Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.10
4.3.6.10 Laat in de procedure aangevoerde stellingen die geen nieuwe grieven inhouden
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS375019:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 6 april 1979 (Reuvers/Gem. Zwolle), NJ 1980, 34 (CJHB), waarover supra, nr. 159 e.v.
Vgl. de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor en het oordeel van de Hoge Raad in HR 29 september 1995 (Muller/Akkerman), NJ 1996, 104. Waar de A-G betoogt dat de door Muller voor het eerst bij pleidooi betrokken stelling niet anders kan worden gezien dan als een nieuwe grief die naar vaste jurisprudentie moet worden gepasseerd, oordeelt de Hoge Raad dat het hof 'kennelijk' heeft geoordeeld 'dat de wijzen van procederen van Muller in strijd is met een goede procesorde, omdat de door haar eerst bij pleidooi in appel gestelde feiten een nader onderzoek nodig zouden maken, waarvoor het geding in dit stadium geen gelegenheid meer bood'. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van 'een onjuiste opvatting met betrekking tot hetgeen een goede procesorde eist'.
193. Naast de beperkingen die uit hoofde van de wettelijke regeling van het hoger beroep worden gesteld aan de mogelijkheid om in appèl op enig moment nieuwe stellingen aan te voeren - men denke aan de hierboven aan bod gekomen art. 347, 348, 353 jo. 130, 359, 362 jo. 283 Rv - blijkt de appèlrechter ook stellingen die in een naar zijn oordeel - te laat stadium van de procedure worden aangevoerd te passeren, al dan niet met een uitdrukkelijk beroep op de eisen van een goede procesorde. Omdat het hier niet om een kwestie gaat die specifiek de procesgang in hoger beroep betreft, zijn uitspraken waarin de appèlrechter aan laat aangevoerde stellingen voorbijging, hiervoor al besproken. Hier zij slechts opgemerkt dat een partij die in een laat stadium van de procedure in hoger beroep een nieuwe stelling aanvoert die zij ook al eerder, in eerste aanleg had kunnen aanvoeren, doorgaans langer nalatig is geweest in het tijdig aanvoeren van die stelling, dan de partij die al in eerste aanleg, zij het in een laat stadium daarvan, met een nieuwe stelling komt. In het algemeen zal eerstgenoemde meer blaam treffen dan laatstgenoemde. In dat gegeven zal de appèlrechter wellicht aanleiding kunnen vinden om eerder dan de rechter in eerste aanleg aan een laat aangevoerde stelling voorbij te gaan.
Acht de appèlrechter een nieuwe stelling die voor het eerst pas bij pleidooi wordt betrokken, te laat aangevoerd, omdat de wederpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of omdat zij noopt tot een ander onderzoek waarvoor het geding naar het oordeel van de rechter geen gelegenheid meer biedt1, dan is niet meer van belang of die nieuwe stelling in wezen een nieuwe grief inhoudt, die in beginsel in de memorie van grieven had moeten worden aangevoerd. Of de nieuwe stelling een nieuwe grief inhoudt, kan de rechter dan ook in het midden laten. Is daarentegen duidelijk dat de nieuwe stelling een nieuwe grief inhoudt, dat de wederpartij niet ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat die grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, terwijl de procedure niet een alimentatiegeschil betreft, dan behoeft de rechter andersom niet te onderzoeken of de wederpartij nog wel voldoende op die nieuwe stelling heeft kunnen reageren, dan wel of het geding nog gelegenheid biedt tot een nader onderzoek van die grief.2