De bijzondere voorwaarden waren aanvankelijk uitgewerkt in het Besluit gedragsbeïnvloeding jeugdigen (Besluit van 22 januari 2008, houdende uitwerking van de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding van jeugdigen die strafbare feiten hebben begaan, Stb. 2008/23), dat per 1 april 2014 is ingetrokken (Stb. 2014/138).
HR, 24-01-2023, nr. 21/02138
ECLI:NL:HR:2023:70
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-01-2023
- Zaaknummer
21/02138
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:70, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑01‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:1099
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2911
ECLI:NL:PHR:2022:1099, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑11‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:70
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑05‑2022
- Vindplaatsen
Jeugdrecht.nl JR-2023-0005
SR-Updates.nl 2023-0016
NJ 2023/90 met annotatie van W.H. Vellinga
JR-Updates.nl 2023-0005
PFR-Updates.nl 2023-0005
Jeugdrecht.nl JR-2022-0078
JR-Updates.nl 2022-0078
PFR-Updates.nl 2022-0078
Uitspraak 24‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Mishandeling (art. 300.1 Sr), medeplegen afpersing op openbare weg (art. 317.3 jo. 312.2 Sr), diefstal (art. 310 Sr) en poging tot doodslag (art. 287 Sr). Avondklok als bijzondere voorwaarde toelaatbaar? Art. 77z.2 Sr. Hof heeft als bijzondere voorwaarde een avondklok opgelegd bij voorwaardelijke PIJ-maatregel en invulling daarvan overgelaten aan reclassering. Uit wetsgeschiedenis bij art. 77z.2 Sr volgt dat wetgever met het oog op rechtszekerheid en doeltreffende invulling en uitvoering van (jeugd)reclasseringstoezicht t.a.v. alle bijzondere voorwaarden heeft beoogd dat rechter deze in zijn vonnis “zo gedetailleerd mogelijk” omschrijft. Dat (jeugd)reclassering t.b.v. adequate invulling van toezicht daarbij de ruimte heeft een op de situatie toegesneden invulling aan dit toezicht te geven (welke invulling bovendien aan verandering onderhevig kan zijn) neemt in een geval als dit immers niet weg dat het aan rechter is te bepalen binnen welke begrenzingen een op te leggen “avondklok”, die in potentie kan resulteren in aanzienlijke vrijheidsbeperking, kan worden ingevuld. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de door hof opgelegde bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich (tijdens de gehele proeftijd) “zal houden aan avondklok, te bepalen door jeugdreclassering” in strijd met art. 77z.2 Sr, omdat hof daarmee onvoldoende duidelijk heeft omschreven binnen welke begrenzingen jeugdreclassering invulling kan geven aan deze ‘avondklok’, in aanmerking genomen dat door hof niet nader is omschreven waaruit “avondklok” zal kunnen bestaan, zodat onduidelijk blijft binnen welke uiterste tijdvakken welk gedrag van veroordeelde wordt verwacht. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. bijzondere voorwaarde (zonder terugwijzing). CAG (strekking): vernietiging t.a.v. strafoplegging met terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02138 J
Datum 24 januari 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 mei 2021, nummer 22-003047-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde de zaak ten aanzien daarvan opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde “dat de veroordeelde zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering” onvoldoende precies is geformuleerd.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte wegens, kort gezegd, 1. mishandeling, 2. afpersing op de openbare weg en gepleegd door twee of meer verenigde personen, 3. diefstal, en 4. poging tot doodslag veroordeeld tot jeugddetentie van zes maanden. Ook heeft het hof de voorwaardelijke plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen gelast en daarbij een proeftijd van twee jaren bepaald.
2.2.2
Het arrest van het hof houdt onder meer het volgende in:
“BESLISSING
Het hof:
(...)
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden.
(...)
Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.
Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel na te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang als deze instelling dat noodzakelijk acht;
- dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van een GGZ-instelling zoals de Viersprong of een soortgelijke instelling voor individuele en systeemgerichte behandeling;
- dat de veroordeelde zich zal inzetten voor een opleiding, begeleiding van schoolmaatschappelijk werk daarbij inbegrepen;
- dat de veroordeelde zich zal inzetten om een zinvolle vrijetijdsbesteding te vinden en te behouden;
- dat de veroordeelde zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering;
- dat de veroordeelde zijn medewerking zal verlenen aan de ITB Harde Kern Aanpak.
Geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.”
2.3.1
Artikel 77z lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“2. Bij toepassing van artikel 77x kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
5˚ een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
6˚ een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
7˚ een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
(...)
15˚ andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.”
2.3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht, Stb. 2013, 485, in werking getreden op 1 april 2014, houdt onder meer in:
“Met de voorgestelde wijzigingen in de artikelen 77x en 77z Sr, die zien op de voorwaardelijke jeugdsancties, wil het wetsvoorstel de onderlinge samenhang in het sanctiestelsel voor jeugdigen, jongvolwassenen en volwassenen verder vergroten. Daarbij worden de voorwaarden, die aan een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie kunnen worden gesteld, in de wet opgesomd. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Stb. 2011, 545; hierna: Wet voorwaardelijke sancties). Deze wet is op 1 april 2012 in werking getreden.
(...)
De bijzondere voorwaarden worden met dit voorstel wettelijk verankerd. Deze verankering dient de rechtszekerheid. Uit de wet kan dan blijken welke voorwaarden in het verband van een voorwaardelijke veroordeling zijn toegestaan. Daarnaast wil het wetsvoorstel bevorderen dat deze voorwaarden ook in het vonnis zullen worden opgenomen. Dit biedt maximale duidelijkheid aan de veroordeelde en aan de reclassering. Een praktijk, waarin nog veelvuldig als bijzondere voorwaarde wordt gesteld «dat de jeugdige zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de (jeugd)reclassering», maar waarbij de invulling verder aan de reclassering wordt overgelaten, wil het wetsvoorstel zo terugdringen. Wanneer de bijzondere voorwaarden in het vonnis worden gespecificeerd, bestaat helderheid over wat er van de veroordeelde wordt verwacht. Voor de reclassering heeft dit als voordeel dat zij zich tegenover de veroordeelde nadrukkelijker kan beroepen op de rechterlijke beslissing. Dit versterkt haar positie in het houden van het toezicht.”
(Kamerstukken II 2012/13, 33498, nr. 3, p. 4 en 30.)
2.3.3
De geschiedenis van de totstandkoming van de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijziging van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545, in werking getreden op 1 april 2012, houdt onder meer het volgende in:
- de memorie van toelichting:
“In het kader van dit verbetertraject is een eenduidige definitie van reclasseringstoezicht geformuleerd: reclasseringstoezicht is de controle op het nakomen van door de rechter (...) opgelegde voorwaarden en het signaleren van dreigende overtreding, en het stimuleren en motiveren van de veroordeelde om zich aan de voorwaarden te houden. Hiermee wordt het reclasseringstoezicht gekoppeld aan de (bijzondere) voorwaarden die zijn opgelegd. Dat is ook juist aangezien een goed functionerend reclasseringstoezicht fundamenteel is voor het succes van een voorwaardelijke sanctie.
(...)
Naar de mening van de regering wordt ter terechtzitting en in het vonnis echter te weinig duidelijk aan welke bijzondere voorwaarden de veroordeelde zich dient te houden. Bij veroordeling tot een voorwaardelijke straf wordt thans vaak de voorwaarde opgelegd om «zich te gedragen conform de aanwijzingen van de reclassering», waarbij de nadere invulling hiervan aan de reclassering wordt overgelaten. Dit heeft tot gevolg dat de reclassering het toezicht veel meer richt op de persoon van de veroordeelde dan op de naleving van de bijzondere voorwaarde(n).
(...)
Een in het vonnis gespecificeerde voorwaarde geeft zowel de veroordeelde als de reclassering duidelijkheid welke voorwaarde dient te worden nageleefd. Uit het onderzoek dat in 2007 is verricht naar de uitvoering van het reclasseringstoezicht blijkt dat een gespecificeerde bijzondere voorwaarde wordt gezien als stimulans voor een succesvol toezicht, omdat het duidelijkheid geeft over de invulling van het toezicht. Zowel veroordeelde als reclassering weten dus duidelijker wat de als bijzondere opgelegde voorwaarden inhouden en welke verplichtingen daaruit voorvloeien. De reclassering kan zich bovendien tegenover de veroordeelde beroepen op de rechterlijke beslissing en staat daarmee sterker in het houden van het toezicht.
(...)
Het belang van een nadere omschrijving van bijzondere voorwaarden in de wet is recentelijk nogmaals benadrukt in een arrest van de Hoge Raad van 25 november 2008 (LJN: BF0836). Uit dat arrest kan worden afgeleid dat aan een bijzondere voorwaarde die een ingrijpende inbreuk pleegt op een verdragsrechtelijk beschermd recht van bewegingsvrijheid van de veroordeelde, een wettelijke regeling ten grondslag dient te liggen, die voldoet aan de eisen van kenbaarheid en voorzienbaarheid. Met de wettelijke verankering van een aantal gebruikelijke bijzondere voorwaarden als gevolg van dit wetsvoorstel kan aan deze eisen worden voldaan.
Overigens dient wel opgemerkt te worden dat een bijzondere voorwaarde niet zo gedetailleerd in het vonnis moet worden omschreven dat ieder flexibiliteit voor de reclassering verloren gaat. Het moet voor de reclassering mogelijk zijn om snel en adequaat op de ontwikkeling van het gedrag van de veroordeelde in te spelen, zonder dat steeds de gang naar de rechter dient te worden gemaakt voor wat in feite zou neerkomen op een minimale wijziging van de voorwaarden.”
(Kamerstukken II 2009/10, 32319, nr. 3, p. 3 en 6-7.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“5.1. Uitbreiding van de wettelijke verankering van bijzondere voorwaarden
De leden van de SGP-fractie vragen of het niet voor de hand ligt om in het vonnis zo gedetailleerd mogelijk weer te geven aan welke voorwaarden in ieder geval voldaan moet worden, zodat op deze wijze meer houvast wordt gegeven aan de reclassering. Ik onderschrijf de opmerking van deze leden volledig. Het opnemen van een (niet limitatieve) lijst met bijzondere voorwaarden in de wet heeft tot doel om te bereiken dat in het advies van de reclassering, in de strafeis van het openbaar ministerie en vervolgens in het vonnis van de rechter zo duidelijk mogelijk wordt aangegeven aan welke bijzondere voorwaarden de verdachte/veroordeelde zich moet houden. Dat is niet alleen voor de veroordeelde van belang, maar ook voor de reclassering. Bij het omschrijven van de bijzondere voorwaarden in het vonnis dient wel enige flexibiliteit voor de reclassering bewaard te blijven, zonder dat dit ten koste gaat van de duidelijkheid over hetgeen van de veroordeelde wordt verwacht.
(...)
In de huidige praktijk wordt de invulling van de bijzondere voorwaarden nogal eens aan de reclassering overgelaten. In het vonnis staat dan slechts als bijzondere voorwaarde vermeld dat de veroordeelde de aanwijzingen van de reclassering moet opvolgen. Vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid kunnen vragen worden gesteld bij een dergelijke open en ruime opdrachtverlening aan de reclassering. Bij bijzondere voorwaarden kan het immers gaan om maatregelen die diep kunnen ingrijpen in het leven van een veroordeelde. De reclassering heeft zelf ook aangegeven zich ongemakkelijk te voelen bij een dergelijke open verantwoordelijkheidstoedeling.
(...)
Daar waar de bijzondere voorwaarden niet of niet duidelijk worden omschreven in het vonnis en aan de reclassering de voornoemde open opdracht tot toezicht wordt gegeven, heeft de reclassering geen houvast voor de invulling van het toezicht.
(...)
Een in het vonnis gespecificeerde voorwaarde geeft zowel de veroordeelde als de reclassering duidelijkheid welke voorwaarde dient te worden nageleefd. Zowel de veroordeelde als de reclassering weten dus duidelijker wat de opgelegde bijzondere voorwaarden inhouden en welke verplichtingen daaruit voorvloeien. De reclassering kan zich daarbij tegenover de veroordeelde beroepen op de rechterlijke beslissing en staat daarmee sterker in het houden van het toezicht. (...) Hiermee wordt bedoeld dat het specificeren van de voorwaarden in het vonnis voor de veroordeelde duidelijk maakt dat het niet de reclassering zelf is die heeft bepaald dat de veroordeelde zich aan die voorwaarden moet houden, maar de onafhankelijke rechter. De inhoud van de voorwaarden staat vast en het is niet aan de reclassering om daar iets wezenlijks toe of af te doen. Voor een wijziging van de voorwaarden zal de veroordeelde zich tot de rechter moeten wenden.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32319, nr. 7, p. 14-15.)
2.4
Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met het oog op de rechtszekerheid en een doeltreffende invulling en uitvoering van het (jeugd)reclasseringstoezicht ten aanzien van alle bijzondere voorwaarden heeft beoogd dat de rechter deze in zijn vonnis “zo gedetailleerd mogelijk” omschrijft. Dat de (jeugd)reclassering ten behoeve van een adequate invulling van het toezicht daarbij de ruimte heeft een op de situatie toegesneden invulling aan dit toezicht te geven - welke invulling bovendien aan verandering onderhevig kan zijn - neemt in een geval als dit immers niet weg dat het aan de rechter is te bepalen binnen welke begrenzingen een op te leggen ‘avondklok’, die in potentie kan resulteren in een aanzienlijke vrijheidsbeperking, kan worden ingevuld.
2.5
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich - tijdens de gehele proeftijd - “zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering” in strijd met artikel 77z lid 2 Sr, omdat het hof daarmee onvoldoende duidelijk heeft omschreven binnen welke begrenzingen de jeugdreclassering invulling kan geven aan deze ‘avondklok’. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat door het hof niet nader is omschreven waaruit de ‘avondklok’ zal kunnen bestaan, zodat onduidelijk blijft binnen welke uiterste tijdvakken welk gedrag van de veroordeelde wordt verwacht.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en de bijzondere voorwaarde vernietigen.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van zes maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde “dat de veroordeelde zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering” en wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;
- vermindert de opgelegde jeugddetentie in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2023.
Conclusie 29‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Avondklok als bijz. voorwaarde bij een voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel (art. 77z, tweede lid onder 7°, Sr). Het hof heeft de beslissing over de frequentie van de beperkingen van de bewegingsvrijheid waaraan de verdachte wordt onderworpen en de totale duur van die beperkingen geheel aan de jeugdreclassering overgelaten, zodat deze voorwaarde in strijd is met art. 77z lid 2, aanhef en onder 7°, Sr. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02138 J
Zitting 29 november 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 7 mei 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “mishandeling”, 2. “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 3. “diefstal” en 4. “poging tot doodslag”, veroordeeld tot jeugddetentie van 6 maanden en een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met een proeftijd van 2 jaren en met - voor zover hier van belang - als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S. van den Akker, R.J. Baumgardt en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt over de door het hof aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel gestelde bijzondere voorwaarde van het zich houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering.
3.2
Het dictum van het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.
Bepaalt dat deze - maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (…)
Stelt als bijzondere voorwaarden:
(…)
- dat de veroordeelde zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering;(…)
Geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de invulling van genoemde bijzondere voorwaarde qua duur en intensiteit geheel heeft overgelaten aan de jeugdreclassering, zodat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte onevenredig zwaar in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt en het gebiedsgebod het karakter van een huisarrest aanneemt. Doordat genoemde bijzondere voorwaarde te onduidelijk en ruim - of anders gezegd te onbepaald - is geformuleerd is deze voorwaarde volgens de stellers van het middel onverenigbaar met art. 77z, tweede lid onder 7o, Sr, zodat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
3.4
Artikel 77z lid 2, aanhef en onder 7o, Sr1., luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“2. Bij toepassing van artikel 77x kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(…)
7°. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn”
3.5
In zijn arrest van 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1957, NJ 2021/209 heeft de Hoge Raad wat betreft het “locatiegebod” als bedoeld in art. 14c lid 2, aanhef en onder 7o, Sr geoordeeld dat de rechter “de reikwijdte van een locatiegebod” dient te bepalen en voorts (ten aanzien van alle bijzondere voorwaarden) dat met het oog op de rechtszekerheid en een doeltreffende invulling en uitvoering van het reclasseringstoezicht de rechter in zijn vonnis deze “zo gedetailleerd mogelijk” omschrijft. Volgens de Hoge Raad neemt de omstandigheid dat de reclassering ten behoeve van een adequate invulling van het toezicht daarbij de ruimte heeft een op de situatie toegesneden invulling aan dit toezicht te geven, niet weg dat het aan de rechter is te bepalen binnen welke begrenzingen een op te leggen locatiegebod - dat in potentie kan resulteren in een zeer aanzienlijke vrijheidsbeperking - kan worden ingevuld.
3.6
Ik merk allereerst op dat het hof blijkens het bestreden arrest oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met de bijzondere voorwaarden zoals in het bestreden arrest zijn vermeld, noodzakelijk heeft geacht als stevige stok achter de deur. Volgens het hof worden hierdoor voldoende garanties geboden voor een succesvolle ambulante gedragsbeïnvloeding van de verdachte met het oog op minimalisering van het recidivegevaar. Eén van de door het hof gestelde bijzondere voorwaarden is dat de verdachte zich zal houden aan een (door de jeugdreclassering te bepalen) avondklok. Anders dan huisarrest dat, gelet op zijn intensiteit, als vorm van vrijheidsbeneming in de zin van art. 5 EVRM wordt erkend, is bij een avondklok - huisarrest tijdens de nachtelijke uren - sprake van vrijheidsbeperking in de zin van art. 2 Vierde Protocol bij het EVRM.2.
3.7
Hoewel de door het hof gestelde avondklok niet met zoveel woorden een gebod inhoudt om op een specifieke locatie aanwezig te zijn, ligt het voor de hand dat daarmee beoogd zal zijn dat de verdachte zich thuis zal bevinden. Wat onder avondklok moet worden verstaan wordt in het bestreden arrest niet nader uitgewerkt, maar wordt door het hof aan de jeugdreclassering overgelaten. Volgens de Van Dale is de definitie van avondklok: “verbod zich 's avonds en 's nachts op straat te bevinden”. Het begrip “avond” wordt gedefinieerd als: “vallende duisternis; deel van de dag tussen ca. 18.00 en ca. 0.00 uur” en “nacht” als: “de tijd dat het donker is”. Hoewel een avondklok zich tot een dagdeel beperkt (avond/nacht), kan deze beperking zonder nadere inkadering voor wat betreft de (week)dagen en de precieze tijdstippen waarop de avondklok geldt, alsmede de duur van de maatregel wel voor een zeer aanzienlijke vrijheidsbeperking zorgen. Gelet daarop meen ik dat het hof - in lijn met het onder 3.5 genoemde arrest - de beslissing over de frequentie van de beperkingen van de bewegingsvrijheid waaraan de verdachte wordt onderworpen en de totale duur3.van die beperkingen niet geheel aan de jeugdreclassering had mogen overlaten, zodat deze voorwaarde in strijd is met art. 77z lid 2, aanhef en onder 7o, Sr.4.
3.8
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel, dat klaagt over schending van de inzendtermijn in cassatie, kan buiten bespreking blijven, omdat het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kan worden gesteld.5.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde de zaak ten aanzien daarvan opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑11‑2022
Zie Y.N. van den Brink, Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht. (Meijers-Reeks) (Diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 2.2.2 en de daar genoemde rechtspraak van het EHRM. Zie meer specifiek m.b.t. de avondklok, par. 7.5.2.1.
Bijzondere voorwaarden die langer duren dan zes maanden zouden bij voorkeur opgelegd moeten worden in het kader van de gedragsmaatregel (art. 77w Sr); zie Kamerstukken II, 2005/06, 30332, nr. 3, p. 23 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4676, NJ 2011/529.
Van een “gedragsvoorwaarde” in de zin van art. 77z lid 2, aanhef en onder 15o, Sr is in het onderhavige geval geen sprake (vgl. HR 6 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:498, NJ 2021/288).
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.5.3.
Beroepschrift 02‑05‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/02138
Betekening aanzegging: 15 april 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20210193
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 7 mei 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. Het hof heeft tevens een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd onder een aantal bijzondere voorwaarden. Tevens heeft het hof beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 77z Sr, 12 IVBPR, 2 van het Vierde protocol bij het EVRM alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
De verdachte is veroordeeld terzake van mishandeling, afpersing, diefstal en poging tot doodslag. Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 2 jaren.
Aan de verdachte is onder meer een avondklok opgelegd als bijzondere voorwaarde. Nu het hof de invulling van de avondklok echter geheel overgelaten heeft aan de reclassering, kan niet worden uitgesloten dat de avondklok het karakter van een huisarrest aanneemt en de proportionaliteit daarmee in het gedrang komt en is het in de bijzondere voorwaarde vermelde gebiedsgebod te onduidelijk en ruim, derhalve te onbepaald geformuleerd en mitsdien onverenigbaar met art. 77z, tweede lid onder 7°, Sr.
Het arrest, althans de strafoplegging, is dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
1.1
De verdachte is veroordeeld terzake van mishandeling, afpersing, diefstal en poging tot doodslag. Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 2 jaren met-onder meer — de volgende bijzondere voorwaarden:
‘Stelt als bijzondere voorwaarden:
()
- —
dat de veroordeelde zich zal houden aan een avondklok, te bepalen door de jeugdreclassering.’
1.2
Artikel 77z lid 2, aanhef en onder 7o Sr luidde ten tijde van het bewezen verklaarde:
- ‘2.
Bij toepassing van artikel 77x kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
()
- 7°.
een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn.’
1.3
De memorie van toelichting1. van de totstandkoming van de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijziging van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling2., in werking getreden op 1 april 2012, houdt onder meer het volgende in:
‘4. Locatiegebod
Onder een locatiegebod wordt verstaan een verplichting om op een bepaald tijdstip of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn. Het locatiegebod is de spiegelzijde van het locatieverbod en vervult dezelfde functie. In het hiervoor genoemde voorbeeld van een veroordeling voor uitgaansgeweld, is het denkbaar dat aan de veroordeelde geen locatieverbod wordt opgelegd, maar een locatiegebod, namelijk een verplichting om 's‑avonds en 's‑nachts thuis te zijn. Een dergelijk gebod zal gecontroleerd kunnen worden door middel van elektronisch toezicht. De rechter die een locatiegebod oplegt in combinatie met elektronisch toezicht zal in het vonnis de reikwijdte van dat gebod moeten aangeven. Wettelijk is daarbij niet uitgesloten dat de rechter een vergaande vorm van huisarrest oplegt, waarbij de veroordeelde slechts zeer beperkt wordt toegestaan zijn woning te verlaten. Het is aan de rechter om de proportionaliteit hiervan te beoordelen. Aangezien de rechter door te kiezen voor een voorwaardelijke vrijheidsstraf nu juist niet kiest voor vrijheidsbeneming, ligt het opleggen van vormen van zeer vergaande vrijheidsbeperking in de regel niet voor dehand.
()
Elektronisch toezicht
In het nieuwe derde lid van artikel 14c is bepaald dat aan een bijzondere voorwaarde elektronisch toezicht kan worden verbonden. Elektronisch toezicht houdt in dat met elektronische middelen (zender/ontvanger) gecontroleerd kan worden of de veroordeelde de opgelegde bijzondere voorwaarden naleeft. Elektronisch toezicht is met name geschikt om de naleving te controleren van als bijzondere voorwaarde opgelegde locatieverboden of -geboden en contactverboden.
()
Het is aan de rechter (in geval van een voorwaardelijke veroordeling) en het openbaar ministerie (in geval van voorwaardelijke invrijheidstelling) om de duur van het elektronisch toezicht vast te stellen. Elektronisch toezicht kan voor de gehele proeftijd aan een bijzondere voorwaarde worden verbonden, maar het is ook mogelijk om elektronisch toezicht slechts voor een deel van de proeftijd aan een bijzondere voorwaarde te verbinden.’
1.4
In de nota naar aanleiding van het verslag is onder meer het volgende vermeld:3.
‘5.1. Uitbreiding van de wettelijke verankering van bijzondere voorwaarden
De leden van de SGP-fractie vragen of het niet voor de hand ligt om in het vonnis zo gedetailleerd mogelijk weer te geven aan welke voorwaarden in ieder geval voldaan moet worden, zodat op deze wijze meer houvast wordt gegeven aan de reclassering. Ik onderschrijf de opmerking van deze leden volledig.
()
Bij het omschrijven van de bijzondere voorwaarden in het vonnis dient wel enige flexibiliteit voor de reclassering bewaard te blijven, zonder dat dit ten koste gaat van de duidelijkheid over hetgeen van de veroordeelde wordt verwacht.
()
In de huidige praktijk wordt de invulling van de bijzondere voorwaarden nogal eens aan de reclassering overgelaten. In het vonnis staat dan slechts als bijzondere voorwaarde vermeld dat de veroordeelde de aanwijzingen van de reclassering moet opvolgen. Vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid kunnen vragen worden gesteld bij een dergelijke open en ruime opdrachtverlening aan de reclassering. Bij bijzondere voorwaarden kan het immers gaan om maatregelen die diep kunnen ingrijpen in het leven van een veroordeelde. De reclassering heeft zelf ook aangegeven zich ongemakkelijk te voelen bij een dergelijke open verantwoordelijkheidstoedeling. (…) Daar waar de bijzondere voorwaarden niet of niet duidelijk worden omschreven in het vonnis en aan de reclassering de voornoemde open opdracht tot toezicht wordt gegeven, heeft de reclassering geen houvast voor de invulling van het toezicht.
()
Een in het vonnis gespecificeerde voorwaarde geeft zowel de veroordeelde als de reclassering duidelijkheid welke voorwaarde dient te worden nageleefd. Zowel de veroordeelde als de reclassering weten dus duidelijker wat de opgelegde bijzondere voorwaarden inhouden en welke verplichtingen daaruit voorvloeien. De reclassering kan zich daarbij tegenover de veroordeelde beroepen op de rechterlijke beslissing en staat daarmee sterker in het houden van het toezicht. (…) Hiermee wordt bedoeld dat het specificeren van de voorwaarden in het vonnis voor de veroordeelde duidelijk maakt dat het niet de reclassering zelf is die heeft bepaald dat de veroordeelde zich aan die voorwaarden moet houden, maar de onafhankelijke rechter. De inhoud van de voorwaarden staat vast en het is niet aan de reclassering om daar iets wezenlijks toe of af te doen. Voor een wijziging van de voorwaarden zal de veroordeelde zich tot de rechter moeten wenden.’
1.5
Art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM (‘freedom of movement’) bepaalt (in de Nederlandse vertaling):
- ‘1.
Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.
- 2.
Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.
- 3.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
- 4.
De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.’
1.6
Wettelijk gezien is een vorm van huisarrest niet ontoelaatbaar, zij het dat de rechter dan wel de proportionaliteit daarvan moet beoordelen. Voorts wijst de memorie van toelichting er met zoveel woorden op dat de rechter met zijn keuze voor een voorwaardelijke vrijheidsstraf nu juist niet kiest voor vrijheidsbeneming en dat om die reden het opleggen van vormen van zeer vergaande vrijheidsbeperking in de regel niet voor de hand ligt. Kennelijk wil de wetgever met deze opmerking voorkomen dat een zeer vergaande vrijheidsbeperking als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd en deze achteraf de jure wordt uitgelegd als een vorm van vrijheidsbeneming. Daarmee raakt de memorie van toelichting aan de vraag wanneer nog sprake is van een vrijheidsbeperking en wanneer van (een vorm van) vrijheidsbeneming. Bij beperking van de vrijheid gaat het om een inbreuk op het recht van vrije verplaatsing (‘freedom of movement’) zoals bedoeld in art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Vrijheidsbeneming (of -ontneming) is een inbreuk op het recht op persoonlijke vrijheid. Oplegging van een sanctiemodaliteit die vrijheidsbeneming impliceert, is zonder meer enkel voorbehouden aan de rechter. Vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming kunnen in het kader van de bijzondere voorwaarden dicht tegen elkaar aan schuiven. Een huisarrest wordt vanwege zijn ‘degree and intensity’ geschaard onder de vormen van vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 5 EVRM. Gaat het echter om een locatiegebod (al dan niet met gebruikmaking van een ‘avondklok’), locatieverbod of de verplichting aan de verdachte om zich op bepaalde tijden te melden bij een reclasseringsinstelling, dan is er in beginsel sprake van vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM.4. Eerder heeft A-G Hofstee aangegeven dat een door het hof opgelegde avondklok niet door de beugel kon omdat in die zaak de duur (binnen de proeftijd) en de mate van de beperking van de bewegingsvrijheid van de verdachte (de intensiteit) aan de reclassering werd overgelaten, zodat niet kon worden uitgesloten dat de verdachte onevenredig zwaar in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en het gebiedsgebod het karakter van een huisarrest aannam, en dat in zoverre de proportionaliteit in het gedrang kwam.5. De Hoge Raad heeft in diezelfde zaak overwogen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter ‘de reikwijdte van een locatiegebod’ dient te bepalen en (voor zover van toepassing) de duur van het daaraan verbonden elektronisch toezicht moet vaststellen. De wetgever heeft verder met het oog op de rechtszekerheid en een doeltreffende invulling en uitvoering van het reclasseringstoezicht ten aanzien van alle bijzondere voorwaarden beoogd dat de rechter deze in zijn vonnis ‘zo gedetailleerd mogelijk’ omschrijft. Dat de reclassering ten behoeve van een adequate invulling van het toezicht daarbij de ruimte heeft een op de situatie toegesneden invulling aan dit toezicht te geven, neemt immers niet weg dat het aan de rechter is te bepalen binnen welke begrenzingen een op te leggen locatiegebod — dat in potentie kan resulteren in een zeer aanzienlijke vrijheidsbeperking — kan worden ingevuld. Een door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde betreffende het locatiegebod, inhoudende dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ‘op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen’ aanwezig dient te zijn op het in het arrest genoemde adres, achtte de Hoge Raad in strijd met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 7o, Sr, omdat in deze voorwaarde de beslissing over de frequentie van de beperkingen van de bewegingsvrijheid waaraan de verdachte gedurende de proeftijd wordt onderworpen en over de totale duur van die beperkingen, geheel wordt overgelaten aan de reclassering.6.
1.7
De verdachte is veroordeeld terzake van mishandeling, afpersing, diefstal en poging tot doodslag. Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een proeftijd van 2 jaren. Aan de verdachte is onder meer een avondklok opgelegd als bijzondere voorwaarde. Het hof heeft de invulling van deze voorwaarde qua duur en de intensiteit overgelaten aan de reclassering, zodat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte onevenredig zwaar in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt en het gebiedsgebod het karakter van een huisarrest aanneemt en is het in de bijzondere voorwaarde vermelde gebiedsgebod te onduidelijk en ruim, of anders gezegd te onbepaald is geformuleerd en mitsdien onverenigbaar met art. 77z, tweede lid onder 7°, Sr. Gelet hierop is het arrest, althans de strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Middel II
Op 18 mei 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Ten tijde van het instellen van cassatie was verdachte 17 jaar. Op 8 februari 2022 heeft de Hoge Raad de stukken ontvangen van het hof. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
2.1
Op 18 mei 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Verdachte was op dat moment nog geen 18 jaar. Op 19 mei 2021 hebben de raadslieden van verdachte zich bij de Hoge Raad als advocaten voor verdachte gesteld. De stukken van het geding zijn op 8 februari 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, zodat daardoor de redelijke termijn van de berechting is geschonden, hetgeen dient te leiden tot strafverlaging.7.
2.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. De raadslieden van verdachte zijn immers pas in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen nadat hen de stukken waren toegezonden. Voorts zijn de raadslieden pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof.
2.3
Van belang is voorts het volgende. In zijn arrest van 11 september 2012 heeft de Hoge Raad gesteld klachten over schending van de redelijke termijn af te zullen doen m.b.v. art. 80a RO, indien in die zaken alleen zou worden geklaagd over schending van de redelijke termijn, of indien in die zaken ook over andere kwesties zou worden geklaagd, welke klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.8. Op Nederland rust evenwel de plicht de rechtspleging zo in te richten, dat procedures binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld.9. Geconstateerd moet worden dat Nederland, ondanks meerdere pogingen daartoe, er nog steeds niet in is geslaagd er zorg voor te dragen dat in de cassatieprocedures de Hoge Raad uitspraak doet binnen de vereiste redelijke termijn. Integendeel. In 2014 heeft de raadsman van verdachte in 39 strafzaken ook geklaagd over schending van de redelijke termijn. In 2015 heeft de raadsman in 43 cassatieprocedures (onder meer) geklaagd over schending van de redelijke termijn na het instellen van cassatie. In 2016 en 2017 is beide jaren meer dan 50 keer geklaagd over de schending van de redelijke termijn, terwijl in 2018 hieromtrent meer dan 60 klachten zijn ingediend. In 2019 zijn maar liefst 75 klachten ingediend over de schending van de redelijke termijn. Bij deze aantallen zijn dus niet zaken meegerekend waarin geen (andere) klacht in de cassatieprocedure kon worden gevoerd. Ook in de nabije toekomst behoeft een verbetering niet te worden verwacht. Zo blijkt uit het in 2014 verschenen rapport ‘Werkdruk bewezen’ van de NVvR dat een te hoge werkdruk de kwaliteit van de rechtspraak ondergraaft. Overigens heeft de (voormalig) president van de Hoge Raad reeds in februari 2013 in een brief de noodklok geluid over de werkdruk.10. Zie voorts de opmerkingen van de Procureur-Generaal in het Jaarverslag 2012.11. Nog op 1 maart 2015 heeft de voorzitter van de Raad voor Rechtsspraak aangegeven dat door gebrek aan capaciteit de werkdruk voor rechters zo hoog is dat er achterstanden ontstaan, waarbij gebrek aan geld de belangrijkste oorzaak voor het capaciteitsprobleem wordt aangewezen.12.
2.4
Onder deze omstandigheden dient thans te worden geconcludeerd dat er sprake is van een verzuim dat — naar uit objectieve gegevens — blijkt zozeer bij herhaling voor te komen dat zijn structurele karakter vaststaat èn dat de verantwoordelijke autoriteiten, te weten de Regering en het Parlement zich onvoldoende inspanningen hebben getroost herhaling te voorkomen. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.5
Voorkomen moet worden dat ‘onder de zegel’ van cassatie de norm ten aanzien van de duur van de berechting steeds maar weer wordt verlegd waardoor er ook vanwege alle bezuinigingen en reorganisaties geen substantiële druk meer op de overheid wordt gelegd om een onredelijke procesduur zoveel mogelijk te vermijden.13. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, ongeacht of in de betreffende zaak ook nog een andere klacht naar voren wordt gebracht.
2.6
Voorts in de onderhavige schriftuur de verdachte ook nog andere klachten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de ‘prior criminal proceedings’, zodat ook om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de schending van de redelijke termijn.14.
2.7
Bovendien is afdoening op basis van art. 80a RO niet aangewezen, gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en omdat afdoening op basis van art. 80a RO inbreuk maakt op het recht van ‘effective remedy’.15. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat afdoening van de zaak door middel van art. 80a RO in zaken als de onderhavige geen inbreuk lijkt te maken op het EVRM, is veroordeelde van mening dat de Hoge Raad deze kwestie zal dienen voor te leggen aan het EHRM en wel door middel van het stellen van prejudiciële vragen. Uit hetgeen hierboven is aangevoerd volgt dat in zaken als de onderhavige, waarin sprake is van schending van de redelijke termijn die het gevolg is van het door het hof niet in acht nemen van de wettelijk voorgeschreven termijnen, art. 13 EVRM immers een ‘effective remedy’ vereist. De vragen zouden kunnen luiden:
- 1.
Vereisen de artikelen 6 en 13 EVRM dat de cassatierechter een inhoudelijk oordeel velt over een klacht betreffende de schending van redelijke termijn in zaken waarin de redelijke termijn van de berechting in cassatie wordt geschonden doordat de laatste feitelijke rechter geldende termijnen met betrekking tot het opstellen van relevante stukken en het opsturen van die stukken niet in acht neemt?
- 2.
Maakt het daarbij verschil uit of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht?
- 3.
Maakt het daarbij verschil uit of deze andere klachten een behandeling in cassatie rechtvaardigen?
- 4.
Maakt het daarbij verschil uit of de verdachte/veroordeelde in de betreffende zaak gedetineerd is?
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 2 mei 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑05‑2022
Kamerstukken II 2009/10, 32319, nr. 3, p. 7–8, 19 en 20. Artikel 77z Sr is vrijwel identiek aan art. 14c Sr.
Stb. 2011, 545.
Kamerstukken II 2010/11, 32319, nr. 7, p. 14–15.
Concl. A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2020:777, voorafgaand aan HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1957, NJ 2021/209 m.nt. T. Kooijmans.
HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1957, NJ 2021/209 m.nt. T. Kooijmans.
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241 — 245, m.nt. F.W. Bleichrodt.
EHRM 26 mei 1993, NJ 1993/466, m.nt. E.A. Alkema en EHRM 23 februari 1999, nr. 34966/97 (De Groot/Nederland), NJ 1999/641, m.nt. G. Knigge.
NRC 4 februari 2013.
Jaarverslag 2012, p. 23/24.
Noot van T.M. Schalken onder HR 27 oktober 2015, NJ 2015/469.
EHRM 27 augustus 2013, nr. 12810/13 (Celik/Nederland).
Zie in dit verband de reeds door F.W. Bleichrodt in zijn noot onder HR 22 januari 2013, NJ 2013/245 gemaakte opmerking en -met name- de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen in EHRM 18 december 2018, nr. 585/19 (Nelissen/Nederland).