Rb. Gelderland, 25-01-2018, nr. AWB - 17 , 4322
ECLI:NL:RBGEL:2018:357
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
25-01-2018
- Zaaknummer
AWB - 17 _ 4322
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2018:357, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 25‑01‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:10, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 25‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Eiseres is geen belanghebbende bij de weigering van de omgevingsvergunning omdat zij niet de aanvrager is, maar de gemachtigde van de aanvrager. Dat zij huurster van het pand is maakt haar ook geen belanghebbende, omdat uit een huurovereenkomst slechts een afgeleid belang voortvloeit.
Partij(en)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/4322
proces-verbaal van de meervoudige kamer van 25 januari 2018
in de zaak tussen
[eiseres]., te [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. I.E. Nauta),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen.
Bij besluit van 6 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Namens eiseres is verschenen [eiseres], bijgestaan door gemachtigde mr. I.E. Nauta. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. A.J.C. Leysner en drs. R.J. De Graaf.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt het bestreden besluit;
- -
verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit,
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 2.004;
- -
gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 333 vergoedt.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op 9 september 2016 is bij verweerder een aanvraag ingediend om het pand op het perceel [locatie] te [plaats] te gebruiken voor een fietsspeciaalzaak.
Verweerder heeft in het primaire en het bestreden besluit geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik.
3. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4. Verweerder heeft ter zitting de eerste pagina’s van de aanvraag overgelegd. Uit deze pagina’s blijkt dat eiseres de gemachtigde is van [eiseres] en dat zij namens [eiseres] de aanvraag heeft ingediend.
5. Uit de omstandigheid dat eiseres niet zelf de aanvrager is van de omgevingsvergunning vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat zij geen belanghebbende is. Dat zij huurster is van het pand maakt haar ook geen belanghebbende, omdat uit een huurovereenkomst slechts een afgeleid belang voortvloeit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AR4300)).
Verweerder had het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit daarom niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren.
6. Omdat het beroep gerond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase vast op € 2.004 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).
7. Verweerder dient ook het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 januari 2018. | ||
griffier | voorzitter | |
Afschrift verzonden aan partijen op: | ||
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. | ||