Inhoudsopgave
TRA 2019/104:Effectieve rechtspraak en hoe de wetgever daarbij (niet) helpt
TRA 2019/104
Effectieve rechtspraak en hoe de wetgever daarbij (niet) helpt
Documentgegevens:
Mr. E.W. de Groot, datum 03-11-2019
- Datum
03-11-2019
- Auteur
Mr. E.W. de Groot
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS140540:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In missies en visies van diverse gerechten, het rapport van de Commissie Visitatie Gerechten 2018 als ook door de wetgever wordt gerefereerd aan de noodzaak van maatschappelijk effectieve(re) rechtspraak. Met effectief wordt dan veelal bedoeld maatschappelijk relevant, kwalitatief hoogstaand en bovenal snel, althans tijdig. Daar is niemand tegen. Het blijkt evenwel, en ik beperk me tot de civiele procedure en zoom soms in op de arbeidsrechtelijke praktijk, een heuse uitdaging om deze doelen te bereiken. Uit verschillende nationale en internationale onderzoeken blijkt dat het met de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland wel goed zit. Die wordt namelijk (zeer) hoog gewaardeerd. De lange doorlooptijden worden wel vaak als knelpunt gememoreerd. Onder meer klantwaarderingsonderzoeken en het genoemde Visitatierapport wijzen daarop. Die onvoldoende voortgang van de afhandeling van zaken raakt aan de maatschappelijke effectiviteit. Als partijen te lang, soms jaren, moeten wachten op een uitspraak, en zeker als deze feitelijk als mosterd na de maaltijd komt, is van maatschappelijk effectieve rechtspraak nauwelijks meer sprake. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de uitspraak over vermeende overtreding van een concurrentiebeding pas komt nadat de looptijd daarvan is verstreken. Mogelijk kan een (te) late uitspraak zich nog wel vertalen in geld, maar dat is niet een afwikkeling die beoogd en gewenst is. Partijen wilden - in het voorbeeld - immers weten of de werknemer het concurrentiebeding overtrad en daar zo snel mogelijk naar kunnen handelen.
Voor de lange doorlooptijden zijn niet alleen partijen en hun advocaten als gevolg van vele uitstelverzoeken en/of verhinderdata, maar is ook de rechtspraak verantwoordelijk. Een structureel tekort aan rechters en ondersteuning, het gevolg van te beperkte financiële middelen, en een niet altijd even adequaat personeelsbeleid, eist zijn tol. De wetgever komt de Rechtspraak daarin (eindelijk) tegemoet. Op Prinsjesdag heeft het kabinet € 95 miljoen euro extra, op jaarbasis voor de komende drie jaar, in het vooruitzicht gesteld. Dat geeft lucht, al is het probleem van het personeelstekort daarmee niet een-twee-drie opgelost. Nieuwe rechters (en juridische ondersteuners) moeten op een krappe arbeidsmarkt worden geworven, geselecteerd en opgeleid. Dat kost tijd. Maar ook op andere vlakken kunnen en moeten slagen worden gemaakt om tot een effectievere en snellere behandeling van rechtszaken te komen. De in 2002 in het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering als uitgangspunt verankerde comparitie na antwoord en de per 1 oktober 2019 geïntroduceerde standaard mondelinge behandeling leiden tot verkorting van doorlooptijden. Enerzijds omdat nadere stukkenwisseling en daarmee tijdsverloop vaak wordt voorkomen, anderzijds omdat in veel zaken, en in toenemende mate, door rechters, met succes, schikkingspogingen worden ondernomen. Ook in het belang van partijen verdient, zo luidt de veelgehoorde opinie, een schikking ‘in het algemeen’ de voorkeur. Een zelf gekozen oplossing wordt acceptabeler verondersteld dan een rechterlijke uitspraak, al was het maar omdat een schikking partijen tijd, geld, veel stress en een ongewisse uitkomst bespaart. Over nut, noodzaak, wenselijkheid en vooral de wijze waarop schikkingspogingen door rechters worden gedaan, lopen, geluiden uit de advocatuur beluisterend, de ervaringen nogal uiteen. Hoewel schikken, ondanks alle voordelen, geen doel op zich mag zijn, wordt dat door partijen en/of hun advocaten helaas nogal eens anders ervaren. Dat is niet goed voor de Rechtspraak. Als partijen het gevoel hebben dat een schikking wordt ‘afgedwongen’ zullen zij zich niet serieus behandeld voelen, de indruk hebben dat hun geschil niet de aandacht krijgt die het verdient en verwacht mag worden. Het gezag en aanzien van de Rechtspraak komt daarmee mogelijk in het gedrang. Overigens is een fundamentele vraag of zo’n ‘bemiddelende’ rol wel bij de rechterlijke macht thuishoort, zeker in tijden van krapte als het om de personele bezetting gaat. De core business van de Rechtspraak is immers rechtspreken, niet bemiddelen. Wat er van die fundamentele vraag ook zij, realiteit is dat de rechter anno 2019 een rol is toegedicht om mogelijkheden tot het treffen van een schikking te onderzoeken. Dit leidt in de praktijk geregeld tot mooie resultaten. Bij deze taak past een (intensieve) opleiding van rechters gericht op scholing over de opbouw van conflicten en de inzet van verschillende mogelijke interventies. Het gebruik daarvan moet vervolgens getraind worden. Dit gebeurt nu te weinig en niet structureel.
Bij de ‘schikkende rechter’ past ook een andere setting. De huidige opstelling in de rechtszalen is gebaseerd op (maximalisatie van de) ‘strijd’, een toernooiveld, passend bij het ‘toernooimodel’. Partijen kunnen alleen de rechter aankijken, elkaar niet. Zij spreken via de rechter en niet rechtstreeks met elkaar. Geen vruchtbare basis voor een ‘goed gesprek’. Zalen met grote ronde of driehoekige tafels, zodat partijen elkaar en ook de rechter kunnen zien en spreken, zijn meer dan wenselijk. Een dergelijke setting zal de effectiviteit van de mondelinge behandeling vaak ten goede komen en de kans op een succesvolle schikking vergroten. Voor een deel van de € 95 miljoen euro is wat mij betreft dan ook een nuttige en praktisch snel uitvoerbare bestemming gevonden.
Niet alleen in de eerste maar ook in de tweede lijn, bij de gerechtshoven, wordt in toenemende mate ingezet op schikkingen. De welbekende comparitie na aanbrengen is daartoe een goed en vruchtbaar instrument gebleken en wordt in toenemende mate ingezet. De wetgever heeft bij de herziening van het burgerlijk procesrecht helaas de kans laten liggen om dit instrument ook in Wwz-zaken mogelijk te maken door bijvoorbeeld het instellen van hoger beroep ‘op nader aan te voeren gronden’ mogelijk maken. Ik pleit daar wel voor. Dan kan, zonder tijdrovende en kostenverhogende wisseling van stukken, vrij snel een mondelinge behandeling plaatsvinden. Arbeidszaken lenen zich bij uitstek voor schikkingen, juist ook in hoger beroep. De wetgever zou er goed aan doen de handschoen op te pakken en met reparatiewetgeving alsnog in genoemd manco te voorzien.
Maar, met een nieuwe opstelling in de rechtszaal en een comparitie na aanbrengen zijn we er nog niet. Anno 2019 past bij het streven naar een effectievere civiele rechtspraak ook een andere insteek en houding van partijen en hun advocaten/gemachtigden. Het huidige toernooimodel is in veel conflicten achterhaald en leidt vaak tot een veelheid aan randgeschillen en dito stukken, met vertraging tot gevolg. Het zou wenselijk zijn de deelgeschilprocedure, zoals we die in letselschadezaken kennen, in alle civiele gedingen, en zeker in het arbeidsrecht, mogelijk te maken. Ook hier ligt een schone taak voor de wetgever. Daarnaast zouden partijen en hun rechtsbijstandsverleners effectiever te werk kunnen gaan door zich te concentreren op hetgeen nodig is om tot een definitieve oplossing van het geschil te komen, welke vragen daarvoor beantwoord moeten worden en op welke wijze die antwoorden verkregen kunnen worden. Het aantal zaken waarin dan juridische knopen moeten worden doorgehakt, zal daardoor afnemen. Dit alles vergt bij alle professioneel betrokkenen, ieder vanuit zijn eigen rol, goede en tijdige regie, differentiatie, maatwerk en communicatie.
Op weg naar effectievere civiele rechtspraak? Het kabinet helpt met de toegezegde € 95 miljoen euro, een mooi begin, maar, naast alle andere bij de civiele procedure betrokkenen, heeft de wetgever nog wel wat te doen.