Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.2.6:5.2.6 Tussenconclusie
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.2.6
5.2.6 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931175:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
230. Conclusie. Hoofdelijke verbondenheid betekent voor de schuldeiser dat hij kan kiezen welke schuldenaar of welke schuldenaren hij aanspreekt, en dus ook wie hij in rechte aanspreekt. Ik heb dit de ‘procesrechtelijke keuzevrijheid’ van de schuldeiser genoemd.1 Zij stoelt op de zelfstandigheid van vorderingsrechten en de daaraan verbonden rechtsvorderingen.
De juridische procedure kent een tweepartijenkarakter. Een oordeel ten aanzien van de (beweerde) vordering(en) jegens één beweerdelijk hoofdelijk schuldenaar is niet bindend voor andere beweerdelijk hoofdelijk schuldenaren, zélfs niet indien zij allemaal in dezelfde procedure zijn betrokken;2 er is sprake van afzonderlijke, zelfstandige procedures. Dit zelfstandige karakter brengt mee dat ten aanzien van de verschillende (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren procesrechtelijk soms een andere realiteit geldt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de ene (beweerdelijk) schuldenaar wel in een procedure is betrokken, maar een ander niet,3 maar ook indien zij beide in rechte zijn betrokken, maar slechts een van hen een rechtsmiddel aanwendt tegen de daarin gedane uitspraak.4 Deze uiteenlopende procesrechtelijke werkelijkheden spelen met name een rol indien jegens de ene partij wél in rechte komt vast te staan dat hij schuldenaar is van de eiser, maar jegens de andere partij niet, terwijl die schuldenaar meent dat die andere partij met hem hoofdelijk verbonden is en zich op die andere partij wil verhalen. De mogelijkheden daartoe staan centraal in par. 5.3.
In het kader van hoofdelijke veroordelingen heb ik vooral stilgestaan bij de proceskostenveroordeling. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat verschillende in het ongelijk gestelde partijen niet per definitie dezelfde proceskosten hoeven te vergoeden van de in het gelijk gestelde partij(en), maar dat indien en voor zover dat het geval is, het gaat om hoofdelijke verbondenheid.5 Hoewel een dogmatisch fundament voor deze hoofdelijke verbondenheid ontbreekt, meen ik dat zij gerechtvaardigd is, omdat de in het gelijk gestelde partij niet slechter af mag zijn dan het geval zou zijn geweest indien zij in afzonderlijke procedures tegen de in het ongelijk gestelde partijen zou hebben geprocedeerd. De rechtspraak van de Hoge Raad over de mede-aansprakelijkheid van derden in geval van een forfaitaire proceskostenveroordeling ontbeert eveneens een dogmatisch fundament, omdat het daarbij niet gaat om samenlopende schadevergoedingsverbintenissen. Om die reden gaat het mijns inziens – anders dan de Hoge Raad aanneemt – dus niet om hoofdelijke verbondenheid.6
Wat betreft de afwikkeling van (individuele)schikkingen, voorziet het materiële recht in een eenvoudig mechanisme om in geval van een individuele schikking ook de niet-schikkende schuldenaren te bevrijden voor het gedeelte van de schuld dat de schikkende schuldenaar aangaat (de 6:14-clausule), maar is de procesrechtelijke afwikkeling ingewikkelder. De eisvermindering jegens de niet-schikkende schuldenaren die doorgaans het gevolg is van een dergelijke clausule, zorgt voor de procesrechtelijke complicatie dat moet worden geoordeeld over de draagplicht van de schikkende schuldenaar, terwijl die schuldenaar zelf niet langer in de procedure betrokken is.7 Dit maakt dat de eiser er doorgaans belang bij heeft om in de schikkingsovereenkomst met de schikkende schuldenaar afspraken te maken over informatievoorziening ten behoeve van de door hem tegen de andere gedaagden voort te zetten procedure. Hoewel na een dergelijke eisvermindering de stelplicht en bewijslast van de draagplicht van de schikkende schuldenaar in beginsel op de eiser rust, meen ik dat de regels inzake stelplicht en bewijslast voldoende flexibiliteit bieden om zo nodig ook te verwachten dat de gedaagde (of gedaagden) met informatie over de brug komt (of komen). Daarnaast kunnen de bewijsvermoedens of wettelijke uitgangspunten die soms gelden tussen de hoofdelijk schuldenaren onderling (zoals art. 6:166 lid 2 BW of de regel uit het arrest London/Delta Lloyd) mijns inziens ook worden ingeroepen door de schuldeiser die zijn eis heeft verminderd als gevolg van een 6:14-clausule.