Procestaal: Engels.
HvJ EU, 12-09-2019, nr. C-104/18 P
ECLI:EU:C:2019:724
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
12-09-2019
- Magistraten
E. Regan, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič, I. Jarukaitis
- Zaaknummer
C-104/18 P
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:724, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 12‑09‑2019
ECLI:EU:C:2019:287, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑04‑2019
Uitspraak 12‑09‑2019
E. Regan, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič, I. Jarukaitis
Partij(en)
In zaak C-104/18 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 13 februari 2018,
Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ, gevestigd te Istanboel (Turkije), vertegenwoordigd door J. Güell Serra en E. Stoyanov Edissonov, abogados,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europes Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo als gemachtigde,
verweerder in eerste aanleg,
Joaquín Nadal Esteban, wonende te Alcobendas (Spanje), vertegenwoordigd door J. L. Donoso Romero, abogado,
interveniënt in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, C. Lycourgos, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur) en I. Jarukaitis, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 december 2018,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 april 2019,
het navolgende
Arrest
1
De hogere voorziening van Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ strekt tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 november 2017, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Nadal Esteban (STYLO & KOTON) (T-687/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:853; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende verwerping van haar beroep tot vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 14 juni 2016 (zaak R 1779/2015-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ en Joaquín Nadal Esteban (hierna: ‘litigieuze beslissing’).
Toepasselijke bepalingen
2
Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1), waarbij verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) was ingetrokken en vervangen, is gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21), die op 23 maart 2016 in werking is getreden. Vervolgens is zij met ingang van 1 oktober 2017 ingetrokken en vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1).
3
Aangezien in casu de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk heeft plaatsgevonden voor 23 maart 2016, net als de beslissing tot inschrijving en de vordering tot nietigverklaring, moet het onderhavige geding worden getoetst aan verordening nr. 207/2009 in de oorspronkelijke versie ervan.
4
Artikel 7 van deze verordening, met het opschrift ‘Absolute weigeringsgronden’, bepaalde dat tekens met bepaalde gebreken, zoals een louter beschrijvend karakter of het ontbreken van onderscheidend vermogen, niet als Uniemerk konden worden ingeschreven.
5
Artikel 8 van die verordening, met het opschrift ‘Relatieve weigeringsgronden’, luidde als volgt:
- ‘1.
Na oppositie door de houder van een ouder merk wordt inschrijving van het aangevraagde merk geweigerd:
- a)
wanneer het gelijk is aan het oudere merk en wanneer de waren of diensten waarvoor het merk is aangevraagd, dezelfde zijn als de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven;
- b)
wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en betrekking heeft op dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan op het grondgebied waarop het oudere merk beschermd wordt; verwarring omvat het gevaar van associatie met het oudere merk.
- 2.
Onder ‘oudere merken’ in de zin van lid 1 worden verstaan:
- a)
de merken waarvan de datum van de aanvrage om inschrijving voorafgaat aan de datum van de aanvrage om een [Uniemerk], waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met het ten behoeve van die merken ingeroepen recht van voorrang, en die behoren tot de volgende categorieën:
- i)
[Uniemerken],
- ii)
in de lidstaat […] ingeschreven merken,
- iii)
merken ingeschreven ingevolge internationale overeenkomsten met werking in een lidstaat,
- iv)
merken ingeschreven ingevolge internationale overeenkomsten met werking in de [Unie];
[…]
- 5.
Na oppositie door de houder van een ouder merk in de zin van lid 2, wordt de inschrijving van het aangevraagde merk eveneens geweigerd, wanneer het gelijk is aan of overeenstemt met het oudere merk en is aangevraagd voor waren of diensten die niet soortgelijk zijn aan die waarvoor het oudere merk ingeschreven is, indien het in geval van een ouder [Uniemerk] een in de [Unie] bekend merk en in geval van een ouder nationaal merk een in de betrokken lidstaat bekend merk betreft, en indien door het gebruik zonder geldige reden van het aangevraagde merk ongerechtvaardigd voordeel getrokken wordt uit of afbreuk gedaan wordt aan het onderscheidende vermogen of de reputatie van het oudere merk.’
6
Artikel 52 van verordening nr. 207/2009, met het opschrift ‘Absolute nietigheidsgronden’, bepaalde:
- ‘1.
Het [Uniemerk] wordt op vordering bij het Bureau of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard, wanneer
- a)
het is ingeschreven in strijd met artikel 7;
- b)
de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.
[…]
- 3.
Indien de nietigheidsgrond slechts bestaat voor een deel van de waren of diensten waarvoor het [Uniemerk] ingeschreven is, kan het merk alleen voor de betrokken waren of diensten nietig worden verklaard.’
7
Artikel 53 van deze verordening, met het opschrift ‘Relatieve nietigheidsgronden’, bepaalde in lid 1 ervan:
‘Het [Uniemerk] wordt op vordering bij het Bureau of bij reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard:
- a)
wanneer er een in artikel 8, lid 2, bedoeld ouder merk bestaat en aan de in lid 1 of lid 5 van dat artikel genoemde voorwaarden voldaan is;
[…]’
8
De inhoud van de artikelen 7, 8, 52 en 53 van verordening nr. 207/2009, die overeenstemde met de inhoud van de artikelen 7, 8, 51 en 52 van verordening nr. 40/94, werd overgenomen in de artikelen 7, 8, 59 en 60 van verordening 2017/1001.
9
Artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 bepaalt:
‘Nadat onderzocht is of het beroep ontvankelijk is, beslist de kamer van beroep over het beroep. De kamer van beroep kan hetzij de bevoegdheden uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, hetzij de zaak voor verdere afdoening naar deze instantie terugwijzen.’
10
Artikel 72 van deze verordening luidt:
- ‘1.
Tegen de beslissingen van de kamer van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Gerecht.
[…]
- 3.
Het Gerecht kan de bestreden beslissing vernietigen of wijzigen.
[…]
- 6.
Het Bureau neemt de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Gerecht of, in geval van hogere voorziening, van het arrest van het Hof van Justitie.’
Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beslissing
11
Op 25 april 2011 heeft Nadal Esteban (hierna: ‘interveniënt’) bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van het volgende teken als Uniemerk ingediend:

12
Die inschrijving was aangevraagd voor waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: ‘Overeenkomst van Nice’). Deze waren en diensten waren omschreven als volgt:
- —
klasse 25: ‘Kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels’;
- —
klasse 35: ‘Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten’;
- —
klasse 39: ‘Transport; verpakking en opslag van goederen; organisatie van reizen’.
13
Op 26 augustus 2011 heeft rekwirante, een onderneming die kledingstukken, schoeisel en accessoires produceert en verkoopt, oppositie ingesteld op grond van de volgende oudere merken:
- —
het hieronder afgebeelde, in Malta ingeschreven merk voor waren en diensten van de klassen 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice:

- —
het hieronder afgebeelde merk, dat voor waren en diensten van de klassen 18, 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice is ingeschreven ingevolge internationale overeenkomsten met werking in verschillende lidstaten van de Europese Unie:

14
Ter ondersteuning van de oppositie werd de weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 aangevoerd.
15
Bij beslissing van 31 oktober 2013 heeft het EUIPO de oppositie toegewezen voor zover deze betrekking had op de waren en diensten van de klassen 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice. Met betrekking tot de diensten van klasse 39 in de zin van deze Overeenkomst werd de oppositie daarentegen afgewezen.
16
Op 23 juni 2014 werd deze beslissing bevestigd door de vierde kamer van beroep van het EUIPO.
17
Op 5 november 2014 werd het aangevraagde merk door het EUIPO ingeschreven voor de in punt 12 van het onderhavige arrest vermelde diensten van klasse 39.
18
Op 5 december 2014 heeft rekwirante een vordering tot nietigverklaring van dit merk ingesteld op grond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
19
Bij beslissing van 25 augustus 2015 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO de vordering tot nietigverklaring afgewezen. Zij was van oordeel dat de kwade trouw van interveniënt niet was aangetoond.
20
Op 4 september 2015 heeft rekwirante tegen deze beslissing beroep ingesteld.
21
Bij de litigieuze beslissing heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO dit beroep verworpen. Zij was van oordeel dat, niettegenstaande de overeenstemming van de conflicterende tekens en het feit dat interveniënt kennis had van de oudere merken van rekwirante, er geen sprake kon zijn van kwade trouw in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 daar de waren of diensten waarvoor de oudere merken waren ingeschreven, enerzijds, en de diensten van klasse 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice waarvoor het litigieuze merk was ingeschreven, anderzijds, niet dezelfde waren en evenmin soortgelijk. Daar de omvang van de door de oudere merken aan rekwirante verleende bescherming verschilde van die welke door het litigieuze merk aan interveniënt was verleend, kon dat artikel 52, lid 1, onder b), volgens de kamer van beroep geen toepassing vinden.
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
22
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 september 2016, heeft rekwirante gevorderd dat de litigieuze beslissing wordt vernietigd en dat het EUIPO wordt gelast, het litigieuze merk nietig te verklaren.
23
Ter ondersteuning van haar beroep heeft rekwirante één middel aangevoerd, te weten schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. Rekwirante heeft immers betoogd dat de kamer van beroep ten onrechte had geoordeeld dat de conflicterende merken betrekking moeten hebben op dezelfde of soortgelijke waren of diensten om deze bepaling te kunnen toepassen.
24
Het Gerecht heeft dit beroep verworpen.
25
Het Gerecht heeft eerst in de punten 30 en 31 van het bestreden arrest herinnerd aan de uitlegging van artikel 51, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94 door het Hof in het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361). Vervolgens heeft het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest erop gewezen dat de door het Hof in dat arrest vermelde factoren slechts voorbeelden zijn van elementen die in aanmerking kunnen worden genomen om uitspraak te doen over de eventuele kwade trouw van de aanvrager van een Uniemerk. In dit verband heeft het Gerecht geoordeeld dat ‘ook rekening kan worden gehouden met de commerciële logica achter de indiening van de aanvraag tot inschrijving van een teken als Uniemerk, alsmede met de chronologie van de gebeurtenissen die deze indiening hebben gekenmerkt’.
26
In punt 44 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de kamer van beroep louter ‘de rechtspraak heeft toegepast zoals deze met name voortvloeit uit het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361, punt 53), volgens welke de kwade trouw van de aanvrager veronderstelt dat een derde een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of een soortgelijke waar of dienst waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd’.
27
Volgens de vaststellingen van het Gerecht in de punten 54 tot en met 57 van het bestreden arrest toonden de door rekwirante aangedragen feitelijke elementen, zoals de vroegere zakelijke betrekkingen tussen partijen en de aanwezigheid van het woord- en beeldelement ‘KOTON’ in het litigieuze merk, hooguit aan dat interveniënt kennis had van de oudere merken, maar niet dat zijn oogmerk oneerlijk was geweest. In punt 58 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat rekwirante ‘in elk geval geenszins [had] aangetoond dat interveniënt op de dag van indiening van de Uniemerkaanvraag het oogmerk had om haar te beletten de oudere merken te gebruiken’.
28
Ten slotte is het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de kamer van beroep op goede gronden had beslist dat de kwade trouw van interveniënt niet was aangetoond op grond van het feit ‘dat het litigieuze merk was ingeschreven voor andere diensten dan de diensten die worden aangeduid door de oudere Maltese […] merken […] en door de [oudere] internationale inschrijving […], waardoor elk gevaar voor verwarring van de conflicterende merken uitgesloten was’.
Conclusies van partijen
29
Rekwirante verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
de litigieuze beslissing te vernietigen;
- —
het litigieuze merk nietig te verklaren, en
- —
interveniënt en het EUIPO te verwijzen in de kosten.
30
Het EUIPO verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening toe te wijzen, en
- —
het EUIPO en interveniënt te verwijzen in de kosten.
31
Interveniënt verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te bevestigen, en
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
32
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante één middel aan, te weten schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
Argumenten van partijen
33
Volgens rekwirante heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door met name in de punten 44 en 60 van het bestreden arrest te oordelen dat het bestaan van kwade trouw veronderstelt dat het litigieuze merk wordt ingeschreven voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor een ouder merk is ingeschreven. Een dergelijk vereiste voor de toepassing van de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 vloeit noch uit deze verordening noch uit de rechtspraak van het Hof voort.
34
Bovendien is dit oordeel van het Gerecht in tegenspraak met punt 32 van het bestreden arrest, waarin in herinnering is gebracht dat de door het Hof in het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361), opgesomde factoren slechts voorbeelden waren van een geheel van elementen die het bewijs konden leveren van de kwade trouw van een aanvrager.
35
Ook het EUIPO betoogt dat de kamer van beroep en het Gerecht blijk hebben gegeven van de door rekwirante aangevoerde onjuiste rechtsopvatting, omdat zij zich hebben gebaseerd op een onjuist begrip van het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361).
36
Het EUIPO beklemtoont dat het relevante tijdstip voor de beoordeling van de kwade trouw van een aanvrager de datum van indiening van de merkaanvraag is. De kamer van beroep en het Gerecht hebben derhalve artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 onjuist toegepast door hun aandacht enkel toe te spitsen op de diensten van klasse 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice, waarvoor het litigieuze merk uiteindelijk werd ingeschreven. Volgens het EUIPO hadden zij moeten onderzoeken of interveniënt te kwader trouw was op het tijdstip van indiening van zijn aanvraag, die betrekking had op waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice.
37
Het EUIPO voegt daaraan toe dat, indien de kamer van beroep en het Gerecht naar behoren rekening hadden gehouden met het relevante tijdstip als bedoeld in artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, zij waarschijnlijk zouden hebben vastgesteld dat interveniënt te kwader trouw had gehandeld door te proberen zich het woord- en beeldelement ‘KOTON’ van de oudere merken toe te eigenen. Die vaststelling zou dan hebben geleid tot de nietigverklaring van het litigieuze merk in zijn geheel, dit wil zeggen voor elke waar en dienst.
38
Oordelen dat de vaststelling van kwade trouw het bestaan van verwarringsgevaar veronderstelt, zou bovendien erop neerkomen dat wordt voorbijgegaan aan het verschil tussen de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 en de relatieve nietigheidsgrond van artikel 53, lid 1, onder a), van deze verordening, zoals rekwirante voor het Gerecht had uiteengezet.
39
Interveniënt betwist dat hij te kwader trouw heeft gehandeld en voegt daaraan toe dat rekwirante niet het bewijs van het tegendeel heeft geleverd. Het bestreden arrest is dus niet onrechtmatig. Wat de door rekwirante aangevoerde onjuiste rechtsopvatting betreft, wijst interveniënt erop dat het niet zinvol zou zijn om het bestaan van kwade trouw te beoordelen wanneer geen verwarringsgevaar bestaat.
40
Interveniënt beklemtoont dat hij nooit een distributeur van rekwirantes waren is geweest. Hij heeft enkel zakelijke betrekkingen met rekwirante onderhouden als koper van de waren van een ander merk van rekwirante, die hij verkocht in Spanje. Rekwirante heeft deze zakelijke betrekkingen eenzijdig verbroken in 2006.
41
Interveniënt stelt tevens dat hij in 2004 een woord- en beeldmerk met het woord ‘KOTON’ in Spanje heeft doen inschrijven voor waren van klasse 25 in de zin van de Overeenkomst van Nice. Aangezien dit merk ouder was dan de internationale inschrijving van rekwirantes merk, werd laatstgenoemd merk in 2016 nietig verklaard door een Spaanse rechter. Het beroep van rekwirante tegen de beslissing van deze rechter is aanhangig.
42
Aangezien rekwirante kennis had van dit Spaanse merk van interveniënt en tot 2006 zakelijke betrekkingen met interveniënt heeft onderhouden ondanks de inschrijving van dat merk in 2004, kan volgens interveniënt niet worden gesteld dat hij te kwader trouw heeft gehandeld door op 25 april 2011 de inschrijving van het litigieuze merk aan te vragen.
Beoordeling door het Hof
43
Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat wanneer een begrip uit verordening nr. 207/2009 daarin niet is gedefinieerd, de betekenis en de draagwijdte van dit begrip moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin het wordt gebruikt en de door deze verordening beoogde doelstellingen (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Textilis, C-21/18, EU:C:2019:199, punt 35; zie naar analogie arresten van 22 september 2011, Budějovický Budvar, C-482/09, EU:C:2011:605, punt 39, en 22 maart 2012, Génesis, C-190/10, EU:C:2012:157, punt 41).
44
Dit is het geval voor het begrip ‘kwade trouw’ dat wordt gehanteerd in artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, aangezien de Uniewetgever geen definitie van dit begrip heeft gegeven.
45
Terwijl het begrip ‘kwade trouw’ overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan veronderstelt dat sprake is van een oneerlijke houding of een oneerlijk oogmerk, moet dit begrip voorts worden begrepen in de context van het merkenrecht, te weten die van het economische verkeer. In dit verband streven de achtereenvolgens vastgestelde verordeningen nr. 40/94, nr. 207/2009 en 2017/1001 hetzelfde doel na, te weten de totstandkoming en de werking van de interne markt (zie, met betrekking tot verordening nr. 207/2009, arrest van 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries, C-320/12, EU:C:2013:435, punt 35). De regels inzake het Uniemerk beogen in het bijzonder bij te dragen aan het stelsel van onvervalste mededinging in de Unie, waarin elke onderneming, teneinde haar clientèle aan zich te binden door de kwaliteit van haar waren of diensten, tekens als merk moet kunnen inschrijven die de consument in staat stellen deze waren of diensten zonder gevaar voor verwarring te onderscheiden van waren of diensten van andere herkomst (zie in die zin arresten van 14 september 2010, Lego Juris/BHIM, C-48/09 P, EU:C:2010:516, punt 38, en 11 april 2019, ÖKO-Test Verlag, C-690/17, EU:C:2019:317, punt 40).
46
Bijgevolg is de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 van toepassing wanneer uit relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de houder van een Uniemerk de aanvraag tot inschrijving van dat merk niet heeft ingediend om op een eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging, maar met het oogmerk afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken of met het oogmerk — zelfs zonder een derde in het bijzonder te viseren — een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die welke vallen onder de functies van een merk, met name de in punt 45 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte wezenlijke functie van herkomstaanduiding.
47
Het oogmerk van de aanvrager van een merk is een subjectief gegeven dat evenwel op objectieve wijze moet worden vastgesteld door de bevoegde administratieve en rechterlijke autoriteiten. Bijgevolg moet elke bewering van kwade trouw globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante feitelijke omstandigheden van het concrete geval (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 37 en 42). Enkel op deze manier kan de bewering van kwade trouw objectief worden beoordeeld.
48
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361), werden het Hof — zoals het heeft beklemtoond in punt 36 van dat arrest — specifiek vragen gesteld over het geval waarin ten tijde van de indiening van de litigieuze merkaanvraag verschillende producenten op de interne markt gelijke of overeenstemmende tekens gebruikten voor dezelfde of soortgelijke waren, waardoor verwarring kon ontstaan. De verwijzende rechter verzocht het Hof te verduidelijken welke factoren in aanmerking moeten worden genomen voor de beoordeling of de merkaanvrager te kwader trouw is wanneer een dergelijk verwarringsgevaar bestaat.
49
Aangezien de beoordeling van het bestaan van kwade trouw verschilde van de beoordeling van het bestaan van verwarringsgevaar, daar beide merkenrechtelijke begrippen verschillend zijn, werd het Hof dus gevraagd om criteria vast te stellen voor de beoordeling van het bestaan van kwade trouw in een situatie waarin vaststaat dat verwarringsgevaar bestaat.
50
Het Hof heeft geantwoord dat in een dergelijk geval onder meer dient te worden onderzocht of de aanvrager wist of behoorde te weten dat een derde in ten minste één lidstaat het teken gebruikte waardoor verwarring kon ontstaan met het teken waarvoor inschrijving was aangevraagd, waarbij een dergelijke wetenschap van de aanvrager met name kan worden vermoed wanneer in de betrokken economische sector een dergelijk gebruik algemeen bekend is (zie in die zin arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 39 en 53).
51
Uit dat arrest vloeit niet voort dat het bestaan van kwade trouw in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 enkel kan worden vastgesteld in het geval — waarop de vragen aan het Hof betrekking hadden — waarin op de interne markt een gelijk of overeenstemmend teken wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren waardoor verwarring kan ontstaan met het aangevraagde teken.
52
Er kunnen immers gevallen bestaan — naast het geval dat heeft geleid tot het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361) —, waarin de aanvraag tot inschrijving van een merk kan worden geacht te kwader trouw te zijn ingediend, niettegenstaande het feit dat ten tijde van die aanvraag geen sprake was van gebruik door een derde van een gelijk of overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke waren op de interne markt.
53
In dit verband verschilt de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 fundamenteel van de relatieve nietigheidsgrond van artikel 53, lid 1, onder a), van deze verordening, daar voor laatstgenoemde grond is vereist dat een in artikel 8, lid 2, van deze verordening bedoeld ouder merk bestaat en dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van deze verordening, tenzij dit oudere merk bekend is in de zin van artikel 8, lid 5, van dezelfde verordening of artikel 8, lid 1, onder a), ervan toepassing vindt. Zoals de advocaat-generaal in punt 27 van haar conclusie heeft opgemerkt, is in het geval van een op artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 gebaseerde vordering tot nietigverklaring geenszins vereist dat de verzoeker houder is van een ouder merk voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten.
54
Hieraan dient te worden toegevoegd dat, in de gevallen waarin blijkt dat een derde ten tijde van de aanvraag van het litigieuze merk in ten minste één lidstaat een teken gebruikte dat gelijk was aan of overeenstemde met dat merk, het bestaan van verwarringsgevaar bij het publiek niet noodzakelijkerwijs moet worden aangetoond om artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 te kunnen toepassen.
55
Uit de door het Hof in punt 53 van het arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (C-529/07, EU:C:2009:361), gegeven uitlegging blijkt enkel dat, wanneer vaststaat dat een derde een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten waardoor verwarringsgevaar bestaat, in het kader van de globale beoordeling van de relevante omstandigheden van het concrete geval dient te worden onderzocht of de aanvrager van het litigieuze merk dit wist. Dit is evenwel slechts één van de in aanmerking te nemen relevante factoren.
56
Om de in de punten 52 tot en met 55 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen dient te worden geoordeeld dat wanneer geen gevaar voor verwarring tussen het door een derde gebruikte teken en het litigieuze merk bestaat of wanneer een derde geen teken gebruikt dat gelijk is aan of overeenstemt met het litigieuze merk, in voorkomend geval andere feitelijke omstandigheden relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen kunnen vormen waaruit de kwade trouw van de aanvrager blijkt.
57
Door in punt 44 van het bestreden arrest te oordelen dat ‘de kwade trouw van de aanvrager veronderstelt dat een derde een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of een soortgelijke waar of dienst waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd’, heeft het Gerecht dus de rechtspraak van het Hof onjuist gelezen en een te restrictieve strekking toegekend aan artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
58
Deze onjuiste rechtsopvatting heeft de redenering van het Gerecht aangetast, aangezien het Gerecht — zoals blijkt uit punt 60 van het bestreden arrest — heeft geoordeeld dat de kamer van beroep op goede gronden tot de slotsom was gekomen dat de kwade trouw van interveniënt niet was aangetoond op grond van het feit dat het litigieuze merk was ingeschreven voor diensten van een andere klasse van de Overeenkomst van Nice dan die waarvoor de oudere merken van rekwirante waren ingeschreven en gebruikt.
59
Door deze benadering te volgen heeft het Gerecht, in strijd met de bewoordingen zelf van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 en met de rechtspraak van het Hof, nagelaten om in zijn globale beoordeling rekening te houden met alle relevante feitelijke omstandigheden zoals deze zich voordeden ten tijde van de indiening van de aanvraag, hoewel dit tijdstip doorslaggevend was (arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli, C-529/07, EU:C:2009:361, punt 35).
60
Het Gerecht had dus rekening moeten houden met het niet-betwiste en door rekwirante aangevoerde feit dat interveniënt inschrijving van een teken met het gestileerde woord ‘KOTON’ als Uniemerk had aangevraagd niet alleen voor diensten van klasse 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice, maar ook voor waren en diensten van de klassen 25 en 35 in de zin van de Overeenkomst van Nice, die overeenkwamen met die waarvoor rekwirante merken met dit gestileerde woord had doen inschrijven.
61
Uit artikel 52, lid 3, van verordening nr. 207/2009 blijkt weliswaar dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde absolute nietigheidsgronden in voorkomend geval slechts voor een deel van de waren of diensten waarvoor het litigieuze merk is ingeschreven, kunnen bestaan, maar dit neemt niet weg dat rekwirante heeft verzocht om nietigverklaring van het litigieuze merk in zijn geheel en dat bij het onderzoek van deze vordering tot nietigverklaring het oogmerk van interveniënt dus diende te worden beoordeeld op het tijdstip waarop deze laatste voor verschillende waren en diensten, waaronder textielproducten, verzocht om inschrijving van een Uniemerk met een woord- en beeldelement dat reeds door rekwirante werd gebruikt voor textielproducten.
62
Door het gebruik van een gelijk of overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor het litigieuze merk uiteindelijk werd ingeschreven, ten onrechte te beschouwen als een essentiële voorwaarde voor toepassing van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, heeft het Gerecht bovendien slechts ten overvloede gesproken over het feit dat er zakelijke betrekkingen tussen interveniënt en rekwirante waren geweest en dat deze door rekwirante waren verbroken. Verder heeft het Gerecht niet onderzocht of er bij de aanvraag tot inschrijving van een merk met het gestileerde woord ‘KOTON’ voor waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice sprake was van een commerciële logica gelet op de activiteiten van interveniënt.
63
Het Gerecht heeft dus weliswaar in punt 32 van het bestreden arrest de ‘commerciële logica achter de indiening van de aanvraag tot inschrijving’ en ‘de chronologie van de gebeurtenissen die deze indiening hebben gekenmerkt’ vermeld als elementen die relevant kunnen zijn, maar het heeft deze vervolgens in zijn arrest niet volledig onderzocht.
64
Het is juist dat het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat het vrij lange tijdsverloop tussen het einde van de zakelijke betrekkingen en de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk pleitte tegen het bestaan van kwade trouw bij interveniënt.
65
De aanwezigheid van dit beoordelingselement in het bestreden arrest volstaat evenwel niet voor toepassing van de regel volgens welke, wanneer in de motivering van een beslissing van het Gerecht blijk is gegeven van schending van het Unierecht, maar het dictum van die beslissing op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, deze schending niet betekent dat de beslissing moet worden vernietigd (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Tsjechië/Commissie, C-696/15 P, EU:C:2017:595, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De door het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest aangevoerde omstandigheid is immers slechts één van de elementen die in aanmerking dienden te worden genomen in het kader van een globale beoordeling die naar behoren rekening houdt met de merkaanvraag zoals die door interveniënt was ingediend voor de waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice. Het Gerecht is niet overgegaan tot een dergelijke beoordeling.
66
Uit het voorgaande volgt dat het enige middel in hogere voorziening gegrond is en dat het bestreden arrest moet worden vernietigd.
Beroep voor het Gerecht
67
Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
68
In casu beschikt het Hof over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen op het enige middel van het beroep in eerste aanleg, dat is ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
69
Zoals in punt 21 van het onderhavige arrest is uiteengezet, was de kamer van beroep immers van oordeel dat voor de vaststelling van het bestaan van kwade trouw bij interveniënt het bewijs had moeten worden geleverd van het gebruik van een gelijk of overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als die waarvoor het litigieuze merk werd ingeschreven. Op deze grond heeft zij het beroep van rekwirante verworpen.
70
Zoals blijkt uit de punten 52 tot en met 57 van het onderhavige arrest geeft een dergelijke redenering evenwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting door een te restrictieve strekking toe te kennen aan artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.
71
Bijgevolg dient de litigieuze beslissing te worden vernietigd.
Vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk
72
Aangezien het Hof krachtens de hem in artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende bevoegdheid heeft beslist om de beslissing van de kamer van beroep te vernietigen, staat het overeenkomstig artikel 72, lid 6, van verordening 2017/1001 aan de bevoegde instantie van het EUIPO om een nieuwe beslissing vast te stellen waarbij deze zich dient te baseren op een globale beoordeling die rekening houdt met de aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk zoals ingediend op 25 april 2011 voor waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice, alsmede met de naar behoren door rekwirante aangetoonde omstandigheden en met de omstandigheden die interveniënt naar behoren heeft gestaafd in het kader van zijn verweer tegen de vordering tot nietigverklaring.
73
Bijgevolg dient de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk door het Hof te worden afgewezen.
Kosten
74
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, over de kosten.
75
Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
76
Rekwirante is grotendeels in het gelijk gesteld, aangezien het bestreden arrest en de litigieuze beslissing worden vernietigd. Zij heeft gevorderd dat interveniënt wordt verwezen in de kosten.
77
Het EUIPO heeft verzocht om samen met interveniënt te worden verwezen in de kosten.
78
Bijgevolg dienen interveniënt en het EUIPO in gelijke delen te worden verwezen in rekwirantes kosten van zowel de procedure in eerste aanleg in zaak T-687/16 als de procedure in hogere voorziening. Zoals blijkt uit artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, worden de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten als invorderbare kosten aangemerkt.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 november 2017, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Nadal Esteban (STYLO & KOTON) (T-687/16, EU:T:2017:853), wordt vernietigd.
- 2)
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 14 juni 2016 (zaak R 1779/2015-2) wordt vernietigd.
- 3)
De vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk wordt afgewezen.
- 4)
Joaquín Nadal Esteban en het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) worden in gelijke delen verwezen in de kosten die Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ heeft gemaakt in zowel de procedure in eerste aanleg in zaak T-687/16 als de procedure in hogere voorziening.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑09‑2019
Conclusie 04‑04‑2019
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-104/18 P1.
Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO),
andere partij in de procedure:
Joaquin Nadal Esteban
I. Inleiding
1.
Een te kwader trouw aangevraagd merk kan achteraf nietig worden verklaard. De vraag is echter waarin kwade trouw bestaat en hoe kan worden vastgesteld dat er sprake is van kwade trouw.
2.
Het Hof is in dit verband reeds tot principiële vaststellingen gekomen, terwijl ook het Gerecht in verschillende procedures nader op deze vragen is ingegaan. Toch zijn deze vragen nog niet definitief beantwoord. De onderhavige hogere voorziening biedt het Hof de gelegenheid zijn rechtspraak nader te verduidelijken.
II. Toepasselijke bepalingen
3.
De in deze zaak toepasselijke bepaling is de verordening inzake het Gemeenschapsmerk (hierna: ‘merkenverordening’).2.
4.
In artikel 52, lid 1, van de merkenverordening (thans artikel 59, lid 1, van verordening 2017/1001) zijn de absolute nietigheidsgronden neergelegd:
‘Het Uniemerk wordt op vordering bij het Bureau of bij reconventionele vordering in een inbreukprocedure nietig verklaard, wanneer
- a)
[…]
- b)
de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.’
5.
Artikel 52, lid 3, van de merkenverordening (thans artikel 59, lid 3, van verordening 2017/1001) voorziet in de mogelijkheid van een gedeeltelijke nietigheid:
‘Indien de nietigheidsgrond slechts bestaat voor een deel van de waren of diensten waarvoor het Uniemerk ingeschreven is, kan het merk alleen voor de betrokken waren of diensten nietig worden verklaard.’
6.
Artikel 65 van de merkenverordening (thans artikel 72 van verordening 2017/1001) bevat regelingen met betrekking tot de gerechtelijke procedure en de daaruit voortvloeiende gevolgen:
- ‘1.
Tegen de beslissingen van de kamer van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Gerecht.
[…]
- 6.
Het Bureau neemt de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Gerecht of, in geval van hogere voorziening, van het arrest van het Hof van Justitie.’
III. Feiten en procedure
7.
Op 25 april 2011 diende Nadal Esteban bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een verzoek in om inschrijving van het volgende merk voor de klassen 25 (kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels), 35 (reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten) en 39 (transport; verpakking en opslag van goederen; organisatie van reizen) van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd:
8.
Rekwirante, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret AŞ (Koton), stelde oppositie in tegen de inschrijving van dat merk op grond van twee eigen oudere beeldmerken met de volgende vormgeving:
9.
Deze merken waren onder meer ingeschreven voor de klassen 25 en 35, maar niet voor klasse 39. Met betrekking tot de eerste twee klassen werd de oppositie toegewezen.
10.
Het litigieuze merk werd echter op 5 november 2014 onder nr. 9917436 ingeschreven voor diensten van klasse 39.
11.
Op 5 december 2014 diende Koton een verzoek in tot nietigverklaring van dit merk wegens kwade trouw in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening.
12.
Nadat de nietigheidsafdeling van het EUIPO dit verzoek had afgewezen, verwierp ook de kamer van beroep het tegen die beslissing ingestelde beroep. Bij het bestreden arrest van 30 november 2017, Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO / Nadal Esteban (STYLO & KOTON) (T-687/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:853), verwierp ten slotte ook het Gerecht het beroep dat Koton tegen die beslissing van de kamer van beroep had ingesteld.
13.
De drie beslissingen waren alle gebaseerd op de overweging dat de merken van Koton geen betrekking hadden op diensten waarvoor het litigieuze merk was ingeschreven.
IV. Conclusies
14.
Op 13 februari 2018 heeft Koton de onderhavige hogere voorziening ingesteld en het Hof verzocht:
- 1)
het bestreden arrest te vernietigen;
- 2)
de bestreden beslissing te vernietigen;
- 3)
het bestreden Uniemerk nr. 9917436 nietig te verklaren; en
- 4)
Joaquín Nadal Esteban en het EUIPO te verwijzen in de kosten.
15.
Het EUIPO verzoekt het Hof:
- 1)
de hogere voorziening gegrond te verklaren en
- 2)
het EUIPO en Joaquín Nadal Esteban te verwijzen in de kosten.
16.
Daarentegen verzoekt Joaquín Nadal Esteban het Hof:
- 1)
de hogere voorziening af te wijzen en
- 2)
Koton te verwijzen in de kosten.
17.
De deelnemers aan de procedure hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en pleidooi gehouden op de terechtzitting op 6 december 2018.
V. Juridische beoordeling
18.
Allereerst moet worden geconstateerd dat het verzoek van Koton tot nietigverklaring van het litigieuze merk niet-ontvankelijk is. Ten eerste heeft Koton dit verzoek niet ingediend in de procedure voor het Gerecht, zodat het voorwerp van het geding met dit verzoek zou worden uitgebreid. Ten tweede is volgens artikel 65, lid 1, van de merkenverordening alleen de beslissing van de kamer van beroep voorwerp van de procedure voor de Unierechter.
19.
Koton en het EUIPO verzetten zich echter in de eerste plaats tegen het feit dat het bestreden arrest relatief duidelijk afwijkt van de bestaande rechtspraak. Om te beginnen zal ik deze afwijking onderzoeken (onder A), alvorens na te gaan of het bestreden arrest mogelijk op andere gronden steunt (onder B). De beslissing op de onderhavige hogere voorziening is daarom afhankelijk van de vraag of een door het EUIPO te berde gebrachte, tot dusver niet in aanmerking genomen overweging voorwerp is van het geding of te laat is aangevoerd (zie onder C). Tot slot zal ik ingaan op het bij het Gerecht ingestelde beroep (onder D).
A. Voorwaarde van het gebruik voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten
20.
Met haar enige middel verwijt Koton het Gerecht artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening te hebben geschonden in de punten 44 en 60 van het bestreden arrest. Het EUIPO sluit zich aan bij deze redenering.
21.
Volgens artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening wordt het Uniemerk op vordering bij het EUIPO nietig verklaard wanneer de aanvrager bij indiening van de aanvraag te kwader trouw was.
22.
In punt 44 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de opvatting van de kamer van beroep bevestigd dat kwade trouw van de kant van de aanvrager in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening vereist dat een derde voor hetzelfde of een soortgelijk product of dezelfde of een soortgelijke dienst een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt dat kan worden verward met het teken waarvan de inschrijving is aangevraagd.
23.
Na een verder argument van Koton te hebben verworpen, dat betrekking had op de vraag of Koton merkbescherming voor dezelfde of soortgelijke diensten geniet, oordeelde het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest dat door de kamer van beroep terecht was vastgesteld dat Nadal Esteban bij het verzoek om inschrijving van het litigieuze merk niet te kwader trouw heeft gehandeld, aangezien het merk werd ingeschreven voor andere diensten dan die welke door de oudere merken van Koton worden aangeduid.
24.
Hoewel het Gerecht desondanks nog andere overwegingen in aanmerking heeft genomen die ik hieronder (onder B) zal behandelen, heeft het in deze twee punten van het bestreden arrest geven blijk van een ernstige onjuiste rechtsopvatting.
25.
De omstandigheid dat voor een zelfde of een soortgelijk product of een zelfde of soortgelijke dienst een gelijk of overeenstemmend teken wordt gebruikt dat kan worden verward met het teken waarvoor om inschrijving wordt verzocht, is namelijk, zoals het Gerecht zelf in de punten 32 en 40 van het bestreden arrest terecht heeft betoogd3., slechts een factor waarmee in het bijzonder rekening moet worden gehouden.4. Bij de beoordeling van het bestaan van kwade trouw van de aanvrager moet echter rekening worden houden met alle relevante factoren die het concrete geval kenmerken en die bestonden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag tot inschrijving van een teken als gemeenschapsmerk.5.
26.
Op deze rechtspraak van het Hof valt ook niets aan te merken, zoals ik hieronder aan de hand van vijf argumenten specifiek zal aantonen.
27.
Zoals Koton en het EUIPO terecht benadrukken, vereist de nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening ten eerste niet dat de verzoeker houder moet zijn van een merk voor dezelfde of soortgelijke diensten. In beginsel kan eenieder verzoeken om nietigverklaring wegens kwade trouw.
28.
Ten tweede volgt de noodzaak om rekening te houden met alle relevante factoren onvermijdelijk uit het subjectieve karakter van kwade trouw. Het bestaan van een dergelijk subjectief element kan alleen worden bepaald aan de hand van de objectieve omstandigheden van het concrete geval.6. Dienovereenkomstig heeft het Hof de regeling inzake kwade trouw bij de inschrijving van domeinnamen, die overeenkomsten vertoont met het merkenrecht en die in bepaalde taalversies inderdaad als limitatieve vaststelling van gevallen van kwade trouw kan worden opgevat, aldus uitgelegd dat de opsomming van die gevallen geen limitatief karakter heeft.7.
29.
Ten derde vloeit de noodzaak om rekening te houden met alle relevante factoren voort uit het voorwerp van kwade trouw.
30.
Het Hof heeft — evenals de wetgever — tot dusver geen alomvattende definitie van ‘kwade trouw’ ontwikkeld.8. Deze terughoudendheid is zinvol, omdat moeilijk valt te voorzien welke situaties zich in de toekomst zullen voordoen en moeten worden beoordeeld.
31.
Wel kan bij de toetsing van kwade trouw houvast worden gevonden in de rechtspraak inzake de vaststelling of er al dan niet sprake is van misbruik.9. Misbruik wordt gekenmerkt door een objectief en een subjectief element. Wat het objectieve element betreft, moet uit een globale beoordeling van objectieve omstandigheden blijken dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet wordt bereikt. Wat het subjectieve element betreft, moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen. Het verbod van misbruik geldt immers niet wanneer er voor de betrokken handelingen een andere verklaring kan bestaan dan de loutere verkrijging van een (ongerechtvaardigd) voordeel.10. Daarom is hier eveneens een alomvattende beoordeling van de relevante factoren vereist.
32.
Indien kwade trouw in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening wordt opgevat als vorm van het verbod op misbruik, moet het voornaamste doel van de merkbescherming worden bepaald en moet in het bijzonder in het licht van de wezenlijke functie van het merk worden nagegaan of er eventueel sprake is van een ongerechtvaardigd voordeel. Deze wezenlijke functie is erin gelegen dat aan de consument of de eindverbruiker de identiteit van de oorsprong van de betrokken waren of diensten wordt gewaarborgd, zodat hij deze van waren of diensten van andere herkomst kan onderscheiden zonder gevaar voor verwarring.11.
33.
Dienovereenkomstig heeft het Hof reeds geoordeeld dat er in het geval van een merkaanvraag die niet is gericht op gebruik van het merk overeenkomstig zijn wezenlijke functie, sprake kan zijn van kwade trouw.12. Dit kan met name het geval zijn wanneer de aanvrager in het geheel niet voornemens is het merk als zodanig te gebruiken13., maar ook wanneer hij van plan is het merk te gebruiken om de consument te misleiden met betrekking tot de oorsprong van de waren of diensten.
34.
Daarom zijn er ten vierde zonder meer andere vormen van kwade trouw voorstelbaar die geen overlapping met een eerdere aanvraag tot inschrijving van een merk vereisen. Denk aan een aanvraag tot inschrijving van een merk met als enige doel de ophanden zijnde merkaanvraag door een andere persoon te beletten (‘trademark squatting’).14.
35.
Bovendien heeft het Hof ten vijfde reeds onderkend dat er sprake kan zijn van een te kwader trouw ingediende merkaanvraag waarmee de aanvrager de basis wil leggen voor het verkrijgen van een beschrijvende domeinnaam.15. Hierbij speelt het geen rol of er reeds een merk voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten was aangevraagd.
36.
Voor de aanname dat er sprake is van kwade trouw is het dus niet noodzakelijk dat een derde voor hetzelfde of een soortgelijk product of dezelfde of een soortgelijke dienst een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt dat kan worden verward met het teken waarvoor inschrijving wordt aangevraagd.
37.
Hieraan doet niet af dat kwade trouw anders dan misbruik niet afhangt van het bereiken van het beoogde doel en van een ongerechtvaardigd voordeel maar, zoals advocaat-generaal Sharpston in overweging heeft gegeven, een afwijking vormt van de goede zeden of eerlijke zaken- en handelspraktijken.16. Ook bij een dergelijke benadering moet rekening worden gehouden met alle relevante factoren.
B. Feitelijke beoordeling door het Gerecht
38.
Uit de geconstateerde onjuiste rechtsopvatting volgt echter niet noodzakelijkerwijs dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Het Gerecht heeft namelijk ondanks de vaststelling in de punten 44 en 60 van het bestreden arrest rekening gehouden met andere factoren.
39.
In de punten 54 tot en met 57 van het bestreden arrest vermeldt het Gerecht immers dat Nadal Esteban enkele jaren eerder zakelijke betrekkingen met Koton onderhield, zodat haar merk hem bekend moet zijn geweest, en dat Nadal Esteban bezwaar heeft gemaakt tegen de inschrijving van een merk van Koton in Spanje. Deze omstandigheden volstonden naar mening van het Gerecht echter niet om aan te tonen dat er sprake was van kwade trouw.
40.
Hieruit moet worden geconcludeerd dat het Gerecht — ondanks de vaststellingen die het zelf in de punten 44 en 60 van het bestreden arrest heeft gedaan — van oordeel was dat de omstandigheid dat met het merk dezelfde of soortgelijke diensten worden aangeduid, geen noodzakelijke voorwaarde is voor het bestaan van kwade trouw.
41.
Het Gerecht heeft de argumenten van Koton dus naar behoren in aanmerking genomen. Toch bevat de motivering van het bestreden arrest een tegenstrijdigheid.
C. Door het EUIPO aangevoerde bijkomende factor
42.
Het EUIPO voert in hogere voorziening een bijkomende factor aan, waarmee het Gerecht geen rekening heeft gehouden.
43.
Nadal Esteban had zijn merk oorspronkelijk namelijk ook aangevraagd voor dezelfde waren en diensten, en wel van de klassen 25 en 35. Zijn aanvraag werd echter op grond van de door Koton ingestelde oppositie afgewezen voor zover het deze klassen betrof. Daarom was er alleen ten gevolge van deze oppositie tegen de inschrijving geen sprake meer van overlapping tussen de merken van Koton en het litigieuze merk wat betreft de waren en diensten waarop zij doelen.
44.
Ter terechtzitting heeft Koton zich bij deze argumentatie aangesloten.
45.
Er rijzen in dit verband twee vragen: ten eerste is het de vraag of dit argument van het EUIPO wel ontvankelijk is en, zo ja, ten tweede, welk belang aan deze factor moet worden gehecht.
1. Ontvankelijkheid van het argument van het EUIPO
46.
Koton heeft noch voor het Gerecht noch in haar verzoekschrift in hogere voorziening uitdrukkelijk in de door haar aangevoerde middelen aangevoerd dat de oorspronkelijke merkaanvraag en de beschermingsomvang van haar oudere merken elkaar overlappen. Zij heeft slechts benadrukt dat Nadal Esteban als voormalige zakenrelatie bekend moet zijn geweest met haar merken en dat diens merk grote overeenkomsten met haar eigen merken vertoonde. Bovendien wees zij op het feit dat in Spanje een geding met Nadal Esteban aanhangig was, waarin deze bezwaar maakte tegen een van haar merken.
47.
Daarom moet worden betwijfeld of het in de memorie van antwoord van het EUIPO voorgedragen argument betreffende de overlapping van de betrokken waren en diensten volstaat om deze overweging in de hogere voorziening aan de orde te kunnen stellen.
48.
Volgens artikel 174 van het Reglement voor de procesvoering strekken de conclusies van de memorie van antwoord tot gehele of gedeeltelijke toewijzing of afwijzing van de hogere voorziening. Voorts kan elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht overeenkomstig artikel 176 van dat Reglement bij afzonderlijke, van de memorie van antwoord onderscheiden akte een incidentele hogere voorziening instellen, die volgens artikel 178, leden 1 en 3, tweede volzin, van dat Reglement moet strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest op grond van middelen en argumenten rechtens die verschillen van de middelen en argumenten die in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Uit deze bepalingen, samen beschouwd, blijkt dat de memorie van antwoord niet kan strekken tot vernietiging van het bestreden arrest op zelfstandige gronden die verschillen van die welke in de hogere voorziening zijn aangevoerd, aangezien dergelijke gronden slechts in het kader van een incidentele hogere voorziening kunnen worden aangevoerd.17.
49.
Indien men tot de conclusie zou komen dat Koton de oorspronkelijke overlapping van waren en diensten niet heeft aangevoerd, zou het desbetreffende argument van het EUIPO dus als niet-ontvankelijk moeten worden verworpen.
50.
Mijns inziens zou een dergelijke beoordeling van het betoog van Koton echter al te streng zijn.
51.
De oorspronkelijke overlapping wat de klassen 25 en 35 betreft was namelijk van meet af aan onderdeel van de voor het Gerecht en het Hof onweersproken feiten.18. In de uiteenzetting van de feiten door het Gerecht is hiervan in de punten 3 en 8 van het bestreden arrest ten minste de afwijzing van de aanvraag voor klasse 35 terug te vinden.19. Het Gerecht beroept zich in punt 39 van het bestreden arrest zelfs op de vaststellingen uit de desbetreffende oppositieprocedure, om vast te stellen dat de oudere merken van Koton zich niet uitstrekken tot klasse 39.
52.
Partijen hebben de oorspronkelijke overlapping van waren en diensten derhalve aan de orde gesteld in de procedures voor het Gerecht en het Hof. Dientengevolge moet hiermee rekening worden gehouden bij de beoordeling of er sprake is van kwade trouw.
2. Betekenis van de oorspronkelijke overlapping tussen de aanvraag en de waren en diensten waarvoor de bescherming van de merken van Koton geldt
53.
Bij zijn beoordeling of er sprake is van kwade trouw heeft het Gerecht dus een factor buiten beschouwing gelaten.
54.
Deze factor is bovendien relevant, aangezien aan de hand daarvan conclusies kunnen worden getrokken over de bedoelingen die Nadal Esteban had met zijn aanvraag tot inschrijving van het litigieuze merk. Deze bedoelingen zijn van belang voor de beoordeling of er sprake is van kwade trouw, aangezien het Uniemerk volgens artikel 52, lid 1, onder b), van de merkenverordening op vordering bij het EUIPO in een inbreukprocedure nietig wordt verklaard wanneer de aanvrager bij indiening van de aanvraag te kwader trouw was.20.
55.
Onder verwijzing naar een arrest van het Gerecht21. voeren Koton en het EUIPO dienaangaande aan dat het onmogelijk is om de aanvraag met het oog op de beoordeling inzake kwade trouw zodanig op te splitsen dat het ene deel, namelijk de aanvraag voor de klassen 25 en 35, wel moet worden geacht te kwader trouw te zijn, maar het andere deel, de aanvraag voor klasse 39, niet.
56.
De vraag is thans ook aan de orde in een iets andere constellatie. Daarbij gaat het om de vraag of de aanvraag als geheel moet worden geacht te kwader trouw te zijn ingediend indien en voor zover de aanvrager het voornemen had het merk te gebruiken voor enkele van de gespecificeerde waren of diensten, maar niet het voornemen had dit voor de overige gespecificeerde waren of diensten te doen.22. Gezien de vroegere praktijk waarbij merken werden aangevraagd voor hele klassen van waren en diensten23., die de aanvrager vaak helemaal niet volledig kon, laat staan bereid was aan te bieden, is dit een bijzonder netelige kwestie.
57.
Artikel 52, lid 3, van de merkenverordening lijkt ervoor te pleiten dat een te kwader trouw ingediende merkaanvraag kan worden opgesplitst, aangezien het voorziet in de mogelijkheid om een Uniemerk nietig te verklaren voor slechts een deel van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven.24.
58.
Anders dan bij de overige nietigheidsgronden het geval is, is kwade trouw echter geen kenmerk van het merk als zodanig, maar een voortvloeisel van de omstandigheden van de merkaanvraag.25. Indien een merk tekortkomingen vertoont, is het denkbaar dat deze alleen betrekking hebben op bepaalde waren of diensten, maar niet in de weg staan aan het gebruik van het merk voor andere waren of diensten. Daarentegen is het veel moeilijker om een verzoek om verlening van het exclusieve recht om bepaalde waren of diensten met een bepaald teken te merken, als te goeder trouw te kwalificeren en in te willigen wanneer tegelijkertijd ook te kwader trouw om verlening van dit recht wordt verzocht voor andere waren of diensten.
59.
Bovendien zou de opsplitsing van een aanvraag in een deel dat te kwader trouw en een deel dat te goeder trouw is ingediend, aanvragers aanmoedigen merken aan te vragen voor een groep waren en diensten die omvangrijker is dan gerechtvaardigd zou zijn op grond van het beoogde gebruik. Daarbij hoeven zij geen repercussies voor een daadwerkelijk gebruikt merk te vrezen voor het geval zou worden ontdekt dat er sprake was van kwade trouw. Het betoog van Nadal Esteban ter terechtzitting bevestigt dat dit risico reëel is. Hij beweert namelijk dat hij zijn merk alleen voor de klassen 25 en 35 heeft aangevraagd omdat daarvoor geen extra vergoedingen verschuldigd waren. Had hij geweten dat zijn aanvraag voor klasse 39 in het geval van een te kwader trouw ingediende aanvraag voor die klassen eveneens ongeldig zou worden verklaard, dan zou hij vast en zeker van die aanvraag hebben afgezien.
60.
In casu is het op de keper beschouwd echter nog niet nodig om definitief te bepalen of een aanvraag in elk geval kan, of zelfs moet, worden opgesplitst in een deel dat te kwader trouw en een deel dat te goeder trouw is ingediend. Het feit dat een merk oorspronkelijk is aangevraagd voor waren of diensten waarbij de aanvrager van het bestaan van een gelijk of overeenstemmend merk wist of had moeten weten, kan in elk geval een zwaarwegende aanwijzing zijn dat ook de merkaanvraag voor de overige waren of diensten te kwader trouw is ingediend.
61.
Ten laatste kan op grond van deze aanvullende overweging van de aanvrager, Nadal Esteban, worden verwacht dat hij twijfels wegneemt met betrekking tot de vraag of de aanvraag te goeder trouw is ingediend. Hierbij komt het erop aan of de aanvrager kan aantonen dat hij met zijn aanvraag een inzichtelijk en — althans voor zover hij kan beoordelen — legitiem economisch doel nastreeft ofwel zich door een ‘commerciële logica’26. laat leiden.27.
62.
Uit het bestreden arrest kan echter niet worden opgemaakt dat een dergelijke commerciële logica is aangevoerd of in aanmerking is genomen.
63.
Het bestreden arrest moet dus worden vernietigd omdat niet met alle relevante factoren voor de beoordeling van het eventuele bestaan van kwade trouw rekening is gehouden.
D. Beroep voor het Gerecht
64.
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
65.
In casu heeft het Gerecht noch rekening gehouden met het feit dat Nadal Esteban het litigieuze merk oorspronkelijk voor twee klassen van waren of diensten had aangevraagd waarvoor Koton merkbescherming geniet, noch met eventuele argumenten van Nadal Esteban met betrekking tot de commerciële logica achter zijn aanvraag. Op grond hiervan dient de zaak ter vervollediging van de feitelijke beoordeling te worden terugverwezen naar het Gerecht.28.
66.
Aan de andere kant is de aanvraag voor de twee andere klassen niet aan de orde en heeft Nadal Esteban de motieven voor zijn aanvraag in het bijzonder ter terechtzitting voor het Hof uit de doeken gedaan. Weliswaar heeft Koton deze motivering in twijfel getrokken, maar deze twijfels hoeven alleen nader te worden onderzocht indien de motivering tot rechtvaardiging van de merkaanvraag strekt. Aangezien dit echter niet het geval is, gaat het slechts om de juridische kwalificatie van deze feiten, die onder de bevoegdheid van het Hof valt.29.
67.
Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat het voor de beoordeling inzake kwade trouw van doorslaggevend belang is of Nadal Esteban de twijfels aan een te goeder trouw ingediende aanvraag kan wegnemen door de achterliggende commerciële logica daarvan uiteen te zetten.
68.
Aan het desbetreffende betoog moeten hoge eisen worden gesteld. Het feit op zich dat de aanvrager wist of had moeten weten dat een ander een gelijk of overeenstemmend teken als merk gebruikt, zij het ook voor andere waren of diensten, doet namelijk reeds twijfel rijzen of de aanvraag te goeder trouw is ingediend. Waarom zou iemand bewust het risico op zich nemen dat consumenten de eigen waren of diensten verwarren met die van een andere aanbieder?
69.
Wanneer iemand zelfs willens en wetens tracht een dergelijk teken ook aan te vragen voor waren of diensten waarvoor anderen merkbescherming genieten, zoals in het geval van Nadal Esteban, krijgen deze twijfels duidelijk meer gewicht.
70.
De door Nadal Esteban uiteengezette commerciële logica volstaat niet om deze twijfels weg te nemen. Hij voert in wezen aan dat hij voornemens was bepaalde diensten aan te bieden en in dit verband tassen te gebruiken waarop het litigieuze merk reeds was afgebeeld, omdat hij deze katoenen tassen als verpakking van bepaalde waren had gekregen. De motivering van Nadal Esteban heeft dus niet veel meer om het lijf dan pure gemakzucht. Uit zijn betoog blijkt niet van een legitiem belang dat verklaart waarom hij het risico van verwarring van zijn diensten met die van Koton of het risico van een belemmering van toekomstige activiteiten van Koton op de koop toe neemt.
71.
Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de aanvraag voor het litigieuze merk te kwader trouw is ingediend. De beslissing van de kamer van beroep dient bijgevolg te worden vernietigd.
72.
Het tot het Gerecht gerichte verzoek om het EUIPO te gelasten het litigieuze merk nietig te verklaren, is echter niet-ontvankelijk. Noch het Gerecht noch het Hof is bevoegd het EUIPO instructies te geven. Het EUIPO is daarentegen volgens artikel 65, lid 6, van de merkenverordening gehouden de consequenties te trekken die uit het dictum en de motivering van de arresten van de Unierechter voortvloeien.30.
VI. Kosten
73.
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer het, bij gegrondheid van de hogere voorziening, de zaak zelf afdoet. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht behoren hiertoe ook de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten.
74.
In casu moet Nadal Esteban volledig in het ongelijk worden gesteld.
75.
De vordering van het EUIPO in hogere voorziening is weliswaar gegrond, maar vanwege zijn bestreden beslissingen en op grond dat het om verwerping van het beroep voor het Gerecht heeft verzocht, is het mede verantwoordelijk voor het feit dat deze hogere voorziening moest worden ingesteld. Daarom is het consequent dat het EUIPO zelf om verwijzing in de kosten heeft verzocht.
76.
Ofschoon de vorderingen van Koton om het litigieuze merk nietig te verklaren en het EUIPO daartoe opdracht te geven, moeten worden afgewezen, moet Koton ten gronde in het gelijk worden gesteld, aangezien het EUIPO wel verplicht is om de nodige consequenties uit het arrest in de onderhavige zaak te trekken.
77.
Bijgevolg moeten Nadal Esteban en het EUIPO worden verwezen in de kosten van Koton en daarnaast hun eigen kosten dragen.
VII. Conclusie
78.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- ‘1.
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 30 november 2017 in de zaak Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret/EUIPO — Nadal Esteban (STYLO & KOTON) (T-687/16, EU:T:2017:853) wordt vernietigd.
- 2.
De door Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret ingestelde hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.
- 3.
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 14 juni 2016 (zaak R 1779/2015-2) wordt vernietigd.
- 4.
Het door Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret ingestelde beroep wordt verworpen voor het overige.
- 5.
Nadal Esteban en het EUIPO dragen ieder hun eigen kosten en worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten die door Koton Mağazacilik Tekstil Sanayi ve Ticaret zijn gemaakt in de procedures voor het kamer van beroep, het Gerecht en het Hof.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑04‑2019
Oorspronkelijke taal: Duits.
Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21) [vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].
Zie in die zin bijvoorbeeld ook arresten van het Gerecht van 14 februari 2012, Peeters Landbouwmachines/HABM — Fors MW (BIGAB) (T-33/11, EU:T:2012:77, punt 20); 13 december 2012, pelicantravel.com/HABM — Pelikan (Pelikan) (T-136/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:689, punt 26), en 11 juli 2013, SA.PAR./HABM — Salini Costruttori (GRUPPO SALINI) (T-321/10, EU:T:2013:372, punt 22).
Arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 37 en 53). Zie ook arrest van 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries (Yakult, C-320/12, EU:C:2013:435, punt 36).
Arresten van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punt 37); 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, punt 42), en 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries (Yakult, C-320/12, EU:C:2013:435, punt 36).
Arresten van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punt 42); 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, punt 45), en 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries (Yakult, C-320/12, EU:C:2013:435, punt 36).
Arrest van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, in het bijzonder punten 37–39).
Zie conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:148, punten 35, 36 en 57).
Zie arrest van het Gerecht van 7 juli 2016, Copernicus-Trademarks/EUIPO — Maquet (LUCEO) (T-82/14, EU:T:2016:396, punten 144 en 145).
Arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C-110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53); 28 juli 2016, Kratzer (C-423/15, EU:C:2016:604, punten 38–40), en 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a. (C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, EU:C:2019:134, punt 124).
Arresten van 23 mei 1978, Hoffmann-La Roche (102/77, EU:C:1978:108, punt 7); 11 maart 2003, Ansul (C-40/01, EU:C:2003:145, punt 43), en 31 januari 2019, Pandalis/EUIPO (C-194/17 P, EU:C:2019:80, punt 84).
Arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 44 en 45).
Arrest van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 44 en 45). Zie ook arrest van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, punten 46–48).
Zie het arrest van het Gerecht van 7 juli 2016, Copernicus-Trademarks/EUIPO — Maquet (LUCEO) (T-82/14, EU:T:2016:396).
Arrest van 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, in het bijzonder punten 46 en 47).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:148, punt 60).
Arresten van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie (C-449/14 P, EU:C:2016:848, punten 99–101), en 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C-45/15 P, EU:C:2017:402, punt 20).
Zie voor wat betreft T-687/16 de punten 10 en 11 van het verzoekschrift van Koton, de punten 10 en 11 van de memorie van antwoord van Nadal Esteban en punt 11 van het verweerschrift van het EUIPO. Zie in de onderhavige zaak punt 13 van het verzoekschrift in hogere voorziening van Koton en punt 1 van de memorie van antwoord van het EUIPO. Nadal Esteban heeft deze uiteenzetting van de feiten niet betwist en ter terechtzitting uitdrukkelijk bevestigd.
In dit verband zij erop gewezen dat punt 3 van de authentieke Engelse versie van het bestreden arrest een kennelijke vertaalfout bevat, aangezien daarin aanvankelijk sprake is van klasse 41 in plaats van klasse 39.
Zie arresten van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punt 35), en 27 juni 2013, Malaysia Dairy Industries (Yakult, C-320/12, EU:C:2013:435, punt 36).
Arrest van het Gerecht van 11 juli 2013, SA.PAR./HABM — Salini Costruttori (GRUPPO SALINI) (T-321/10, EU:T:2013:372, punt 48).
Zaak C-371/18, Sky (PB 2018, C 276, blz. 27).
Zie arrest van 19 juni 2012, The Chartered Institute of Patent Attorneys (C-307/10, EU:C:2012:361).
Arrest van de High Court, Arnold J. (Verenigd Koninkrijk), van 6 februari 2018, Sky/Skykick [HC-2016-001587, (2018) EWHC 155 (Ch), punten 232 en 234].
Conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:148, punt 41).
Aldus arresten van het Gerecht van 14 februari 2012, Peeters Landbouwmachines/HABM — Fors MW (BIGAB) (T-33/11, EU:T:2012:77, punt 26); 8 mei 2014, Simca Europe/HABM — PSA Peugeot Citroën (Simca) (T-327/12, EU:T:2014:240, punt 39); 9 juli 2015, CMT/HABM — Camomilla (CAMOMILLA) (T-100/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:481, punten 36 en 37), en 5 juli 2016, Bundesverband Souvenir — Geschenke — Ehrenpreise/EUIPO — Freistaat Bayern (NEUSCHWANSTEIN) (T-167/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:391, punt 53).
Zie arresten van 11 juni 2009, Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Goldhase, C-529/07, EU:C:2009:361, punten 46–52), en 3 juni 2010, Internetportal und Marketing (C-569/08, EU:C:2010:311, punt 47).
Zie arresten van 21 juni 2012, IFAW Internationaler Tierschutz-Fonds/Commissie (C-135/11 P, EU:C:2012:376, punt 79); 11 september 2014, CB/Commissie (C-67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 98); 18 december 2014, Commissie/Parker-Hannifin (C-434/13 P, EU:C:2014:2456, punt 100), en 26 juli 2017, Raad/Hamas (C-79/15 P, EU:C:2017:584, punt 56).
Arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C-413/06 P, EU:C:2008:392, punt 29); 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C-352/09 P, EU:C:2011:191, punt 179), en 21 februari 2013, Seven for all mankind/Seven (C-655/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:94, punt 79).
Arrest van 23 april 2002, Campogrande/Commissie (C-62/01 P, EU:C:2002:248, punt 43), en arresten Gerecht van 31 januari 2001, Mitsubishi HiTec Paper Bielefeld/HABM (Giroform) (T-331/99, EU:T:2001:33, punt 33); 11 juli 2007, El Corte Inglés/HABM—Bolaños Sabri (PiraÑAM diseño original Juan Bolaños) (T-443/05, EU:T:2007:219, punt 20), en 16 mei 2017, Metronia/EUIPO — Zitro IP (TRIPLE O NADA) (T-159/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:340, punt 16).