalatenschap gelijk is aan of hoger is dan 5 000 EUR, aangezien voor de vaststelling van de hoedanigheid van erfgenaam een door de notaris verleden akte van bekendheid is vereist. Deze documenten verschillen van de verklaring van erfrecht, waarvoor geen notariële tussenkomst nodig is.
25.
Na een verzoek daartoe heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende verduidelijkingen verstrekt11.:
- —
‘De tussenkomst van de notaris bij […] het opstellen van de verklaring van erfrecht wordt niet opgelegd door een specifieke bepaling van Frans recht, maar beantwoordt aan een praktische verplichting die de facto wordt opgelegd door het samenvallen met andere handelingen die noodzakelijkerwijs door een notaris moeten worden verricht, op grond van zijn monopolie, en de jure door de documenten van algemene strekking op de website met informatie voor het publiek en de vaststelling van een wettelijk gereglementeerd tarief.
- —
Om diezelfde redenen beschikte BC in de praktijk niet over de optie om de verklaring van erfrecht eigenhandig op te stellen.’
26.
In deze brief verwijst de verwijzende rechter naar officiële Franse websites met informatie voor het publiek12. waar de tussenkomst van een notaris bij erfopvolgingen die onroerende goederen omvatten, wordt voorgesteld als onontkoombaar, waardoor erfgenamen in de veronderstelling worden gebracht dat die tussenkomst ook voor de verklaring van erfrecht geboden is. Daar voegt hij aan toe dat de bezoldiging van de Franse notaris wettelijk is geregeld, zonder dat erfgenamen daarover kunnen onderhandelen, waarbij geen rekening wordt gehouden met het emolument dat reeds aan een notaris in een andere lidstaat is betaald voor een gelijkwaardige handeling die, net als in Frankrijk, wordt berekend over het volledige brutoactief van de nalatenschap.
27.
In de procedure van artikel 267 VWEU is het Hof enkel bevoegd om zich prejudicieel uit te spreken over de uitlegging of geldigheid van het Unierecht. Het Hof heeft zich niet uit te spreken over de uitlegging van de nationale rechtsbepalingen en over de juistheid van de uitlegging die de nationale rechter daaraan geeft.13.
28.
Volgens vaste rechtspraak ‘[dient] het Hof bij de beantwoording van prejudiciële vragen — in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechters en de nationale rechters — […] uit te gaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin die vragen moeten worden geplaatst’14..
29.
Het Hof is niet geroepen om de juistheid van de juridische context te verifiëren en moet het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen rust, laten prevaleren. Die vragen worden niet-ontvankelijk verklaard wanneer bijvoorbeeld duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. In deze prejudiciële verwijzing is hiervan geen sprake.
30.
Bijgevolg moet het oordeel luiden dat de argumenten van de Franse regering ter zake van de onjuiste uitlegging door de verwijzende rechter geen afbreuk doen aan de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen.
B. Eerste en tweede prejudiciële vraag
31.
Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 63, lid 1, VWEU:
- —
zich verzet tegen de dubbele bezoldiging van de notarissen van twee lidstaten die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap die goederen in beide lidstaten omvat, wanneer de tussenkomst van de notaris wettelijk vereist is en de berekening van die bezoldiging ‘op het volledige brutoactief van de nalatenschap is gebaseerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de aan de andere notaris betaalde bezoldiging’;
- —
eraan in de weg staat dat de bezoldiging van de notaris, wiens tussenkomst in een nalatenschap met goederen in twee lidstaten van de Unie bij wet is opgelegd, wordt berekend ‘op basis van het volledige brutoactief van de nalatenschap en niet enkel op basis van het in zijn lidstaat gelegen brutoactief’.
32.
Omdat in de Verdragen geen definitie van het begrip ‘kapitaalverkeer’ wordt gegeven, heeft het Hof indicatieve waarde toegekend aan de nomenclatuur van kapitaalbewegingen in bijlage I bij richtlijn 88/361. Specifiek heeft het Hof verklaard dat ‘de nomenclatuur die zij bevat, zoals in de derde alinea van de inleiding van die bijlage te kennen wordt gegeven, het begrip ‘kapitaalverkeer’ geenszins beperkt’15..
33.
Na eraan te hebben herinnerd dat nalatenschappen en legaten onder rubriek XI, getiteld ‘kapitaalverkeer van persoonlijke aard’, van bijlage I bij richtlijn 88/361 vallen, heeft het Hof geoordeeld dat ‘successies kapitaalverkeer in de zin van artikel [63 VWEU] [vormen], tenzij alle constituerende elementen binnen één lidstaat gelegen zijn’16..
34.
De litigieuze nalatenschap omvat goederen die zich in twee lidstaten bevinden.17. Derhalve moet worden onderzocht of in het kader van deze erfopvolging, en gelet op de specifieke kenmerken ervan, de bezoldiging van een notaris waarop een officieel gereglementeerd tarief van toepassing is, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het kapitaalverkeer vormt.18.
35.
In de context van artikel 63, lid 1, VWEU omvat het begrip ‘beperking’ alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en derde landen19., en is elke belemmering van deze vrijheid, hoe gering ook, verboden.20.
36.
De maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn, omdat zij het kapitaalverkeer beperken, omvatten maatregelen die niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen.21.
37.
Op het gebied van successierecht zien vrijwel alle zaken met betrekking tot artikel 63, lid 1, VWEU waarover het Hof zich heeft uitgesproken, op nationale regels voor de heffing van successiebelasting op de erfgenaam of de heffing van inkomstenbelasting over een nalatenschap.22.
38.
Bij de uitlegging van artikel 63, lid 1, VWEU heeft het Hof verklaard dat bepalingen krachtens welke nalatenschappen die goederen buiten de lidstaat van belastingheffing omvatten, zwaarder worden belast dan nalatenschappen die uitsluitend bestaan uit goederen die zich in die lidstaat bevinden, en daardoor leiden tot een waardevermindering van de nalatenschap, strijdig zijn met het vrije kapitaalverkeer.23.
39.
Het hoofdgeding draait niet om de toepassing van een nationale bepaling van fiscale aard. De regels inzake de emolumenten van Franse notarissen (die zijn onderworpen aan gereglementeerde tarieven) voor het verrichten van hun diensten zijn vervat in de code de commerce en leggen, nogmaals, geen fiscale last op. De verwijzende rechter, de Franse regering en de Commissie wijzen alle van de hand dat deze regels een fiscaal karakter hebben.24.
40.
Het verbod van artikel 63, lid 1, VWEU geldt evenwel voor ‘alle beperkingen van het kapitaalverkeer’.25. Het verbod is niet beperkt tot beperkingen die voortvloeien uit nationale belastingwetgeving, noch tot andere belemmeringen van fiscale aard.
41.
Als de overdracht van de nalatenschap die goederen in het buitenland omvat als gevolg van een nationale maatregel leidt tot een waardeverlies dat zich niet voordoet bij een zuiver binnenlandse overdracht, zal de ontmoedigende werking van die maatregel afbreuk doen aan het vrije kapitaalverkeer.
42.
Die maatregel zal immers tot gevolg hebben dat op nalatenschappen die goederen in meer dan één lidstaat omvatten, een economisch zwaardere last drukt (ook al betreft het geen fiscale last) dan op nalatenschappen die slechts goederen in één enkele lidstaat omvatten.26.
43.
Nationale maatregelen, van fiscale dan wel van andere aard, die tot een dergelijke waardevermindering leiden, ontmoedigen het vrije verkeer van kapitaal, dat van toepassing is op nalatenschappen, en zijn daarom in beginsel verboden.27.
44.
In Frankrijk legt artikel 800 van de code général des impôts de verplichting op om aangifte te doen van erfopvolgingen. In de verklaring moet de nalatenschap, dat wil zeggen alle bezittingen en schulden van de erflater, gedetailleerd worden weergeven28. en moet de identiteit van de erfgenamen worden vermeld. De verklaring moet worden ingediend bij de belastingdienst om deze in staat te stellen de verschuldigde successiebelasting te berekenen en om belastingfraude te voorkomen. Overlegging van de verklaring is verplicht, behalve voor bepaalde personen wanneer de waarde van de nalatenschap een wettelijk vastgesteld bedrag niet overschrijdt.
45.
Volgens de verwijzingsbeslissing en de aanvullende informatie die de verwijzende rechter later heeft verstrekt, is in Frankrijk de tussenkomst van een notaris in een geval als het onderhavige verplicht, op grond van een wettelijk vereiste of overeenkomstig de op nationale wetteksten gebaseerde praktijk. Bijgevolg verricht de notaris een dienst waarvan de bezoldiging (het emolument) wettelijk is geregeld.
46.
Het emolument van de Franse notaris voor zijn tussenkomst bij het opstellen van de verklaring van erfrecht staat in verhouding tot het volledige brutoactief van de nalatenschap, berekend volgens een bepaalde schaal. De regel voor die berekening is dezelfde voor alle nalatenschappen waarvoor de verklaring moet worden overgelegd. Daarbij wordt er geen onderscheid gemaakt naar nationaliteit of woonplaats van de erfgenaam of van de erflater, noch naar locatie van de aan te geven goederen.
47.
In geval van een internationale erfopvolging is het echter waarschijnlijk, vanwege de samenstelling van de nalatenschap, dat ook een andere staat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden een verklaring van erfrecht voor belastingdoeleinden zal vereisen. Ook kan het geval zich voordoen dat de waarde van die goederen, als bestanddelen van het brutoactief van de nalatenschap, deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de bezoldiging van de notaris29. die de verklaring van erfrecht opstelt.
48.
In die context heeft een maatregel zoals die welke in casu aan de orde is:
- —
op zichzelf het potentieel om ingezetenen van de lidstaat waar de maatregel van toepassing is, te ontmoedigen om in het buitenland te investeren en ingezetenen in het buitenland te ontmoedigen om in die lidstaat te investeren;
- —
tot gevolg dat een nalatenschap die zowel goederen binnen als buiten een lidstaat omvat en waarvan de totale brutowaarde gelijk is aan die van een nalatenschap die uitsluitend is samengesteld uit goederen die zich in die lidstaat bevinden, uiteindelijk minder waard is vanwege de plaats waar de constituerende elementen van die nalatenschap zich bevinden.
49.
Op deze dubbele beperkende werking heeft het Hof gewezen in zijn rechtspraak betreffende de gevolgen van belastingregels. Die rechtspraak kan mijns inziens worden geëxtrapoleerd naar andere nationale regels, ook als deze niet van fiscale aard zijn maar dezelfde beperkende werking hebben.
50.
Het Hof heeft in dit verband verklaard dat:
- —
‘nationale bepalingen waarin de waarde van een onroerende zaak wordt bepaald voor de berekening van de belastingschuld bij verwerving door erfopvolging van een onroerende zaak, niet alleen de aankoop van in de betrokken lidstaat gelegen onroerende zaken […] kunnen ontmoedigen, maar ook kunnen leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een ingezetene van een andere lidstaat dan die waar genoemde zaken zijn gelegen’30.;
- —
‘[w]at successies betreft, […] de rechtspraak bovendien [heeft] bevestigd dat de maatregelen die ingevolge artikel [63 VWEU] van het Verdrag verboden zijn op grond dat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de nalatenschap van een persoon die woonplaats heeft in een andere staat dan de lidstaat waar de betrokken zaken zich bevinden en waar de vererving van die zaken wordt belast’31..
51.
Het beschreven nadeel kan, in een geval als het onderhavige, niet worden toegeschreven aan de parallelle uitoefening door twee lidstaten van hun respectieve belastingbevoegdheid.32. De arresten van het Hof waarin het heeft verklaard dat de nadelen die uit de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheden kunnen voortvloeien, geen beperkingen van de verkeersvrijheden vormen voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, zijn derhalve niet van toepassing op het onderhavige geding.33.
52.
Bijgevolg vormt de regel die, voor de berekening van het emolument van de (Franse) notaris die tussenkomt bij het opstellen van een verklaring van erfrecht, dat emolument vaststelt door de waarde van de geërfde goederen die zich bevinden in een andere lidstaat (België) — waar de erfopvolging plaatsvindt — op te nemen in de berekeningsgrondslag, in mijn opvatting een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU wanneer ook de regeling van die andere lidstaat voorziet in de bezoldiging van zijn notarissen op basis van het brutoactief van de nalatenschap, waardoor de nalatenschap wordt bezwaard door een dubbele bezoldiging.
C. Derde en vierde prejudiciële vraag
53.
Met deze twee vragen, die eveneens gezamenlijk moeten worden beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of:
- —
artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a), VWEU aldus kunnen worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van notarissen, in omstandigheden als die in casu, een ‘ter zake dienende bepaling van [de] belastingwetgeving [van de lidstaten]’ is die een uitzondering vormt op het verbod van beperking van het kapitaalverkeer;
- —
artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder b), VWEU aldus kunnen worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van notarissen in omstandigheden als die in casu een maatregel vormt die noodzakelijk is om belastingovertredingen tegen te gaan of te voorzien in een procedure voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden.
54.
Beide vragen zien op een uitzondering op het in artikel 63, lid 1, VWEU vervatte verbod. Volgens artikel 65, lid 1, VWEU doen de bepalingen van artikel 63 niets af aan het recht van de lidstaten om:
- —
‘de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd’ [onder a)], of
- —
‘alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied […], of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden […]’ [onder b)].34.
55.
Artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU heeft betrekking op uitzonderingen op het fundamentele beginsel van vrij kapitaalverkeer. Als zodanig moet deze bepaling strikt worden uitgelegd.35.
56.
Zoals ik reeds heb uiteengezet is de regeling van de aan notarissen verschuldigde emolumenten voor het verrichten van hun diensten geen ‘fiscale bepaling’. De verwijzende rechter, de Commissie en de Franse regering zelf delen deze zienswijze.
57.
Het is juist dat de litigieuze nationale maatregel voorziet in het (op basis van een gereglementeerd tarief berekend) emolument van de notaris wanneer deze tussenkomt bij het opstellen van een verklaring van erfrecht die uiteindelijk fiscale gevolgen zal hebben. Ik wil zonder meer toegeven dat die tussenkomst (net als andere tussenkomsten die aan notarissen zijn toegewezen) in een zekere relatie tot de fiscale verplichtingen van de erfgenamen staat.
58.
Gelet op het voorwerp en de aard ervan, is het tarief dat is verschuldigd voor de door de notaris verrichte dienst echter niet van fiscale aard en kan het op zichzelf niet worden beschouwd als een uiting van de belastingbevoegdheid van de staat. Het tarief valt onder het handelsrecht en heeft tot doel om de uitoefening van het beroep van notaris te regelen door de formule voor de berekening van zijn bezoldiging voor het opstellen van een verklaring van erfrecht vast te stellen.
59.
Het volgens het gereglementeerde tarief berekende emolument van de notaris correspondeert met de betaling voor de verrichte dienst. Dat emolument kan niet worden gelijkgesteld met de inning door de notaris, voor rekening van de schuldenaar, van een bedrag dat de notaris vervolgens aan de staat overmaakt ter financiering van staatstaken. Bovendien staat het los van de successiebelasting, aangezien de bezoldiging van de notaris wordt vastgesteld op basis van het brutoactief van de nalatenschap, ongeacht of de belasting uiteindelijk wordt geheven over het gehele actief of over een deel ervan.
60.
Een maatregel met deze kenmerken valt niet onder de uitzondering van artikel 65, lid 1, onder a), VWEU.
61.
Een dergelijke maatregel valt evenmin onder artikel 65, lid 1, onder b), VWEU. Het Hof heeft verklaard dat een maatregel met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, om als ‘noodzakelijk’ in de zin van die bepaling te worden beschouwd, ‘onmiddellijk tot doel [moet] hebben inbreuken op de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ter zake te voorkomen’36..
62.
Ik ben het eens met de Commissie37. dat datzelfde criterium kan worden toegepast op maatregelen op ‘fiscaal gebied’, die in artikel 65, lid 1, onder b), VWEU op hetzelfde niveau worden geplaatst als maatregelen met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen.
63.
Op basis van dit criterium zou de nationale bepaling die erfgenamen verplichten om een verklaring van erfrecht over te leggen, ook als deze een grensoverschrijdende dimensie heeft, onder de uitzondering van artikel 65, lid 1, onder b), VWEU kunnen vallen. Datzelfde geldt voor de bepaling die de belastingplichtige sancties oplegt voor het verzwijgen of verbergen van vermogensbestanddelen, of de bepaling die frauduleuze aangiften bestraft.
64.
Een nationale maatregel die is vastgesteld ter bepaling van het emolument van de notaris die tussenkomt bij het opstellen van een verklaring van erfrecht, valt echter buiten de uitzondering op ‘fiscaal gebied’ van artikel 65, lid 1, onder b), VWEU. Een dergelijke maatregel heeft geen fiscaal toezicht tot doel.
65.
In datzelfde verband stelt de Commissie dat artikel A. 444-63 van de code de commerce (aan de hand waarvan de notariële emolumenten kunnen worden berekend, zoals hierboven uiteengezet) niet is gericht op het voorkomen van belastingovertredingen.
66.
Naar mijn oordeel kan een maatregel van dien aard ook niet vallen onder de uitzondering inzake procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden.
67.
Ik ben kortom van oordeel dat de uitzonderingen van artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU, waarnaar in de verwijzingsbeslissing wordt verwezen, niet van toepassing zijn op het hoofdgeding.
D. Rechtvaardiging van de maatregel door andere dwingende redenen van algemeen belang?
68.
Hoewel in de verwijzingsbeslissing geen dwingende redenen van algemeen belang worden aangevoerd, heeft zowel de Commissie als de Franse regering gewezen op de mogelijkheid dat daar in casu sprake van is.38.
69.
Indien het Hof zich zou beperken tot de beantwoording van de prejudiciële vragen zoals deze zijn geformuleerd, zou het niet hoeven in te gaan op de argumenten van de Franse regering en de Commissie. Voor het geval het Hof besluit om dat wel te doen, zal ik mijn opvatting ter zake uiteenzetten.
70.
De Commissie betoogt dat met notariële werkzaamheden doelen van algemeen belang worden nagestreefd39. en dat de verklaring van erfrecht die de Franse notaris afgeeft overeenkomstig de artikelen 800 en 802 van de code général des impôts, zowel tot doel heeft om de hoedanigheid van erfgenaam vast te stellen als om belastingovertredingen te voorkomen.40.
71.
De Commissie is evenwel van mening dat, zelfs indien de maatregel door deze doelen gerechtvaardigd zou zijn, de Franse regeling een ‘onevenredige’ last op de erfgenaam legt door de bezoldiging van de notaris vast te stellen in verhouding tot het geheel van de goederen waaruit de nalatenschap bestaat, met inbegrip van die welke zich in het buitenland bevinden.41.
72.
De Franse regering beroept zich, in vergelijkbare bewoordingen als die van de Commissie, op de doelen van algemeen belang van notariële werkzaamheden42., en betoogt dat de berekening van notariële emolumenten door middel van gereglementeerde tarieven ‘prijsconcurrentie […] ten nadele van de kwaliteit van de dienstverlening’ voorkomt43..
73.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een beperking van het vrije verkeer van kapitaal toelaatbaar indien zij gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel op coherente en systematische wijze te waarborgen en niet verder gaat dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.44.
74.
In een reeks door de Commissie ingestelde beroepen wegens niet-nakoming tegen lidstaten die een nationaliteitsvereiste hadden vastgesteld voor de toegang tot het beroep van notaris, heeft het Hof beslist dat dit vereiste in strijd is met artikel 43 EG (vrijheid van vestiging). Dat deed het na te hebben opgemerkt dat ‘[h]et feit dat met de notariële werkzaamheden doelen van algemeen belang worden nagestreefd, met name de rechtmatigheid en de rechtszekerheid van handelingen tussen particulieren waarborgen, […] evenwel een dwingende reden van algemeen belang [vormt] ter rechtvaardiging van eventuele beperkingen aan de toepassing van artikel 43 EG die voortvloeien uit de specifieke kenmerken van de notariële werkzaamheid, […] voor zover deze beperkingen het bereiken van voornoemde doelen mogelijk maken en daartoe noodzakelijk zijn’.45.
75.
De notariële functie is van onbetwistbaar belang in het rechtsverkeer, aangezien zij bijdraagt tot ‘het waarborgen van de rechtmatigheid en de rechtszekerheid van handelingen tussen particulieren’. Niemand in deze procedure heeft hier vraagtekens bij geplaatst.
76.
Wat de tussenkomst van Franse notarissen bij het opstellen van verklaringen van erfrecht betreft, voert de interveniënt die stelt dat dit niet wettelijk verplicht is (de Franse regering), echter aan dat de bezoldiging van de notaris voor zijn tussenkomst in die procedure een doel van algemeen belang nastreeft dat de beperking van het vrije verkeer van kapitaal zou rechtvaardigen.
77.
Dat argument kan mij niet overtuigen: als in Frankrijk het inschakelen van een notaris voor het opstellen van de verklaring van erfrecht geen wettelijke verplichting is, zie ik niet in hoe de bezoldiging van de notaris die in die procedure optreedt in verband kan worden gebracht met een dwingende reden van algemene aard.
78.
Indien, zoals de verwijzende rechter verklaart, de notariële tussenkomst bij het opstellen van de verklaring van erfrecht de facto dan wel de jure onontkoombaar is, kunnen de dwingende redenen van algemene aard worden geïdentificeerd: die tussenkomst zou verplicht zijn om de rechtmatigheid en de rechtszekerheid te waarborgen.
79.
Maar zelfs in dat geval zou de rechtvaardiging om dwingende redenen van algemeen belang wel van toepassing zijn op het verschuldigd zijn van de notariële emolumenten, die zijn onderworpen aan een gereglementeerd tarief, maar niet op de vraag welke posten daarin worden opgenomen. Specifiek strekt deze rechtvaardiging zich mijns inziens niet uit tot het opleggen aan erfgenamen, in het kader van een grensoverschrijdende nalatenschap, van de betaling, in een lidstaat waar de nalatenschap niet wordt afgewikkeld, van het notariële emolument dat wordt berekend over het brutoactief van de nalatenschap die goederen in een andere lidstaat omvat, in omstandigheden als die in casu.
80.
Tot slot ben ik het met de Commissie eens dat, voor het geval dat zou worden vastgesteld dat er een dwingende reden van algemeen belang van toepassing is, de Franse regeling verder gaat dan noodzakelijk is ter bereiking van het doel ervan: de regeling legt de erfgenaam een buitensporige last op door de bezoldiging van de notaris vast te stellen in verhouding tot alle goederen die deel uitmaken van de nalatenschap, ook die welke zich in het buitenland bevinden.
V. Conclusie
81.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de tribunal judiciaire de Paris te antwoorden als volgt:
‘Artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU
moeten aldus worden uitgelegd dat
- —
een bepaling of praktijk van een lidstaat (A) waar de erfopvolging niet wordt afgewikkeld, ingevolge welke, wanneer het actief van de nalatenschap goederen in twee lidstaten omvat, de tussenkomst van een notaris van lidstaat (A) ten behoeve van de overlegging van een verklaring van erfrecht wordt bezoldigd op basis van een gereglementeerd tarief aan de hand waarvan het emolument van de notaris wordt berekend over het brutoactief van de nalatenschap, met inbegrip van de goederen die zich in een andere lidstaat (B) bevinden en zonder rekening te houden met de bezoldiging die in deze andere lidstaat (B) is betaald aan een notaris voor een gelijkwaardige handeling, die eveneens wordt berekend over het volledige brutoactief van de nalatenschap, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het kapitaalverkeer tussen lidstaten vormt;
- —
deze beperking van het kapitaalverkeer tussen de lidstaten niet valt onder de uitzonderingen van artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU, die de lidstaten toestaan om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen en de nodige maatregelen te nemen om inbreuken op hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke regelingen te voorkomen of procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden vast te stellen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑05‑2025
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Zie van recente datum onder meer arresten van 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen — Beleid voor sociale huisvesting in de Unie) (C-670/21, EU:C:2023:763); 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging — Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties) (C-394/20, EU:C:2021:1044), en 22 november 2018, Huijbrechts (C-679/17, EU:C:2018:940).
Richtlijn van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag (PB 1988, L 178, blz. 5).
In deze conclusie worden zonder onderscheid de termen ‘volledige brutoactief van de nalatenschap’ en ‘brutoactief van de nalatenschap’ gebruikt.
Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele aanslag en tot regeling van sommige andere vraagstukken inzake belastingen op de erfenissen en registratierechten, ondertekend op 20 januari 1959.
Volgens verzoekster is de Belgische notaris territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de nalatenschap, gelet op de gewone verblijfplaats van de overledene in België.
Zie de punten 25 en 26 van deze conclusie.
Punten 23–33 van de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering.
Het document ‘Comment remplir une déclaration de succession?’, met uitleg en links naar verschillende formulieren, kan worden geraadpleegd op https://www.impots.gouv.fr/sites/default/files/formulaires/2705-sd/2023/2705-sd_4288.pdf. In dat document luidt het antwoord op de vraag ‘devez-vous faire appel à un notaire?’: ‘Faire appel à un notaire n'est pas obligatoire mais peut être utile pour les opérations les plus complexes […]. Si vous chargez un notaire de remplir votre déclaration de succession, il devient votre mandataire mais vous restez toujours responsable vis-à-vis de l'administration’ (cursivering in het origineel).
Punten 31 en 53 van de verwijzingsbeslissing.
Brief van 20 december 2024.
Daarbij verwijst hij concreet naar https://www.impots.gouv.fr/particulier/declarer-une-succesion en https://www.service-public.fr/particuliers/vosdroits/F80.
Arrest van 11 mei 2023, Bezirkshauptmannschaft Lilienfeld (C-155/22, EU:C:2023:394, punt 49).
Arrest van 2 april 2020, Coty Germany (C-567/18, EU:C:2020:267, punt 21).
Arrest van 12 februari 2009, Block (C-67/08, EU:C:2009:92, punt 19), onder aanhaling van de arresten van 23 februari 2006, van Hilten-van der Heijden (C-513/03, EU:C:2006:131, punt 39), en 17 januari 2008, Jäger (C-256/06, EU:C:2008:20; hierna: ‘arrest Jäger’, punt 24).
Arrest van 23 februari 2006, van Hilten-van der Heijden (C-513/03, EU:C:2006:131, punten 40 en 42); arrest Jäger, punt 25, en arresten van 12 februari 2009, Block (C-67/08, EU:C:2009:92, punt 20), en 30 juni 2016, Feilen (C-123/15, EU:C:2016:496, punt 16).
In casu gaat het om de lidstaat waar de nalatenschap is geopend (België) en een andere lidstaat (Frankrijk) waarvan de regels ter discussie zijn gesteld. Deze conclusie beperkt zich, logischerwijs, tot de feiten zoals die zijn weergegeven in de verwijzingsbeslissing.
In de prejudiciële verwijzing wordt niet vermeld of de betrokken maatregel kan worden aangemerkt als een van de ‘belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen’, zoals het is geformuleerd in overweging 7 van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).
Arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a. (C-78/21, EU:C:2023:137, punt 48).
Arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA (C-544/19, EU:C:2021:803, punt 65). Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt geen maatregelen waarvan de mogelijkerwijs eruit voortvloeiende beperkingen te onzeker en indirect zijn, zoals het Hof heeft verklaard in het arrest van 7 september 2023, Finanzamt G (Ontwikkelingshulpprojecten) (C-15/22, EU:C:2023:636, punt 50).
Arresten van 18 januari 2024, JD (Woonplaatsvereiste) (C-562/22, EU:C:2024:55, punt 34); 20 juni 2024, Faurécia (C-420/23, EU:C:2024:534, punt 21), en 19 december 2024, Credit Suisse Securities (Europe) (C-601/23, EU:C:2024:1048, punt 30).
Arrest van 11 december 2003, Barbier (C-364/01, EU:C:2003:665, punt 62); arrest Jäger, punt 30, en arrest van 11 september 2008, Arens-Sikken (C-43/07, EU:C:2008:490, punt 36). Het verbod is niet beperkt tot regels die de verwerving of het aanhouden van goederen in een bepaalde lidstaat ontmoedigen; zie bijvoorbeeld arresten van 31 maart 2011, Schröder (C-450/09, EU:C:2011:198, punt 32), en 24 februari 2015, Grünewald (C-559/13, EU:C:2015:109, punt 20), betreffende de aanduiding, als begunstigden van een voorschot op het erfdeel, van personen die hun woonplaats hebben in een andere lidstaat dan die waar het goed zich bevindt.
Arrest Jäger, punt 31; arresten van 3 september 2014, Commissie/Spanje (C-127/12, EU:C:2014:2130, punt 57), en 30 juni 2016, Feilen (C-123/15, EU:C:2016:496, punt 19).
Punt 62 van de verwijzingsbeslissing, punt 61 van de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering en punt 51 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
Zo is ook de regel die voorziet in verjaringstermijnen voor de waardering van aandelen op naam in vennootschappen voor successiebelastingdoeleinden een ‘beperking’, aangezien ‘[de] erfgenamen langere tijd in onzekerheid over een mogelijke fiscale navordering zullen verkeren’: arrest van 15 september 2011, Halley (C-132/10, EU:C:2011:586, punt 24). Buiten het domein van de erfopvolging, zie bijvoorbeeld arresten van 16 maart 1999, Trummer en Mayer (C-222/97, EU:C:1999:143); 5 maart 2002, Reisch e.a. (C-515/99, C-519/99–C-524/99 en C-526/99–C-540/99, EU:C:2002:135), en 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C-52/16 en C-113/16, EU:C:2018:157).
Ik betwist niet dat, zoals de Franse regering opmerkt (in punt 113 van haar schriftelijke opmerkingen), het opstellen van een verklaring van erfrecht die goederen van welke aard ook in het buitenland omvat, meer materiële moeilijkheden kan opleveren dan in het geval van een binnenlandse erfopvolging en extra kosten, zoals vertaalkosten, met zich mee kan brengen. Het doorberekenen van die eventuele kosten aan de cliënt is echter iets anders dan het systematisch toepassen van een gereglementeerd officieel tarief, dat geen verband houdt met dat soort kosten, voor de berekening van het emolument van de notaris waarop dat tarief van toepassing is.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, zijn zulke maatregelen niet verboden als de mogelijkerwijs eruit voortvloeiende beperkingen te onzeker en indirect zijn, ook niet wanneer zij rechtvaardiging in het Unierecht vinden.
In de verklaring moeten alle goederen worden vermeld, met inbegrip van die waarover in Frankrijk geen belasting hoeft te worden betaald ingevolge een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting. Opgemerkt zij dat sommige van deze overeenkomsten de overeenkomstsluitende staten toestaan de belasting te berekenen aan de hand van een gemiddeld tarief dat wordt toegepast op het geheel van alle goederen van de nalatenschap.
Van wie de tussenkomst verplicht is en die, ook indien dat niet het geval zou zijn, een bezoldiging ontvangt op basis van een officieel, wettelijk gereglementeerd tarief. In andere gevallen heeft de erfgenaam de mogelijkheid om de dubbele kosten te vermijden.
Arrest Jäger, punt 30.
Arrest Jäger, punt 31.
Strikt genomen kan niet worden gesteld dat de regels voor de berekening van de gereglementeerde tarieven die worden gebruikt om de emolumenten van de notaris voor het verrichten van zijn diensten vast te stellen, van invloed zijn op de uitoefening van de belastingbevoegdheid.
Arresten van 26 mei 2016, NN (L) International (C-48/15, EU:C:2016:356, punt 47), en 22 september 2022, Admiral Gaming Network e.a. (C-475/20–C-482/20, EU:C:2022:714, punt 43). De Franse regering beroept zich op dit argument (punten 88 e.v. van haar schriftelijke opmerkingen), dat echter niet stookt met de inhoud van haar eigen opmerkingen, waarin zij de fiscale aard van de onderzochte regel categorisch van de hand wijst.
De verwijzende rechter beperkt zijn twijfels tot de bepalingen en maatregelen die de lidstaten hebben vastgesteld met het oog op de in elk van de twee vragen aangegeven doeleinden.
Arresten van 7 november 2024, XX (‘Zogeheten unit-linked’-overeenkomsten) (C-782/22, EU:C:2024:932, punt 43), en 19 december 2024, Credit Suisse Securities (Europe) (C-601/23, EU:C:2024:1048, punt 51), voor artikel 65, lid 1, onder a), VWEU, en arresten van 6 maart 2018, SEGRO en Horváth (C-52/16 en C-113/16, EU:C:2018:157, punten 95 en 96), en 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C-235/17, EU:C:2019:432, punt 103), voor artikel 65, lid 1, onder b), VWEU.
Arrest van 2 maart 2023, PrivatBank e.a (C-78/21, EU:C:2023:137, punt 60), onder aanhaling van het arrest van 7 juni 2012, VBV — Vorsorgekasse (C-39/11, EU:C:2012:327, punt 30).
Punt 58 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
In het laatste punt van haar schriftelijke opmerkingen beperkt Attal et Associés zich tot het aanhalen van een passage uit het arrest van 24 mei 2011 in de zaak Commissie/Frankrijk (C-50/08, EU:C:2011:335; hierna: ‘arrest Commissie/Frankrijk’) over de doelen van algemeen belang van notariële werkzaamheden, en wordt dit argument verder niet uitgewerkt.
Daarbij beroept zij zich op punt 87 van het arrest Commissie/Frankrijk.
Punten 38 en 39 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
Punt 45 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie.
Punten 98–101 van de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering, onder aanhaling van het arrest Commissie/Frankrijk.
Punten 102–107 van de schriftelijke opmerkingen van de Franse regering.
Arresten van 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen — Beleid voor sociale huisvesting in de Unie) (C-670/21, EU:C:2023:763, punt 67), en 29 juli 2024, Keva e.a. (C-39/23, EU:C:2024:648, punt 64).
Arresten van 24 mei 2011, Commissie/België (C-47/08, EU:C:2011:334, punt 97); Commissie/Frankrijk, punt 87; Commissie/Luxemburg (C-51/08, EU:C:2011:336, punt 97); Commissie/Oostenrijk (C-53/08, EU:C:2011:338, punt 96); Commissie/Duitsland (C-54/08, EU:C:2011:339, punt 98), en Commissie/Griekenland (C-61/08, EU:C:2011:340, punt 89). In deze arresten heeft het Hof, als voorbeeld van de bijzondere kenmerken van de notariële werkzaamheid, het stelsel inzake de bezoldiging van notarissen genoemd.