Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.1:6.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581904:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande twee hoofdstukken is onderzocht aan welke vereisten een rechtersregeling moet voldoen, wil zij als 'recht' in de zin van art. 79 RO kunnen gelden. Gebleken is daarbij dat een rechtersregeling die voldoet aan de geformuleerde eisen, steeds een bepaalde binding voor de rechter zal opleveren. Als gevolg van de kwalificatie als recht in de zin van art. 79 RO verkrijgt bovendien de cassatierechter in beginsel de mogelijkheid, controle uit te oefenen op uitleg en toepassing van als zodanig te beschouwen rechtersregelingen. Een belangrijke consequentie van dit laatste is dat de binding aan de hier bedoelde rechtersregelingen niet slechts op theoretisch niveau bestaat, maar ook - althans in bepaalde gevallen - door procespartijen geëffectueerd zal kunnen worden.
In het voorliggende hoofdstuk staat de bindende werking van rechtersregelingen die tot het recht van art. 79 RO behoren centraal. Deze binding zal zowel uit theoretisch als uit praktisch oogpunt worden bezien. Allereerst worden enkele algemene aspecten van de binding aan dit type rechtersregeling behandeld, waarbij in het bijzonder de mogelijkheden tot afwijking van een rechtersregeling en de kring van daaraan gebonden personen aan de orde komen (§ 6.2). Vervolgens wordt onderzocht, in hoeverre de binding die een zodanige rechtersregeling oplevert, voor procespartijen ook werkelijk 'afdwingbaar' is. Hierbij ligt het accent op de toetsingsmogelijkheden die de cassatierechter heeft ten aanzien van de toepassing van deze rechtersregelingen door de lagere rechter (§ 6.3). Tot slot zal in het kort worden ingegaan op de vraag of de kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van art. 79 RO, tevens meebrengt dat deze als 'rechtsgrond' in de zin van art. 25 (voorheen art. 48) Rv heeft te gelden (§ 6.4).
Bij dit alles moet overigens bedacht worden, dat slechts een relatief klein deel van de thans bestaande rechtersregelingen aan alle eisen voor het predikaat 'recht', als bedoeld in art. 79 RO, lijkt te voldoen. Zoals aan het slot van hoofdstuk 5 al is geconstateerd, gaat het vooralsnog vrijwel uitsluitend om de diverse (landelijke en plaatselijke) rol- of procesreglementen. Niet uitgesloten is echter dat in de toekomst ook andere rechtersregelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van materieelrechtelijke onderwerpen als alimentaties of vergoedingen voor proceskosten en buitengerechtelijke kosten, onder het bereik van art. 79 RO kunnen komen te vallen.