Procestaal: Pools.
HvJ EU, 17-10-2024, nr. C-76/22
ECLI:EU:C:2024:890
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
17-10-2024
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Gavalec, N. Piçarra
- Zaaknummer
C-76/22
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Santander Bank Polska
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:890, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 17‑10‑2024
ECLI:EU:C:2024:154, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑02‑2024
Uitspraak 17‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Richtlijn 2014/17/EU — Kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen — Artikel 25, lid 1 — Vervroegde aflossing — Recht van de consument op een vermindering van de totale kredietkosten — Artikel 4, punt 13 — Begrip ‘totale kredietkosten voor de consument’ — Kosten die afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst — Commissieloon voor het verstrekken van het krediet dat moet worden betaald bij het sluiten van de overeenkomst — Methode voor de berekening van de vermindering
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Jääskinen, M. Gavalec, N. Piçarra
Partij(en)
In zaak C-76/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen) bij beslissing van 5 februari 2022, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2022, in de procedure
QI
tegen
Santander Bank Polska S.A.,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Jääskinen (rapporteur), M. Gavalec en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
QI, vertegenwoordigd door M. Żmuda Trzebiatowski, adwokat,
- —
Santander Bank Polska S.A., vertegenwoordigd door M. Wojcieszak, adwokat,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, S. Šindelková en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Rocchitta, avvocato dello Stato,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, A. Cunha en L. Medeiros als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, U. Małecka en P. Ondrůšek als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 februari 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen QI, als consument, en Santander Bank Polska S.A. over de omvang van de vermindering van de totale kredietkosten van een woningkrediet na de vervroegde aflossing ervan door QI.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2008/48
3
Artikel 3 (‘Definities’) van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66) bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- g)
‘totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;
[…]’
4
In artikel 16 (‘Vervroegde aflossing’) van richtlijn 2008/48 staat te lezen:
- ‘1.
De consument heeft het recht om zich te allen tijde volledig of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.
- 2.
De kredietgever heeft in geval van een vervroegde aflossing recht op een billijke en objectief gegronde vergoeding voor eventuele kosten die rechtstreeks verband houden met de vervroegde aflossing, mits de vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een vaste debetrentevoet geldt.
Dergelijke vergoeding mag niet hoger zijn dan 1 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst meer bedraagt dan één jaar. Indien de termijn niet meer bedraagt dan één jaar, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag bedragen.
[…]
- 4.
De lidstaten kunnen bepalen dat:
- a)
de kredietgever deze vergoeding alleen mag aanrekenen indien het bedrag van de vervroegde aflossing een in de nationale wetgeving vastgestelde drempel overschrijdt. Deze drempel bedraagt maximaal 10 000 EUR over een periode van twaalf maanden;
- b)
de kredietgever uitzonderlijk een hogere vergoeding kan vorderen indien hij kan bewijzen dat het door de vervroegde aflossing geleden verlies hoger is dan het krachtens lid 2 bepaalde bedrag.
Indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, kan de consument een overeenkomstige vermindering vorderen.
In dat geval bestaat het verlies in het verschil tussen de oorspronkelijk overeengekomen rentevoet en de rentevoet waaraan de kredietgever een lening kan verstrekken ten belope van het vervroegd afgeloste bedrag op de markt op het ogenblik van de vervroegde aflossing; bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing.
[…]’
Richtlijn 2014/17
5
De overwegingen 15, 50 en 66 van richtlijn 2014/17 luiden als volgt:
- ‘(15)
Deze richtlijn strekt ertoe ervoor te zorgen dat consumenten die kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen aangaan, een hoge mate van bescherming genieten. […]
[…]
- (50)
De totale kosten van het krediet voor de consument dienen alle kosten te omvatten die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn. Zij moeten dus de rente, commissielonen, belastingen, vergoedingen voor kredietbemiddelaars, de kosten van de waardebepaling van onroerende goederen ten behoeve van een hypotheek en alle andere vergoedingen, met uitzondering van notarisvergoedingen, omvatten, die nodig zijn om het krediet te verkrijgen, bijvoorbeeld een levensverzekering, of om het te verkrijgen tegen de aangeboden voorwaarden, bijvoorbeeld een brandverzekering. […] De totale kosten van het krediet voor de consument mogen niet de kosten bevatten die de consument in verband met de aankoop van het vastgoed of de grond betaalt, zoals de kosten die aan de aankoop verbonden zijn en de notariskosten of de kosten voor grondregistratie. […]
[…]
- (66)
Het vermogen van een consument om het krediet vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst af te lossen, kan van groot belang zijn voor het bevorderen van de concurrentie in de interne markt en het vrije verkeer van burgers van de [Europese] Unie, alsmede voor het helpen voorzien in de flexibiliteit van de kredietovereenkomst die nodig is om conform de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit, de financiële stabiliteit te bevorderen. De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat. Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend, is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien. De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. […] De lidstaten kunnen ook bepalen dat de kredietgever recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet. In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.’
6
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van deze richtlijn bepaalt:
‘Deze richtlijn stelt een gemeenschappelijk kader vast voor bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten die betrekking hebben op door een hypotheek of op andere wijze gedekt krediet bestemd voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, met inbegrip van een verplichting om een beoordeling van de kredietwaardigheid uit te voeren alvorens een krediet toe te kennen, als basis voor de ontwikkeling van doeltreffende overnemingsnormen met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen in de lidstaten, en voor bepaalde prudentiële- en toezichtvoorschriften, waaronder voor het oprichten van en toezicht op kredietbemiddelaars, aangestelde vertegenwoordigers en niet-kredietinstellingen.’
7
Artikel 4 (‘Definities’) van die richtlijn is als volgt verwoord:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 13.
‘totale kosten van het aan de consument verleende krediet’: de totale kosten van het aan de consument verleende krediet als omschreven in artikel 3, onder g), van richtlijn [2008/48], met inbegrip van de kosten voor de waardebepaling van het onroerend goed, waar die waardebepaling nodig is om het krediet te verkrijgen, maar met uitzondering van de registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed. Het omvat niet door de consument te betalen kosten voor de niet-nakoming van de in de kredietovereenkomst vastgestelde verplichtingen;
[…]’
8
In artikel 14 (‘Precontractuele informatie’) van richtlijn 2014/17 is bepaald:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger aan de consument de op diens persoon toegesneden informatie verstrekt die hij nodig heeft om de op de markt beschikbare kredietproducten te kunnen vergelijken, de respectieve implicaties ervan te kunnen beoordelen en zo een geïnformeerd besluit over het sluiten van een kredietovereenkomst te kunnen nemen:
- a)
onverwijld nadat de consument in overeenstemming met artikel 20 de nodige informatie over zijn behoeften, financiële situatie en voorkeuren heeft verstrekt; en
- b)
ruimschoots voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbod gebonden is.
- 2.
De gepersonaliseerde informatie als bedoeld in lid 1, wordt op papier of op een andere duurzame drager verstrekt door middel van het in bijlage II opgenomen [Europees gestandaardiseerd informatieblad (European Standardised Information Sheet; hierna: ‘ESIS’)].
[…]’
9
Artikel 25 (‘Vervroegde aflossing’) van deze richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de consument het recht heeft zich vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. In dat geval heeft de consument recht op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst.
- 2.
De lidstaten kunnen bepalen dat aan de uitoefening van het in lid 1 bedoelde recht bepaalde voorwaarden worden verbonden. Onder meer kan voor de uitoefening van het recht een termijn worden gesteld, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet of het tijdstip waarop de consument het recht uitoefent, of kunnen beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend.
- 3.
De lidstaten kunnen voorschrijven dat de kredietgever in voorkomend geval recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden zijn; de consument kan evenwel geen boete worden opgelegd. De vergoeding overschrijdt in dit opzicht nooit het door de kredietgever geleden financiële nadeel. De lidstaten kunnen behoudens deze voorwaarden voorschrijven dat de vergoeding een bepaald maximum niet overschrijdt of slechts voor een bepaalde tijd wordt toegekend.
- 4.
Indien een consument vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen wenst te voldoen, deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn.
- 5.
Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kunnen de lidstaten de uitoefening van het in lid 1 genoemde recht afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de consument hierbij een rechtmatig belang heeft.’
Pools recht
10
Artikel 29, lid 1, punt 1, van de ustawa o kredycie hipotecznym oraz o nadzorze nad pośrednikami kredytu hipotecznego i agentami (wet op het hypothecaire krediet en het toezicht op hypotheekkredietbemiddelaars en hypotheekverstrekkers) van 23 maart 2017 (Dz. U. van 2017, volgnr. 819) bepaalt het volgende:
‘De hypothecaire kredietovereenkomst bevat de elementen […], alsmede […] de vergoedingen en andere kosten die verband houden met het verstrekken van het hypothecaire krediet, daaronder begrepen de vergoeding voor de behandeling van de kredietaanvraag, de voorbereiding en de sluiting van de hypothecaire kredietovereenkomst, en de voorwaarden voor de wijziging ervan’.
11
Artikel 39, lid 1, van deze wet bepaalt:
‘In het geval van een volledige aflossing van het hypothecaire krediet vóór de in de hypothecaire kredietovereenkomst vastgestelde einddatum worden de totale kosten van het hypothecaire krediet verminderd met de rente en andere kosten van het hypothecaire krediet voor de periode waarmee de looptijd van die overeenkomst is ingekort, ook wanneer de consument deze kosten vóór de aflossing heeft betaald.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12
Op 15 september 2017 heeft QI met de rechtsvoorganger van Santander Bank Polska een woningkredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 106 600 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 24 600 EUR).
13
Dit krediet werd toegekend voor een periode van 360 maanden en werd op 26 september 2017 vrijgegeven. De overeenkomst voorzag in een commissieloon voor het verstrekken van dat krediet, dat bij de sluiting van die overeenkomst moest worden betaald en gelijk was aan 2,50 % van datzelfde kredietbedrag, namelijk 2 600 PLN (ongeveer 600 EUR), dat werd vermeld als een element van de totale woningkredietkosten.
14
Op 4 april 2019, te weten 19 maanden na de ondertekening van die overeenkomst, heeft QI het krediet volledig afgelost. Zij was dus van mening dat Santander Bank Polska haar het commissieloon voor het verstrekken van dat krediet moest terugbetalen ten bedrage van 2 462,78 PLN (ongeveer 570 EUR), hetgeen overeenkwam met de resterende duur van datzelfde krediet, te weten 341 maanden.
15
Daartoe heeft QI een verzoek ingediend bij Santander Bank Polska. Bij brief van 20 juli 2020 heeft de bank dit verzoek afgewezen en geweigerd het betrokken commissieloon terug te betalen.
16
QI heeft de zaak aanhangig gemaakt bij de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen), de verwijzende rechter. Voor deze rechter stelt Santander Bank Polska dat het aan de hypothecaire kredietverlening verbonden commissieloon bestond uit een eenmalige betaling en dus was uitgesloten van de verplichting tot een teruggave die evenredig is aan de resterende duur van de kredietovereenkomst. Indien dit commissieloon gedeeltelijk zou moeten worden terugbetaald, is Santander Bank Polska van mening dat deze terugbetaling niet evenredig dient te zijn aan de periode die door de vervroegde aflossing wordt bestreken in verhouding tot de oorspronkelijk overeengekomen duur van de aflossing, maar evenredig moet zijn aan het voordeel dat de kredietgever mocht verwachten voor het gebruik van de financiering door de consument.
17
De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of in het licht van met name de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 moet worden geoordeeld dat het recht van de consument om in geval van vervroegde aflossing van een hypothecair krediet een vermindering van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde totale kredietkosten te verkrijgen, eveneens betrekking heeft op een commissieloon voor het verstrekken van het betrokken krediet.
18
Ten tweede vraagt deze rechter zich af welke berekeningsmethode moet worden gebruikt om het bedrag van de vermindering van de totale kosten van dit krediet te bepalen. Hij merkt op dat noch de bovengenoemde richtlijnen, noch de rechtspraak van het Hof duidelijk aangeven hoe het bedrag van deze vermindering moet worden berekend. Met name gelet op het feit dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 verwijst naar de ‘resterende duur van de overeenkomst’, moet volgens hem echter een aflossing worden toegestaan die evenredig is aan de verhouding van de periode waarin de hypothecaire kredietovereenkomst wegens de vervroegde aflossing van het krediet niet zal worden uitgevoerd, tot de oorspronkelijk overeengekomen periode waarin die overeenkomst van toepassing zou zijn.
19
Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] op dezelfde wijze worden uitgelegd als artikel 16, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat wil zeggen aldus dat het recht van de consument op vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet in geval van een vervroegde aflossing van het krediet zich uitstrekt tot alle aan de consument in rekening gebrachte kosten, daaronder begrepen het commissieloon voor het verstrekken van het krediet?
- 2)
Moet de in artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] neergelegde verplichting om de totale kosten van het hypothecaire krediet in geval van een vervroegde aflossing van het krediet te verminderen aldus worden uitgelegd dat de totale kosten van het hypothecaire krediet moeten worden verminderd naar evenredigheid van de verhouding van de duur van de periode tussen de vervroegde aflossing van het krediet en de datum die oorspronkelijk was overeengekomen als datum van aflossing van het krediet, tot de oorspronkelijk overeengekomen duur van de periode tussen de datum van uitbetaling en de datum van volledige aflossing van het krediet, dan wel aldus dat de vermindering van de totale kredietkosten evenredig behoort te zijn aan de derving van de door de kredietgever verwachte winst, dat wil zeggen aan de verhouding van de rente die na de eerdere aflossingen van het krediet nog verschuldigd was (die verschuldigd was voor de periode vanaf de datum van volledige aflossing tot de datum van de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing) tot de rente die verschuldigd was voor de volledige oorspronkelijk overeengekomen duur van de kredietovereenkomst (vanaf de datum van uitbetaling van het krediet tot de overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet)?’
Procedure bij het Hof
20
Bij beslissing van de president van het Hof van 24 maart 2022 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst tot de eindbeslissing in de zaak UniCredit Bank Austria (C-555/21).
21
Bij beslissing van 10 februari 2023 is het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C-555/21, EU:C:2023:78), ter kennis gebracht van de verwijzende rechter, die, gelet op dit arrest, werd verzocht aan het Hof mee te delen of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
22
Bij brief van 13 maart 2023, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 maart 2023, heeft de verwijzende rechter aangegeven dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
23
Wat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 betreft, heeft het Hof geoordeeld dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat het recht van de consument op verlaging van de totale kredietkosten in geval van een binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende vervroegde aflossing van het consumentenkrediet alle de consument aangerekende kosten omvat (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Lexitor, C-383/18, EU:C:2019:702, punt 36).
24
In zijn arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C-555/21, EU:C:2023:78, punten 27, 28 en 31), heeft het Hof daarentegen geoordeeld dat, rekening houdend met name met de specifieke kenmerken van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en niettegenstaande het feit dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 en artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 nagenoeg identiek zijn geformuleerd, het in laatstgenoemde bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten niet de kosten omvat die, ongeacht de duur van de overeenkomst, ten gunste van de kredietgever of van derden aan de consument in rekening worden gebracht voor diensten die op het tijdstip van de vervroegde aflossing reeds volledig zijn verricht.
25
In casu vraagt de verwijzende rechter zich in de context van een hypothecaire kredietovereenkomst waarop richtlijn 2014/17 van toepassing is af of een commissieloon dat bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst in rekening is gebracht, zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden geacht onder die laatstgenoemde categorie van kosten te vallen.
26
In dat verband brengt deze rechter in herinnering dat, overeenkomstig het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C-555/21, EU:C:2023:78, punten 34 en 35), de kredietgever moet aantonen of de betrokken kosten al dan niet periodiek zijn. In het hoofdgeding heeft Santander Bank Polska evenwel geen uitsplitsing van de kosten van het hypothecaire krediet overgelegd waaruit blijkt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kosten objectief gezien verbonden zijn aan de duur van de kredietovereenkomst. Aangezien die rechter, wanneer dergelijke informatie ontbreekt, voornemens is ervan uit te gaan dat de betrokken kosten periodiek zijn, vraagt hij zich bijgevolg af op welke manier hij moet bepalen of deze kosten worden gedekt door het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet.
27
In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt op grond waarvan die rechter kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht, behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.
28
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Uniewetgever ervoor gekozen heeft een ruime definitie van het begrip ‘totale kosten van het aan de consument verleende krediet’ te hanteren voor de kosten die daaronder kunnen vallen (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C-555/21, EU:C:2023:78, punt 23).
29
Uit artikel 4, punt 13, van richtlijn 2014/17, gelezen in samenhang met artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, volgt namelijk dat het begrip ‘totale kosten van het aan de consument verleende krediet’ in de zin van dat artikel 4 alle kosten omvat die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met inbegrip van de commissielonen. Zoals in overweging 50 van richtlijn 2014/17 is bevestigd, zijn slechts uitdrukkelijk hiervan uitgezonderd: de notarisvergoedingen, de registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed, zoals de kosten voor grondregistratie en de kosten die aan deze overdracht verbonden zijn, alsmede de door de consument te betalen kosten voor de niet-nakoming van de in de kredietovereenkomst vastgestelde verplichtingen (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C-555/21, EU:C:2023:78, punt 24).
30
Zoals in punt 24 van het onderhavige arrest is aangegeven heeft het Hof evenwel verduidelijkt, door zich te baseren op met name de specifieke kenmerken van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, dat het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten niet de kosten omvat die, ongeacht de duur van de overeenkomst, ten gunste van de kredietgever of van derden aan de consument in rekening worden gebracht voor diensten die op het tijdstip van de vervroegde aflossing reeds volledig zijn verricht.
31
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat richtlijn 2014/17, krachtens artikel 1 en gelezen tegen de achtergrond van overweging 15 ervan, een gemeenschappelijk kader vaststelt voor bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake overeenkomsten die betrekking hebben op een door een hypotheek of op andere wijze gedekt krediet voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, teneinde deze consumenten een hoge mate van bescherming te garanderen (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C-555/21, EU:C:2023:78, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
De uitlegging die het Hof in het arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria (C-555/21, EU:C:2023:78), aan artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 heeft gegeven, heeft niet tot gevolg dat de consumenten deze bescherming wordt ontzegd.
33
Om deze bescherming te kunnen garanderen, staat het aan de nationale rechters om ervoor te zorgen dat de kosten die, ongeacht de duur van de kredietovereenkomst, aan de consument worden opgelegd objectief gezien geen vergoeding ten gunste van de kredietgever vormen voor het tijdelijke gebruik van het kapitaal waarop deze overeenkomst betrekking heeft, of voor prestaties die, op het tijdstip van de vervroegde aflossing, nog moeten worden verricht ten gunste van de consument (arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C-555/21, EU:C:2023:78, punt 38).
34
Bijgevolg kan een nationale rechter niet op grond van het enkele feit dat de consument bij het sluiten van de hypothecaire kredietovereenkomst in één keer bepaalde kosten heeft betaald, aannemen dat deze kosten behoren tot de kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst, welke niet kunnen leiden tot vermindering van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde totale kredietkosten.
35
In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de kredietgever, of in voorkomend geval de kredietbemiddelaar of de aangestelde vertegenwoordiger, volgens artikel 14, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/17 aan de consument, door middel van het ESIS, precontractuele informatie dient te verstrekken over uitsplitsing van de door deze laatste te betalen kosten, naargelang deze al dan niet periodiek zijn. Het staat dus aan de kredietgever om aan te tonen of de betrokken kosten al dan niet periodiek zijn (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, UniCredit Bank Austria, C-555/21, EU:C:2023:78, punten 34 en 38).
36
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat Santander Bank Polska geen uitsplitsing van de kosten van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire krediet heeft overgelegd op basis waarvan deze rechter kan bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kosten objectief verband houden met de duur van de overeenkomst dan wel onafhankelijk zijn van die duur.
37
Om te kunnen garanderen dat de consument niet wordt benadeeld door het achterwege blijven van die informatie, moet worden geoordeeld dat de nationale rechter in een dergelijke situatie moet vaststellen dat de betrokken kosten wel afhankelijk zijn van de duur van de overeenkomst en bijgevolg vallen onder het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten.
38
Hieruit volgt dat wanneer de kredietgever niet de nodige informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan de nationale rechter kan nagaan of de betrokken kosten geen vergoeding van de kredietgever vormen voor het tijdelijke gebruik van het kapitaal waarop de hypothecaire kredietovereenkomst betrekking heeft, of een vergoeding voor een dienst die op het tijdstip van de vervroegde aflossing niet volledig was verleend, deze rechter, teneinde een hoge mate van consumentenbescherming te garanderen, moet oordelen dat het gaat om kosten die verband houden met de duur van die overeenkomst, die vallen onder het in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde recht op vermindering, zelfs indien die kosten in één keer zijn betaald bij het sluiten van die overeenkomst.
39
Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan hij kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.
Tweede vraag
40
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat uit deze bepaling een specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.
41
In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat niets in de bewoordingen van artikel 25 van richtlijn 2014/17 in het algemeen, of van lid 1 ervan in het bijzonder, erop wijst dat de Uniewetgever heeft willen voorzien in een specifieke berekeningsmethode aan de hand waarvan het bedrag van de vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet als bedoeld in artikel 25, lid 1, van deze richtlijn kan worden bepaald.
42
Deze bepaling blijft ertoe beperkt voor te schrijven dat, ten eerste, de lidstaten erop toezien dat de consument het recht heeft zich vóór het verstrijken van de hypothecaire kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. Ten tweede geeft deze bepaling aan dat in het geval van vervroegde aflossing de consument recht heeft op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst.
43
Uit de verwijzing naar de ‘resterende duur van de overeenkomst’ kan niet worden afgeleid dat het bedrag van de vermindering van de totale kredietkosten te allen tijde moet worden bepaald aan de hand van een methode die erin bestaat een aflossing toe te passen die evenredig is aan de verhouding tussen de periode waarin de hypothecaire kredietovereenkomst wegens de vervroegde aflossing niet zal worden uitgevoerd en de oorspronkelijk overeengekomen duur van de uitvoering van die overeenkomst.
44
Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de verwijzing naar de resterende duur van de overeenkomst namelijk uitsluitend tot doel de kostenposten waarop de vermindering van de totale kredietkosten betrekking heeft, in de tijd af te bakenen.
45
Een specifieke berekeningsmethode aan de hand waarvan het bedrag van de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald, kan evenmin worden afgeleid uit de leden 2 tot en met 5 van dat artikel, omdat laatstgenoemde leden geen enkel criterium voor de berekening van die vermindering bevatten.
46
Hoewel in dit verband artikel 25, leden 2 en 5, van richtlijn 2014/17 preciseert hoe de lidstaten de uitoefening van het recht op vervroegde aflossing kunnen afbakenen, biedt artikel 25, lid 3, van deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid voor te schrijven dat de kredietgever in geval van vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet recht heeft op een vergoeding. In artikel 25, lid 4, van die richtlijn wordt verduidelijkt welke informatie de kredietgever aan de consument moet meedelen opdat deze de mogelijkheid van een vervroegde aflossing van het krediet kan beoordelen.
47
Deze lezing van artikel 25 van richtlijn 2014/17 wordt bevestigd door overweging 66, die de lidstaten een ruime discretionaire bevoegdheid laat wat betreft de manier waarop zij het recht op vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet garanderen.
48
Meer in het bijzonder volgt uit deze overweging dat de Uniewetgever het weliswaar opportuun heeft geacht, wegens het bestaan van verschillen tussen de beginselen en voorwaarden voor de aflossing van het krediet in de lidstaten, om op het niveau van de Unie bepaalde normen vast te stellen voor de vervroegde aflossing van het hypothecaire krediet, met name de voorwaarden waaronder deze aflossing kan plaatsvinden, maar dat hij niettemin van mening was dat deze lidstaten de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op een dergelijke aflossing moeten kunnen bepalen. Die overweging geeft in dat verband aan dat middels die voorwaarden onder meer de uitoefening van het recht in de tijd kan worden beperkt, een verschillende regeling kan gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, kunnen worden beperkt.
49
Hoewel de methode voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten bij vervroegde aflossing niet een van de in overweging 66 van richtlijn 2014/17 uitdrukkelijk vermelde elementen is die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen, dient evenwel te worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie opmerkt, dat de methode voor de berekening van het bedrag van de vermindering wel tot deze elementen behoort, zoals blijkt uit het opschrift ervan in het merendeel van de taalversies, aangezien de opsomming van die elementen in deze overweging slechts niet-exhaustief is.
50
In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 weliswaar geen specifieke berekeningsmethode voorschrijft aan de hand waarvan het bedrag van de in die bepaling bedoelde vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet kan worden bepaald, maar dat dit niet wegneemt dat de gebruikte methode geschikt moet zijn om de verwezenlijking van de doelstelling van deze richtlijn te waarborgen, die blijkt uit overweging 15 en die in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, namelijk het garanderen van een hoge mate van consumentenbescherming bij kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen.
51
In casu bevat de Poolse wetgeving volgens de informatie waarover het Hof beschikt geen enkele bepaling betreffende die berekening en geeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire kredietovereenkomst evenmin aan hoe het bedrag van de vermindering van de totale kredietkosten moet worden berekend.
52
In een dergelijke situatie staat het aan de nationale rechter om zich uit te spreken over de geschikte methode aan de hand waarvan het bedrag van de vermindering van de totale kosten van het hypothecaire krediet als bedoeld in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 kan worden bepaald, op voorwaarde dat deze methode geschikt is om te waarborgen dat de doelstelling van deze richtlijn, die erin bestaat een hoge mate van consumentenbescherming te garanderen, wordt verwezenlijkt.
53
Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat uit deze bepaling geen enkele specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010
moet aldus worden uitgelegd dat
de nationale rechter, wanneer de kredietgever geen informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan hij kan nagaan of een commissieloon dat bij het sluiten van een hypothecaire kredietovereenkomst in rekening is gebracht behoort tot de categorie van kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze overeenkomst, moet oordelen dat een dergelijk commissieloon onder het in deze bepaling bedoelde recht op vermindering van de totale kredietkosten valt.
- 2)
Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17
moet aldus worden uitgelegd dat
uit deze bepaling geen enkele specifieke berekeningsmethode voortvloeit aan de hand waarvan het bedrag van de in deze bepaling bedoelde vermindering van de totale kredietkosten kan worden bepaald.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2024
Conclusie 22‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Richtlijn 2014/17/EU — Kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen — Artikel 25, lid 1 — Vervroegde aflossing van het krediet — Vermindering van de totale kredietkosten — Begrip ‘totale kredietkosten voor de consument’ — Methode voor de berekening van de vermindering
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-76/221.
QI
tegen
Santander Bank Polska S.A.
[verzoek van de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/EU2. voorziet in het recht van de consument, als nemer van een hypothecair krediet met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, om het krediet vóór het verstrijken van de overeenkomst volledig of gedeeltelijk af te lossen (met vermindering van de rente en van de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst).
2.
Het Hof heeft zich recentelijk uitgesproken over de vermindering van de totale kredietkosten ten gunste van de consument bij vervroegde aflossing in het kader van dit type overeenkomsten.3. Dat zal het Hof in de nabije toekomst ook moeten doen met betrekking tot het andere deel van de vergelijking: de (eventuele) vergoeding aan de kredietgever voor de kosten die rechtstreeks aan die aflossing verbonden zijn.4.
3.
De rechter die het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, verzoekt om bepaalde verduidelijkingen van het consumentenbeschermingsrecht. Specifiek wenst hij te vernemen volgens welke methode de vermindering van kosten die deel uitmaken van de totale kredietkosten moet worden berekend in het geval van vervroegde aflossing.
I. Toepasselijke bepalingen — Richtlijn 2014/17
4.
In overweging 66 van deze richtlijn staat te lezen:
‘Het vermogen van een consument om het krediet vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst af te lossen, kan van groot belang zijn voor het bevorderen van de concurrentie in de interne markt en het vrije verkeer van burgers van de Unie, alsmede voor het helpen voorzien in de flexibiliteit van de kredietovereenkomst die nodig is om conform de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit, de financiële stabiliteit te bevorderen. De beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben, verschillen echter aanzienlijk naargelang van de lidstaat. Hoewel de diversiteit aan hypothecaire financieringsmechanismen en aan beschikbare producten moet worden erkend, is het van essentieel belang dat op Unieniveau bepaalde normen voor de vervroegde aflossing van krediet gelden, zodat consumenten zich vóór de in de kredietovereenkomst overeengekomen datum van hun verplichtingen kunnen kwijten en in vertrouwen kredietvoorstellen kunnen vergelijken teneinde de producten te vinden die het beste in hun behoeften voorzien. De lidstaten moeten er bijgevolg voor zorgen, hetzij door wetgeving, hetzij met andere middelen, zoals contractuele bepalingen, dat consumenten een recht op vervroegde aflossing hebben. De lidstaten moeten evenwel de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. Van een dergelijk rechtmatig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van echtscheiding of werkloosheid.
De lidstaten kunnen ook bepalen dat de kredietgever recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet. In het geval dat de lidstaten bepalen dat de kredietgever recht heeft op vergoeding dient het te gaan om een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het vervroegd aflossen van het krediet, zulks in overeenstemming met de nationale voorschriften inzake vergoeding. De vergoeding mag niet hoger zijn dan het door de kredietgever geleden financieel verlies.’
5.
Artikel 25 van de richtlijn luidt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de consument het recht heeft zich vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst volledig of gedeeltelijk van de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwijten. In dat geval heeft de consument recht op een vermindering van de totale kredietkosten die gelijk is aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst.
- 2.
De lidstaten kunnen bepalen dat aan de uitoefening van het in lid 1 bedoelde recht bepaalde voorwaarden worden verbonden. Onder meer kan voor de uitoefening van het recht een termijn worden gesteld, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet of het tijdstip waarop de consument het recht uitoefent, of kunnen beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend.
- 3.
De lidstaten kunnen voorschrijven dat de kredietgever in voorkomend geval recht heeft op een eerlijke en objectief verantwoorde vergoeding voor mogelijke kosten die rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden zijn; de consument kan evenwel geen boete worden opgelegd. De vergoeding overschrijdt in dit opzicht nooit het door de kredietgever geleden financiële nadeel. De lidstaten kunnen behoudens deze voorwaarden voorschrijven dat de vergoeding een bepaald maximum niet overschrijdt of slechts voor een bepaalde tijd wordt toegekend.
- 4.
Indien een consument vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen wenst te voldoen, deelt de kredietgever hem onmiddellijk na ontvangst van diens verzoek, op papier of via een andere duurzame drager, de informatie mee die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie bevat ten minste een berekening van de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen. Elke aangewende hypothese moet redelijk en verdedigbaar zijn.
- 5.
Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kunnen de lidstaten de uitoefening van het in lid 1 genoemde recht afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de consument hierbij een rechtmatig belang heeft.’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
6.
Op 15 september 2017 heeft QI, als consument, met de rechtsvoorganger van Santander Bank Polska S.A. (hierna: ‘Santander Bank’) een kredietovereenkomst voor de aankoop van een woning voor een bedrag van 106 600 Poolse zloty (PLN) gesloten.
7.
De overeenkomst voorzag in een termijn van 360 maanden voor de aflossing van het krediet en in een ‘commissieloon’ ten belope van 2,50 % van het geleende bedrag.5. Het commissieloon werd vermeld als een element van de totale kosten van het krediet.
8.
Op 4 april 2019 (19 maanden na de sluiting van de overeenkomst) heeft QI het krediet volledig vervroegd terugbetaald.
9.
Volgens QI diende Santander Bank haar een deel van het commissieloon terug te betalen, namelijk het deel dat overeenkwam met een periode van 341 maanden. Het bedrag daarvan werd door haar geraamd op 2 462,78 PLN, en zij heeft Santander Bank verzocht haar dat bedrag terug te betalen.
10.
Op 20 juli 2020 heeft Santander Bank het verzoek van QI afgewezen. Santander Bank stelde zich op het standpunt dat het aan de kredietverlening verbonden commissieloon bestond uit een eenmalige betaling en was uitgesloten van de verplichting tot evenredige terugbetaling.
11.
Uit voorzorg heeft Santander Bank verklaard dat indien het commissieloon voor het verstrekken van het krediet gedeeltelijk zou moeten worden terugbetaald, het terug te betalen deel van het commissieloon niet evenredig zou moeten zijn aan de verhouding tussen de perioden, maar aan de door de kredietgever verwachte vergoeding voor het gebruik van de financiering door de consument.
12.
In deze context stelt de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warszawa-Wola, Warschau, Polen), die het geding moet beslechten, het Hof de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Moet artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] op dezelfde wijze worden uitgelegd als artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66)], dat wil zeggen aldus dat het recht van de consument op vermindering van de totale kredietkosten in geval van een vervroegde aflossing van het krediet zich uitstrekt tot alle aan de consument in rekening gebrachte kosten, daaronder begrepen het commissieloon voor het verstrekken van het krediet?
- 2)
Moet de in artikel 25, lid 1, van richtlijn [2014/17] neergelegde verplichting om de totale hypothecaire kredietkosten in geval van een vervroegde aflossing van het krediet te verminderen aldus worden uitgelegd dat de totale hypothecaire kredietkosten moeten worden verminderd naar evenredigheid van de verhouding van de duur van de periode tussen de vervroegde aflossing van het krediet en de datum die oorspronkelijk was overeengekomen als datum van aflossing van het krediet, tot de oorspronkelijk overeengekomen duur van de periode tussen de datum van uitbetaling en de datum van volledige aflossing van het krediet, dan wel aldus dat de vermindering van de totale kredietkosten evenredig behoort te zijn aan de derving van de door de kredietgever verwachte winst, dat wil zeggen aan de verhouding van de rente die na de eerdere aflossingen van het krediet nog verschuldigd was (die verschuldigd was voor de periode vanaf de datum van volledige aflossing tot de datum van de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing) tot de rente die verschuldigd was voor de volledige oorspronkelijk overeengekomen duur van de kredietovereenkomst (vanaf de datum van uitbetaling van het krediet tot de overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet)?’
III. Procedure bij het Hof
13.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 5 februari 2022 ingekomen ter griffie van het Hof.
14.
De behandeling van de zaak voor het Hof is vervolgens geschorst in afwachting van het arrest in zaak C-555/21, UniCredit Bank Austria.
15.
Het Hof heeft dit op 9 februari 2023 gewezen arrest ter kennis gebracht van de verwijzende rechter en hem gevraagd of hij, de inhoud ervan in overweging nemend, het verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
16.
Op 22 maart 2023 heeft de verwijzende rechter het Hof geantwoord dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde.
17.
QI, Santander Bank, de Tsjechische, de Italiaanse, de Poolse en de Portugese regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
18.
Het houden van een terechtzitting is niet noodzakelijk geacht.
IV. Beoordeling
A. Methoden voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten ingeval het bedrag van het commissieloon deel uitmaakt van de terugbetalingsverplichting
19.
Op aanwijzing van het Hof zal deze conclusie zich toespitsen op de tweede prejudiciële vraag.
20.
Logischerwijs zal het Hof deze vraag alleen hoeven te beantwoorden indien het commissieloon naar het oordeel van het Hof behoort tot de kosten waarop de in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 bedoelde vermindering moet worden toegepast, zijnde het voorwerp van de eerste prejudiciële vraag.
21.
Als werkhypothese zal ik uitgaan van een bevestigend antwoord op de eerste vraag. Mocht de eerste vraag ontkennend worden beantwoord, dan zouden mijn overwegingen hun zin verliezen.
22.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 aldus moet worden uitgelegd dat het voorziet in een berekeningsmethode voor de vermindering van de totale kredietkosten6. (of van een post die deel uitmaakt van die totale kosten) wanneer de consument zijn schuld bij de kredietgever vervroegd aflost.
23.
Specifiek vraagt hij naar de overeenstemming met richtlijn 2014/17 van twee criteria, of methoden, voor de berekening van het bedrag waarmee het commissieloon voor het verstrekken van het krediet naar evenredigheid moet worden verminderd bij een eventuele vervroegde aflossing.7.
24.
Volgens het eerste criterium is het percentage van de vermindering het quotiënt dat wordt verkregen door:
- —
de duur (in dagen) van de periode vanaf de dag die volgt op de datum van de vervroegde aflossing tot de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet, te delen door
- —
de duur (in dagen) van de periode vanaf de datum van uitbetaling van het krediet tot de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet.8.
25.
Volgens het tweede criterium moet de vermindering evenredig zijn aan de verhouding (het quotiënt) tussen:
- —
de door de crediteur gederfde rente (dat wil zeggen de rente voor de periode vanaf de dag die volgt op de datum van de vervroegde volledige aflossing tot de oorspronkelijk overeengekomen datum van volledige aflossing), en
- —
de totale rente (dat wil zeggen de rente voor de periode vanaf de datum van uitbetaling van het krediet tot de overeengekomen datum van volledige aflossing van het krediet).9.
26.
QI verdedigt de eerstgenoemde methode met het argument dat de tweede methode niet werkbaar is. Zij merkt op dat op de Poolse markt voor hypothecaire kredieten variabele rente de norm is. Om die reden kan niet zekerheid worden vastgesteld welke rente-inkomsten de kredietgever na de datum van de vervroegde aflossing van het krediet kon verwachten.10.
27.
De Commissie, die voorstander van diezelfde methode is, baseert haar standpunt op het feit dat richtlijn 2014/17 geen enkele verwijzing naar een specifieke methode bevat. Uit dat stilzwijgen leidt zij af dat ‘in de gedachtegang van de Uniewetgever de vermindering is opgevat als eenvoudigweg een consequentie van de vervroegde aflossing, zodat de berekening ervan geen moeilijkheden oplevert’.11.
28.
Volgens de Italiaanse, de Poolse en de Portugese regering heeft de wetgever dit aspect in richtlijn 2014/17 niet willen regelen en bijgevolg overgelaten aan elke individuele lidstaat.12. Op basis van deze gedeelde observatie:
- —
heeft de Poolse regering een voorkeur voor het concept van lineaire evenredigheid, dat als methode ‘die begrijpelijker en transparanter is voor de consument, die gemakkelijker kan worden toegepast en die voorspelbaar is’ beantwoordt aan de doelstelling om de consument een hoog beschermingsniveau te bieden13.;
- —
spreekt de Italiaanse regering zich ter zake van deze kwestie niet uit, behalve om van de hand te wijzen dat op alle kosten die krachtens artikel 25 van richtlijn 2014/17 vatbaar zijn voor vermindering hetzelfde berekeningscriterium moet worden toegepast; ook sluit zij uit dat een hypothetisch enig criterium dat van de lineaire evenredigheid moet zijn14.;
- —
laat De Portugese regering de vraag open15..
29.
Santander Bank pleit voor het gebruik van de tweede methode, die uitgaat van evenredigheid aan de winstderving van de kredietgever.16.
30.
Om redenen die ik zal toelichten, ben ik van opvatting dat richtlijn 2014/17 voor geen van de twee voorgestelde criteria opteert. De richtlijn regelt niet volgens welke methode het deel van de totale kredietkosten dat in mindering moet worden gebracht ten gunste van (of, in voorkomend geval, moet worden terugbetaald aan) de consument wanneer deze zich vervroegd van zijn verplichtingen kwijt moet worden berekend.
31.
In zekere zin sluit deze zienswijze aan bij het op de tweede vraag betrekking hebbende standpunt waaraan de verwijzende rechter uitdrukking heeft gegeven door zijn verzoek om een prejudiciële beslissing te handhaven. In zijn antwoord van 22 maart 2023 verklaart die rechter dat hij zijn beslissing handhaaft ‘omdat beide opties voor de kostenvermindering als geldig kunnen worden beschouwd’, waar hij echter aan toevoegt dat hijzelf ‘neigt tot een evenredige vermindering’.
B. Uitlegging van richtlijn 2014/17
1. Letterlijke uitlegging
32.
Tekstueel gezien bevat richtlijn 2014/17 geen instructies over de wijze waarop de vermindering van de totale kosten van een vóór de overeengekomen datum afgelost krediet moet worden berekend.
33.
In artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 worden alleen het voorwerp van de vermindering (de totale kredietkosten), de concepten waarop de vermindering van toepassing is (rente en andere kosten) en de temporele afbakening van die concepten (resterende duur van de overeenkomst) genoemd.
34.
Artikel 25, lid 4, legt de verplichting op om de consument die tot vervroegde aflossing wenst over te gaan, te voorzien van ‘de informatie […] die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen’. Vervolgens wordt er aangegeven welke minimuminhoud die informatie moet hebben, zonder dat er naar enig berekeningscriterium wordt verwezen.
35.
In artikel 13 van richtlijn 2014/17, dat betrekking heeft op de algemene basisinformatie die de kredietgever over de kredietovereenkomst beschikbaar moet stellen, wordt in lid 1, onder k), bepaald dat die informatie ‘een beschrijving van de rechtstreeks aan vervroegde aflossing verbonden voorwaarden’ moet bevatten, welke voorwaarden echter niet nader worden uitgewerkt.
36.
Ook in het Europees gestandaardiseerd informatieblad (ESIS)17. — waarin in rubriek 9, die betrekking heeft op het recht op vervroegde aflossing, indien van toepassing de voor de uitoefening daarvan geldende voorwaarden moeten worden meegedeeld — wordt niets gezegd over een specifieke berekeningsmethode.18.
2. Voorbereidende werkzaamheden
37.
De regulering van het consumentenkrediet op Europees niveau is aangevangen met richtlijn 87/102/EEG19., die is opgevolgd door richtlijn 2008/4820.. Tot de vaststelling van richtlijn 2014/17 bestond er evenwel geen gemeenschappelijk regelgevingskader voor kredietovereenkomsten voor consumenten die worden gewaarborgd door een hypotheek of door een andere, vergelijkbare zekerheid op voor bewoning bestemde onroerende goederen.
38.
Deze richtlijnen voorzien alle drie in het recht van de consument op vervroegde aflossing van het krediet.21. In dit verband hebben de respectieve voorbereidende werkzaamheden met elkaar gemeen dat:
- —
er discussie was over de vraag of dat recht kon worden neergelegd in een Europees instrument, gezien de verschillende oplossingen die de lidstaten hanteren en de moeilijkheid om een evenwicht tussen alle betrokken belangen te vinden22.;
- —
de vermindering van de totale kredietkosten in verband met vervroegde aflossing van het krediet geen punt van discussie was. Die vermindering, die volgens richtlijn 87/102 ‘billijk’ moet zijn, wordt in de twee andere richtlijnen toegepast op de rente en de kosten, op de wijze die door het Hof nader is aangegeven voor elk van die richtlijnen.23.
39.
Alleen in verband met richtlijn 87/102 kan er worden vastgesteld dat er, met het oog op de mogelijke herziening ervan, is voorgesteld om een uniform criterium voor de berekening van de vermindering vast te stellen.24. Als ik mij niet vergis, heeft dat voorstel niet de onderhandelingen over richtlijn 2008/48 gehaald, noch die over richtlijn 2014/17 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen.25.
3. Context
40.
Ook een systematische uitlegging leidt er niet toe dat er in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17 een specifiek criterium voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten kan worden vastgesteld.
41.
Elders heb ik uiteengezet dat richtlijn 2014/17 een onvolledige regeling voor kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen bevat en, op enkele uitzonderingen na, een minimale harmonisatie tot stand brengt.26.
42.
Met betrekking tot de vervroegde aflossing van het krediet erkent de Europese wetgever dat de consument daartoe het recht heeft en dat dit gepaard moet gaan met een vermindering van de totale verschuldigde kosten. Daarentegen laat hij het over aan de lidstaten om te bepalen op welke wijze dit recht wordt gewaarborgd27. en staat hij de lidstaten toe om voorwaarden te verbinden aan de uitoefening ervan, waarbij de lidstaten een ruime handelingsmarge wordt toegekend28..
43.
Hoewel de berekeningsmethode voor de vermindering van de totale kredietkosten niet uitdrukkelijk wordt genoemd als een van de aspecten waarvoor elke nationale wetgever zelf bevoegd is, ben ik van mening dat het wel degelijk om een van die aspecten gaat:
- —
ten eerste omdat de opsomming van die aspecten enuntiatief is29., en
- —
ten tweede omdat het ontbreken van enige vermelding omtrent die berekening contrasteert met de gedetailleerdheid waarmee in richtlijn 2014/17 wordt geregeld hoe andere waarden moeten worden vastgesteld30..
44.
Ook uit artikel 25 van richtlijn 2014/17 in zijn geheel beschouwd kan geen specifieke methode voor de berekening van de litigieuze vermindering worden gedistilleerd.
45.
Ik acht het niet juist om uit de vermelding van een recht van de kredietgever op een vergoeding, in het derde lid van artikel 25 van richtlijn 2014/1731., de erkenning van het criterium van de ‘rentetermijnstructuur’ af te leiden.32. Krachtens dat lid kan elke nationale wetgever zelf besluiten over het al dan niet bestaan van dat recht.
46.
Een voorkeur voor de andere methode, te weten die van de lineaire evenredigheid, omdat deze eenvoudig33. of zelfs ‘eenvoudiger’ zou zijn voor de consument34., dient volgens mij van de hand te worden gewezen in het licht van artikel 25, lid 4, van richtlijn 2014/17.
47.
Volgens die bepaling rust op de kredietgever een verplichting om de consument alle benodigde informatie te verstrekken wanneer deze te kennen geeft dat hij het krediet vervroegd wenst af te lossen. Hij moet de consument een berekening verstrekken van ‘ten minste […] de consequenties voor de consument die vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst aan zijn verplichtingen voldoet, en een duidelijke vermelding van de daarbij aangewende hypothesen’.
48.
Door de kredietgever deze verplichting op te leggen, onderkent de Europese wetgever de intrinsieke moeilijkheid van de in verband met de vervroegde aflossing van het krediet te verrichten berekeningen. Tegelijkertijd sluit hij uit dat het de consument is die deze berekeningen moet maken35., hetgeen mijns inziens in tegenspraak is met een exclusieve voorkeur voor een bepaald berekeningscriterium enkel omdat dat criterium eenvoudig, of het eenvoudigst, wordt geacht.
49.
Tot slot wil ik er in een ruimere context aan herinneren dat ook in richtlijn 2008/48 niet is gekozen voor een specifieke berekeningsmethode en dat het Hof zich bij de uitlegging van die richtlijn evenmin ter zake heeft uitgesproken36..
4. Doel
50.
Richtlijn 2014/17 harmoniseert aspecten van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen teneinde ‘de totstandkoming te vergemakkelijken van een goed functionerende interne markt met een hoog niveau aan consumentenbescherming’ in verband met dergelijke overeenkomsten. Ook moet de richtlijn ‘ervoor […] zorgen dat consumenten die op zoek zijn naar dergelijke overeenkomsten, dit met vertrouwen kunnen doen in de wetenschap dat de instellingen waarmee zij omgaan, op een professionele en verantwoordelijke manier handelen’.37.
51.
Daarmee samenhangend beoogt de richtlijn ‘een meer transparante, efficiënte en concurrerende interne markt [te] ontwikkelen middels consistente, flexibele en billijke kredietovereenkomsten met betrekking tot onroerende goederen, terwijl houdbare voorwaarden voor het verstrekken en het aangaan van leningen en financiële insluiting worden bevorderd, zodat een hoog niveau van consumentenbescherming wordt bereikt’.38.
52.
In dat kader zal het toestaan van de aflossing van een krediet vóór het verstrijken van de overeenkomst ‘de concurrentie in de interne markt en het vrije verkeer van burgers van de Unie’ bevorderen en helpen voorzien in ‘de flexibiliteit van de kredietovereenkomst die nodig is om conform de aanbevelingen van de Raad voor financiële stabiliteit, de financiële stabiliteit te bevorderen’. Om die doelstellingen te verwezenlijken, wordt de consument in de gelegenheid gesteld om ook tijdens de looptijd van de overeenkomst te zoeken naar producten die aan zijn behoeften voldoen.39.
53.
Ik denk niet dat uit deze doelstellingen rechtstreeks of indirect een specifieke methode voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten kan worden afgeleid. Dat geldt des te meer daar in richtlijn 2014/17 zelf wordt erkend dat ‘de beginselen en voorwaarden volgens welke consumenten hun lening kunnen aflossen en de voorwaarden waaronder een dergelijke vervroegde aflossing kan plaatshebben’ aanzienlijk verschillen tussen de lidstaten en er ook uitdrukkelijk wordt verklaard dat die verschillen moeten worden erkend.40.
54.
Specifiek vind ik in het streven om ‘een hoog niveau aan consumentenbescherming’ tot stand te brengen onvoldoende steun voor een keuze voor de ene methode met uitsluiting van de andere. Ik zie het niet als een noodzakelijkheid om uit dat streven af te leiden welke voorkeur de Europese wetgever voor een bepaald criterium (dat in theorie begrijpelijker is en gemakkelijker is toe te passen voor de consument) heeft uit alle toelaatbare criteria die er zijn voor de berekening van de vermindering.
55.
Een andere kwestie is dat omstandigheden die verband houden met die vermindering, zoals de methode voor de berekening ervan, er noch de jure, noch de facto toe mogen leiden dat het recht op aflossing zelf teniet wordt gedaan of dat de uitoefening ervan wordt ontmoedigd.41.
56.
Richtlijn 2014/17 onderkent de beperkte financiële educatie van de consument die een kredietovereenkomst met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen sluit.42. Uitgaande van deze aanname maakt richtlijn 2014/17 van de door de kredietgever te verstrekken kwalitatief hoogwaardige informatie het zwaartepunt van de consumentenbescherming.43.
57.
Richtlijn 2014/17 ontlast de consument van het maken van de berekeningen in verband met de vervroegde aflossing van een krediet en waarborgt de bescherming op dit gebied door middel van de regels die voorzien in de verplichting om hem op transparante wijze44. uit te leggen hoe de vermindering van de totale kredietkosten zal worden vastgesteld.
58.
Richtlijn 2014/17 bepaalt uitdrukkelijk dat wanneer de consument te kennen geeft dat hij zijn recht op vervroegde aflossing van het krediet wenst uit te oefenen, de kredietgever de consument onmiddellijk na dat verzoek, op papier of op een andere duurzame drager, de informatie moet meedelen die hij nodig heeft om die mogelijkheid te kunnen overwegen. Die informatie moet ten minste een beschrijving van de financiële consequenties van de aflossing bevatten, waarbij duidelijk moet worden vermeld waarop die zijn gebaseerd.45.
59.
Bij de nakoming van deze verplichting is, zoals dat ook geldt voor elke andere verplichting in verband met de uitvoering van de overeenkomst, de kredietgever onderworpen aan de in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2014/17 voorgeschreven gedragsregels.46. Daarbovenop geniet de consument de bescherming die hem door andere richtlijnen wordt geboden.47.
C. Noodzaak om in de kredietovereenkomst aan te geven welke methode er voor de berekening van de vermindering wordt gehanteerd
60.
Richtlijn 2014/17 beoogt niet dat de consument de vermindering waarmee een vervroegde aflossing van het krediet gepaard gaat zelf moet berekenen. Hoe dan ook meen ik dat de kredietnemer het recht heeft om op voorhand te weten hoe de berekening zal worden uitgevoerd en om, nadat deze is uitgevoerd, na te gaan hoe er te werk is gegaan.
61.
Op zichzelf waarborgt de in artikel 25, lid 4, van richtlijn 2014/17 neergelegde informatieverplichting voornoemd recht niet, aangezien dat pas wordt geactiveerd wanneer de consument om vervroegde aflossing van het krediet verzoekt. In letterlijke zin bevat het ESIS geen beschrijving van het criterium voor de berekening van de vermindering die op de datum van vervroegde aflossing moet worden toegepast.48.
62.
In domeinen die nauw verwant zijn aan het voorwerp van de onderhavige zaak, zoals het domein dat door richtlijn 2008/48 wordt geregeld, heeft het Hof:
- —
verklaard dat de kredietgever de consument moet voorzien van ‘een kopie van de kredietovereenkomst […] en alle informatie over de aflossing van het krediet […] die niet in de overeenkomst zelf is opgenomen, maar die noodzakelijk is om, ten eerste, na te gaan of de berekening van het bedrag van de verlaging van de totale kredietkosten, waarop de consument aanspraak kan maken ten gevolge van de vervroegde aflossing juist is, en ten tweede, die consument in staat te stellen een eventuele vordering tot terugbetaling van dit bedrag in te stellen’ 49.;
- —
met betrekking tot de vergoeding voor vervroegde aflossing van het krediet opgemerkt dat in de overeenkomst ‘op een concrete en voor een gemiddelde consument gemakkelijk te begrijpen wijze moet worden vermeld hoe de vergoeding die verschuldigd is in geval van vervroegde aflossing van de lening wordt berekend, opdat deze het bedrag van de in geval van vervroegde aflossing verschuldigde vergoeding kan berekenen op basis van de in die overeenkomst verstrekte informatie’50..
63.
Mijns inziens kan deze rechtspraak worden toegepast op de vermindering van de totale kredietkosten zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17. Op die manier zal de consument, op het moment dat hij de overeenkomst sluit, met zekerheid weten a) dat hij het recht heeft om het krediet vervroegd af te lossen, en b) hoe de totale kredietkosten zullen worden aangepast, dat wil zeggen de parameters voor het aanpassen van de totale kredietkosten, indien hij in de toekomst zou besluiten zich vervroegd van zijn verplichtingen te kwijten.
D. Toepassing van deze overwegingen op de onderhavige zaak
64.
Indien het Hof de door mij voorgestane benadering aanvaardt, zal het kunnen vaststellen dat er in richtlijn 2014/17 geen voorkeur wordt uitgesproken voor een van de door de verwijzende rechter in zijn tweede prejudiciële vraag beschreven criteria (noch dat een van die criteria wordt opgelegd of verboden). Bijgevolg moet de beslissing van die rechter worden gegrond op argumenten met een andere strekking.
65.
In zijn verwijzingsbeslissing en in de beslissing om het verzoek om een prejudiciële beslissing te handhaven toont de verwijzende rechter zich voorstander van een vermindering die ‘evenredig is aan de verhouding tussen de periode waarin de overeenkomst niet wordt uitgevoerd (als gevolg van de vervroegde aflossing) en de oorspronkelijk overeengekomen periode gedurende welke de overeenkomst zou worden toegepast’.51.
66.
De Poolse regering merkt op dat dit de formule is die door andere rechters in die lidstaat wordt gehanteerd en dat het nationale recht geen enkele bepaling inzake de berekening van de aanpassing van de totale kredietkosten bevat.52.
67.
Dat deze formule van de twee formules de eenvoudigste of zelfs de meest begrijpelijke is voor een gemiddelde consument53., maakt haar echter nog niet tot de enige formule die door richtlijn 2014/17 wordt toegestaan. Ik wil benadrukken dat deze richtlijn geen voorrang geeft aan de ene oplossing boven de andere, maar ook niet verbiedt dat de oplossing die de verwijzende rechter lijkt te verkiezen ‘by default’ wordt toegepast.
E. Beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest van het Hof
68.
Volgens de Italiaanse regering kan een beslissing van het Hof ten faveure van een uitlegging volgens welke artikel 25 van richtlijn 2014/17 een of meer specifieke criteria voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de totale kredietkosten voorschrijft, in de zeer nabije toekomst leiden tot nietigheid of ongeldigheid van bedingen die zijn opgenomen in hypothecaire kredietovereenkomsten waarin andere criteria zijn opgenomen.
69.
Volgens deze regering zou een dergelijke uitspraak van het Hof een nieuwe stroom van geschillen, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, doen ontstaan. Om die reden verzoekt de Italiaanse regering het Hof de werking van een arrest met die strekking te beperken in de tijd, zodat het nuttig effect ervan ex nunc intreedt.54.
70.
Mocht het Hof mijn voorstel overnemen, dan zou het verzoek van de Italiaanse regering zonder voorwerp geraken. Hoe dan ook ben ik van mening dat de beperking in de tijd waarvoor die regering pleit niet passend zou zijn, aangezien — zoals ook in zaak C-555/21, UniCredit Bank Austria, het geval was55. — niet is aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden die volgens de rechtspraak van het Hof ter zake gelden56..
V. Conclusie
71.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de tweede prejudiciële vraag van de Sąd Rejonowy dla Warszawy-Woli w Warszawie te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010
moet aldus worden uitgelegd dat
het, in het geval dat de consument zijn recht uitoefent om zich vóór het verstrijken van de kredietovereenkomst geheel of gedeeltelijk van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te kwijten, niet voorziet in een specifieke methode voor de berekening van de vermindering van de totale kredietkosten wat de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst betreft.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑02‑2024
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 60, blz. 34).
Zaak VR Bank Ravensburg-Weingarten, aanhangig, in het kader waarvan ik op 28 september 2023 mijn conclusie (C-536/22, EU:C:2023:721) heb gepresenteerd.
Het commissieloon kwam uit op een bedrag van 2 600 PLN.
Of voor het terug te betalen bedrag, indien de betreffende kosten reeds zijn betaald.
Daarbij gaat het om het vinden van het percentage van de vermindering dat, vermenigvuldigd met de waarde van het commissieloon, resulteert in het bedrag waarmee de totale kredietkosten moeten worden verminderd.
In deze methode is de evenredigheid ‘zuiver’ of ‘lineair’.
Deze methode lijkt overeen te stemmen met het criterium van de ‘rentetermijnstructuur’. Dit criterium behelst dat, zoals de Italiaanse regering in punt 26 van haar opmerkingen in vereenvoudigde bewoordingen uiteenzet, ‘het percentage van de terug te betalen kosten wordt berekend door de op de datum van de vervroegde aflossing nog te betalen gewone rente te vergelijken met de totale rente die is voorzien in het aflossingsplan voor het krediet’. In de rechtsleer wordt deze methode in verband gebracht met het criterium van de ‘geamortiseerde kostprijs’ zoals die wordt gebruikt voor de waardering van financiële instrumenten.
Opmerkingen van QI, punt 11. Daar voegt QI aan toe dat, naar analogie met wat is geoordeeld in het arrest van 18 november 2021, A. S.A. (C-212/20, EU:C:2021:934), dat zag op het bepalen van de aankoop- en verkoopkoers van een vreemde valuta in een aan die valuta gekoppelde hypothecaire kredietovereenkomst, de consument die een kredietovereenkomst met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen sluit, zelf moet kunnen berekenen met welk bedrag de totale kredietkosten zullen worden verlaagd wanneer hij zijn recht op vervroegde aflossing uitoefent.
Opmerkingen van de Commissie, punt 39.
Naar ik begrijp is dit ook het standpunt van de Tsjechische regering, hoewel zij dat niet uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht.
Opmerkingen van de Poolse regering, punten 34 en 35. In punt 38 wijst de Poolse regering, zoals ook QI dat doet, op de omstandigheid dat op de Poolse hypotheekmarkt geen kredieten met een vaste rente voor de gehele duur van de overeenkomst worden aangeboden.
Opmerkingen van de Italiaanse regering, punten 37–42. In vergelijkbare zin merkt de Tsjechische regering op, bij het voorstellen van een antwoord op de tweede prejudiciële vraag, dat bij de berekening van de vermindering ‘de aard van de desbetreffende kosten, de aard van de dienst waarmee deze kosten verband houden en de wijze waarop die met de verrichting van de dienst verband houdende kosten worden vergoed’ in aanmerking moeten worden genomen.
Schriftelijke opmerkingen van de Portugese regering, punten 37 en 38.
Opmerkingen van Santander Bank, punten 27 e.v. De door Santander Bank ter onderbouwing van haar standpunt gebruikte redenering is vooral een economische. Vanuit juridisch oogpunt baseert Santander Bank zich op de verwijzingen naar de aan de kredietgever toe te kennen vergoeding in overweging 66 en artikel 25, lid 3, van richtlijn 2014/17. Niet duidelijk is of deze kwestie volgens haar in de richtlijn zelf is geregeld.
Bijlage II bij richtlijn 2014/17. In overweging 40 wordt verklaard dat door middel van het ESIS geïndividualiseerde informatie over de te sluiten kredietovereenkomst wordt verstrekt aan de consument. Daar wordt aan toegevoegd het in de richtlijn opgenomen model ervan is herzien om ‘ervoor te zorgen dat dit duidelijk en begrijpelijk is en alle informatie bevat die relevant wordt geacht voor consumenten’.
Rubriek 9 van deel A van het ESIS bevat geen tekstuele verwijzing naar de vermindering van de kredietkosten. Het vereiste om, indien van toepassing, een berekeningsmethode in te vullen, heeft betrekking op de ‘uitstapkosten’. In deel B van het ESIS, met de instructies voor het invullen ervan, wordt er voor de uitstapkosten in rubriek 9 verwezen naar de in voorkomend geval te betalen vergoeding aan de kredietgever. Zoals ik zal uiteenzetten in de punten 60 e.v., dient de wijze waarop de eventuele vermindering als gevolg van een vervroegde aflossing moet worden berekend ook te worden meegedeeld aan de consument die overweegt een kredietovereenkomst te sluiten.
Richtlijn van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48).
Richtlijn 2008/48 zal op haar beurt met ingang van 26 november 2026 worden ingetrokken bij artikel 47 van richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 2008/48/EG (PB L 2023/2225, 30.10.2023).
Artikel 8 van richtlijn 87/102, artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 en artikel 25, lid 1, van richtlijn 2014/17. (De nieuwe) richtlijn 2023/2225 integreert de uitlegging die het Hof in het arrest van 11 september 2019, Lexitor (C-383/18, EU:C:2019:702), heeft gegeven met betrekking tot de kosten waarop de vermindering van de totale kredietkosten moet worden toegepast: zie overweging 70 en artikel 29, lid 1.
In de discussie over het recht van de consument om zich vóór de overeengekomen datum van zijn verplichtingen te kwijten, die nauw is verbonden met het recht van de kredietgever op een vergoeding, lopen de meningen sterk uiteen. Daar komt bij dat vervroegde aflossing gevolgen kan hebben die verder reiken dan de partijen bij de overeenkomst: zie het tweede verslag van het Parlement over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkrediet [COM(2002) 0443 — C5-0420/2002–2002/0222(COD)], document A5-0224/2004, amendementen 96–100. In dat verslag wordt gewaarschuwd voor de mogelijke negatieve gevolgen van een kosteloze vervroegde terugbetaling voor consumenten ‘die de overeenkomst nakomen’, begrepen als consumenten die zich wel aan de overeengekomen looptijd van de overeenkomst houden. Wat hypothecair krediet betreft, hebben de diensten van de Commissie zich in de effectbeoordeling bij het Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet, SEC(2007) 1683, bijlage III, blz. 60–61, uitgesproken over de systemische consequenties die verbonden zijn aan te lage vergoedingen voor de kredietgever.
Zie arresten van 11 september 2019, Lexitor (C-383/18, EU:C:2019:702), voor richtlijn 2008/48, en UniCredit Bank Austria, voor richtlijn 2014/17. Volgens deze rechtspraak omvat het recht op vermindering in het geval van hypothecair krediet niet de kosten die, ongeacht de duur van de overeenkomst, aan de consument in rekening worden gebracht ten gunste van ofwel de kredietgever, ofwel een derde, voor prestaties die op het tijdstip van de vervroegde aflossing reeds volledig zijn verricht. In het geval van consumentenkrediet drukt de vermindering daarentegen op alle kosten die aan de consument worden opgelegd. In overweging 70 van richtlijn 2023/2225 wordt verklaard dat bepaalde belastingen en vergoedingen die rechtstreeks aan derden worden betaald, moeten worden uitgesloten van de vermindering.
In de periode waarin richtlijn 87/102 van kracht was, stond het elke lidstaat vrij om zelf de omvang van de vermindering te bepalen. In het eerste verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van die richtlijn, dat dateert uit 1995, wordt melding gemaakt van het voorstel van een lidstaat om het begrip ‘billijke vermindering’ te definiëren ‘door de vaststelling van een percentage of een formule voor de berekening van de vermindering’: COM(95) 117 def., punt 192. In het verslag voor het jaar 1996 wordt er enkel op gewezen dat de richtlijn geen afbreuk doet aan in de lidstaten reeds geldende berekeningscriteria: COM(96) 79 def., punt 55.
Hoewel de totstandkomingsgeschiedenis van richtlijn 2023/2225 geen discussie over dit punt laat zien, wordt in overweging 70 van die richtlijn verklaard dat ‘[d]e verlaging van de totale kosten van het krediet voor de consument […] evenredig [moet] zijn aan de resterende duur van de kredietovereenkomst’ (cursivering van mij). Deze precisering, die mijns inziens duidt op de wil om op het gebied van consumentenkrediet de methode van de lineaire evenredigheid voor de toekomst te verankeren, is niet te vinden in teksten die dateren van vóór de informele interinstitutionele bijeenkomst van 1 december 2022.
Conclusie in de zaak VR Bank Ravensburg-Weingarten (C-536/22, EU:C:2023:721, punt 19).
Door middel van wetgeving of met andere middelen, zoals contractuele bepalingen (overweging 66 van richtlijn 2014/17).
Onder bepaalde voorwaarden kunnen beperkingen worden opgelegd die zo ver kunnen gaan dat zij de uitoefening van het recht uitsluiten. Zie overweging 66 van richtlijn 2014/17: ‘[…] De lidstaten moeten […] de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht [op vervroegde aflossing] kunnen bepalen. Zo kan onder meer de uitoefening van het recht in de tijd worden beperkt, kan een verschillende regeling gelden naargelang van het soort debetrentevoet, of kunnen de omstandigheden waarin het recht kan worden uitgeoefend, worden beperkt. Indien de vervroegde aflossing binnen de termijn valt waarvoor een vaste rentevoet geldt, kan de uitoefening van het recht in elk geval afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de consument hierbij een door de lidstaat gespecificeerd rechtmatig belang heeft. Van een dergelijk rechtmatig belang kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van echtscheiding of werkloosheid. […]’
Overweging 66 van richtlijn 2014/17, waarin open formuleringen worden gebruikt, ook waar het gaat om de beperkingen die de lidstaten kunnen stellen aan de uitoefening van het recht op vervroegde aflossing van het krediet, kan mijns inziens niet op andere wijze worden begrepen.
Met name het jaarlijkse kostenpercentage in bijlage I.
En in het tweede deel van overweging 66.
Zie in dit verband de verwijzingsbeslissing, punt 74, en de opmerkingen van Santander Bank, punten 28 en 29.
Opmerkingen van de Commissie, punt 39.
Opmerkingen van de Poolse regering, punten 34 en 35.
Een andere kwestie is hoe deze berekeningen door de consument kunnen worden geverifieerd: zie hieronder in de punten 60 e.v.
In het arrest van 11 september 2019, Lexitor (C-383/18, EU:C:2019:702, punt 24), worden de twee door de verwijzende rechter, de verwerende partijen en andere belanghebbende partijen voorgestelde uitleggingen van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 weergegeven. Terwijl in de eerste uitlegging het accent wordt gelegd op het soort kosten waarop de vermindering van de totale kredietkosten moet worden toegepast, wordt in de tweede ook verklaard dat de vermindering moet worden berekend ‘door alle kosten die de consument heeft gemaakt in aanmerking te nemen en vervolgens het bedrag ervan evenredig met de resterende duur van de overeenkomst te verlagen’. In het arrest is geoordeeld dat de vermindering alle aan de consument opgelegde kosten moet omvatten, maar wordt de verwijzing naar evenredigheid achterwege gelaten. Zie voetnoot 25 hierboven voor de gewijzigde situatie na de vaststelling van richtlijn 2023/2225.
Overweging 5 van richtlijn 2014/17.
Overweging 6 van richtlijn 2014/17.
Overweging 66 van de richtlijn.
Ibidem.
In het eindverslag van de in opdracht van het directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie van de Europese Commissie door Risk & Policy Analysts (RPA) uitgevoerde studie van november 2020 over de evaluatie van richtlijn 2014/17 wordt opgemerkt dat consumenten veelal niet weten hoeveel zij zouden kunnen besparen door het krediet vervroegd af te lossen (blz. 9). Verderop in het verslag wordt echter erkend dat het in de praktijk moeilijk is om de nog steeds weinig gebruikelijke uitoefening van het recht op vervroegde aflossing toe te schrijven aan een specifieke factor. Nergens in het verslag wordt de methode voor het berekenen van de vermindering van de totale kredietkosten aangemerkt als problematisch: zie bijvoorbeeld punt 5.2.7. Bovendien wordt opgemerkt dat de gebruikelijke reden voor de consument om niet vervroegd af te lossen, is dat hij zich dat niet kan veroorloven: ibidem, blz. 170.
Die gebrekkige kennis wordt in de richtlijn (overweging 4) aangemerkt als een van de problemen op de hypotheekmarkt van de Unie. Het tweede hoofdstuk van richtlijn 2014/17, met het opschrift ‘Financiële scholing’, bevat bepalingen die de lidstaten verplichten tot het bevorderen van maatregelen die de educatie van consumenten op het gebied van het sluiten van hypothecaire kredietovereenkomsten ondersteunen.
Dankzij richtlijn 2014/17 ontvangt de consument informatie in verschillende fasen van het proces van het sluiten van het krediet, vanaf de fase van het adverteren tot die van de uitvoering van de overeenkomst. Dat het belangrijk is om de consument (kredietnemer) ook in die laatste fase informatie te verschaffen, wordt niet alleen bevestigd door artikel 25, maar ook door artikel 27, dat aan de kredietgever een informatieverplichting betreffende wijzigingen in de debetrentevoet en de gevolgen daarvan voor toekomstige betalingen oplegt. Beide bepalingen vallen onder hetzelfde hoofdstuk van richtlijn 2014/17, dat als opschrift ‘Correcte uitvoering van kredietovereenkomsten en verwante rechten’ heeft.
Het Hof heeft het transparantievereiste in onder meer het arrest van 18 november 2021, A. S.A. (C-212/20, EU:C:2021:934, punten 38 e.v.), uitgelegd wat artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) betreft. Die zaak betrof een contractueel beding betreffende de aankoop- en verkoopkoers van een vreemde valuta in een aan een vreemde valuta gekoppeld hypothecair krediet. Zie ook de door mij in punt 62 aangehaalde arresten.
Artikel 25, lid 4, van richtlijn 2014/17. De in lid 1 van dat artikel bedoelde verplichting om mee te delen hoe de vermindering zal worden berekend, bestaat in mijn ogen zelfs al voordat de kredietnemer verzoekt zijn recht op vervroegde aflossing uit te oefenen, ook al wordt dat in de richtlijn niet letterlijk zo bepaald: zie hieronder in de punten 60 e.v.
De kredietgever moet ‘op een eerlijke, billijke, transparante en professionele wijze optreden en rekening houden met de rechten en belangen van de consument’.
Daarbij denk ik met name aan richtlijn 93/13 en richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
Zie voetnoot 18 hierboven.
Verwijzingsbeslissing, punt 72.
Opmerkingen van de Poolse regering, punt 34.
In richtlijn 2014/17 wordt het begrip ‘consument’ niet gedefinieerd. Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat dit begrip afwijkt van het begrip zoals dat algemeen wordt gehanteerd in de rechtspraak inzake de bescherming van de consument, waarin deze wordt gedefinieerd als een ‘normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument’. De eerder door mij genoemde informatieverplichtingen van de kredietgever zijn uiteraard afdwingbaar.
Opmerkingen van de Italiaanse regering, punten 43 en 44.
In die zaak heeft de Italiaanse regering een soortgelijk verzoek ingediend. In punt 92 van mijn conclusie in die zaak (EU:C:2022:742) heb ik het volgende opgemerkt: ‘Indien het Hof de door mij voorgestelde oplossing aanvaardt, […] het verzoek van de Italiaanse regering inzake een eventuele beperking in de tijd van de gevolgen van het arrest niet [hoeft] te worden ingewilligd. Overigens ben ik van mening dat een dergelijke beperking niet passend zou zijn, aangezien niet is aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden (met name de ernstige economische gevolgen) die volgens de rechtspraak van het Hof ter zake gelden.’
Zie onder andere arresten van 17 maart 2021, Academia de Studii Economice din Bucureşti (C-585/19, EU:C:2021:210, punten 78–81); 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten) (C-439/19, EU:C:2021:504, punt 132), en 26 oktober 2021, PL Holdings (C-109/20, EU:C:2021:875, punt 60).