25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/3.4:3.4 Procesmodel
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/3.4
3.4 Procesmodel
Documentgegevens:
prof. mr. D. Allewijn, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. D. Allewijn
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A.F.M. Brenninkmeijer, ‘Het procesrecht als proces’, in: Harmonisatie van procesrecht bij integratie van rechtspraak (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 1991-I), Zwolle: W.E.J Tjeenk Willink 1991, p. 22-23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de tijd voor de invoering van de Awb onderscheidde Brenninkmeijer drie procesmodellen: het verificatiemodel, het arbitragemodel en het strijdmodel.1 In het verificatiemodel toetst de rechter, ongeacht de opstelling van partijen, of een besluit of gedraging door de beugel kan. In het arbitragemodel formuleren partijen hun verschil van inzicht en dragen dat aan de rechter voor met het verzoek de knoop door te hakken. In het strijdmodel gaan partijen binnen de regels van het spel voluit voor de winst.
Het is niet moeilijk de verschillende escalatiefasen naast deze drie procesmodellen te leggen. De verificatiefase past bij het eenzijdige conflict en bij het laag geëscaleerde meningsverschil. De inhoud staat nog voorop, partijen zijn constructief. In bestuursrechtelijke kwesties is de overheid nauwelijks een conflictpartner, zij werkt sportief mee aan de verificatie van haar besluiten. Het arbitragemodel past bij de tweede fase van conflictescalatie. Partijen zijn elkaars tegenstanders, maar weten desondanks het oog op de bal te houden. Brenninkmeijer beschouwde de civiele verzoekschriftprocedure als het voorbeeld hiervan. Het strijdmodel (we zouden nu zeggen: het toernooimodel) past bij de derde escalatiefase, die van vijandschap. Partijen bestrijden elkaar en elkaars standpunten waar en zolang zij maar kunnen. Als ze een slag verliezen gaan zij ‘ongezien’ in hoger beroep. Brenninkmeijer zag de civiele dagvaardingsprocedure als het voorbeeld bij uitstek van een procedure volgens het strijdmodel. Partijen willen vooral van elkaar winnen. De rechter positioneert zich in deze strijd als scheidsrechter, die bewaakt dat partijen zich binnen de regels van het spel blijven gedragen.
Het gedrag van partijen varieert in deze modellen, en zo ook het meest wenselijke gedrag van de rechter. In het verificatiemodel onderwerpt de rechter degene wiens besluit of gedraging wordt beoordeeld, aan een scherpe, vaak socratische ondervraging. In het arbitragemodel is de rechter zowel empathisch als kritisch naar beide partijen, hij vraagt bij hen beiden door. Bij het strijdmodel past de sfinx, die partijen uit laat razen. Hij doet pas bij vonnis of uitspraak inhoudelijke uitspraken. Partijen staan op scherp (‘Wie niet voor mij is is tegen mij’), en een rechter die zich voortijdig laat verleiden tot inhoudelijke uitspraken, loopt het risico als partijdig te worden gezien en te worden gewraakt.
In het strijdmodel maken partijen maximaal gebruik van hun recht op hoor en wederhoor. Het is letterlijk een procedure op tegenspraak. Partijen hebben het recht op elke uitlating van de wederpartij te reageren, en bij een onderstroom van vijandigheid zullen zij steeds van die gelegenheid gebruik maken. Het alsmaar reageren op elkaars uitlatingen werkt escalerend. Het is dus riskant om conflicten die niet in de hoogste escalatiefase verkeren, in het strijdmodel te behandelen. Als partijen bij aanvang van het proces nog geen vijanden waren, dan zijn ze het aan het eind wel. Is het strijdmodel dan een disfunctioneel model? Neen. Voor partijen die bij aanvang van de procedure al als vijanden tegenover elkaar staan, werkt het model juist de-escalerend. Dat komt door de duidelijke regels, de equality of arms, en de aanwezigheid van een onpartijdige scheidsrechter die opereert op basis van institutioneel vertrouwen.