HR, 14-10-2014, nr. 13/05112
ECLI:NL:HR:2014:2965
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2014
- Zaaknummer
13/05112
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2965, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑10‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2013:4173, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1832, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:1832, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑09‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:2965, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑10‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
14 oktober 2014
Strafkamer
nr. 13/05112
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 september 2013, nummer 22/002900-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2014.
Conclusie 23‑09‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 13/05112
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 30 september 2013 wegens “poging tot moord, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een maand.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, tijdig bij schriftuur en aanvullende schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bepleit in de kern bezien opnieuw waarom het Hof wel tot het oordeel had moeten komen dat de uitgevoerde enkelvoudige fotoconfrontatie tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging had moeten leiden en voor een dergelijke beoordeling is in cassatie geen plaats. Anders dan het middel doet, valt bovendien gezien de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden bezwaarlijk te betwisten dat sprake was van een spoedeisend belang; na een korte aanvaring bij een benzinestation over nota bene een gemorste kop koffie zijn er vanuit een rijdende auto op een andere auto meerdere schoten gelost. Dat er iemand rondloopt met een geladen wapen en dat naar aanleiding van een dergelijk voorval reeds zou trekken, brengt als vanzelf vanwege het gevaar voor herhaling een spoedeisend belang met zich. Maar dat terzijde. Het middel miskent immers dat bij de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte het erom gaat dat het Hof heeft onderkend dat een andere handelwijze wenselijk was geweest, maar dat de manier waarop in de onderhavige zaak is opgetreden naar ’s Hofs oordeel niet kan leiden tot het oordeel dat er van de zijde van het openbaar ministerie sprake is geweest van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel beoogde daartegen op te komen, is dat derhalve tevergeefs.
4. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat verder oproepen van de getuige [getuige] - ik citeer het middel - ‘zinloos of nutteloos was’, omdat uit geen van de stukken blijkt dat er daadwerkelijk voldoende inspanning door het Openbaar Ministerie is verricht om hem als getuige op te roepen. Ook dit middel is evident tevergeefs voorgesteld. Een last tot medebrenging en het trachten te traceren van de getuige op de twee van hem bekende adressen heeft niets opgeleverd, zo houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2013 als mededeling van de advocaat-generaal onder overlegging van een verslag van de politie kort gezegd in. Dat het Hof dan aan de hand van de ondernomen pogingen om de getuige te laten verschijnen oordeelt dat het - bij gebrek aan andere aanwijzingen waar [getuige] zich ophoudt - het niet aannemelijk acht dat de getuige binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen en dat het Hof daarom niet tot hernieuwde oproeping zal overgaan en het getuigenverzoek afwijst, is bij die stand van zaken niet onbegrijpelijk. Bij enerzijds - anders dan het middel wil - de niet onbegrijpelijke vaststelling dat justitie zich voldoende heeft ingespannen de getuige te traceren en anderzijds voldoende steunbewijs voor de (tot het bewijs gebezigde) verklaring van [getuige] is art. 6 EVRM en het daarin vervatte ondervragingsrecht niet in het geding (vgl. ECLI:NL:HR: 2013:CA1782). Ook dit middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
5. Het derde middel borduurt voort op het eerste middel en klaagt dat het Hof dan in ieder geval tot bewijsuitsluiting had moeten beslissen. Het middel is ten eerste onvoldoende toegelicht en zou ook met een toereikende onderbouwing gelet op de door het Hof vastgestelde gang van zaken en op HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 geen kans van slagen hebben.
6. Het vierde middel klaagt dat het Hof de herkenning van verdachte door de aangever [betrokkene] voor het bewijs heeft gebruikt. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld, reeds omdat zij op een te beperkte lezing van ’s Hofs bewijsvoering berust. Het Hof heeft immers toereikend gemotiveerd uiteengezet in hoeverre de verschillende momenten van waarneming en de wijze waarop maken dat het Hof wettig en overtuigend bewezen acht dat degene die de schoten heeft gelost dezelfde persoon is als die tegen [betrokkene] was opgebotst toen hij met een kop koffie het tankstation uit kwam lopen. Het middel voert voorts ter onderbouwing van de klacht enkele feitelijke punten aan die door het Hof niet aldus zijn vastgesteld, dus ook dat is tevergeefs.
7. Het vijfde middel komt met drie klachten op tegen het oordeel van het Hof dat sprake was van voorbedachte raad. Ook deze klachten zijn evident tevergeefs voorgesteld. Voor de gemaakte opmerking (ad 1) is voldoende wettig bewijs geleverd: de verklaring van de aangever volstaat op dit punt en vindt bovendien voldoende steun in de waarnemingen door anderen van de situatie tussen beiden bij het tankstation. De opmerkingen onder de punten 2 en 3 staan wederom een andere lezing voor van de niet onbegrijpelijk door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Ook dit middel faalt.
8. Het bij aanvullende schriftuur ingediende zesde middel klaagt over de bij de strafmotivering betrokken recidive van verdachte. Verdachte zou niet voor meerdere geweldsdelicten zijn veroordeeld, maar voor één geweldsdelict. Geenszins onbegrijpelijk acht ik evenwel dat het Hof ook meerdere gewelddadige overvallen waarvoor verdachte onherroepelijk is veroordeeld kortheidshalve als geweldsdelicten heeft aangeduid, gevoeglijk te begrijpen als gepleegde delicten met een gewelddadige component. Ook dit middel is derhalve evident tevergeefs voorgesteld.
9. De middelen falen op evidente gronden en rechtvaardigen geen behandeling in cassatie.
10. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG