Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.3.2
6.3.2 Juridische sanctiedreiging
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500786:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 70.
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken).
EHRM 8 februari 1996 (John Murray t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1996, 725 (m.nt. Knigge).
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 57. Dit impliceert dat de maximale sanctiedreiging bepalend is en niet de daadwerkelijk aan klager opgelegde sanctie. Zie § 9.4.2 hierna.
EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 53. Ook strafsancties die zijn gesteld op de niet-medewerking aan een toezichtsonderzoek kunnen dwang op de verdachte uitoefenen, indien en voor zover de van hem afgedwongen medewerking bijdraagt of kan bijdragen aan diens veroordeling (vgl. de zaken J.B. en Shannon).
EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 50 (cursivering toegevoegd).
Hierbij teken ik aan dat ook met een sanctie kan worden gedreigd, die wettelijk niet mogelijk is. Wanneer dat bewust gebeurt, dan is sprake van misleiding c.q. dwang. Is voor de betrokkene echter aanstonds duidelijk dat sanctieoplegging niet mogelijk is, dan is mijns inziens geen sprake van dwang.
EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 54.
In EHRM 21 december 2000 (Quinn t. Ierland), § 49 overweegt het Hof bijvoorbeeld dat de gevangenisstraf in die zaak qua aard weliswaar verschilde van de geldboete in Funke, maar dat beide zaken de dreiging en het opleggen van een strafsanctie betreffen vanwege de weigering van klagers om informatie te verstrekken aan de autoriteiten die vermeend strafbare feiten onderzochten.
EHRM 6 juni 2000 (Averill t. Verenigd Koninkrijk). De redactie van de Vakstudie Ned. Int. Belastingrecht, aant. 3.2.8 bij art. 6 EVRM, leidt uit EHRM 9 juni 2007 (Macko en Kozubal t. Slovenië), RvdW 2007, 908, af dat de verdachte niet alleen op basis van zijn zwijgen mag worden veroordeeld.
Geldboetes, gevangenisstraf en processuele sancties
In (praktisch) alle Straatsburgse nemo tenetur-zaken waarin een wettelijke meewerkplicht in het geding is, is sprake van juridische dwang tot zelfbelasting (‘legal compulsion to give evidence’1) in de vorm van strafsancties die zijn gesteld op de niet-nakoming van die meewerkplicht. Dan gaat het eerst en vooral om geldboetes en gevangenisstraf. Dat dergelijke sancties dwang oproepen, is gelet op de nemo tenetur-rechtspraak van het EHRM wel duidelijk. Strafsancties zien op vergelding en (generale) preventie ofwel het inprenten van een norm. Ook juridische sancties met een (overwegend) herstelkarakter kunnen dwang tot zelfbelasting oproepen. Vgl. een (dreigende) dwangsom (J.B.)2 of de mogelijkheid dat uit het zwijgen nadelige bewijsgevolgen kunnen worden getrokken (John Murray)3.
Niet van belang zijnde aspecten
Niet van belang lijkt of sancties wettelijk zijn verankerd of bijvoorbeeld (mede) steunen op rechtspraak of uitvoeringsbeleid (zij het dat het legaliteitsbeginsel dit laatste zou moeten beletten). Kennelijk is ook niet van belang of de autoriteiten die de sanctie kunnen (doen) opleggen, belast zijn met toezicht op naleving van voorschriften en/of vervolging van overtredingen daarvan, laat staan in welke (rechts)sfeer een sanctie is opgelegd. Vgl. sanctiedreiging in het kader van een toezichtsonderzoek (Saunders), welk onderzoek (mede) strafvorderlijke doeleinden dient (J.B.). Evenmin lijkt van belang of de sanctie aan de betrokkene is opgelegd (Funke, Heaney en McGuinness) of dat het is gebleven bij de enkele dreiging die daarvan op hem uitgaat (Saunders).4 In Lückhof en Spanner neemt het Hof (zelfs) directe dwang aan in een geval waarin een van de klagers niet met sancties was bedreigd. Het moest hem niettemin duidelijk zijn geweest dat het niet verstrekken van de gevorderde medewerking voor hem gevolgen zou hebben, zoals het opleggen van een geldboete.5
Directe en indirecte dwang
Het recht tegen gedwongen zelfbelasting is niet beperkt tot zaken waarin ‘duress has been brought to bear on the accused or where the will of the accused has been directly overborne in some way’.6 Ook indirecte dwang kan een rol spelen. Waarop dit onderscheid precies steunt, wordt niet duidelijk. Mogelijk geeft het enkel uitdrukking aan de mate van dwang die van (dwang)maatregelen op de verdachte uitgaat.
Of de enkele dreiging met of het opleggen van een strafsanctie rechtstreeks dwang op de verdachte uitoefent, lijkt afhankelijk van de (wettelijke) voorwaarden en procedures voor sanctieoplegging.7 In Lückhof en Spanner overweegt het EHRM dat de gevangenisstraf die was gesteld op de door klagers begane verkeersovertredingen (twaalf uur respectievelijk twee dagen) geen directe dwang op hen uitoefende, omdat die straf naar nationaal recht slechts kon worden opgelegd nadat afzonderlijke procedures waren doorlopen en overigens aan een aantal voorwaarden was voldaan.8 Uit de eerdere zaken Funke en J.B. lijkt te volgen dat geldboetes die kunnen worden opgelegd op grond van de enkele vaststelling dat de medewerking aan een onderzoek is geweigerd, directe dwang impliceren. Aannemelijk is dat hetzelfde geldt voor andere punitieve sancties dan geldboetes.9
Ik wijs hier ook op de zaak Averill. Daarin oordeelt het Hof dat het uitoefenen van dwang in de vorm van het trekken van conclusies uit het zwijgen van een verdachte (vgl. John Murray) toelaatbaar is.10 Voor wat betreft juridische sancties die niet een punitief, maar een (overwegend) herstelkarakter hebben, is de Straatsburgse rechtspraak voorzichtig aanleiding te vermoeden, dat het Hof van opvatting is dat daarvan eerder indirecte of althans minder dwang op de verdachte uitgaat. Althans, wanneer het bewijsrechtelijke sancties betreft.11 Het arrest J.B. illustreert dat dwangsommen weliswaar een (overwegend) herstelkarakter hebben, maar zoals al volgt uit hun benaming zijn bedoeld om te dwingen.