Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.6.2.1
9.6.2.1 Praktijk van transfer schemes
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192614:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Over een CVA wordt in één klasse gestemd. Als binnen die klasse niet de vereiste meerderheid wordt behaald, komt de CVA niet tot stand. Vgl. s4A Insolvency Act 1986.
Vgl. §7.3.5. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat het simpelweg ongewijzigd laten van de aanspraken van de ‘out of the money’-partijen geen oplossing biedt omdat dat niet tot de gewenste financiële herstructurering leidt. Bovendien zullen senior crediteuren slechts bereid zijn een veer te laten onder de voorwaarde dat junior partijen dat ook doen.
Zie daarover uitgebreid: Pilkington 2017, §2.018-2.027 en de case studies op p. 216-221; O’Dea, Long & Smyth 2012, §6.01-6.40; Payne 2014, §5.6.3.
Pilkington 2017, §2.019-2.027; O’Dea, Long & Smyth 2012, §6.26-6.35 (‘secured debt transfer scheme’).
In MyTravel protesteerden de obligatiehouders die als gevolg van de voorgestelde transfer scheme zouden worden achtergelaten met een aanspraak op een lege vennootschap tegen het feit dat zij niet in een klasse waren ingedeeld. De rechter oordeelde (in hoger beroep) dat het niet nodig was partijen waarvan de rechten niet werden gewijzigd door de scheme, over de scheme te laten stemmen. Eventueel zou hun positie aan bod kunnen komen bij de homologatiebeslissing. Zie Re Mytravel Group Plc [2004] EWHC 2741 (Ch) en Re Mytravel Group Plc [2004] EWCA Civ 1734. Omdat er uiteindelijk een consensuele oplossing werd bereikt, kwam het nooit tot die homologatiefase. Zie uitgebreid over MyTravel: Paterson 2014, p. 345-348; Payne 2014, p. 247-248; Crystal & Mokal 2006a.
Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 (Ch), nr. 26.
Vgl. Re Bluebrook Ltd [2009] EWHC 2114 (Ch), nr. 80 (“The Mezzanine Lenders are not bound by the schemes, and therefore their legal rights are unaffected. So far as it is said that in the circumstances the schemes are part of an overall arrangement which works unfairly to them, I find that they do not. I do not consider they have a relevant economic interest in the scheme companies.”). Zie voor een bespreking van Bluebrook en Tea Corporation: Payne 2014, §2.3.1.2, 5.3 en 5.6.3.1. Pilkington 2017 bespreekt IMO Car Wash als ‘case study’ op p. 220-221.
Re Tea Corporation Ltd [1904] 1 Ch 12.
Pilkington 2017, §8.006 (“Where a class of creditors voted on the scheme but was in fact ‘out of the money’ (…) and consequently need not have voted, the court may ignore such class for sanction purposes”) en §8.32 (“The principle that the votes of creditors who do not have any economic interest in the company may be discounted was first established in Re Tea Corp Ltd”). Ook Chan leest in Tea Corp dat de rechter een ‘de facto cram-down power’ toekomt. Zij verwerpt “the simpler account”, dat de aandeelhouders geen partij waren bij de scheme, ”but rather gratuitous beneficiaries under the scheme”. Zie Chan 2009, p. 44-47. Chan Ho schrijft in zijn recensie van Paynes handboek over schemes: “In the spirit of academic discourse, it is respectfully suggested that the book could adopt a more in-depth analysis in a few places. For instance, the call for reform in respect of a whole-class cram-down stems from the proposition that «the view taken by the courts today is that the court does not have the power to sanction a scheme where that scheme has not been approved by a class of the member or creditors» (…) But no controlling authority is cited for this proposition. The effect of Re Tea Corp seems to have been dismissed. It is said: «At the present time, the cramdown of a whole class is possible only by twinning a scheme with a pre-pack administration (as in Bluebrook) in order to ensure that the junior creditors are ‘left behind’ in the old group company, and therefore that their rights are technically unaffected by the scheme.» (…) This is a view taken by a number of timid practitioners who also seem to have dismissed Re Tea Corp. In this reviewer’s opinion, it would be apt for a scheme textbook to do a bit more than follow suit.” Zie Chan Ho 2015.
Re Tea Corporation Ltd [1904] 1 Ch 12, p. 25.
Payne 2014 §2.3.1.2. Zie voetnoot nr. 318 hiervoor voor andere opvattingen.
Dit kan op basis van een contractuele ‘release clause’ in een intercreditor-overeenkomst, maar ook op basis van een scheme of arrangement zelf. De mogelijkheid om (naar Engels recht) aanspraken op derden te wijzigen kwam aan bod in §7.7.2. Vgl. Pilkington 2017, §2.021; O’Dea, Long & Smyth 2012, §6.04-6.05; Payne 2014, p. 248.
Zie daarover uitgebreid en met verdere verwijzingen: Pilkington 2017, §2.025-2.027.
Vgl. de in 5.2.2.1 besproken ingangstoets voor administration. De rechter moet overtuigd zijn “that the company is or is likely to become unable to pay its debts”.
539. De wettelijke regeling van de Engelse scheme of arrangement vereist dat alle klassen met het voorstel instemmen. Er bestaat geen mogelijkheid om een scheme te homologeren die niet door alle klassen bij meerderheid is aanvaard. Part 26 Companies Act bevat geen cross class cram down mechanisme. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk om met een Engelse scheme ‘out of the money’-partijen uit de financieringsstructuur van de vennootschap te drukken.1 Om de rechten van de ‘out of the money’-partijen aan te passen, dienen deze partijen dus als klasse(n) bij meerderheid in te stemmen met het scheme-voorstel. Het is zeer onwaarschijnlijk dat die instemming wordt verworven indien de scheme slechts voorziet in het ontnemen van rechten zonder dat daar enige compensatie tegenover staat. Zelfs al zou de vereiste instemming bereikt worden, dan zou de Engelse rechter de scheme niet homologeren, omdat bij het simpelweg prijsgeven van rechten geen sprake is van de vereiste “give and take”.2
De Engelse praktijk heeft daarvoor een oplossing bedacht. Door een activatransactie te combineren met (de dreiging van) een scheme, is het mogelijk out of the money-partijen buitenspel te zetten. In een dergelijke ‘transfer scheme’3 worden de activa van de holdingvennootschap, zijnde de aandelen in de werkmaatschappijen, overgedragen aan een nieuwe vennootschap. Deze nieuwe vennootschap komt in handen van de in the money-financiers. Deze overdracht vindt plaats in het kader van een executieverkoop ofwel van een verkoop door de administrator vanuit een (voorbereide) administration, een pre-pack.4 Door de scheme te combineren met de administration, worden de voordelen van beide procedures gecombineerd en wordt de facto een cross class cram down gerealiseerd. De in the money-crediteuren ontvangen schuldinstrumenten en/of aandelen in de nieuwe vennootschap. Om alle neuzen van de in the money-partijen dezelfde kant op te krijgen, wordt een scheme of arrangement voorbereid door de vennootschap. Indien niet alle partijen bereid zijn de nieuwe vennootschap op de voorgestelde manier (door) te financieren, kan een scheme gebruikt worden om de minderheid te binden aan de herstructureringsplannen. Soms is de dreiging van een schemeproces al voldoende om de dwarsliggers te bewegen mee te werken aan een consensuele oplossing. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de herstructurering van MyTravel, de eerste transfer scheme.5 Het resultaat van een transfer scheme is dat de out of the money-crediteuren met een vordering op de oude, inmiddels lege vennootschap achterblijven. In de herstructurering van Bluebrook (ook wel bekend als IMO Car Wash) is deze constructie op fairness getest. Justice Mann overwoog, onder verwijzing naar het hierna te bespreken Re Tea Corporation: ”(…) it is not necessary for the company to consult any class of creditors (or contributories) who are not affected, either because their rights are untouched or because they have no economic interest in the company”. De rechter oordeelde dat de juridische rechten van de Mezzanine Lenders door de transfer scheme niet werden gewijzigd, maar dat het hun vrij stond om bezwaar te maken tegen de scheme wanneer zij meenden dat het voorstel hen de facto onevenredig zou raken.6 Op basis van de vaststelling dat zij geen economisch belang in de onderneming hadden, werden hun bezwaren echter verworpen en werd de transfer scheme gehomologeerd. Het is dus aan de junior partijen om tijdens de homologatiezitting aan te tonen dat zij wel degelijk een economic interest in de vennootschap hebben, om de rechter te overtuigen dat de scheme ‘unfair’ is. 7
540. De transfer scheme-constructie is gebaseerd op de uit 1904 daterende Tea Corporation zaak.8 In die zaak stemde één klasse tegen de voorgestelde scheme. Toch homologeerde de rechter de scheme en een hoger beroep tegen deze beslissing werd verworpen. Uit deze zaak wordt soms afgeleid dat out of the money-partijen niet hoeven te stemmen over de scheme, omdat hun stem er niet toe doet.9 Die stelling lijkt gebaseerd op de overwegingen van Lord Justice Vaughan Williams in het hoger beroep:
“It seems to me that by the very terms of s. 24 you are to divide the contributories into classes and to call meetings of each class, and if you have the assent to the scheme of all those classes who have an interest in the matter, you ought not to consider the votes of those classes who have really no interest at all (onderstreping AM). It would be very unfortunate if a different view had to be taken, for if there were ordinary shareholders who had really no interest in the company’s assets, and a scheme had been approved by the creditors, and all those were really interested in the assets, the ordinary shareholders would be able to say that it should not be carried into effect unless some terms were made with them.”
De feiten van de zaak waren als volgt. Tea Corporation zou al haar activa overdragen aan een nieuwe vennootschap. De scheme stelde voor de vermogensverschaffers een aanspraak op deze nieuwe vennootschap te verschaffen. Zo bezien was het een ‘transfer scheme avant la lettre’. De andere twee rechters in hoger beroep waren het eens met het eindoordeel van Vaughan Williams, maar kwamen tot die slotsom op basis van een andere redenering. Zij meenden dat de voorgestelde scheme slechts een arrangement tussen de vennootschap en haar crediteuren en de preferente aandeelhouders behelsde. De gewone aandeelhouders waren geen partij bij het voorstel. Zie daarover de volgende overwegingen van Lord Justice Romer:
“(…) this scheme is really put forward as an agreement between the company and their creditors, and between the company and the preference shareholders, leaving out the ordinary shareholders as having really no interest in the matter. (…) [T]his scheme is only an arrangement as between the company and their creditors and as between the company and the preference shareholders. (…) It is true that by the scheme some shares in the new company are offered to the ordinary shareholders in the old company; but I think that must be regarded as rather in the nature of a gift by the creditors and the preference shareholders.”
Ook de derde rechter, Justice Stirling, oordeelt dat de scheme slechts betrekking had op de crediteuren en de preferente aandeelhouders.10 Zo bezien worden de rechten van de out of the money-partijen, de gewone aandeelhouders, niet gewijzigd. Dat verklaart waarom zij niet gehoord hoeven te worden.
Payne stelt dan ook dat het naar huidig Engels recht niet mogelijk is dat de rechter de tegenstem van een gehele klasse ‘wegmasseert’ met de redenering dat die klasse geen economisch belang in de vennootschap heeft. De enige manier waarop out of the money-partijen de facto gebonden kunnen worden aan een herstructurering is de transfer scheme-route.11 Deze route kent echter de nodige keerzijden. Zo kost de voorbereiding van de overdracht, de scheme en de mogelijke administration veel tijd en geld. Essentieel voor het succes van deze methode is bovendien dat de out of the money-partijen geen aanspraken meer hebben op de verhangen dochtervennootschappen. Eventuele verstrekte zekerheden of garanties dienen doorgehaald te worden, net zoals eventuele ‘intercompany’-vorderingen en aangegane leningen van de balans van de werkmaatschappijen moeten verdwijnen.12 Een ander nadeel is dat de overdracht eventuele ‘change of control’-bepalingen in belangrijke contracten kan triggeren, waardoor de onderneming om tafel moet met de desbetreffende partijen. Ook het gebruik van de administration om de herstructurering uit te voeren, heeft voor- en nadelen. Een voordeel is dat de administrator de eventuele aansprakelijkheidsrisico’s draagt. Bovendien kent de administration een wettelijk moratorium. Daar staat echter tegenover dat de Engelse pre-pack, net zoals de Nederlandse variant, niet onomstreden is.13 Dat leidt tot onzekerheden en zo mogelijk nog hogere voorbereidingskosten. Bovendien is deze route slechts beschikbaar indien een vennootschap daadwerkelijk pre-insolvent is.14