Met weglating van voetnoten.
HR, 06-04-2021, nr. 19/05109
ECLI:NL:HR:2021:502
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-04-2021
- Zaaknummer
19/05109
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:502, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑04‑2021; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2019:3922
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:147
ECLI:NL:PHR:2021:147, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑02‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:502
- Vindplaatsen
RvdW 2021/464
JM 2021/57 met annotatie van Pieters, S.
Uitspraak 06‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Diefstal van kip die onderwerp is van studieproject van student van theaterschool in Amsterdam, art. 310 Sr. Beroep op handelen ter uitvoering van wettelijk voorschrift, art. 42 Sr. Verkeerde kip in zodanige situatie dat sprake was van hulpbehoevendheid a.b.i. art. 2.1.6 Wet Dieren? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05109
Datum 6 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 november 2019, nummer 23-004620-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2021.
Conclusie 16‑02‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal van Jip de kip door dierenactiviste straffeloos in verband met art. 42 Sr juncto art. 2.1 lid 6 en art. 2.13 Wet dieren? De betekenis van "hulpbehoevend" in de zin van art. 2.1 lid 6 Wet dieren. De kip was in het kader van een project van een theaterschool in Amsterdam gedurende ruim een week in een kooi de hal van de school geplaatst waarbij de studenten mochten stemmen over het lot van de kip: slachten of blijven leven. Het hof heeft vastgesteld dat er op het moment van de diefstal geen sprake was van "hulpbehoevendheid". De AG komt tot de conclusie dat het hof is uitgegaan van een juiste uitleg van de betrokken bepalingen en de verdachte strafbaar heeft geacht. Geadviseerd wordt het cassatieberoep te verwerpen.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/05109
Zitting 16 februari 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 1 november 2019 de verdachte wegens “diefstal” veroordeeld. Daarbij heeft het hof met toepassing van art. 9a Sr bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Ook heeft het hof de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 16 februari 2016 vernietigd.
1.2.
Deze zaak is in de media bekend geworden onder de naam “Jip de kip”. Deze kip werd door een student van een theaterschool in Amsterdam gehouden in een kooi in de hal van de school in het kader van een door hem bedacht studieproject. De studenten van de school mochten stemmen over het lot van de kip: slachten of blijven leven. Met dit project wilde de student meer bewustzijn creëren over dierenleed. De verdachte was via het nieuws op de hoogte gekomen van dit project. Ze wilde dat het spel werd gestopt voordat de stemming ten einde kwam en dat de kip in veiligheid zou worden gebracht. De verdachte heeft de kip op 25 januari 2016 weggenomen en daarbij haar visitekaartje, een pamflet en vegetarische kipstukjes achtergelaten in het hok. Kort daarop is de verdachte aangehouden met de kip. Ter terechtzitting is betoogd dat de verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld: in de eerste plaats omdat zij handelde ter uitvoering van het wettelijke voorschrift van art. 2.1 lid 6 Wet Dieren om een hulpbehoevend dier de nodige zorg te verlenen. Zij greep in omdat de verboden situatie van art. 2.13 Wet Dieren zich voordeed. Daarnaast is aangevoerd dat zij handelde uit noodweer, dan wel dat er sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand. Het hof heeft kort gezegd overwogen dat de kip niet hulpbehoevend was en heeft de verdachte veroordeeld wegens diefstal van de kip.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen het oordeel van het hof dat geenszins aannemelijk is geworden dat de kip 'hulpbehoevend' was als bedoeld in artikel 2.1 lid 6 Wet Dieren.
1.4.
Voordat ik over ga tot een bespreking van het middel, geef ik het verweer ter terechtzitting in hoger beroep, de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen en -overweging weer.
2. Het gevoerde verweer, de bewezenverklaring en de bewijsconstructie
2.1.
Ter terechtzitting bij het hof van 18 oktober 2019 heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Deze houden in dat – voor zover van belang – het volgende verweer is gevoerd namens de verdachte1.:
“Hulpbehoevend
4. Tijdens de behandeling van de onderhavige zaak in eerste aanleg kreeg mijn cliënte tegengeworpen dat de stemming over het leven van het dier nog niet definitief was en zij de kip daarom op dat moment niet had mogen wegnemen. Misschien was de stemming wel zo uitgevallen dat het dier mocht blijven leven, zo was de gedachte. Hoe lang had zij moeten wachten? Totdat de stemming definitief was? Dat zou te laat zijn geweest, omdat de kip dan zou worden geslacht. Voor een stemming geldt bovendien in het algemeen dat de uitkomst tot het laatste moment onzeker is. In 2016 lieten de polls bij de Amerikaanse presidentsverkiezing een overgrote meerderheid en winst voor Clinton zien, de laatste weken voor de verkiezingen werd Clinton’s voorsprong iets kleiner, maar met uitzondering van een of twee opiniepeilers, verwachtte iedereen dat Clinton zou winnen. Ik zal niet de enige zijn geweest die totaal verbouwereerd was toen de uitslag bekend werd en Trump had gewonnen.
Toen mijn cliënte de kip na 8 dagen wegnam, was één ding duidelijk: dat de stemming zou doorgaan en de uitkomst kon daarom niet worden afgewacht.
5. In de Wet Dieren is in art 2.1 bepaald dat een dier in hulpbehoevende toestand mag worden weggenomen om het uit die toestand te halen. Als de kip had kunnen praten, had zij ongetwijfeld uitgelegd dat zij hulp nodig had, omdat zij zich alleen (een kip is een groepsdier dat stress ervaart buiten de groep), in een drukke hal van een school bevond en over haar leven werd gestemd. Dat de kip een aantal maanden erna overleed, bewijst dat het voor de kip een bijzonder stressvolle kwelling moet zijn geweest om zich in die toestand te hebben bevonden. Op deze manier “bewustzijn” creëren voor dierenleed, is volstrekt onjuist, onethisch, onsmakelijk en schiet zijn doel volledig voorbij.
6. Volgens het Van Dale woordenboek wordt “hulpbehoevend” gedefinieerd als “hulp nodig hebben” en wordt onder “hulp” o.m. verstaan “steun”, “ondersteuning” of “redding.” Hulp verlenen aan een hulpbehoevende houdt derhalve volgens een grammaticale interpretatie van die begrippen in: een ander die hulp nodig heeft redden. Is dat niet precies wat in de onderhavige zaak is gebeurd? Mijn cliënte redde immers een dier dat hulp nodig had. Het gaat haar om de intrinsieke waarde van het dier en niet sec om het dier zichzelf toe te eigenen. Immers, een echte dievegge laat natuurlijk geen kaartje met haar contactgegevens achter nadat zij een diefstal pleegt.
7. Bij het doorbladeren van het woordenboek viel mijn oog ook op de letter “d”, waar het woord “dierenbeul” wordt gedefinieerd als: iem. die dieren kwelt. Ik zal niet zo ver gaan om de aangever in deze zaak een dierenbeul te noemen, dat is niet netjes, maar tussen het kwellen van een dier en dat dier zich in een toestand hulpbehoevendheid laten bevinden, zit geen wereld van verschil.
8. De hulpbehoevendheid van de kip bestaat, enerzijds, uit de volstrekt onethische poll die over haar leven of dood werd gehouden en, anderzijds, in de omstandigheden waaronder de kip werd gehouden. Het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), een gezamenlijk initiatief van het voormalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en andere partijen zoals de Dierenbescherming, en het Landelijk Kennisnetwerk Levende Have, gesubsidieerd door dat ministerie, dat voorlichting geeft over de aanschaf en het verantwoord houden van dieren, laten er geen twijfel over bestaan:
- kippen zijn groepsdieren en moeten niet alleen worden gehouden;
- kippen kunnen het knipperen van tl licht waarnemen met stress tot gevolg;
- kippen moeten veel ruimte hebben en kunnen het beste worden gehouden in een buitenren: de groter de ren, de beter.
9. De kip in de onderhavige zaak bevond zich zonder gezelschap van andere kippen, in een hok naast een trap (zie de aangifte) in de hal van de Amsterdamse Theaterschool. In de aangifte staat dat studenten dagelijks langs het hok met de kip liepen. Dat was ook de bedoeling, want zo veel mogelijk studenten van die school moesten van het project op de hoogte raken om hun stem uit te brengen, aldus de aangever.
10. Edelgrootachtbaar college, op de Amsterdamse Theaterschool zaten in 2016, ten tijde van het tenlastegelegde, in totaal bijna 3.000 studenten. Toen mijn cliënte de kip op 25 januari 2016 wegnam, hadden, volgens de aangever, in totaal 1.700 studenten hun stem uitgebracht (zie de aangifte) en stond de kip daar al ruim een week (vanaf 18 januari). Het was de bedoeling dat zij daar nog tot 29 januari zou staan. Niet iedere student die langs het hok loopt, zal hebben gestemd en niet alle 3.000 studenten zullen die voltrokken week op school zijn geweest. Als wij van een heel voorzichtige schatting uitgaan, namelijk dat van de in totaal 1.700 uitgebrachte stemmen die week 1.000 studenten langs het hok zijn gelopen, betekent dat, dat tenminste 142 studenten per dag langs de kip zijn gelopen. Dat is geen gering aantal. Op piekmomenten zou de kip zijn verplaatst naar een rustiger vertrek, hoewel daarvan geen enkel bewijs is geleverd. Ik heb geen foto’s van een tweede hok aangetroffen bijvoorbeeld.
11. Uit deze cijfers en datums blijkt dat op 25 januari iets meer dan de helft van het aantal studenten had gestemd en de stemming dus heel eenvoudig had kunnen omslaan in een doodvonnis voor de kip. Op 25 januari, de kip stond toen al 8 dagen in de hal, resteerde nog maar 4 dagen tot het eind van het spel op vrijdag. De tijd begon dus zeer te dringen. Dat deed mijn cliënte besluiten om geen seconde langer te wachten en het dier mee te nemen.
12. Gelet op het bepaalde in art. 2.1, lid 1, van de Wet Dieren is het verboden om zonder redelijk doel, dan wel met overschrijding van hetgeen ter bereiking van het doel toelaatbaar is, het welzijn van een dier te benadelen. De hal van de theaterschool is algemeen toegankelijk en het hok van de kip bevond zich, gelet op de aangifte, naast de toegangstrap in de hal. Dat moet een aanhoudend lawaai zijn geweest van traplopende, de school binnenlopende en het hok langslopende studenten (tenminste 142 per dag). Bovendien lijkt de kip geregeld zijn opgepakt en vastgehouden (bijlage 2). Zoals uitgelegd, bevond de kip zich geïsoleerd en eenzaam in een afgesloten hok en kon zij zichzelf in elk geval niet bevrijden. Dat zijn allemaal elementen die een negatieve invloed op dierenwelzijn hebben en, naast het macabere spel dat over haar kop werd gespeeld, maken dat zij hulp behoefde. Mijn cliënte was bovendien wettelijk verplicht die hulp te verlenen. Zij handelde namelijk ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.
I Handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 42 Sr)
13. In de wet (Dieren) staat geen verplichting om bij het aantreffen van een hulpbehoevend dier de politie in te schakelen of een protestmars of demonstratie te organiseren (zoals de OvJ requireerde). Ook staat daarin geen verplichting te wachten totdat het 100% zeker is of een dier wordt gedood. Wel wordt eenieder verlangt een dier in een toestand van hulpbehoevendheid de nodige zorg te verlenen. Artikel 2.1, lid 6, van de Wet Dieren luidt immers:
“Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.”
14. Een opmerkelijk voorbeeld van zorg aan dieren in een hulpbehoevende situatie staat in de Memorie van Toelichting: “Bij het beheer van grote grazers in de Oostvaardersplassen kan de nodige zorg worden verleend door dieren, waarbij het duidelijk is dat ze gaan sterven, uit hun lijden te verlossen met een geweerschot (arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 15 februari 2007, 06/614 KG).” Een voorbeeld met minder ingrijpende consequenties voor het dier is de oproep van de directeur van de Dierenbescherming in 2014 om - zodra de temperaturen stijgen, een hond in een gesloten auto wordt achtergelaten en de tong van de hond uit de bek hangt (een hond kan niet zweten, zoals mensen) - direct de ruit van de auto in te tikken.
15. In de Memorie van Toelichting bij de Wet Dieren is ook uiteengezet dat deze verplichting (om een hulpbehoevend dier te redden) een gebod inhoudt en dat het onthouden van zorg aan hulpbehoevende dieren een overtreding oplevert, waarop een gevangenisstraf van maximaal zes maanden en een boete van de derde categorie (€ 6.700,-) staat. Dit betekent dat mijn cliënte strafbaar zou zijn geweest indien zij de kip niet zou hebben geholpen en, nu zij wel hielp, een op haar rustende wettelijke plicht/voorschrift naleefde. Dat maakt dat geen sprake is van “wederrechtelijk” handelen, i.d.z.v. art. 310 Sr, en mijn cliënte, gelet op de rechtvaardigingsgrond in artikel 42 Sr (Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift), primair, dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde.
16. Ook om de volgende reden, die eveneens onder dit primaire verzoek kan worden gebracht, is van “wederrechtelijk” handelen, i.d.z.v. art. 310 Sr, geen sprake. Artikel 2.13 van de Wet Dieren luidt:
‘‘Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken naar aanleiding van wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere evenementen.”
17. Het is evident dat het project in de onderhavige zaak er niet op was gericht om de kip na dat project weg te geven. In zoverre was de kip geen “prijs.” De kip zou indien het project goed zou uitpakken, teruggaan naar de boerderij waar zij vandaan kwam. Zij zou worden beloond met een mooi leven, dat zij aanvankelijk al had. Zou het project verkeerd uitpakken, dan zou de kip door de projectleider worden geslacht. Noem het een “project”, “kunst” of “idee”, in de kern genomen, komt het erop neer dat sprake was van een spelletje of “ander evenement” en dat de inleg een dier was. De meeste stemmen kregen hun beloning door het leven of de dood van het dier. Juist dat was de achterliggende gedachte van de wetgever bij bovengenoemd verbod. Ook in zoverre deed mijn cliënte wat van haar werd verwacht, namelijk ingrijpen in een verboden situatie, waarin de zorg van het dier centraal staat.
II Noodweer (art. 41, lid 1, Sr)
18. Indien u het primaire verweer niet volgt, stelt mijn cliënte zich op het standpunt dat zij handelde uit noodweer. Immers, het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van andermans goed (de kip) of andermans lijf (dat van de kip), dan wel de vrijheidsbeperking van de kip (die de aanduiding “lijf” omvat) tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Een noodweerhandeling is eerst toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen. Het macabere spel over de kop van de kip in combinatie met de hiervoor aangehaalde dierwelzijnsschadende omstandigheden waaronder de kip werd gehouden (alleen, in een drukbezochte hal, terwijl vermoedelijk honderden studenten dagelijks het hok passeerden en zij werd opgepakt voor het nemen van foto’s) en het feit dat er zeer weinig dagen resteerde totdat het potentiële doodvonnis werd getekend, maken dat van - minstgenomen - “een onmiddellijk dreigend gevaar van een aanranding” sprake is. Daarbij moet worden opgemerkt dat het door een ander zonder eigen recht in de bewegingsvrijheid worden beperkt - bijvoorbeeld door een kip dagenlang in een hal van een school op te sluiten - ook (al) als “aanranding” moet worden gekwalificeerd.
19. In art 1.3 van de Wet Dieren wordt de intrinsieke waarde van het dier erkend, inhoudende dat de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel, van groot belang is. Deze intrinsieke waarde van het dier brengt met zich dat mensen zich voortdurend moeten af vragen of hun handelen ten opzichte van dieren door de beugel kan. In het licht van de speciale verantwoordelijkheid die mensen voor dieren dragen, zijn zij gehouden om zorg te dragen voor het welzijn en de gezondheid van dieren en zullen zij het mogelijke moeten doen om de eigenheid en de integriteit van het dier te respecteren.
In lid 2 van dat artikel is bepaald dat een inbreuk op de integriteit van het welzijn van dieren, die verder gaat dan redelijkerwijs noodzakelijk is, moet worden voorkomen en verzekerd dat de zorg krijgen die zij redelijkerwijs behoeven. Onder “redelijkerwijs behoeven” wordt, ingevolge lid 3, in elk geval verstaan dat dieren zijn gevrijwaard van:
(...)
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
(...)
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.
20. In dit kader (wederrechtelijk aanranding) heb ik drie vragen voor u:
21. Brengt aan een kip, alleen in een hok, onder kunstlicht in een drukke schoolhal fysiek en fysiologisch ongerief teweeg of zou zij zich kiplekker hebben gevoeld?
22. Bijna 150 studenten die per dag langs de kooi liepen, mogelijk nog veel meer die de trap opliepen en van de schoolhal gebruik maakten, zou dat angst en chronische stress hebben veroorzaakt of kan dat worden gekwalificeerd als redelijkerwijs de zorg aan een dier verlenen?
23. Wat is een natuurlijke omgeving voor een kip en wordt de kip onder voornoemde omstandigheden beperkt in zijn natuurlijke gedrag?
24. De antwoorden op deze vragen laten zich raden, maar toch verzoek ik u hierover straks in de raadkamer van gedachten te wisselen. U zal zien dat die antwoorden maken dat de verdediging was gericht tegen een “wederrechtelijke” aanranding, i.d.z.v. art 41 Sr, namelijk tegen de intrinsieke waarde van het dier. Bovendien maken de omstandigheden die in de inleiding en onder het kopje “hulpbehoevend” zijn weergegeven dat het feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van andermans (de opa van de aangever) goed. Gelet op de beperkte zittingstijd zal ik die omstandigheden hier niet nogmaals bespreken, maar ermee volstaan daarnaar te verwijzen. Waarbij ik tenslotte nog wil opmerken dat met een minder vergaand middel, bijv. door het hok van de kip open te zetten, niet had kunnen worden volstaan. De kip bevond zich in een hal, zou zo zijn gevangen en teruggeplaatst. Het spel zou dan van voor af aan beginnen. Mijn cliënte heeft voorts reeds in eerste aanleg uitgelegd dat de politie op de hoogte was van het spel, maar kennelijk niet ingreep. Er zat niets anders op dan de kip verdedigen door haar weg te nemen.
25. Diefstal uit noodweer klinkt als een exotische variant op een veelbesproken leerstuk, maar is theoretisch en ook praktisch mogelijk. Het gevolg is dat ik u namens mijn cliënte verzoek haar, subsidiair, vrij te spreken (een geslaagd beroep op noodweer leidt in dit geval, nu de wederrechtelijkheid als bestanddeel in de delictsomschrijving terugkomt tot vrijspraak).
III Noodtoestand (art. 40 Sr)
26. Meer subsidiair is het weghalen van de kip gerechtvaardigd geweest omdat sprake was van een noodtoestand. Bij een succesvol beroep op de rechtvaardigingsgrond overmacht (artikel 40 Sr) in de zin van een noodtoestand moet er sprake zijn van een acute noodsituatie waarbij een keuze gemaakt moet worden tussen het naleven van de wet of het gehoor geven aan een maatschappelijke plicht. De maatschappelijke plicht tot het redden van de kip woog in deze situatie zwaarder dan het eigendomsrecht van [betrokkene 1], of het verbod op het meenemen van andermans eigendommen. Omdat mijn cliënte haar handelen gerechtvaardigd was, en het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ daarmee niet bewezen kan worden, verzoek ik u om cliënte vrij te spreken.
Conclusie
27. Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat primair, subsidiair, dan wel meer subsidiair mijn cliënte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde.
28. Tenslotte, dit pleidooi is geen vrijbrief voor activisten om maar te doen en laten wat ze willen. Het lijkt mij belangrijk om te benadrukken dat ook uw oordeel uitsluitend ziet op de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak, de hulpbehoevendheid van Kip Jip en het handelen van mijn cliënte.”
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 25 januari 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kip, toebehorende aan [betrokkene 1]”
2.3.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen. Daarin heeft het hof vermeld dat het de bewijsmiddelen zoals vermeld in de bijlage bij het vonnis waarvan beroep onder de nummers 1 en 2 overneemt en die bewijsmiddelen luiden:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van de politie, eenheid Amsterdam, met nummer PL1300-2016018916-1 van 25 januari 2016. Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven -:
als verklaring van [betrokkene 1]:
Op 25 januari 2016 was ik onderweg naar de theaterschool in Amsterdam. Ik heb een kip van mij op school rondlopen. De kip heet Jip. Jip zit in een kooi in de hal van mijn school. Ik werd gebeld door [betrokkene 2] van school. [betrokkene 2] zag een vrouw met een koffer de school uitrennen. Ook hoorde ze gekakel uit de tas komen. [betrokkene 2] keek vervolgens naar de kooi waar Jip in zat en zag dat de kooi openstond en dat Jip weg was.
Ik doe aangifte van diefstal van mijn kip. Ik heb niemand toestemming gegeven voor het wegnemen van mijn kip.
2. Een proces-verbaal van aanhouding van de politie, eenheid Amsterdam, met nummer PL1300-2016018916-2 van 25 januari 2016. Dit proces-verbaal houdt in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 24 januari 2016 (de rechtbank begrijpt: op 25 januari 2016) kregen wij, verbalisanten, de volgende melding: “uit theaterschool Amsterdam is zojuist een kip weggenomen. De vrouw die de kip heeft weggenomen staat met de kip in een kooitje op de Plantage Kerklaan”. Wij, verbalisanten, zagen op de Plantage Kerklaan een vrouw staan met een dierenreistas in haar hand. Deze vrouw bleek verdachte [verdachte] te zijn. Wij, verbalisanten, hoorden verdachte [verdachte] zeggen: “Deze kip is inderdaad niet van mij en ik heb hem inderdaad weggenomen”.”
2.4.
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“Bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat zij niet wederrechtelijk heeft gehandeld. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verdachte handelde ter uitvoering van het wettelijk voorschrift van artikel 2.1, zesde lid, van de Wet Dieren (door de hulpbehoevende kip te redden) en dat zij heeft ingegrepen omdat zich de verboden situatie van artikel 2.13 van de Wet Dieren voordeed. Subsidiair is betoogd dat de verdachte handelde uit noodweer en meer subsidiair dat sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
Vast staat dat de verdachte op 25 januari 2016 in Amsterdam een kip heeft weggenomen die aan [betrokkene 1] toebehoorde. Zij had daarvoor geen toestemming. Daarmee is de wederrechtelijkheid van haar handelen in beginsel gegeven. De verdachte heeft betoogd dat het haar bedoeling was om de kip te redden. Naar het oordeel van het hof is echter geenszins aannemelijk geworden dat deze kip in een zodanige toestand verkeerde dat sprake was van hulpbehoevendheid in de zin van artikel 2.1, zesde lid, van de Wet Dieren. De omstandigheden waaronder de kip in het hok op de theaterschool in Amsterdam verbleef waren weliswaar wellicht niet optimaal te noemen (de kip verbleef zonder andere kippen in een hok in de hal van een druk bezochte theaterschool) en mogelijk kunnen ook ethische kanttekeningen worden geplaatst bij het studieproject in het kader waarvan kon worden gestemd over het al dan niet slachten van de kip, maar van een daadwerkelijk en dringend gevaar voor het leven of de gezondheid van de kip was op 25 januari 2016 geen sprake. De kip werd op die dag immers verzorgd en de uitslag van de stemming was nog ongewis. Daaruit volgt dat het handelen van de verdachte op dat moment niet kan worden aangemerkt als het (gerechtvaardigd) verlenen van zorg aan een hulpbehoevend dier als bedoeld in genoemd artikel.
Gelet op het voorgaande acht het hof evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kip en dat de kip in een, voor een succesvol beroep op rechtvaardigende overmacht vereiste, acute noodsituatie verkeerde. Ook hierin kan derhalve geen rechtvaardiging voor het handelen van de verdachte worden gevonden.
Ten aanzien van het beroep op artikel 2.13 van de Wet Dieren overweegt het hof tot slot dat de daarin neergelegde situatie (het uitloven of uitreiken van een dier als prijs, beloning of gift) zich in onderhavig geval niet voordeed, zodat reeds daarom het verweer faalt.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld en dat zij zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan diefstal.”
3. Het middel
3.1.
Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de kip niet 'hulpbehoevend' was als bedoeld in artikel 2.1 lid 6 Wet Dieren, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet toereikend en niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
3.2.
De bewezen verklaarde tenlastelegging is toegesneden op art. 310 Sr. Daarin is strafbaar gesteld het wegnemen van enig goed dat aan een ander toebehoort, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Onder omstandigheden kan een strafuitsluitingsgrond het (niet-zelfstandige2.) bestanddeel ‘wederrechtelijk’ wegnemen. Door de verdediging is een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgronden (i) handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (te weten art. 2.1 lid 6 Wet Dieren) als voorzien in art. 42 Sr, (ii) noodweer, art. 41 lid 1 Sr, en (iii) overmacht in de zin van noodtoestand, art. 40 Sr. Het hof heeft alle verweren verworpen.
3.3.
Niet ter discussie staat dat de verdachte de kip heeft weggenomen zonder toestemming van de eigenaar. In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte de kip weliswaar heeft weggenomen, maar dat zij handelde ter uitvoering van het wettelijk voorschrift van art. 2.1 lid 6 Wet Dieren en gelet op art. 42 Sr niet ‘wederrechtelijk’ handelde. De kern van de klacht in cassatie is dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan ‘hulpbehoevend’ in de zin van art. 2.1 lid 6 Wet Dieren, door te overwegen dat daarvan slechts sprake is bij ‘een daadwerkelijk en dringend gevaar voor het leven of de gezondheid van de kip’ en daarbij ten onrechte niet heeft betrokken de vragen of (i) de intrinsieke waarde van de kip was geschonden, (ii) de kip hulp of steun nodig had en (iii) zonder redelijk doel dan wel met overschrijding van hetgeen ter bereiking van het doel toelaatbaar is, het welzijn van het dier werd benadeeld.
3.4.
Ik begrijp de klacht zo, dat deze zich toespitst op de verwerping van het beroep op het handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 42 Sr.
3.5.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
“Art. 42 Sr:
Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.”
Art. 1.3 Wet Dieren:
1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a.dorst, honger en onjuiste voeding;
b.fysiek en fysiologisch ongerief;
c.pijn, verwonding en ziektes;
d.angst en chronische stress;
e.beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd.”
“Art. 2.1 Wet Dieren:
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.
2. Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval gerekend:
a. een dier arbeid doen verrichten die kennelijk zijn krachten te boven gaat of waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;
b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of openbare verkoping ten verkoop houden;
c. bij de verlossing van een koe gebruikmaken van dierlijke trekkracht of van een niet daarvoor toegelaten krachttoestel, en
d. een hond als trekkracht gebruiken met uitzondering van de sledehondensport, voor zover toegelaten.
3.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts gedragingen worden aangewezen die in ieder geval worden gerekend tot de verboden gedragingen, bedoeld in het eerste lid.
4.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor een toelating als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c en d, of voor de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, aangewezen gedragingen.
5.Van de krachtens het derde lid aangewezen gedragingen kan, al dan niet in daarbij aangewezen gevallen, deel uitmaken het gebruik van voorwerpen die bij dieren pijn of letsel kunnen veroorzaken, dan wel de gezondheid of het welzijn kunnen benadelen.
6.Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.
7.Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren.”
3.6.
De strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr komt in zicht als twee verschillende – in wettelijke regels besloten liggende – rechtsnormen, die in beginsel van gelijke orde zijn en die beide aanspraak maken op nakoming, met elkaar botsen. Deze strafuitsluitingsgrond biedt uitkomst in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift de ‘taakstellende’ bevoegdheid geeft tot uitvoering van op zichzelf strafbaar gesteld handelen. Een geslaagd beroep op art. 42 Sr moet voldoen aan drie vereisten: het moet gaan om een wettelijk voorschrift met een zekere dwingendheid en er moet zijn voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit (allen gelegen in het woordje "ter" uitvoering). Ten aanzien van het subsidiariteitsvereiste heeft te gelden dat het handelen noodzakelijk dient te zijn. Naarmate de bevoegdheid vrijer is geformuleerd, wordt de vraag naar de noodzaak van het gewraakte handelen klemmender. Een beroep op art. 42 Sr zal dus problematischer zijn wanneer een redelijk alternatief heeft opengestaan voor het overtreden van de strafwet. Het vereiste van proportioneel handelen is nauw met het subsidiariteitsvereiste verbonden. Disproportioneel optreden kan immers niet als noodzakelijk optreden worden aangemerkt. De strafuitsluitingsgrond vereist dus een noodzakelijke en gepaste uitvoering.3.De beoordeling van een beroep op deze strafuitsluitingsgrond is casuïstische van aard. Het gaat niet om een abstracte vergelijking tussen twee botsende wettelijke regelingen maar om een objectieve toetsing van de voorliggende feiten en omstandigheden. Daarbij is niet het perspectief van de verdachte beslissend maar dat van de rechtsorde, in die zin dat de verdachte een redelijke en verantwoorde keuze moet hebben gemaakt bij zijn of haar handelen.4.
3.7.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr. Hij heeft daar kort gezegd aan ten grondslag gelegd dat de Wet Dieren (art. 2.1 lid 6) een ieder verlangt een dier in toestand van hulpbehoevendheid de nodige zorg te verlenen. Daarbij heeft hij aangevoerd dat in de memorie van toelichting uiteen is gezet dat deze verplichting (om een hulpbehoevend dier te redden) een gebod inhoudt en dat het onthouden van zorg aan hulpbehoevende dieren een overtreding oplevert waarop straf staat. Dit zou volgens hem betekenen dat de verdachte strafbaar zou zijn geweest indien zij de kip niet zou hebben geholpen en dat zij hiermee dus een op haar rustende wettelijke plicht naleefde. Daarnaast zou sprake zijn van een verboden situatie als bedoeld in art. 2.13 Wet Dieren (het uitloven van dieren als prijs), waarin de verdachte ingreep. Door de raadsman is in het kader van deze strafuitsluitingsgrond geen beroep gedaan op de intrinsieke waarde van een dier zoals gewaarborgd in art. 1.3 Wet Dieren.
3.8.
Het hof heeft overwogen dat geenszins aannemelijk is geworden dat de kip in een zodanige toestand verkeerde dat sprake was van hulpbehoevendheid in de zin van art. 2.1 lid 6 Wet Dieren. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de omstandigheden waaronder de kip in het hok verbleef weliswaar wellicht niet optimaal te noemen waren en er mogelijk ook ethische kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij het studieproject, maar dat ‘van een daadwerkelijk en dringend gevaar voor het leven of de gezondheid van de kip op 25 januari 2016 geen sprake was. De kip werd op die dag immers verzorgd en de uitslag van de stemming was nog ongewis. Daaruit volgt volgens het hof dat het handelen van de verdachte op dat moment niet kon worden aangemerkt als het (gerechtvaardigd) verlenen van zorg aan een hulpbehoevend dier als bedoeld in art. 2.1 lid 6 Wet Dieren.
3.9.
Hoewel ik mij persoonlijk de weerzin en verontwaardiging van de verdachte met betrekking tot het “project” van de eigenaar van de kip kan voorstellen, kan ik kijkend door de cassatiebril niet zeggen dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het oordeel is mede gelet op het gevoerde verweer, toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Daarbij wijs ik er op dat de wetsgeschiedenis van de Wet Dieren, noch diens voorloper, de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, een definitie geeft van hulpbehoevend. Bij deze gebodsbepaling is (slechts) als toelichting gegeven dat uit wetssystematische overwegingen de welzijnsbepalingen voor in de vrije natuur levende dieren zijn ondergebracht in de wetgeving die de soortenbescherming op het oog heeft, zoals de Jachtwet, Vogelwet, Visserijwet en Flora- en Faunawet. Met deze bepaling werd “thans wel als algemeen uitgangspunt van de bescherming van het welzijn van alle dieren, een zorgplicht opgenomen”.5.In de inmiddels vervallen Flora- en Faunawet was als art. 2 lid 1 (onder meer) opgenomen dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren. Het tweede lid lichtte toe dat deze zorg in ieder geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulk in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of te beperken. Deze zorgplichtbepaling was uitdrukkelijk niet van een strafbaarstelling voorzien en beoogde vooral uitdrukking te geven aan het maatschappelijke normbesef dat zorg is verschuldigd aan in het wild levende flora en fauna.6.In de memorie van toelichting op de Wet Dieren wordt als voorbeeld van een hulpbehoevende situatie gegeven het beheer van grote grazers in de Oostvaardersplassen. Aan hen kan de “nodige zorg” worden verleend door dieren, waarbij het duidelijk is dat ze gaan sterven, uit hun lijden te verlossen met een geweerschot.7.Dit voorbeeld duidt erop dat met de in art. 2.1 lid 6 Wet Dieren neergelegde zorgplicht is bedoeld voor gevallen waarin er een duidelijke verantwoordelijke kan worden aangewezen en er sprake is van een zekere noodzaak en dringendheid tot handelen of nalaten.
3.10.
Het oordeel van het hof dat geenszins aannemelijk is geworden dat de kip in een zodanige situatie verkeerde dat sprake was van hulpbehoevendheid als bedoeld in art. 2.1 lid 6 Wet Dieren, is het licht van het voorafgaande niet onbegrijpelijk. Anders dan in de schriftuur wordt betoogd, strookt de uitleg van het hof van het begrip ‘hulpbehoevend’ met de grammaticale en wetshistorische betekenis daarvan en is niet reeds bij schending van de intrinsieke waarde van een dier als gewaarborgd in art. 1.3 Wet Dieren (de ‘eigenheid van het dier als levend wezen’8.) sprake van een zorgplicht. Waar het om gaat is of sprake was van een situatie waarin onmiddellijk handelen kon worden gevergd. Het is in dat licht bezien niet onbegrijpelijk dat het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, tot het oordeel is gekomen dat de kip niet in een zodanige toestand verkeerde dat sprake was van een zorgplicht van de verdachte. De kip werd immers verzorgd en de uitslag was nog ongewis, zodat evenmin onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat van een daadwerkelijk en dringend gevaar voor het leven of de gezondheid van de kip geen sprake was. Het in de pleitnotities gegeven voorbeeld van een hond die in de hitte in een afgesloten auto zit, komt eerder in de buurt van zo’n dringende situatie.
3.11.
Het oordeel van het hof dat geenszins aannemelijk is geworden dat de kip in een zodanige situatie verkeerde dat sprake was van hulpbehoevendheid als bedoeld in art. 2.1 lid 6 Wet Dieren is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.12.
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑02‑2021
De Hullu, Materieel strafrecht: over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 195: “Soms is de wederrechtelijkheid overigens geen zelfstandig bestanddeel, maar zit het met dezelfde functie ‘verpakt’ in een ander bestanddeel. Een bekend voorbeeld bieden diverse vermogensdelicten waar wordt gesproken over een ‘oogmerk van wederrechtelijke toeëigening of bevoordeling’. Strikt genomen wordt er dan geen min of meer objectieve wederrechtelijkheid vereist, maar slechts een op wederrechtelijkheid gericht oogmerk.”
Vlg. HR 5 november 1946, ECLI:NL:HR:1946:44, NJ 1947/132 m.nt. W.P.J. Pompe.
De Hullu, Materieel strafrecht: over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 344-345.
Kamerstukken II 1989-1990, 16447, nr. 70 (vijfde nota van wijziging), p. 13.