NJB 2019/1328:Wederspannigheid bij anti-‘Zwarte Piet’-demonstratie en bestanddeel 'ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening' art. 180 Sr: onjuist is de opvatting dat, indien de door de burgemeester gestelde beperking aan het recht van demonstratie van de verdachte (achteraf gezien) niet toelaatbaar was, dit meebrengt dat de in het kader van de aanhouding van de verdachte verrichte handelingen van de opsporingsambtenaar niet zouden zijn verricht in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr. Een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in art. 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert. De klacht kan evenmin tot cassatie leiden op de grond dat de door de burgemeester aangebrachte beperking op het demonstratierecht van de verdachte in strijd zou zijn met de art. 10 en 11 EVRM. Het Hof kon oordelen dat die beperking toelaatbaar was