Overeenkomst tot arbitrage
Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.4.6:10.4.6 Misbruik van recht
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.4.6
10.4.6 Misbruik van recht
Documentgegevens:
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS507161:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan deze niet inroepen, voorzover hij deze bevoegdheid misbruikt, aldus luidt art. 3:13 lid 1 BW. Zulks wordt ook wel met misbruik van recht aangeduid. De wet duidt in art. 3:13 lid 2 BW een aantal gevallen aan waarin misbruik van bevoegdheid aan de orde kan zijn. De aanduiding is overigens enumeratief. Zo kan een bevoegdheid worden misbruikt indien zij wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Voorts kan misbruik bestaan in het geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, volgens redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge art. 3:13 lid 3 BW is misbruik niet mogelijk als zulks uit de aard van de bevoegdheid voortvloeit.
Vraag is of ook de uit een overeenkomst tot arbitrage voortvloeiende bevoegdheden kunnen worden misbruikt. Ofschoon de overeenkomst tot arbitrage mede als obligatoire overeenkomst is aangemerkt, zal het bij de bevoegdheden waarop thans wordt geduid, veelal gaan om bevoegdheden die het procesrecht aan de overeenkomst toekent. In dit opzicht hebben wij dus van doen met de overeenkomst tot arbitrage als procesrechtelijke overeenkomst (zie 5.3). Ook processuele bevoegdheden kunnen worden misbruikt omdat art. 3:13 BW buiten het vermogensrecht van toepassing is, voorzover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet (art. 3:15 BW). Misbruik van recht is inmiddels ook in het burgerlijk procesrecht, met name bij de executie van vonnissen en beschikkingen, een ingeburgerd begrip geworden.1 Partijen kunnen dus ook uit een overeenkomst tot arbitrage voortvloeiende bevoegdheden processueel misbruiken. Zo blijkt ook uit de jurisprudentie. In de zaak Meijer/OTM beziet de Hoge Raad inhoudelijk of gronden voor misbruik van recht bestaan en wijst de Hoge Raad het beroep af nadat hij heeft vastgesteld dat geen misbruik bestaat en niet op de grond dat men zijn rechten terzake niet kan misbruiken (zie 10.4.5.2).2
Het zal met name aankomen op de vraag of een partij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om zich te beroepen op het bestaan van een arbitrageovereenkomst als de wederpartij de zaak ondanks de overeenkomst tot arbitrage aan de gewone rechter voorlegt (art. 1022 lid 1 Rv). Andersom kan een partij misbruik maken van zijn bevoegdheid als zij een zaak aan arbitrage onderwerpt (art. 1052 lid 2 Rv). In de praktijk zal alsdan vrijwel alleen de onevenredigheid van belangen als grond voor misbruik in aanmerking komen. Daarom ging het ook bij het beroep op misbruik van recht in de zaak Meijer/OTM, dit op de grond dat arbitrage in de regel uitermate kostbaar is en dat inschakeling van arbiters voor de in de zaak ingestelde eenvoudige vordering van geringe omvang niet nodig is. De Hoge Raad oordeelde dienaangaande dat zulks niet voldoende was om aan te nemen dat het beroep op de arbitrageovereenkomst in het onderhavige geval daadwerkelijk misbruik van recht oplevert (zie ook 10.4.5.2).3
Misbruik van recht heeft in het procesrecht een uiterst marginale functie omdat het zelf vele waarborgen kent tegen ongerechtvaardigd gebruik van bevoegdheden.4 Dat geldt ook voor de arbitrage. Ik wijs bijvoorbeeld op art. 1028 Rv. Indien de arbitrageovereenkomst aan één van partijen een bevoorrechte positie bij de benoeming van arbiters toekent, zal de desbetreffende partij die krachtens genoemde overeenkomst een zaak aan arbitrage onderwerpt in beginsel geen misbruik van recht maken aangezien de wederpartij, in afwijking van de benoemingsregeling, de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van art. 1028 Rv kan verzoeken arbiters te benoemen (zie wel ook 10.4.2.4 sub c — iii).
Misbruik van recht zal, waarschijnlijk in nog sterker mate dan bij het beroep op de redelijkheid en billijkheid het geval is, slechts uitkomst bieden in zeer schrijnende gevallen waarvoor de wet geen of onvoldoende voorzieningen kent (zie 10.4.5.1).