Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/185
185 Inleiding
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS365351:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraken inzake ABN-Amro waarin de variabele beloning ter discussie stond zoals ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8425 Gerechtshof Amsterdam, 28-09-2010, 200.048.492; ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8464 Gerechtshof Amsterdam, 28-09-2010, 200.048.495; ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8468 Gerechtshof Amsterdam, 28-09-2010, 200.049.777. Zie ook Gerechtshof Amsterdam 27 april 2010, JAR 2010/142.
Lokin 2014.
Tijdens de ‘corporate governance crisis’ die zich even na de millenniumwisseling afspeelde, wordt Nederland opgeschrikt door het Ahold-schandaal, terwijl de rest van de wereld in de ban is van de ineenstorting van Enron en andere ondernemingen. In het bijzonder komen opties als beloningsinstrument door de crisis in een slecht daglicht te staan, omdat ze bij de verschillende ondernemingen verkeerde prikkels zouden hebben gegeven, waaronder het aanzetten tot korte termijn winsten en het in de hand werken van ‘gaming’ en ‘playing with the numbers’. Tijdens de financiële crisis ligt de nadruk vooral op het risicobevorderende aspect dat variabele beloning met zich brengt. Door verkeerde prikkels worden te grote risico’s genomen die een onderneming uiteindelijk de kop kunnen kosten.
Zie tevens Lokin 2014.
Een terugkerend verschijnsel is overigens ook het verbieden of niet uitkeren van (variabele) beloningen bij staatssteun.
De ontwikkelingen op het gebied van de bezoldiging van bestuurders hebben vanaf het begin van het nieuwe millennium ervoor gezorgd dat de juridische bemoeienis ten aanzien van het onderwerp een vlucht heeft genomen. Het laatste anderhalve decennium heeft meer wet- en regelgeving inzake de bezoldiging van bestuurders het licht doen zien dan de anderhalve eeuw daaraan voorafgaand. Hierdoor is sprake van een duidelijke trendbreuk. Van oudsher houdt de wetgever zich slechts beperkt bezig met de bezoldiging van bestuurders. Voorop staat het uitgangspunt van contractsvrijheid, waardoor aan partijen een grote discretionaire ruimte wordt gelaten bij het aangaan van een beloningsovereenkomst. Als de overeenkomst eenmaal gesloten is, worden de juridische vraagstukken die daaruit voortvloeien beheerst door het adagium ‘pacta sunt servanda’.1 Hetgeen afgesproken is dient ook nagekomen te worden, behoudens bijzondere omstandigheden.
Aan de vrijheid die aan partijen wordt geboden bij het vaststellen van de bezoldiging van bestuurders ligt een vertrouwen in de werking van de markt ten grondslag. Het staat de bestuurder vrij te bepalen voor hoeveel beloning hij zijn diensten aanbiedt. De vennootschap is vrij om te bepalen hoeveel beloning zij voor de diensten van de bestuurder wil betalen. Tot vijftien jaar geleden greep het Nederlandse vennootschapsrecht slechts in ten aanzien van de beslissings- (en vertegenwoordigings)bevoegdheid van de vennootschap bij de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders: het is in beginsel de vergadering van aandeelhouders die de bezoldiging vaststelt.2 Deze aan de AVA toekomende bevoegdheid was echter niet dwingend nu deze mocht worden gedelegeerd aan bijvoorbeeld de raad van commissarissen.3
Nederland staat niet alleen in deze vrije houding ten aanzien van de bezoldiging van bestuurders. De eerste juridische initiatieven in het Verenigd Koninkrijk die betrekking hebben op de bezoldiging van bestuurders stammen uit dezelfde tijd. In de Verenigde Staten en Duitsland is naar aanleiding van de beloningsschandalen ten tijde van de Grote Depressie al enige wetgeving rondom de bezoldiging van bestuurders geïntroduceerd. Verdere ontwikkeling van deze bepalingen of nieuwe wetgeving op dit gebied blijft ook daar uit, totdat aan het einde van de jaren ’90 aan deze laissez-faire gedachte een einde komt. Redenen hiervoor zijn de stijgende beloningen aan de top, verschillende excessen en twee elkaar opvolgende crises waarbij aan de bezoldiging van bestuurders een negatieve rol wordt toegedicht.4 Deze twee crises hebben de wetgevers van Nederland, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten aangezet tot het introduceren van regelgeving om de bezoldiging van bestuurders te reguleren.5
Al deze nieuwe initiatieven, die tot stand komen na nieuwe beloningsschandalen, hebben als (neven)doel de ‘exorbitante’ beloningsontwikkeling aan de top te beteugelen. Opmerkelijk daarbij is dat deze initiatieven alle vergelijkbaar zijn met of in het verlengde liggen van de juridische bepalingen die de Verenigde Staten en Duitsland introduceerden als remedie tegen de beloningsschandalen in de jaren ’30: (i) meer transparantie, (ii) het herstellen van de scheefgroei in de vennootschappelijke verhoudingen bij het vaststellen van de bezoldiging en (iii) het introduceren van de mogelijkheid een onredelijke bezoldiging achteraf aan te passen of terug te vorderen.6 Een deel van deze aanpassingen heeft een wettelijke grondslag gekregen, een ander deel is door middel van zelfregulering opgenomen in verschillende codes.
In dit derde deel zal allereerst de ontwikkeling van de vennootschapsrechtelijke bezoldigingsregels van voor de scheiding van eigendom en zeggenschap tot het einde van het vorige millennium worden besproken. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan de regelgeving die naar aanleiding van de Grote Depressie werd geïntroduceerd. Vervolgens zal in worden gegaan op de rol die het vennootschapsrecht in de onderzochte landen speelt bij de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen. In dat kader komt de regelgeving aan bod die sinds het begin van dit millennium is ingevoerd, onderverdeeld in drie deelonderwerpen: bezoldigingsregels voor beursgenoteerde vennootschappen omtrent (i) transparantie, (ii) de beslissings- en vertegenwoordigingsbevoegdheid bij het vaststellen van de bezoldiging en (iii) het achteraf aanpassen of terugvorderen van de bezoldiging. Verder zal per deelonderwerp eveneens worden gekeken hoe het vennootschapsrecht bij zou kunnen dragen aan het oplossen van de twee in het vorige deel gesignaleerde kernproblemen. Tenslotte wordt de rol van de rechter onderzocht, waarbij in het bijzonder wordt ingegaan op de mate waarin de rechter toekomt aan een beoordeling van de bezoldiging van bestuurders.