Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/3.5.1
3.5.1 Algemeen
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343683:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 8.2 bij art. 51 en Jörg 1990, p. 92-93. Het hoofdargument dat hiervoor wordt aangevoerd, is dat de regeling van art. 51 lid 2 Sr geschoeid is op de leest van art. 15 WED en dus een historische band heeft met de regeling voor bestuurders. De Hullu heeft hierover opgemerkt dat de historische band met de positie van bestuurders ook bij de deelneming past. Zie De Hullu 2018, p. 506, noot 409.
De Hullu 2018, p. 506-507, en Knigge 1992, p. 153.
De Hullu 2018, p. 507. Zie ook Machielse 2011, p. 375-388.
De erkenning van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon in 1976 ging gepaard met de introductie van een nieuwe vorm van aansprakelijkheid voor personen die betrokken zijn bij door de rechtspersoon gepleegde strafbare feiten. Ingevolge art. 51 lid 2 Sr kan bij een door een rechtspersoon gepleegd strafbaar feit tevens strafvervolging worden ingesteld tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven en hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging. Voor strafbaarheid wegens opdrachtgeven of feitelijke leidinggeven is aldus vereist dat de rechtspersoon een strafbaar (grond)feit heeft gepleegd.
De in art. 51 lid 2 Sr neergelegde aansprakelijkheidsfiguren vervingen bestaande bepalingen in het Wetboek en de WED die de aansprakelijkheid van bestuurders regelden in het geval er strafbare feiten waren gepleegd door rechtspersonen. Zo vervielen de artt. 50a en 51 (oud) Sr die respectievelijk de aansprakelijkheid van (formele) bestuurders en de disculpatiemogelijkheden voor de aangesproken bestuurders bestreken. Daarnaast werd art. 15 WED geschrapt dat naast de aansprakelijkheid van de rechtspersoon bij economische delicten ook een strafbaarstelling bevatte voor degenen die opdracht hadden gegeven tot dan wel feitelijke leiding hadden gegeven aan het economische delict.
Er wordt verschillend gedacht over de vraag hoe het opdracht geven en het feitelijke leiding geven moet worden geduid in Titel V van het Wetboek van Strafrecht. Sommige auteurs zien hierin een aansprakelijkstelling sui generis1 en anderen zijn van oordeel dat het hier een nieuwe vorm van deelneming betreft.2 Volgens De Hullu zien de aansprakelijkheidsgronden van art. 51 lid 2 Sr op een bijzondere vorm van deelneming omdat zij inhoudelijk sterk overeenkomen met gewone deelnemingsvormen en ook voor wat betreft hun gewicht op één lijn zijn te stellen met daderschap. De bijzonderheid ligt in de omstandigheid dat het grondfeit door een rechtspersoon moet zijn begaan.3