Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/8.2
8.2 Verweerder in de zin van artikel 24 EEX-V°/18 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS414395:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof 's-Gravenhage 24 maart 2005, NIPR 2006, 133.
Zie bijv. Hof Leeuwarden 10 december 1986, NJ 1987, 1012 en Hof 's-Gravenhage 24 maart 2005, NIPR 2006, 133.
HvJ EG 7 maart 1985, zaak 48/84, Spitzley/Sommer Exploitation, Jur. 1985, p. 787, NJ 1986, 336, r.o. 18 en 19 (beroep op verrekening in conventie); anders (ten onrechte) Hof 's-Gravenhage 24 maart 2005, NIPR 2006, 133.
HvJ EG 13 juli 1995, zaak C-341/93, Danvaern/Otterbeck, Jur. 1995, p. 1-2053, NJ 1996, 157, r.o. 11 e.v. bespreekt deze situatie voor art. 6 sub 3 EEX-V°/Verdrag
HvJ EG 7 maart 1985, zaak 48/84, Spitzley/Sommer Exploitation, Jur. 1985, p. 787, NJ 1986, 336, r.o. 19 en 20; Kropholler, EZPR, p. 324.
HvJ EG 13 juli 1995, zaak C-341/93, Danvaern/Otterbeck, Jur. 1995, p. 1-2053, NJ 1996, 157, r.o. 18.
HvJ EG 13 juli 1995, zaak C-341/93, Danvaern/Otterbeck, Jur. 1995, p. 1-2053, NJ 1996, 157, r.o. 13 en 18.
HvJ EG 7 maart 1985, zaak 48/84, Spitzley/Sommer Exploitation, Jur. 1985, p. 787, NJ 1986, 336, r.o. 21.
De eerste voorwaarde is dat sprake moet zijn van een verweerder. In de meeste gevallen zal duidelijk zijn welke partij de verweerder is die voor toepassing van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag relevant is. In een dagvaardingsprocedure zonder eis in reconventie zal de gedaagde de verweerder zijn; in een verzoekschriftprocedure is de verweerder de gerequesteerde. Toch zijn er enkele omstandigheden waarover misverstanden kunnen ontstaan.
Een eerste mogelijk misverstand kan zich mogelijk voordoen bij een vordering in reconventie. Bij een reconventionele vordering is de oorspronkelijke eiser (in conventie), verweerder in reconventie, te beschouwen als verweerder in de zin van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag.1 De eiser in conventie kan een beroep doen op art. 24 EEX-V°/ 18 Verdrag, indien hij (stilzwijgend) instemt in reconventie met de bevoegdheid. Dat speelt met name in de gevallen dat art. 6 sub 3 EEX-V°Nerdrag niet van toepassing is (eiser in conventie heeft woonplaats buiten de EG lidstaten c.q. verdragsluitende staten) of niet is voldaan aan de voorwaarde in art. 6 sub 3 EEX-V°Nerdrag dat de tegenvordering moet voortspruiten uit de overeenkomst of het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke vordering is gegrond. De bevoegdheid in reconventie dient voor toepassing van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag zelfstandig te worden beoordeeld.2 Indien in reconventie verweer ten gronde wordt gevoerd zonder betwisting van de bevoegdheid, behoeft de rechter zich niet te verdiepen in de toepasselijkheid of de voorwaarden van art. 6 sub 3 EEX-V°Nerdrag. Hij kan direct art. 24 EEX-V°/18 Verdrag toepassen.3
Een tweede misverstand is denkbaar, indien een oppositieprocedure wordt gevoerd. Bij een procedure in oppositie is de opposant verweerder in de zin van art. 24 EEX-V°/ 18 Verdrag, hoewel hij in de procedure eiser is. Een beroep op onbevoegdheid zal slechts tijdig kunnen plaatsvinden in de dagvaarding in oppositie. Laat de opposant dat na, dan is het gerecht op grond van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag bevoegd in de oppositie procedure.
Een derde misverstand kan ontstaan, indien de verweerder geen (zelfstandige) tegenvordering (in reconventie) instelt. Een tegenvordering kan ook slechts als verweer(middel) tegen de vordering van eiser worden gebruikt (met een beroep op verrekening).4 Klassiek is het geval waarbij de verweerder in conventie een beroep doet op verrekening (schuldvergelijking) met een tegenvordering zonder een eis in reconventie in te stellen om daarmee de veroordeling tot betaling van een geldsom te voorkomen. Indien slechts één procedure wordt gevoerd en de eiser wordt geconfronteerd met een tegenvordering van de verweerder uitsluitend als verweer (in conventie) tegen de vordering van de eiser, is art. 24 EEX-V°/18 Verdrag eveneens van toepassing. Dat blijkt niet uit de letterlijke bewoordingen van deze bepaling, maar kan worden afgeleid uit het arrest Spitzley/Sommer Exploitation.@5 Deze conclusie is opvallend, omdat het Hof van Justitie in het arrest Danvaern/Otterbeck heeft geoordeeld dat art. 6 sub 3 EEX niet van toepassing is in het geval dat een verweerder louter als verweer een tegenvordering in conventie inroept.6 Daaraan voegt het Hof van Justitie toe dat het nationale recht bepaalt welke verweermiddelen kunnen worden aangevoerd en welke voorwaarden daaraan mogen worden gesteld.7 Door beide arresten is in deze situatie art. 24 EEX-V°/18 Verdrag van toepassing op een 'verwerende' tegenvordering (in conventie), terwijl art. 6 sub 3 EEX-V°Nerdrag toepassing mist. Uit het arrest Danvaern/Otterbeck volgt dat de bevoegdheid van het gerecht ten aanzien van de 'verwerende' tegenvordering (bij gebreke van toepasselijkheid van art. 6 sub 3 EEX-V°Nerdrag) moet worden getoetst aan de lex fori. Naar Nederlands commuun internationaal privaatrecht dient mijns inziens te worden aangenomen dat de eiser in conventie die inhoudelijk ingaat op de 'verwerende' tegenvordering stilzwijgend de bevoegdheid van het gerecht ten aanzien van de tegenvordering aanvaardt. De eiser in conventie bevindt zich immers in een positie die overeenkomt met de positie van een verweerder in reconventie die voor een gerecht verschijnt zonder de bevoegdheid in reconventie te betwisten. Vanuit proceseconomisch oogpunt zou het niet nuttig zijn beide geschillen afzonderlijk te berechten.8
De partij die zich voegt aan de zijde van een verweerder en de tussenkomende partij zijn geen verweerders in de zin van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag. De internationale bevoegdheid voor deze partijen vloeit voort uit art. 6 sub 2 EEX-V°Nerdrag.