RFR 2017/68
Huwelijksvermogensrecht. Wie moet wat stellen en bewijzen bij toepassing van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW?
HR 03-02-2017, ECLI:NL:HR:2017:161
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 februari 2017
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek
- Zaaknummer
15/05587
- Conclusie
A-G mr. E.B. Rank-Berenschot
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS926227:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2017:161, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑02‑2017
ECLI:NL:PHR:2016:1233, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑12‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑10‑2015
- Wetingang
Essentie
Huwelijksvermogensrecht. Periodiek verrekenbeding.
Wie moet wat stellen en bewijzen, indien een beroep gedaan wordt op het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW? Heeft het hof verzuimd om toepassing te geven aan dit bewijsvermoeden?
Samenvatting
Partijen zijn op 8 februari 1996 met elkaar op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden houden (onder andere) in: de uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap, een periodiek verrekenbeding ter zake de jaarlijks overgespaarde netto-inkomsten uit arbeid en een facultatief finaal verrekenbeding. Op 29 juli 2009 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken. De man vorderde de helft van de overwaarde van de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.