Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/2.2
2.2 Verhouding tussen het Europese en het Nederlandse mededingingsrecht
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183414:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 10 (MvT).
Kamerstukken II 1995/96, 24 707, nr. 3, p. 10 (MvT).
Zie artikel 3 van de Uitvoeringsverordening 1/2003. Voor een uitgebreide bespreking verwijs ik naar Van de Gronden 2017, p. 33-37 alsmede Feteira 2016, p. 47-70.
Op grond van artikel 3 lid 2 van de Uitvoeringsverordening 1/2003 mag de toepassing van artikel 6 van de Mededingingswet niet leiden tot afwijkingen van artikel 101 van het Werkingsverdrag. Het wordt lidstaten niet belet om strengere regels te stellen ten aanzien van eenzijdige gedragingen van ondernemingen, maar het uitgangspunt van de Mededingingswet staat daaraan in de weg.
Van de Gronden 2017, p. 35.
Het mededingingsrecht is voornamelijk Europees recht. De Nederlandse mededingingsregels zijn afgeleid van de mededingingsregels uit het Werkingsverdrag en de bepalingen uit de Verordening (EG) 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels (hierna: de Uitvoeringsverordening) en de EG-concentratieverordening (hierna: Concentratieverordening). Het uitgangspunt voor de toepassing van de Mededingingswet is dat zij niet strenger of soepeler zal zijn dan de Europese mededingingsregels.1 Voor de uitleg van het mededingingsrecht wordt dan ook aansluiting gezocht bij rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie.2 Doordat de Mededingingswet nauw aansluit bij de Europese mededingingsregels en het systeem van de Uitvoeringsverordening vervaagt het onderscheid in het toepassingsbereik van het Nederlandse en Europese mededingingsrecht. Op een aantal punten komt het onderscheid nog wel naar voren, bijvoorbeeld bij de toepassing van de bagatelbepaling van artikel 7 lid 2 van de Mededingingswet. Daar komt bij dat in Nederland niet alleen de regels van de Mededingingswet van toepassing zijn maar ook het Europese mededingingsrecht vanwege de rechtstreekse werking die daaraan toekomt. Op grond van de Uitvoeringsverordening zijn de nationale mededingingsautoriteiten en rechterlijke instanties verplicht om op gedragingen met een effect op de tussenstaatse handel in ieder geval de Europese mededingingsregels toe te passen.3 De handhaving van het Europese mededingingsrecht is daarmee toebedeeld aan de Europese Commissie, de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de rechterlijke instanties van de lidstaten. In Nederland vindt handhaving plaats door de Autoriteit Consument en Markt (ACM).4 In de onderlinge verhouding tussen het Europese en Nederlandse mededingingsrecht geldt, voor wat betreft de handhaving van het kartelverbod, dat het nationale mededingingsrecht niet strenger mag zijn dan het Europese kartelverbod.5 Uiteindelijk leidt de toepassing van het Europese en nationale kartelverbod daarmee tot hetzelfde resultaat vanwege de onderlinge consistentie.6 Gelet op de hierboven besproken nauwe aansluiting van de Mededingingswet bij het Europese mededingingsrecht heb ik ervoor gekozen om bij de behandeling van het mededingingsrecht in dit boek het Europese mededingingsrecht tot uitgangspunt te nemen.