NJB 2023/693:Vorderen van verkeers- en locatiegegevens, art. 126n Sv: herhaling en toepassing HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, waarin de Hoge Raad ingaat op de vraag in welke gevallen de officier van justitie gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechtercommissaris te vorderen, op de toepassing van art. 359a Sv bij een vormverzuim en op het besliskader en gevolgen voor andere strafzaken. Vormverzuimen die verband houden met de toepassing van de bevoegdheden die ertoe strekken verkeers- en locatiegegevens te verkrijgen, worden beoordeeld op grond van art. 359a Sv en dus niet ingevolge art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv over uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In casu geen grond voor bewijsuitsluiting, nu hetgeen over de aard en de gevolgen van het verzuim is aangevoerd, is in de kern niet meer dan de enkele stelling dat hij ‘in zijn belangen (want zijn recht op privacy) is geschaad’ omdat zijn verkeers- en locatiegegevens gedurende een periode van ruim twee maanden van zijn provider zijn opgevraagd en verkregen.