Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/4.4.3.4
4.4.3.4 Bundeling betreft niet alle regels ten aanzien van toestemmingsbesluiten ten aanzien van projecten
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS355049:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bregman noemt als ideaalmodel voor een gebruikersvriendelijk omgevingsrecht voor projectbesluitvorming een structuur van besluitvorming, waarbij omtrent de aanvaardbaarheid van een project, inclusief de planologische aspecten, middels één omgevingsrechtelijk besluit wordt besloten. De omgevingsvergunning voldoet volgens hem echter niet aan dit ideaalmodel in zoverre daarin niet alle voor de realisatie van een ruimtelijk project denkbare toestemmingsvereisten zijn geïntegreerd (Bregman, Naar een gebruikersvriendelijk omgevingsrecht 2010, p. 49).
Art. 6.2 Wtw.
Art. 6.4 Wtw.
Stb. 2009, 107 en 549.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
Zie hierover Onrust, De relatie tussen Wabo en Waterwet 2010. Onrust gaat in op de relatie tussen de Wabo en de Waterwet, maar meer in het bijzonder de relatie tussen de omgevingsvergunning en watervergunning. Onrust inventariseert een aantal problemen die zich kunnen voordoen bij samenloop van de omgevingsvergunning en de watervergunning. Voor die problemen schetst zij mogelijke oplossing(srichting)en.
Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, p. 89.
Zelfs al hebben waterschappen in historisch perspectief hun sporen verdiend, zoals onder meer blijkt uit Havekes, Functioneel decentraal waterbestuur (diss.) 2009. Van den Berg meent dat 'het ideaal van een volledig geïntegreerd omgevingsrecht' zeker niet de prijs waard is van het ter discussie stellen van het stelsel van functioneel-gedecentraliseerd waterbeheer (Van den Berg, Waterschappen en de integratie van het omgevingsrecht 2011, p. 254). Groothuijse meent dat integratie van de watervergunning in de omgevingsvergunning mogelijk is, maar wel onder de strikte voorwaarde dat de watersysteembeheerder niet (of nauwelijks) inboet aan juridische mogelijkheden om handelingen in het watersysteem te reguleren. Hij kan zich onder voorwaarden ook voorstellen dat de watervergunning aanhaakt bij de omgevingsvergunning (Groothuijse, Water weren 2.0 2011, p. 330 en 333).
Art. 2.26 Wabo.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder a Wabo.
Art. 2.26 lid 4 Wabo. Van den Broek & Dresden, De Wabo in de praktijk 2011, p. 97.
Art. 2.26 lid 1 Wabo.
IenM, Kabinetsbrief stelselherziening omgevingsrecht 2012, p. 13.
Gilhuis, De verhouding van milieurecht tot waterrecht 1986, p. 287-288.
Backes, Watervergunning tegen Omgevingsvergunning 2006, p. 398 en 408.
Van den Berg, Waterschappen en de integratie van het omgevingsrecht 2011, p. 250.
Backes, Watervergunning tegen Omgevingsvergunning 2006, p. 390.
Ministerie van IenM, Kabinetsbrief stelselherziening omgevingsrecht 2012, p. 13.
Art. 2.1 lid 1 aanhef en onder e Wabo.
IenM, Kabinetsbrief stelselherziening omgevingsrecht 2012, bijlage 1. Zie daarover P. Kiela, Wet bodembescherming verdwijnt 2011.
Art. 19d lid 1 Nb-wet 1998.
Voor een korte beschrijving van de aanhaakprocedure en een aantal aandachtspunten daarbij verwijs ik naar Verbeek, De natuur haakt aan bij de omgevingsvergunning, of toch niet? 2011.
Een wetssystematisch tekort van de Wabo is dat dit wetssysteem geen omgevingsvergunning eist voor bepaalde activiteiten binnen een project. Daarbij gaat het om plaatsgebonden activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving die niet zijn aangewezen als omgevingsvergunningplichtige activiteit. Dat zal hierna met een aantal voorbeelden worden toegelicht.1
Belangrijke voorbeelden betreffen de activiteiten lozen op oppervlaktewateren2of het infiltreren of onttrekken van grondwater3waarvoor sinds 22 december 20094 een watervergunning geldt op grond van de Waterwet. Het betreft hier een plaatsgebonden activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Met name het in werking zijn van een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist5 zal in veel gevallen samengaan met een of meer van de bedoelde activiteiten.6 Het feit dat voor genoemde activiteiten geen omgevingsvergunning geldt, maar een watervergunning strookt niet met het wetssystematische uitgangspunt dat het samenhangcriterium 'project' bepalend is voor de regels die in een wetssysteem moeten worden opgenomen.
De regering heeft dit wetssystematisch tekort overigens bewust aanvaard door te kiezen voor 'een stroomlijning binnen de Waterwet waarbij één zelfstandig vergunningstelsel voor water overblijft met voor directe lozingen behoud van de bevoegdheden van de waterbeheerder. Het betreft immers een kerntaak van de waterbeheerder, het in samenhang beoordelen van de effecten op het watersysteem. Deze beoordeling vergt, mede in het licht van internationale verplichtingen zoals de Kaderrichtlijn water, de nodige kennis en expertise over de chemische en ecologische aspecten van lozingen in relatie tot het watersysteem, die niet aanwezig is bij andere overheden dan waterbeheerders.'7
Uit een oogpunt van wetssystematiek kan het organisatorische argument mijns inziens niet doorslaggevend zijn. Aangenomen dat het beoordelen van een aanvraag om een watervergunning de nodige kennis en expertise vergt over de chemische en ecologische aspecten van lozingen in relatie tot het watersysteem, dan betekent dat nog niet dat het bevoegd gezag dat een aanvraag om een omgevingsvergunning moet beoordelen zich die kennis en expertise, mogelijk na een overgangstermijn, niet eigen zou kunnen maken.8 In de tweede plaats is het mogelijk om na bundeling van de watervergunning in de omgevingsvergunning gebruik te maken van die kennis en expertise zoals dat ook is gedaan bij de zogeheten indirecte lozingen. In die gevallen heeft de waterbeheerder een adviesrecht waarvan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen niet mag afwijken.9 Ten slotte zij opgemerkt dat de regering het hier gebruikte organisatorische argument niet heeft gebruikt waar het betreft het opnemen van de bouwvergunning in de omgevingsvergunning. Tot 1 oktober 2010 waren uitsluitend burgemeester en wethouders bevoegd gezag voor wat betreft de bouwvergunning, doch onder de Wabo kunnen ook Gedeputeerde Staten of een minister bevoegd gezag zijn voor wat betreft een omgevingsvergunning voor bouwen.10 Hier is ervoor gekozen om de kennis en expertise van het voormalige bevoegd gezag - burgemeester en wethouders - te benutten.11
Het wetssystematische argument overtuigt evenmin. Het houdt in dat het een kerntaak van de waterbeheerder is om de effecten op het watersysteem in samenhang te beoordelen. Dat moge zo zijn, het verklaart nog niet waarom een dergelijke beoordeling niet mogelijk zou zijn in het kader van een omgevingsvergunning. Zulks temeer daar er in de Wabo voor is gekozen om het beoordelingskader per activiteit niet te laten afwijken van het beoordelingskader dat ten aanzien van een activiteit gold voor 1 oktober 2010. Activiteiten waarvoor een watervergunning nodig is, zouden in het kader van de omgevingsvergunning derhalve kunnen worden getoetst aan het toetsingskader dat geldt op basis van de Waterwet. In de tweede plaats erkent de regering dat er samenhang bestaat tussen de omgevingsvergunning en de watervergunning. Paragraaf 3.5 Wabo getuigt daarvan.
Wat daarvan ook zij, de wetgever heeft ervoor gekozen om de vergunningplicht voor de activiteiten lozen op oppervlaktewateren en infiltreren of onttrekken van grondwater te regelen in het wetssysteem van de Waterwet en niet in dat van de Wabo. Aangezien het systeem van de Waterwet wordt bepaald door het op de echte werkelijkheid gebaseerde samenhangcriterium van watersystemen (object), moet die keus binnen het door mij gehanteerde theoretisch kader worden gerespecteerd. Die keus brengt echter wel het genoemde wetssystematisch tekort in de Wabo met zich. Vermelding verdient overigens dat door het reguleren van indirecte lozingen in de Wabo12 er een wetssystematisch tekort is ontstaan in de Waterwet. De geschetste wetssystematische tekorten kunnen overigens wel worden opgeheven als de Wabo en de Waterwet zouden worden opgenomen in het voorgenomen wetssysteem van de Omgevingswet. De regering heeft al aangekondigd, dat de omgevingsvergunning, de watervergunning, de Wabo en de Waterwet daarvan deel gaan uitmaken.13
Dat deze discussie niet nieuw is, leert ons onder meer Gilhuis die in 1986 gewag maakte van de integrale milieuvergunning, waarin geen van de destijds bestaande waterrechtelijke vergunningen zouden worden opgenomen.14 In 2006 beschrijft Backes twee elkaar overlappende samenhangen: het watersysteem en de inrichting. Backes meent dat het systematische argument pleit voor integratie in de omgevingsvergunning. Het perspectief van buiten, dus van de activiteit, respectievelijk het bedrijf kiezend, zou het opnemen van alle omgevingsgevolgen, dus ook van (alle) lozingen, in één vergunning consequenter zijn. Tegen integratie van ten minste de belangrijke (indirecte) lozingen in de omgevingsvergunning pleit volgens Backes dat het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor een bepaald doel, ook de daartoe noodzakelijke instrumenten in huis moet hebben. Backes maakt nog geen keus; het staat volgens hem 2-2 en betrokkenen hebben evenveel argumenten in huis om in de eindfase van het spel nog te scoren.15Van den Berg meent dat de mogelijke winst op het terrein van een zo integraal mogelijke omgevingsvergunning tegelijk ook een verlies betekent vanwege de inbreuk op de integraliteit van het waterbeheer.16
Wat Backes in 2006 nog niet kon weten was, dat ook in deze 'wedstrijd' zou gaan gelden 'Nach dem Spiel ist vor dem Spiel.'17Door samenvoeging van de ministeries van VROM en VenW in het Ministerie van IenM werd immers de mogelijkheid geopend om in het kader van de Omgevingswet de watervergunning op te nemen in de omgevingsvergunning. Begin 2012 schrijft de regering: 'In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn reeds 26 vergunningstelsels gebundeld. Het voorstel voor de Wet natuurbescherming voegt daar de vergunningen voor natuur aan toe. Met de Omgevingswet wordt dit gecompleteerd met de nog resterende zelfstandige vergunningstelsels, zoals die voor water, ontgrondingen, archeologische rijksmonumenten en voor werkzaamheden aan en rond spoor en wegen. Deze verdere integratie van vergunningstelsels geeft meer gebruiksgemak voor initiatiefnemers.'18
Een tweede voorbeeld van een wetssystematisch tekort in de Wabo betreft de instemming met een saneringsplan. Wie voornemens is de bodem te saneren moet een saneringsplan indienen dat de instemming behoeft van het bevoegd gezag op basis van de Wet bodembescherming.19 Evenals in het hiervoor genoemde voorbeeld gaat het hier om een plaatsgebonden activiteit met gevolgen voor de fysieke leefomgeving die in de Wabo echter niet is aangewezen als omgevingsvergunningplichtige activiteit. Met name het in werking zijn van een inrichting waarvoor wel een omgevingsvergunning is vereist,20 zal in veel gevallen samengaan met bedoelde activiteit. Het feit dat voor genoemde activiteiten geen omgevingsvergunning geldt, maar een instemming met een saneringsplan strookt niet met het wetssystematische uitgangspunt dat het samenhangcriterium project bepalend is voor de regels die in een wetssysteem moeten worden opgenomen.
Mij lijkt dat de wetgever dit wetssystematisch tekort eenvoudig kan opheffen door de bedoelde activiteiten alsnog op te nemen in artikel 2.1 lid 1 Wabo. De regering heeft aangekondigd, dat de Wet bodembescherming deel zal gaan uitmaken van de Omgevingswet, zij het pas na afronding van de lopende vernieuwing.21 Dat lijkt mij een geschikt moment om genoemd wetssystematisch tekort ongedaan te maken.
Een derde voorbeeld van een wetssystematisch tekort is de natuurbeschermingsvergunning,22 die niet is opgenomen in de omgevingsvergunning, maar daaraan kan worden aangehaakt.23