Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.1
2.1 Inleiding: de doorwerking van het EVRM en het IVBPR in het nationale recht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een monistische benadering. De dualistische benadering — zoals in Frankrijk en Duitsland gaat er daarentegen van uit dat het verdragsrecht eerst moet worden getransformeerd naar nationaal recht alvorens het in de eigen nationale rechtsorde werking kan hebben. Indien de verdragsluitende partijen dit voorbehoud tevoren maken, zou men nog kunnen zeggen dat het onderdeel uitmaakt van het verdrag. Hierna zal blijken dat de Europese Unie en het EVRM zich slecht verhouden tot zo'n dualistisch stelsel.
Ik beperk me hier tot de West-Europese traditie.
In theorie is het mogelijk dat bij een nieuwe grondwet oude verdragen worden verworpen. Toch zullen die verdragen dan eerst opgezegd moeten worden voordat zij hun gelding verliezen.
Dit kan veranderen. De Wet van 25 februari 2009 (Stb. 2009, 120) voorziet in de opheffing van het in art. 120 Grondwet besloten liggende toetsingsverbod voor de rechter om wetten te toetsen aan de Grondwet. Na nieuwe kamerverkiezingen zal de wet eerst kunnen worden bekrachtigd nadat twee derde meerderheid van beide kamers er mee akkoord gaat. Zie over de herzieningsprocedure onder meer Kamerstukken II 2007/08, 31 570, nr. 3, p. 18.
Kamerstukken II 2007/08, 31 570, nr. 3, p. 27-28.
Naar algemeen inzicht staan verdragen in rangorde van rechtsbronnen boven nationale wetten (in formele zin). Dit is een logische eis: waar staten door middel van een verdrag afspraken met elkaar maken, dat wil zeggen een bilateraal of multilateraal pact met elkaar sluiten, kan het niet zo zijn dat de tenuitvoerlegging van die afspraken afhankelijk wordt gesteld door het recht van de verdragsluitende partijen.1 Het nationale recht van de verdragsluitende partijen dat — in tijd — vooraf gaat aan het verdrag zijn natuurlijk wel van invloed op de totstandkoming van een verdrag. De verdragsluitende staten ontlenen immers hun bevoegdheid en legitimiteit tot het verbinden van hun volkeren aan internationale verdragen aan hun constitutie.2 In onze Grondwet is dan ook bepaald dat verdragen eerst moeten worden goedgekeurd door het parlement voordat zij ons koninkrijk kunnen binden (art. 91 Grondwet). Voorts is — voor zover hier van belang — in de Grondwet bepaald dat:
bij of krachtens verdrag aan volkenrechtelijke organisaties bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak kunnen worden opgedragen (art. 92);
dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt (art. 93); en
dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties (art. 94);
de rechter niet in de beoordeling treedt van de grondwettigheid van wetten en verdragen (art. 120).
Voor mijn onderzoek zijn een aantal uit de mensrechtenverdragen — het Europees Verdrag voor de Rechten van Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) — voortvloeiende rechten van belang. Voor zover het EVRM en IVBPR zijn geratificeerd, is Nederland krachtens art. 93 Grondwet gehouden de in die verdragen neergelegde procedurele waarborgen en materiële rechten te bieden aan de eigen ingezetenen en anderen die op het grondgebied van de lidstaten verblijven. Voor zover de nationale wetgeving op die punten tekortschiet zullen het bestuur en de rechter die ingevolge art. 94 Grondwet buiten toepassing moeten laten. Het gaat immers grotendeels om bepalingen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden. Nederland kan — naar huidig recht overigens op grond van art. 92 Grondwet instemmen met de rechtsmacht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het EVRM en het IVBPR zijn tot stand gekomen lang voordat de laatste versie van de grondwet in 1983 tot stand kwam, zodat het adagium pacta sunt servanda niet alleen kan worden bezien in het licht van onze huidige grondwet.3 Het heeft een bredere gelding.4
Voor zover de Grondwet en de mensenrechtenverdragen dezelfde onderwerpen regelen vormt een duidelijke meerwaarde van de mensenrechtenverdragen dat de rechter, anders dan thans nog het geval is met betrekking tot de Grondwet,5 nationale wetgeving kan toetsen aan die verdragsrechten. Voor het EVRM komt daar nog bij dat ook een verdragsrechter kan toetsen of de nationale autoriteiten en de nationale rechter de bepalingen uit het EVRM in acht hebben genomen. In zijn advies met betrekking tot de voorgenomen opdrachtverlening aan de Staatscommissie Grondwet heeft de Raad van State een aantal zinvolle opmerkingen gemaakt over de verhouding tussen de Grondwet en het EVRM:
`De opzet van het beperkingssysteem in de mensenrechtenverdragen is in termen van formele legaliteit minder strikt dan in de Grondwet. (...) Voorwaarde om als "wet" in de zin van de verdragsbepalingen aangemerkt te worden, is enkel dat het gaat om regels die toegankelijk en voorzienbaar zijn. De meerwaarde van de mensenrechtenverdragen zit hem derhalve niet primair in waarborgen ter zake van het legaliteitsbeginsel: wat dat betreft stelt de Grondwet strengere eisen. Deze verdragen zijn vooral om drie andere redenen van belang. Ook wetten in formele zin kunnen er op grond van artikel 94 van de Grondwet aan getoetst worden. Bovendien bestrijken ze soms meer terreinen dan de Grondwet doet (bijvoorbeeld door de procedurele garanties vervat in artikelen 5 en 6 EVRM). En ten slotte eisen bepaalde beperkingsclausules een strenge noodzakelijkheids- en een proportionaliteitstoets: is de beperking echt noodzakelijk met het oog op een van de in de clausule genoemde doeleinden? Is er een evenredige verhouding tussen de beperking en het doel dat met de beperking wordt beoogd? (.. ) Bij het opnemen van het recht op een eerlijk proces of van andere grondrechten zou, zo meent de Raad, de nadruk moeten liggen op het inpassen van nieuwe rechten in de systematiek van de Grondwet, zodat de nieuwe grondrechten iets wezenlijks toevoegen aan de bescherming die al verleend wordt in mensenrechtenverdragen. Het zou bij voorbeeld overweging verdienen het recht op een eerlijk proces algemeen te omschrijven en het niet te beperken tot het vaststellen van "burgerlijke rechten en verplichtingen" en het bepalen van de gegrondheid van een (straf)vervolging, zoals omschreven in artikel 6, eerste lid, EVRM.'6
In dit hoofdstuk zal ik eerst stil staan bij de vraag welke sancties naar het oordeel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwalificeren als criminal charge en derhalve onder de reikwijdte vallen van de art. 6 en 7 EVRM. Hier zal ik vooral, maar niet alleen stilstaan bij de bestuurlijke boete. Aansluitend wordt de kwalificatie van sancties in Nederland besproken, mede aan de hand van de door het EHRM aangelegde criteria. Daarna zal ik de voor mijn onderzoek relevante rechten van materiële en procedurele aard bespreken die van toepassing zijn op degene die met een criminal charge en een (daaruit voorvloeiende) penalty wordt geconfronteerd alsook de (daarmee corresponderende) verplichtingen van de vervolgende autoriteiten en de rechter. In dit verband zal ik spreken van rechtswaarborgen en de toegang tot de (nationale) rechter. Bij de bespreking van de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot de art. 6 en 7 EVRM zal ik, gelet op de voorhanden jurisprudentie, op bepaalde onderdelen iets meer, maar niet uitsluitend focussen op 'echte' strafzaken (bijvoorbeeld kennisname van de aanklacht, toegang tot een raadsman, onrechtmatig verkregen bewijs, het recht van het slachtoffer op handhaving, de legaliteitseis), terwijl op andere onderdelen gelijkelijk aandacht zal worden gegeven aan de doorwerking van het EVRM voor zowel het strafrecht als het straffende bestuursrecht (bijvoorbeeld nemo tenetur en de evenredigheidstoetsing door de rechter).