HR 6 december 1963, NJ 1965,56 (NV Bouvy/Watertransportmaatschappij RijnKennemerland), HR 22 mei 1970, NJ 1970,368 (NV PNEM) en HR 2 februari 1979, NJ 1979,384 (Binnendijk/NV Elektriciteitscentrale IJsselcentrale).
Rb. Noord-Holland, 13-02-2019, nr. 5439583
ECLI:NL:RBNHO:2019:908
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
13-02-2019
- Zaaknummer
5439583
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2019:908, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 13‑02‑2019; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2017:3235
ECLI:NL:RBNHO:2017:3235, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 03‑05‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBNHO:2019:908
Uitspraak 13‑02‑2019
Inhoudsindicatie
Artikel 14 belemmeringenwet privaatrecht. Schadeloosstelling. Planschade. Warme grond. Grond met verwachtingswaarde. Eindvonnis. Zie ook tussenvonnis ECLI:NL:RBNHO:2017:3235
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 5439583 CV EXPL 16-9374
Uitspraakdatum: 13 februari 2019
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
De besloten vennootschap Delta Onroerend Goed B.V.
gevestigd te Velsen
eiseres
verder te noemen: Delta
gemachtigde: mr. R.A.M. Schram
tegen
de besloten vennootschap TenneT TSO B.V.
gevestigd te Arnhem
gedaagde
verder te noemen: TenneT
gemachtigde: mr. C.H.R.M. van Hoeven en mr. J. Sluijter
1. Het verdere procesverloop
1.1.
Delta heeft in het kader van het haar bij tussenvonnis van 3 mei 2017 opgedragen bewijs getuigen doen horen. De griffier heeft proces-verbaal opgemaakt van wat de getuigen hebben verklaard. Beide partijen hebben hierna nog schriftelijk gereageerd.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. Delta is daarbij in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de gemeente Beverwijk heeft toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein mogelijk te maken op de percelen Gemeente Beverwijk, sectie [sectie] , nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat als een dergelijke toezegging door de gemeente Beverwijk is gedaan, de percelen moeten worden aangemerkt als “warme grond”. Dat wil in dit geval zeggen dat aan de grond niet slechts een agrarische waarde kan worden toegekend, maar dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een toekomstige realisatie van een bedrijventerrein bij de waardebepaling.
2.2.
Delta heeft drie getuigen voorgebracht: [getuige 1] (voormalig advocaat van Delta en broer van de inmiddels overleden eigenaar van Delta, hierna te noemen: [getuige 1] ), [getuige 2] (voormalig wethouder ruimtelijke ordening en infrastructuur en economische zaken van de gemeente Beverwijk in de periode 1998-2004 en 2010-2014, hierna te noemen: [getuige 2] ) en [getuige 3] (burgemeester van Beverwijk van 2008 tot 2016, hierna te noemen: [getuige 3] ).
2.3.
[getuige 1] heeft onder meer verklaard: “U vraagt mij wat ik kan verklaren over de contacten met de gemeente Beverwijk over de toekomstige ontwikkeling tot bedrijventerrein van de gronden waar het in deze zaak over gaat en waarvan ik zojuist een luchtfoto heb overhandigd. De meeste contacten met de gemeente heeft mijn broer zelf gehad, onder meer met de burgemeester, [betrokkene 1] . Ik ben er wel bij betrokken geweest. Ik heb met mijn broer veel zaken besproken over de ontwikkeling van de terreinen en van de aansluiting daarvan op de A9. Mijn broer, althans één van zijn vennootschappen heeft de terreinen aan beide kanten van de A9 eind jaren 60 begin jaren 70 gefaseerd aangekocht. Dat was destijds nog één gebied voordat de A9 werd verlegd. Het Rijk heeft op enig moment het besluit genomen om een nieuw stuk van de A9 aan te leggen aansluitend op de Wijkertunnel. De gemeente Beverwijk wilde graag een aansluiting op de A9, maar had daarvoor niet de financiële middelen die aan het Rijk moesten worden bijgedragen. De gemeente heeft daarom bij mijn broer aangeklopt. Mijn broer heeft ruim één miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de ontsluiting op de A9 van de terreinen aan beide kanten van de weg. Hierover is een overeenkomst met de gemeente gesloten waarin is vastgelegd dat de gemeente ook zou meewerken aan de ontwikkeling van het terrein waar het hier om gaat tot bedrijventerrein. Die overeenkomst is in 1997 of 1998 gesloten, denk ik. In de overeenkomst is vastgelegd dat de gemeente binnen een x termijn de ontwikkeling tot bedrijventerrein zou ondersteunen. Mocht dat binnen die termijn niet gerealiseerd worden dan zou het geld worden terug betaald. Ik weet vrijwel zeker dat dat ook is gebeurd. De inspanningsverplichting om mee te werken aan de ontwikkeling tot bedrijventerrein is echter blijven bestaan. Het meewerken aan deze ontwikkeling was voor de gemeente geen zwaarwegend punt omdat deze ontwikkeling eigenlijk voor de hand ligt gezien de ligging van het terrein. U houdt mij voor dat wij inmiddels 20 jaar verder zijn en dat het terrein nog steeds agrarisch is. Dat is juist. Dit soort ontwikkelingen vergen veel tijd. Het terrein aan de overkant van de A9 is in 1970 aangekocht en is nog steeds niet helemaal vol. (..)
Ook na de overeenkomst waarover ik zojuist verklaarde zijn er contacten geweest met de gemeente over de ontwikkeling tot bedrijventerrein van de Wijkermeerpolder. Mijn broer heeft destijds meerdere keren gesproken met vertegenwoordigers van de gemeente. (..) De gemeente wilde zich nog steeds inspannen voor de ontwikkeling van het gebied. Daar was geen haast mee omdat het bestaande bedrijventerrein aan de andere kant van de A9 nog niet vol was. (..)
Ik ben in 2012 en 2013 een jaar wethouder geweest in gemeente Beverwijk. Mijn portefeuille was economische zaken, milieu en onderwijs. Ik herinner mij dat in die periode, toen ik wethouder was, nog gesproken is over de ontwikkeling van het terrein waar het hierom gaat. Het ging om de vraag of het mogelijk was om een distributiecentrum voor transport en logistiek te vestigen. (..)
2.4.
[getuige 2] heeft onder meer verklaard: “Ik was wethouder van de gemeente Beverwijk in de periode 1998 – 2004 en de periode 2010 – 2014. Mijn bestuurlijke portefeuille in de eerste periode was onder andere ruimtelijke ordening en infrastructuur. In het laatste jaar van de tweede periode kwam daar ook economische zaken bij. Ik was onder meer verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen en bestemmingsplannen. Gedurende de tweede periode had ik als aanvullende portefeuille Amsterdam Noordzeekanaalgebied. U vraagt mij of ik als wethouder contact heb gehad met Delta over de ontwikkeling van de gronden waar het hier om gaat. Ik heb zelf een beperkt een persoonlijk contact gehad. Ik weet wel dat er brieven en overeenkomsten zijn geweest, ook al in de periode van voor mijn tijd. De contacten liepen via de burgemeester, die de gemeente en het college vertegenwoordigt. Als het om onderwerpen ging die mijn portefeuille betroffen dan bespraken wij dat voor. Ik herinner mij dat in de jaren 80 toen ik raadslid was er bij de gemeente dringende behoefte bestond om in het gebied waar later de A9 werd verlegd, dat wil zeggen het gebied van [getuige 1] waar wij nu over praten, een industriegebied aan te leggen. De gedeputeerde van de provincie Noord-Holland, [betrokkene 2] , wilde wel meewerken aan deze ontwikkeling. De provincie heeft daarover een brief geschreven aan de gemeente. [eigenaar Delta] is toen begonnen met het aanleggen van infrastructuur in het gebied, zoals wegen en riolering. Vervolgens zijn een tijdlang geen besluiten genomen, tot dat in de jaren 90 een afrit naar de nieuwe A9 moest worden aangelegd. Voor de financiering van die afrit heeft de gemeente een overeenkomst met Delta gesloten waarin de gemeente als tegenprestatie toezegde mee te zullen werken aan de ontwikkeling van het gebied tot bedrijventerrein. In die overeenkomst is vastgelegd als ik mij goed herinner, dat er binnen bepaalde periode een onherroepelijk bestemmingsplan zou moeten worden vastgesteld waarop een dwangsom van 1 à 1,25 miljoen euro was gesteld. Toen ik in 2010 opnieuw aantrad bleek dat de gemeente inmiddels een bedrag aan Delta had betaald. Wij vonden echter dat de verplichting van de gemeente jegens Delta nog steeds bestond. Binnen de provincie was er inmiddels een ander klimaat. In de stuurgroep Noordzeekanaal, waarvan ik deel uitmaakte, is in 2013 besproken dat niet-haven gerelateerde bedrijven in het Beverwijks havengebied zouden worden verplaatst naar het terrein van [getuige 1] , dus deze percelen aan de overkant van de A9. Dat is vastgelegd in een slotdocument. Dit document heb ik niet meer kunnen vinden. B&W had in die tijd de behoefte om de bestemmingsplanprocedure weer op te starten. In de stuurgroep bestond consensus tussen de betrokken gemeenten en het provinciaal bestuur over deze ontwikkeling. Ik ben in 2014 afgetreden als wethouder en als raadslid. Daarna heb ik het zicht op de ontwikkeling verloren. (..) U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat in de stuurgroep Noordzeekanaalgebied consensus bestond over de ontwikkeling tot bedrijventerrein en u houdt mij tevens voor de structuurvisie van de gemeente Beverwijk van 2009 en de structuurvisie van de provincie van 2010 en u vraagt mij of in de stuurgroep is gesproken over de verhouding van de consensus tot die structuurvisies. Ik kan mij herinneren dat daarover gesproken is, maar dat aan de structuurvisie van de gemeente niet veel gewicht werd gehecht. Die structuurvisie is tot stand gekomen in een periode dat er weerstand bestond tegen de ontgroening van het gebied. En daar is de gemeente later van teruggekomen. En blijkens dat slotdocument ook de provincie. Na 2010 is door de provincie op bestuurlijk niveau in de stuurgroep besloten in te stemmen met de wens van de gemeente Beverwijk. De provincie was in die stuurgroep vertegenwoordigd door de commissaris van de koningin en door de gedeputeerde voor ruimtelijke ordening en havens (..).”
2.5.
[getuige 3] heeft onder meer verklaard: (..) Ik heb de contacten met [eigenaar Delta] hersteld en verbeterd. En vervolgens hebben wij over een groot aantal onderwerpen regelmatig en veelvuldig contact gehad. De ontwikkeling van de terreinen waar het hier over gaat tot bedrijventerrein was heel nadrukkelijk onderwerp van gesprek. Toen ik aantrad liep ik tot mijn grote irritatie er tegenaan dat de gemeente als een soort defensieve strategie het terrein een groenbestemming wilde geven. In de regio bestond discussie over de vraag waar onder meer de kolenoverslag van de haven van Amsterdam in de toekomst zou moeten worden gerealiseerd. Ik was van mening dat een defensieve strategie zou moeten worden vervangen door een positieve strategie waarbij het terrein een actieve, nuttige, economische bestemming zou krijgen. (..) Voor 2010 zat de gemeente niet aan tafel bij de stuurgroep Noorzeekanaalgebied. Na de collegevorming in 2010 konden wij vanuit een nieuwe dynamiek een goede positie aan de onderhandelingstafel krijgen. Namens de gemeente zat wethouder [getuige 2] vanaf 2011/2012 aan tafel. Ik zat zelf niet in de stuurgroep. Maar binnen het college is regelmatig gediscussieerd over de te volgen strategie, in het bijzonder de strategie om groen te vervangen door een actieve economische strategie. Wethouder [getuige 2] kwam op een gegeven moment terug uit de stuurgroep met de boodschap dat hij met veel moeite in het slotdocument had weten te krijgen dat er een bedrijfsmatige bestemming in plaats van een groenbestemming aan deze kant van het kanaal op de percelen waar wij het nu over hebben, zou kunnen worden ontwikkeld. Voor de gemeente Beverwijk was het belangrijk om dit in het slotdocument vastgelegd te hebben. Omdat het een nieuw beginpunt was van een ontwikkeling die uiteindelijk jaren zou kosten en waarbij veel partijen zouden zijn betrokken. (..)
U vraagt mij of het mij bekend was dat de gemeente had toegezegd zich te zullen inspannen om de onderhavige terreinen te ontwikkelen tot bedrijventerrein. Ja, dat klopt, zij het dat ik mij daar pas van bewust werd na het eerste contact met [eigenaar Delta] . Nadien heb ik geverifieerd binnen de gemeente of deze inspanningsverplichting bestond. En dat bleek te kloppen. Ik heb dat in de diverse gesprekken met [eigenaar Delta] aan hem bevestigd. Wij hebben wel discussie gehad over hoe het bedrijventerrein zou worden ingevuld, maar niet over het bestaan van de inspanningsverplichting (..)”
2.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter staat vast dat Delta de onderhavige percelen in het verleden heeft aangekocht met het uitdrukkelijke doel om deze percelen op enig moment in de (verre) toekomst te ontwikkelen tot bedrijventerrein. De percelen hadden (en hebben) weliswaar een agrarische bestemming, maar Delta is géén agrarische onderneming. Delta is een onderneming die gespecialiseerd is in het aankopen van gronden die op strategisch belangwekkende locaties gelegen zijn, met het oogmerk om die gronden in de toekomst te ontwikkelen tot bedrijventerreinen. Niet betwist is dat de percelen strategisch gelegen zijn: ze liggen immers naast de eveneens door Delta ontwikkelde bedrijventerreinen aan de andere kant van de A-9, in de directe omgeving van het Noordzeekanaal.
2.7.
Delta heeft betoogd dat de onderhavige percelen feitelijk de enige gronden zijn binnen de gemeente Beverwijk waarop redelijkerwijs nog uitbreiding of ontwikkeling van bedrijventerreinen kan plaatsvinden. Ook de oud-burgemeester van Beverwijk heeft dit uitdrukkelijk zo verklaard. Door TenneT is dit niet (voldoende) betwist, zodat voor de kantonrechter vaststaat dat deze stelling van Delta juist is.
2.8.
Dat de gemeente Beverwijk in de in 2009 vastgestelde Structuurvisie 2015 heeft vastgelegd dat de Wijkermeerpolder, waarin de percelen gelegen zijn, moet dienen als groene buffer tussen de gemeente Beverwijk en de gemeente Zaanstad, hoeft geenszins in de weg te staan aan een ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein. Immers, de percelen zijn gelegen aan de uiterste rand van de uitgestrekte Wijkermeerpolder. Een blik op de kaart leert dat de door de gemeente gewenste groene buffer ook bij realisatie van een bedrijventerrein op de onderhavige percelen in stand zou blijven. De gemeente Beverwijk heeft zich overigens ook na vaststelling van de structuurvisie in 2009 nog actief ingezet voor de mogelijke ontwikkeling van de percelen tot bedrijventerrein, zoals blijkt uit de getuigenverklaringen.
2.9.
Uit de getuigenverklaringen, elk afzonderlijk en in onderling verband bezien, blijkt dat de gemeente Beverwijk in het verleden expliciet heeft toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein op de percelen mogelijk te maken. Deze toezegging is aanvankelijk gedaan in het kader van een overeenkomst tussen de gemeente en Delta met betrekking tot de financiering van de ontsluiting van de A-9. Nadien is deze toezegging blijven bestaan, ook nadat de gemeente de overeengekomen dwangsom aan Delta had betaald.
2.10.
Zoals door [getuige 1] is opgemerkt en zoals ook uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] kan worden opgemaakt was het meewerken aan deze ontwikkeling voor de gemeente een vanzelfsprekende zaak omdat de ontwikkeling gezien de situering van het terrein voor de hand ligt en alternatieve locaties binnen de gemeente Beverwijk feitelijk niet voor handen zijn. Uit de verklaring van de oud-burgemeester kan worden opgemaakt dat de ontwikkeling juist heel goed zou passen in de gemeentelijke strategie ten aanzien van de haven. De oud-burgemeester heeft immers verklaard: “De gemeente Beverwijk had als speerpunt transport en distributie in het havengebied en wij wilden de haven weer beschikbaar maken voor haven-gebonden activiteiten. Voor het verplaatsen van niet-haven gebonden activiteiten was ruimte nodig. Binnen ons grondgebied was die ruimte alleen beschikbaar op het onderhavige terrein van Delta. Er zou dan ruimte vrijkomen voor de haven-gebonden activiteiten bij de haven.”
2.11.
Tennet heeft betoogd dat uit de getuigenverklaringen niet volgt dat op de gemeente Beverwijk op het moment van het opleggen van de gedoogbeschikking nog een inspanningsverplichting rustte om mee te werken aan een bestemmingswijziging van de percelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet juist. Vast staat dat de gemeente de inspanningsverplichting is aangegaan ten tijde van de ontsluiting op de A-9 en uit de getuigenverklaringen blijkt dat ook na het betalen van de dwangsom, de gemeente, bij monde van de burgemeester en de verantwoordelijk wethouder, zichzelf nog steeds gebonden achtte aan die inspanningsverplichting, waarbij de gemeente ook zelf een strategisch belang had in verband met de ontwikkeling van het havengebied. Uit niets blijkt dat de inspanningsverplichting nadien is komen te vervallen. Wat er zij van een eventuele verjaring van de inspanningsverplichting, daarop komt TenneT in elk geval geen beroep toe. Dat de gemeente Beverwijk op het moment van het opleggen van de gedoogverplichting niet actief gestalte zou hebben gegeven aan enige inspanning om de bestemming van de percelen te wijzigen, zoals door TenneT is gesteld, maakt niet dat de inspanningsverplichting niet meer op haar zou rusten. Zoals door [getuige 1] is opgemerkt vergen dit soort ontwikkelingen veel tijd; het bedrijventerrein aan de andere kant van de A-9 is in 1970 aangekocht en is nog altijd niet vol. En zolang het niet vol is, is er, zo blijkt uit de verklaring van [getuige 1] , geen haast met het ontwikkelen van de onderhavige percelen.
2.12.
De conclusie is dat Delta geslaagd is in het leveren van het opgedragen bewijs. Dat betekent dat de grond moet worden gekwalificeerd als “warme grond”, dat wil zeggen grond waaraan naast de agrarische waarde een verwachtingswaarde moet worden toegekend. Voor zover die verwachtingswaarde is verminderd als gevolg van het opleggen van een gedoogplicht tot de aanleg en instandhouding van de 380 kV-verbinding, is dit, zoals in het tussenvonnis is overwogen, schade die valt onder de reikwijdte van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP). Deze schade dient volledig te worden vergoed door de verzoeker van de gedoogplicht, zijnde in casu TenneT.
2.13.
De vervolgvraag voor de bepaling van de door Delta geleden schade is in de eerste plaats wat de verwachtingswaarde is. De tweede vraag is in hoeverre die verwachtingswaarde door de aanleg van de 380 kV-verbinding is gedaald. In het door Delta overgelegde taxatierapport van [taxateur] is de waarde van de grond getaxeerd op basis van een waarschijnlijke ontwikkeling tot bedrijventerrein binnen vijftien jaar. In het rapport is er vervolgens vanuit gegaan dat door de aanleg van de 380 kV-verbinding de betrokken percelen per definitie geheel onbruikbaar zijn geworden voor de ontwikkeling tot bedrijventerrein. In het taxatierapport is schade die Delta vordert berekend op € 5.112.201,00, zijnde de gestelde waarde van de percelen op basis van een waarschijnlijke ontwikkeling tot bedrijventerrein binnen vijftien jaar (volgens het rapport€ 7.359.654,00) minus de waarde in de huidige situatie met de 380 kV-verbinding, waarbij wordt uitgegaan van uitsluitend nog de agrarische waarde van de grond (volgens het rapport € 2.247,453,00).
2.14.
TenneT heeft gemotiveerd betoogd dat het rapport [taxateur] terzijde moet worden geschoven (zie onder meer de pleitaantekening van TenneT voor de comparitie van 5 april 2017).
2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat het rapport [taxateur] weliswaar een eerste aanzet biedt voor de bepaling van de door Delta geleden schade, maar te eenzijdig is om er een doorslaggevende betekenis aan toe te kennen. De kantonrechter ziet geen mogelijkheid om de schade in het kader van de onderhavige procedure zelf te begroten. De kantonrechter acht een verwijzing naar de schadestaatprocedure dan ook aangewezen. Daarom zal TenneT, zoals door Delta is gevorderd, worden veroordeeld om aan Delta te vergoeden de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedoogbeschikking, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.16.
De proceskosten komen voor rekening van TenneT, omdat zij ongelijk krijgt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt TenneT tot vergoeding aan Delta van de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedoogbeschikking, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3.2.
veroordeelt TenneT tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Delta tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 82,54
griffierecht € 941,00
salaris gemachtigde € 5.764,00 ;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Uitspraak 03‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Artikel 14 belemmeringenwet privaatrecht. Schadeloosstelling. Planschade. Tussenvonnis.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton – locatie Haarlem
zaak/rolnr.: 5439583 CV EXPL 16-9374
datum uitspraak: 3 mei 2017
VONNIS VAN DE KANTONRECHTER
inzake
de besloten vennootschap Delta Onroerend Goed B.V.
gevestigd te Velsen
eiseres
hierna te noemen: Delta
gemachtigde: mr. R.A.M. Schram
tegen
de besloten vennootschap TenneT TSO B.V.
gevestigd te Arnhem
gedaagde
hierna te noemen: TenneT
gemachtigden: mr. C.H.R.M. van Hoeven en mr. J. Sluijter
1. De procedure
1.1.
Delta heeft TenneT op 4 oktober 2016 gedagvaard. TenneT heeft op 16 november 2016 schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 5 april 2017 heeft een comparitie na antwoord plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen voor Delta [betrokkene 1] , bijgestaan door mr. R.A.M. Schram en voor TenneT [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , bijgestaan door mr. J. Sluijter en mr. N.H. van den Biggelaar. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van zittings- dan wel pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekening gehouden van het verder verhandelde ter zitting.
2. De feiten
2.1.
Delta is een onderneming die onder meer gericht is op het aankopen van gronden met het oogmerk deze in de toekomst te ontwikkelen tot bedrijventerreinen. Delta is eigenaar van de volgende percelen:
- gemeente Beverwijk, sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot 119.020 m2;
- gemeente Beverwijk, sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot 215.080 m2;
- gemeente Beverwijk, sectie [sectie] , nummer [nummer] , groot 120.850 m2.
2.2.
TenneT is de beheerder van het landelijk hoogspanningsnet in Nederland. In verband met de groeiende behoefte aan transportcapaciteit van elektriciteit wordt het hoogspanningsnet uitgebreid. Onderdeel van die uitbreiding is een nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Zoetermeer (Randstad 380 kV Noord).
2.3.
De Minister van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu hebben een Rijksinpassingsplan vastgesteld, waarin de tracering van de hoogspanningsverbinding is vastgelegd. Het Rijksinpassingsplan maakt planologisch mogelijk dat een deel van de hoogspanningsverbinding wordt aangelegd op de percelen van Delta. Het Rijksinpassingsplan en een aantal voor de uitvoering noodzakelijke vergunningen zijn na een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2013 onherroepelijk geworden.
2.4.
Omdat tussen Delta en TenneT geen overeenstemming is bereikt over de vestiging van een zakelijk recht voor de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding, heeft TenneT op 25 februari 2014 de Minister van Infrastructuur en Milieu verzocht aan Delta een gedoogbeschikking op te leggen op grond van artikel 1 juncto artikel 2 lid 5 Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP), met inachtneming van artikel 20 lid 1 van de Elektriciteitswet 1998.
2.5.
In opdracht van de Minister van Infrastructuur en Milieu heeft de Deskundigencommissie op 18 juli 2014 advies uitgebracht over het verzoek van TenneT tot het opleggen van een gedoogplicht op grond van BP aan (onder meer) Delta. De Deskundigencommissie adviseert de Minister Delta te verplichten de aanleg, aanwezigheid en instandhouding van de Randstad 380 kV verbinding Beverwijk – Vijfhuizen, in voorkomende gevallen inclusief toegang tot het werk, op haar percelen te gedogen. Met betrekking tot het door Delta onder meer ingebrachte bezwaar dat het voorgestane tracé niet op de voor Delta minst belemmerende wijze wordt uitgevoerd en dat haar percelen hierdoor ongeschikt worden voor toekomstige ontwikkeling, zoals bedrijfsbebouwing, overweegt de Deskundigencommissie: “Eventuele gemiste inkomsten doordat de percelen niet meer ontwikkeld kunnen worden, bijvoorbeeld met bedrijfsbebouwing, speelt (in deze procedure) geen rol bij de beoordeling of het werk niet op de minst belemmerende wijze wordt aangelegd. Dit aspect is volgens de commissie een onderdeel dat Delta in kan brengen in het kader van de schadeloosstelling.”
2.6.
Op 5 augustus 2014 heeft de Minister de door TenneT verzochte gedoogplicht opgelegd aan Delta (hierna te noemen: de gedoogbeschikking). Met betrekking tot toekomstige schade merkt de Minister onder meer op: “Bezwaren die betrekking hebben op in de toekomst te lijden schade dienen eveneens te worden aangemerkt als bezwaren van financiële aard en kunnen niet leiden tot de afwijzing van het verzoek tot oplegging van de gedoogplicht. Voor zover, als gevolg van de aanleg en instandhouding van de 380kV hoogspanningsverbinding in de toekomst concreet sprake zou zijn van waardevermindering van een onroerende zaak, dan wel van andere schadeposten, kan ingevolge het bepaalde in de slotalinea van artikel 1 juncto artikel 14, eerste lid van de BP, van die gebleken schade vergoeding worden verzocht.”Met betrekking tot de door Delta ingebrachte bezwaren overweegt de Minister: “Overwegingen naar aanleiding van de bezwaren. In hoofdstuk 4.5. van het advies wordt op basis van de vereisten nader ingegaan op de door rechthebbende ingebrachte bezwaren en overwegingen. De overwegingen en conclusie van de Deskundigencommissie worden door mij overgenomen.”
2.7.
Delta heeft op 18 september 2014 beroep ingesteld tegen de gedoogbeschikking.
2.8.
Op 12 augustus 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van Delta ongegrond verklaard, waarmee de gedoogbeschikking onherroepelijk is geworden.
2.9.
De gedoogbeschikking bracht mee dat op de percelen van Delta onder meer een ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsverbinding, een opstijgpunt en een aantal hoogspanningsmasten zou worden gerealiseerd. De werken zijn inmiddels uitgevoerd.
2.10.
De zakelijk rechtstrook loopt over de percelen met een breedte van 22 meter aan weerszijden van en inclusief de hartlijn van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen en over een breedte van 12,5 meter aan weerszijden van en inclusief de hartlijn van de ondergrondse hoogspanningsverbinding en heeft een oppervlakte van 58.867 m2.
2.11.
De permanente belemmering in het gebruik betreft het opstijgpunt (4.500 m2), de toegangsweg (367 m2), de watercompensatie (191 m2), en drie masten (174 m2), mitsdien in totaal 5.232 m2.
3. De vordering
3.1.
Delta vordert veroordeling van TenneT tot vergoeding van de schade die Delta heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de gedoogbeschikking en de handelwijze van Tennet, met vaststelling van deze schade op een bedrag van € 5.112.201,- althans op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie mag vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de gedoogbeschikking en met veroordeling van TenneT in de proceskosten.
3.2.
Delta legt aan haar vordering -samengevat- het volgende ten grondslag.
Delta heeft de percelen, met landbouwbestemming, aangekocht met het uitdrukkelijke doel deze op termijn te ontwikkelen tot een bedrijventerrein. De percelen bevinden zich op een zeer gunstige locatie, gelegen direct aan de Rijksweg A9 en aan het Noordzeekanaal en direct tegenover een reeds bestaand -eveneens door Delta ontwikkeld- bedrijventerrein. Ontwikkeling tot bedrijventerrein viel te verwachten, enerzijds vanwege de ligging en anderzijds omdat ook de gemeente Beverwijk had aangegeven dat dit gebied in de toekomst zou kunnen worden ontwikkeld tot bedrijventerrein. Op grond van de gedoogbeschikking is op de percelen van Delta een hoogspanningsverbinding met masten, kabels en bijbehorende voorzieningen aangebracht, die schuin door het midden over de percelen loopt, waardoor de percelen onbruikbaar zijn geworden voor de ontwikkeling als bedrijventerrein. De percelen hebben hun ontwikkelingswaarde verloren en hierdoor lijdt Delta schade. De schade is in opdracht van Delta door een rentmeester/taxateur begroot op het gevorderde bedrag. Delta baseert haar vordering op artikel 14 BP.
4. Het verweer
4.1.
TenneT erkent dat Delta recht heeft op vergoeding van de schade die wordt veroorzaakt door de opgelegde gedoogplicht dan wel de aanleg en instandhouding van de verbinding, maar voert -samengevat- als primair verweer dat de schade die Delta in de onderhavige procedure opvoert niet is veroorzaakt door de opgelegde gedoogplicht, maar het gevolg is van het Rijksinpassingsplan en niet onder de reikwijdte van de BP valt, maar kwalificeert als planschade waarvoor een planschadeverzoek op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst TenneT naar twee uitspraken van rechtbank Den Haag van de kamer voor kantonzaken.
4.2.
Subsidiair betwist TenneT, voor zover de beweerde schade wel onder de reikwijdte van de BP zou vallen, dat die schade € 5.112.201,- beloopt.
5. 5. De beoordeling
5.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is de vraag of de door Delta gestelde schade onder de reikwijdte van de BP valt. In dat verband wordt opgemerkt dat de vraag of de gestelde schade (tevens) kan worden gekwalificeerd als planschade op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening, niet aan de kantonrechter ter beoordeling voor ligt.
5.2.
De door Delta gestelde schade betreft kort gezegd het verlies van ontwikkelingswaarde van de grond. Verlies van ontwikkelingswaarde wordt naar het oordeel van de kantonrechter niet, zoals door TenneT wordt betoogd, veroorzaakt door de vaststelling en het onherroepelijk worden van het Rijksinpassingsplan. Het Rijksinpassingsplan maakt, zoals terecht door Delta is opgemerkt, slechts de planologische inpassing van de hoogspanningsverbinding mogelijk, en wel door toevoeging van een dubbelbestemming voor de hoogspanningsverbinding aan de agrarische bestemming, die overigens ongewijzigd blijft.
5.3.
Na het onherroepelijk worden van het Rijksinpassingsplan hebben partijen eerst onderhandeld over de vestiging van een zakelijk recht tot aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding op de percelen van Delta. Delta heeft daarbij ingebracht dat de grond zou moeten worden onteigend omdat deze door de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding niet meer geschikt zou zijn om te worden ontwikkeld als bedrijventerrein. Dit is door TenneT afgewezen. Voorts heeft Delta aan de orde gesteld of de verbinding niet op een voor Delta minder belemmerende wijze zou kunnen worden aangelegd. Delta heeft in dat verband voorgesteld om de verbinding niet schuin door het midden van de percelen aan te leggen, maar langs de buitenrand van de percelen of om de verbinding zelfs helemaal ondergronds aan te leggen. TenneT is niet ingegaan op deze voorstellen en de onderhandelingen hebben niet geleid tot overeenstemming over de vestiging van een zakelijk recht.
5.4.
Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de vestiging van een zakelijk recht, heeft TenneT de Minister van Infrastructuur en Milieu gevraagd om aan Delta een gedoogbeschikking op grond van de BP op te leggen.
5.5.
In de procedure tot vaststelling van die gedoogbeschikking heeft Delta wederom naar voren gebracht dat haar belangen vorderen dat de percelen onteigend worden, omdat de percelen waardeloos worden na de realisatie van de hoogspanningsverbinding. Voorts heeft Delta als bezwaar aangevoerd dat het werk, zoals voorgesteld, niet op de minst belemmerende wijze zou worden aangelegd, want dat het aanleggen van een hoogspanningsverbinding schuin over het midden van haar percelen deze percelen ongeschikt zou maken voor de ontwikkeling tot bedrijventerrein.
5.6.
De Deskundigencommissie heeft in haar advies aan de Minister aangegeven dat onteigening op grond van de BP alleen aan de orde is als het huidige gebruik niet of nauwelijks kan worden voortgezet en dat (toekomstige) ontwikkeling van percelen niet te kwalificeren is als het huidige gebruik, zodat onteigening niet aan de orde is. De Deskundigencommissie overweegt daarbij dat indien en voor zover er sprake is van concrete toekomstige ontwikkeling waardoor de percelen een hogere waarde hebben dan gezien het huidige gebruik kan worden verwacht, dit aan de orde zal komen in het kader van de schadevergoeding.
5.7.
Met betrekking tot het bezwaar dat het werk niet op de minst belemmerende wijze wordt aangelegd, heeft de Deskundigencommissie gesteld dat het tracé vast ligt in het Rijksinpassingsplan en de bezwaren tegen het tracé door de commissie in het kader van de gedoogplichtprocedure op grond van de BP niet kunnen worden getoetst omdat de bezwaren zich richten tegen het Rijksinpassingsplan. De bezwaren konden ingebracht worden in de procedure tegen het Rijksinpassingsplan. Eventuele gemiste inkomsten doordat de percelen niet meer ontwikkeld kunnen worden, bijvoorbeeld met bedrijfsbebouwing, spelen, aldus de commissie, geen rol bij de beoordeling of het werk niet op de minst belemmerende wijze wordt aangelegd. Dat aspect is volgens de commissie een onderdeel dat Delta in kan brengen in het kader van de schadeloosstelling.
5.8.
De Minister heeft de bezwaren van Delta afgewezen en de gedoogbeschikking opgelegd De Minister heeft daarbij het advies van de Deskundigencommissie overgenomen. Niet door de planologische inpassing op grond van het Rijksinpassingsplan, maar eerst door het opleggen van de gedoogplicht is Delta gedwongen te gedogen dat op haar percelen de hoogspanningsverbinding wordt aangelegd en in stand gehouden ten behoeve van TenneT. Indien, zoals door Delta wordt gesteld, de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding leidt tot waardevermindering van de grond, wordt die waardevermindering dus veroorzaakt door de gedoogbeschikking waartoe TenneT het verzoek heeft ingediend, en is dat schade die valt onder de reikwijdte van de BP. Ingevolge de BP en vaste jurisprudentie1.dient alle schade die een rechthebbende lijdt als gevolg van het opleggen van een gedoogplicht volledig en telkens wanneer die zich voordoet, te worden vergoed door de verzoeker van de gedoogplicht. Uitgangspunt dient daarbij te zijn de situatie waarin er geen gedoogplicht is.
5.9.
Door het overnemen van het advies van de Deskundigencommissie heeft ook de Minister Delta te kennen gegeven dat de eventuele vermindering van de ontwikkelingswaarde van de percelen als gevolg van de aanleg en instandhouding van de hoogspanningsverbinding door Delta kan worden ingebracht in het kader van de schadeloosstelling. Dat de Minister daarbij doelt op de schadeloosstelling in het kader van de BP (en dus niet om vergoeding van eventuele planschade in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening) blijkt uit het feit dat de Minister in de gedoogbeschikking expliciet verwijst naar het bepaalde in de slotalinea van artikel 1 juncto artikel 14, eerste lid van de BP.
5.10.
Het verweer van TenneT dat de door Delta gestelde schade niet onder de reikwijdte van de BP valt, wordt op grond van het vorenstaande afgewezen. De door TenneT overgelegde uitspraken van de kantonrechter te Den Haag van 21 juni 2016 en 23 november 2015 maken dat oordeel niet anders.
5.11.
De schadeclaim van Delta berust primair op haar stelling dat sprake is van “warme grond”, dat wil zeggen grond met een reële ontwikkelingsverwachting. Delta heeft in dat verband aangevoerd dat de gronden ideaal gelegen zijn voor ontwikkeling tot bedrijventerrein en dat de gemeente Beverwijk in het verleden heeft toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein in de toekomst mogelijk te maken. In dat kader heeft Delta opgemerkt dat zij destijds de kosten van de afrit en rotonde van de snelweg A9 heeft betaald of grotendeels heeft betaald om de ontsluiting van de percelen op de snelweg mogelijk te maken met het oog op de toekomstige ontwikkeling. Daarbij werd volgens Delta de afspraak gemaakt dat de gemeente medewerking zou verlenen dan wel zich zou inspannen om de betreffende locatie tot bedrijventerrein te kunnen ontwikkelen indien dat opportuun zou worden.
5.12.
TenneT heeft betwist dat sprake is van “warme grond”. De kantonrechter overweegt dat alvorens nader op de door Delta gestelde schade kan worden ingegaan, eerst vast moet komen te staan of er sprake is van “warme grond”. Delta heeft bewijs van haar stellingen aangeboden, in het bijzonder (getuigen)bewijs van de stelling dat de gemeente Beverwijk heeft toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein op de onderhavige locatie mogelijk te maken. Delta zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.
5.13.
De kantonrechter zal de zaak naar de rolzitting verwijzen voor het nemen van een akte door Delta waarbij zij –indien zij getuigen wenst voor te brengen- de naam/namen van de getuige(n) en de verhinderdata van haarzelf en de getuigen(n) dient op te geven op dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden juli, september en oktober 2017.
5.14.
TenneT dient op diezelfde rolzitting haar verhinderdata en de verhinderdata van haar gemachtigden voor dezelfde dagen en maanden op te geven.
5.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6. De beslissing
De kantonrechter:
6.1.
laat Delta toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de gemeente Beverwijk heeft toegezegd zich te zullen inspannen om een bedrijventerrein op de percelen Gemeente Beverwijk, sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] mogelijk te maken;
6.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 juni 2017 te 10.00 uur voor het nemen van akten door partijen als hiervoor onder 5.13 en 5.14 bedoeld;
6.3.
bepaalt dat indien Delta aangeeft getuigen voor te willen brengen, op diezelfde rolzitting een datum voor een buitengewone zitting voor de bewijslevering zal worden vastgesteld;
6.4.
bepaalt dat uitstel in beginsel niet wordt verleend. Bij het ontbreken van tijdig bericht van Delta wordt ervan uitgegaan dat zij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid tot bewijslevering;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑05‑2017