Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.1.2
3.1.2 Het zaaksbegrip in het OBW
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644880:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Scholten (1945), p. 1.
De term “zaak” werd naast de betekenis, gegeven in art. 555 OBW, ook gebruikt als “belang” (art. 1390 OBW) of als “handeling” (art. 1829 OBW). Ook buiten het OBW werd aan het woord “zaak” verschillende betekenissen toegekend. In het Wetboek van Koophandel (WvK) werd met zaak een “rechtsbetrekking” bedoeld (art. 1 WvK) en in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betekende de term zaak een “rechtsvordering” (art. 126 Rv.). Zie: Asser/Scholten (1945), p. 1.Volgens Land was de definitie van het woord zaak, gegeven door de wetgever in art. 555 OBW. niet geslaagd. De wetgever had naar zijn mening geen definitie moeten geven: “Onze Wetgever meent zijn tweede boek, Van Zaken, te moeten openen met eene definitie van hetgeen hij onder zaken verstaat; dat die definitie niet goed geslaagd is, wordt algemeen erkend.” Land II (1901), p.11. Zie ook: Diephuis I (1885),p. 420; Opzoomer III (1876), p. 17 e.v.; Opzoomer/Goudeket III (1911), p. 17.
Art. 555 OBW: “De wet verstaat onder zaken a) alle goederen en b) regten welke het voorwerp van eigendom kunnen zijn.” Alle wetteksten van het OBW zijn overgenomen uit Fruin (1967).
Diephuis I (1885), p. 420.
“Tegenover het rechtssubject, dengeen aan wien het recht toekomt, staat het rechtsobject, datgene waarop het recht betrekking heeft. Tegenover den persoon (…) de zaak. Zaak is dan het als eenheid beschouwde gegeven, waarop het recht van het subject betrekking heeft.”1
Met deze ruime definitie van het begrip “zaak” opende Scholten het eerste hoofdstuk over het zakenrecht in zijn Asser-bewerking uit 1945. Vervolgens gaf hij een engere definitie van het begrip.
“Niet echter in dezen ruimen zin van ‘rechtsobject’ wordt het woord ‘zaak’ gemeenlijk gebezigd, meest heeft het engere beteekenis en wel: a. (dit speciaal in het zakenrecht) die van lichamelijk voorwerp, b. die van vermogensbestanddeel.”
Naast een stoffelijk object (lichamelijk voorwerp) kon een zaak dus ook een recht (vermogensbestanddeel) zijn. Evenals naar Romeins recht kon naar (oud) Nederlands recht een zaak dus lichamelijk of onlichamelijk zijn. Hoewel de term “zaak” in de wet inconsequent werd gebruikt2, vielen volgens art. 555 OBW onder het begrip zaak alle goederen en rechten welke het voorwerp van eigendom konden zijn.3 Dit laatste betekende niet dat op een object een eigendomsrecht moest rusten of dat er geen ander recht dan het eigendomsrecht op een zaak kon rusten. De wet sprak slechts in algemene zin over het eigendomsrecht en niet over andere zakelijke rechten, aangezien hetgeen voorwerp kon zijn van een eigendomsrecht ook voorwerp kon zijn van beperkte rechten.4 Kortom, wat voor het eigendomsrecht gold, gold ook voor de beperkte rechten.