Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/308
308 Doel van het voorlopig getuigenverhoor
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457053:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 236; de Hoge Raad heeft het doel van het voorlopig getuigenverhoor omschreven in HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1683, NJ 1995, 414, m.nt. P. Vlas (Saueressig/Forbo) en later aangescherpt in HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3922, NJ 2012, 316, m.nt. C.J.M. Klaassen en JBPr2012, 25, m.nt. G. van Rijssen (Boekhoorn/Cyrte).
Als het doel van het voorlopig getuigenverhoor het conserveren van bewijs is, geldt een andere maatstaf voor de beoordeling van een verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor. Zie hiervoor par. 6.7.
De hierboven geformuleerde doelstelling geldt in mindere mate voor het voorlopig getuigenverhoor. Kenmerk van het voorlopig getuigenverhoor is juist dat het niet (direct) dient ter verwezenlijking van privaatrechtelijke rechten en verplichtingen door een rechter in een procedure. Het voorlopig getuigenverhoor strekt ertoe een partij of een belanghebbende tijdens of voorafgaand aan de hoofdzaak in staat te stellen bewijs te bewaren dan wel bewijs of opheldering te verschaffen omtrent voor (de beslissing van) de hoofdzaak relevante feiten.1 Aan de hand van de opgehelderde feiten kunnen partijen hun positie beter beoordelen. Zij kunnen dan beter inschatten of het verstandig is een procedure voort te zetten of bepalen tegen wie een procedure moet worden begonnen. Kortom, in een voorlopig getuigenverhoor wordt ‘slechts’ bewijs verzameld om ten behoeve van een (meestal toekomstige) procedure te gebruiken; pas in die latere procedure zal de rechter privaatrechtelijke rechten en verplichtingen vaststellen etc., waarbij het tijdens het voorlopig getuigenverhoor verzamelde getuigenbewijs gebruikt kan worden.
Uit deze doelomschrijving kan worden afgeleid – voor zover van belang – dat er zicht moet zijn op een bepaalde civiele hoofdzaak. Daarnaast moeten de feiten op zodanige wijze worden omschreven dat het voor de rechter voor wie het getuigenverhoor wordt gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Ten slotte moet de verzoeker duidelijkheid kunnen en wensen te verkrijgen omtrent de feiten om zijn proceskansen in de betreffende hoofdzaak beter te kunnen inschatten, de grondslag van zijn vordering te kunnen bepalen of te kunnen achterhalen wie zijn wederpartij in de betreffende hoofdzaak is.2 Als één of meer van deze elementen ontbreken, wordt het doel van het voorlopig getuigenverhoor overschreden. Hiervan is ook sprake als het door de verzoeker in zijn verzoekschrift genoemde doel niet kan overeenkomen met het werkelijke doel van het verzochte voorlopig getuigenverhoor.