Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.
Rb. Amsterdam, 09-04-2025, nr. 24/5912
ECLI:NL:RBAMS:2025:4364
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
09-04-2025
- Zaaknummer
24/5912
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:4364, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 09‑04‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 09‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Parkeerbelastingzaak. Naheffingsaanslag op de juiste wijze bekendgemaakt. Heffingsambtenaar bevoegd om een aanmaning te versturen.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres
( [gemachtigde eiseres] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder (hierna:
de heffingsambtenaar)
( [gemachtigde verweerder] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 oktober 2024.
2. Op 8 mei 2024 om 13:42 uur stond eiseres met de auto met [kentekennummer] ter hoogte van de [adres] in Amsterdam geparkeerd. Tijdens de controle op dat tijdstip is geconstateerd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag van € 82,17 opgelegd.
3. Omdat eiseres de opgelegde naheffingsaanslag niet op tijd heeft betaald, heeft de heffingsambtenaar met het primaire besluit een aanmaning van € 9 naar eiseres gestuurd met het verzoek de vordering binnen 14 dagen te betalen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de aan eiseres gestuurde aanmaning. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de aanmaning ten onrechte verstuurd?
8. Volgens eiseres is er ten onrechte een aanmaning wegens het niet betalen van de naheffingsaanslag aan haar verstuurd, omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag nooit op juiste wijze kenbaar heeft gemaakt. Volgens eiseres blijkt niet uit de stukken dat de naheffingsaanslag in de digitale berichtenbox van MijnOverheid is geplaatst en is ook niet duidelijk of die berichtenbox met terugwerkende kracht kan worden aangepast. Eiseres stelt dat zij niet van de naheffingsaanslag op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie of vergelijkbare melding. Niet kan zonder meer worden volgehouden dat de naheffingsaanslag eiseres heeft bereikt.1.Van eiseres kan niet worden verwacht dat zij iedere dag inlogt. Dat niet meer te achterhalen is hoe het zit met de melding, moet volgens eiseres in haar voordeel werken.2.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dit als volgt toe. De twee uitspraken waar eiseres naar verwijst, gaan over de vraag of termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar moet worden geacht. De vraag die hier aan de orde is, is of de naheffingsaanslag op de juiste wijze is bekendgemaakt en er daarom – bij het uitblijven van betaling – kan worden aangemaand.
10. De heffingsambtenaar heeft de verzendadministratie overgelegd en toegelicht dat hieruit blijkt dat eiseres heeft aangegeven elektronisch bereikbaar te zijn en dat de naheffingsaanslag in de berichtenbox van eiseres is geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar dat met de overgelegde verzendadministratie voldoende aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het vermoeden van de ontvangst van de naheffingsaanslag ontzenuwen. Het al dan niet ontvangen van een e-mailnotificatie is niet van invloed op het tijdstip van bekendmaking van de naheffingsaanslag.3.Bovendien is het de verantwoordelijkheid van eiseres om haar berichtenbox te controleren op nieuwe e-mailberichten of de emailnotificatie aan te zetten. Als eiseres dit verzuimt, moet dat voor haar rekening en risico komen.4.
11. Dit betekent dat de naheffingsaanslag op de juiste wijze bekendgemaakt is en de heffingsambtenaar bevoegd was een aanmaning te versturen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de aanmaning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑04‑2025
Met verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1273.
Zie ook de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4791 en van het gerechtshof Den Haag van 17 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:193.
Zie ook de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2091