Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.7.1.1
IV.7.1.1 Het toepasselijke aansprakelijkheidsregime
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460351:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waarom de onrechtmatige daad hiervoor bij uitstek geschikt is licht ik toe in par. IV.1.3 en IV.2.2.3.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2.
Zie par. IV.2.8.
Overigens bestaan er verschillende rechtshistorische opvattingen over de vraag sinds wanneer deze uitzonderingspositie voor bestuurders in het onrechtmatigedaadsrecht geldt, waarover meer in par. IV.2.3.
Dit hoofdstuk draait om de privaatrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. De aangewezen grondslag voor een vordering tot schadevergoeding in verband met een milieuovertreding van een leidinggevende, is de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).1 Voor het aannemen van onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid worden niet voor alle leidinggevenden dezelfde vereisten toegepast. Volgens de Hoge Raad gelden namelijk voor het aannemen van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon ‘hogere eisen dan in het algemeen geval is’.2 Een bestuurder (die handelt in hoedanigheid)3 is pas aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad wanneer hem persoonlijk een ernstig verwijt treft.4 Met deze ‘ernstig verwijt-doctrine’ wijkt de Hoge Raad voor bestuurders af van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW.
InparagraafIV.2hebikdetotstandkoming,inhoud,systematiekentoepassingsbereik van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad bestudeerd. Bij die bestudering komen verschillende rechtshistorische, rechtstheoretische en praktische mankementen van de ernstig verwijt-doctrine aan het licht. Ik wijs er bijvoorbeeld op dat de maatstaf (buiten Beklamel-gevallen) nauwelijks handvatten biedt om in een specifiek geval te bepalen wanneer sprake is van een ernstig verwijt. Het blijft zelfs onduidelijk waaróp het ernstige verwijt precies betrekking heeft: de normschending, de toerekening, de onrechtmatige daad van de rechtspersoon, het handelen van de bestuurder zelf, of nog iets anders. Ook beargumenteer ik dat de uit artikel 2:9 BW afkomstige ernstig verwijt-maatstaf knelt met de systematiek van artikel 6:162 BW. Door deze en andere mankementen van de ernstig verwijt-doctrine, ontstaat een beeld van een min of meer toevallig tot stand gekomen, veranderlijk en onduidelijk aansprakelijkheidsregime voor bestuurdersaansprakelijkheid.
In het licht van deze problemen, rijst de vraag waarom voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad überhaupt wordt afgeweken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW. In paragraaf IV.3 heb ik de argumenten bestudeerd die voorstanders van de ernstig verwijt-doctrine aanvoeren om de uitzonderingspositie van bestuurders te rechtvaardigen. In de juridische literatuur kunnen in ieder geval de volgende vijf argumenten worden onderscheiden: 1) het streven naar normatieve convergentie; 2) de gedachte dat er ‘primair sprake is van handelingen van de vennootschap’; 3) het ‘bange bestuurders’-argument; 4) het streven om beleidsvrijheid te waarborgen en hindsight bias van de rechter te voorkomen; en 5) de opvatting dat de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf een rechtspolitieke keuze is.
In paragraaf IV.3 worden deze vijf argumenten geëvalueerd, waarbij ik ook inga op de tegenargumenten die in het bestuurdersaansprakelijkheidsdebat naar voren zijn gekomen. Door het debat rondom het leerstuk in kaart te brengen en de validiteit van de verschillende argumenten te controleren, kan de vraag worden beantwoord of de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad – alle argumenten overziend en afgewogen – gerechtvaardigd is. Uiteindelijk kom ik tot de conclusie dat geen van de bestudeerde argumenten kan dragen dat voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad wordt afgeweken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW. Kortheidshalve verwijs ik voor een samenvatting van de evaluatie naar het overzicht van paragraaf IV.4.2.
In paragraaf IV.4 maak ik de balans op en geef ik antwoord op de voorvraag welk aansprakelijkheidsregime geldt voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Gelet op de rechtshistorische, rechtstheoretische en praktische mankementen van de ernstig verwijt-doctrine die aan bod kwamen in paragraaf IV.2, en op het ontbreken van een solide rechtvaardiging voor afwijking van het wettelijke uitgangspunt dat voor onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid de gewone vereisten van artikel 6:162 BW gelden, pleit ik ervoor om de ernstig verwijt-maatstaf buiten toepassing te laten.
Het afwijken van de gewone vereisten van artikel 6:162 BW is mijns inziens niet alleen ongerechtvaardigd en onpraktisch, maar bovendien onnodig. Binnen de ‘gewone onrechtmatige daad’ kan namelijk ook rekening worden gehouden met de omstandigheden die kenmerkend zijn voor bestuurdersaansprakelijkheid, inclusief de soms onzekere, complexe en/of specialistische beslissingen die bestuurders moeten nemen in het kader van hun taakvervulling en de beleidsvrijheid die hen daarbij toekomt. Sterker nog, zoals ik toelicht in par. IV.4.4 kan toepassing van de ‘gewone’ vereisten voor onrechtmatigedaadsaansprakelijkheid zorgen voor meer duidelijkheid, maatwerk en nuance bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid. In paragraaf IV.4.4 sta ik stil bij deze voordelen van het buiten toepassing laten van de ernstig verwijtmaatstaf, en licht ik toe op welke manier de terugkeer naar de gewone onrechtmatige daad kan worden gerealiseerd.