Procestaal: Duits.
HvJ EU, 25-03-2021, nr. C-152/19 P, nr. C-165/19 P
ECLI:EU:C:2021:239
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-03-2021
- Magistraten
A. Prechal, K. Lenaerts, N. Wahl, F. Biltgen, L. S. Rossi
- Zaaknummer
C-152/19 P
C-165/19 P
- Conclusie
H. saugmandsgaard øe
- Roepnaam
Slovak Telekom/Commissie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:238, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑03‑2021
ECLI:EU:C:2021:239, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑03‑2021
ECLI:EU:C:2020:678, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑09‑2020
Uitspraak 25‑03‑2021
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededinging — Artikel 102 VWEU — Misbruik van machtspositie — Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten — Wettelijke verplichting voor exploitanten die over een aanmerkelijke marktmacht beschikken om toegang tot het aansluitnetwerk te verlenen — Door de gevestigde exploitant vastgestelde voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk voor andere exploitanten — Onontbeerlijkheid van de toegang — Toerekenbaarheid van het gedrag van de dochteronderneming aan de moedermaatschappij — Rechten van de verdediging’
A. Prechal, K. Lenaerts, N. Wahl, F. Biltgen, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-152/19 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 februari 2019,
Deutsche Telekom AG, gevestigd te Bonn (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Schroeder en K. Apel, Rechtsanwälte,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kellerbauer, M. Farley, L. Malferrari, C. Vollrath en L. Wildpanner als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Slovanet a.s., gevestigd te Bratislava (Slowakije), vertegenwoordigd door P. Tisaj, advokát,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Wahl, F. Biltgen en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 juni 2020,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2020,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt Deutsche Telekom AG om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 december 2018, Deutsche Telekom/Commissie (T-827/14, EU:T:2018:930; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende gedeeltelijke verwerping van haar beroep dat primair strekt tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2014) 7465 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom), zoals gerectificeerd bij besluit C(2014) 10119 final van de Commissie van 16 december 2014 en bij besluit C(2015) 2484 final van de Commissie van 17 april 2015 (hierna: ‘litigieus besluit’), voor zover dit rekwirante betreft, en, subsidiair, tot nietigverklaring of verlaging van het bedrag van de bij dit besluit aan rekwirante opgelegde geldboeten.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 2887/2000
2
In de overwegingen 3, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk (PB 2000 L 336, blz. 4) stond te lezen:
- ‘(3)
Onder het ‘aansluitnetwerk’ worden de metalen aderparen in het vaste openbare telefoonnetwerk verstaan die het netwerkaansluitpunt in de ruimten van de klant verbinden met de hoofdverdeler of een gelijkwaardige voorziening. Zoals opgemerkt in het vijfde verslag van de [Europese] Commissie over de tenuitvoerlegging van het pakket telecommunicatieregelgeving is het lokaletoegangsnetwerk nog steeds een van de onderdelen van de geliberaliseerde telecommunicatiemarkt waar de minste concurrentie bestaat. Nieuwe aanbieders beschikken niet over wijdverbreide alternatieve netwerkinfrastructuren en zijn niet in staat om met traditionele technologieën de schaalvoordelen en de dekkingsgraad te evenaren van exploitanten die zijn aangemeld als beschikkende over een aanmerkelijke marktmacht op de markt van vaste openbare telefoonnetwerken. Dit is het gevolg van het feit dat de exploitanten hun oude, metalen, lokale toegangsinfrastructuur hebben opgezet terwijl zij exclusieve rechten genoten, hetgeen zeer lang heeft geduurd, zodat zij investeringskosten konden financieren uit de opbrengsten van hun monopoliepositie.
[…]
- (6)
Het zou voor nieuwe aanbieders economisch niet haalbaar zijn om de metalen lokale toegangsinfrastructuur van de gevestigde exploitant volledig en binnen redelijke tijd te dupliceren. Alternatieve infrastructuren, zoals kabeltelevisie, satellieten en draadloze aansluitnetten, bieden vooralsnog over het algemeen niet dezelfde functionaliteit of dekkingsgraad, hoewel de situaties in de lidstaten kunnen verschillen.
- (7)
De ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk stelt nieuwe aanbieders in staat om de concurrentie aan te gaan met de aangemelde exploitanten, door het aanbieden van snelle datatransmissiediensten voor een permanente internettoegang en multimediatoepassingen op basis van ‘digital subscriber line’-technologie (DSL), alsmede van spraaktelefoniediensten. Een redelijk verzoek om ontbundelde toegang impliceert dat de toegang noodzakelijk is voor het verlenen van de diensten van de ontvanger en dat een afwijzing van het verzoek de concurrentie in deze sector verhindert, beperkt of verstoort.’
3
Artikel 1 (‘Doel en toepassingsgebied’) van deze verordening bepaalde:
- ‘1.
Doel van deze verordening is, door middel van geharmoniseerde voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk, de concurrentie op de lokaletoegangsmarkt te intensiveren en de technologische innovatie aldaar te stimuleren, om aldus te bevorderen dat in een concurrerend klimaat een breed scala van elektronische communicatiediensten wordt aangeboden.
- 2.
Deze verordening is van toepassing op de ontbundelde toegang tot de aansluitnetwerken en bijbehorende faciliteiten van aangemelde exploitanten als omschreven in artikel 2, onder a).
[…]’
4
Artikel 2 van die verordening bevatte de volgende definities:
‘[…]
- a)
‘aangemelde exploitant’: exploitanten van vaste openbare telefoonnetwerken die door de nationale regelgevende instantie zijn aangemeld als beschikkende over een aanmerkelijke marktmacht op de markt van de levering van vaste openbare telefoonnetwerken […];
[…]
- c)
‘aansluitnetwerk’: de metalen aderparen die het netwerkaansluitpunt in de ruimte van de klant verbinden met de hoofdverdeler of gelijkwaardige voorziening in het vaste openbare telefoonnetwerk;
[…]’
5
Artikel 3 van deze verordening luidde als volgt:
- ‘1.
De aangemelde exploitanten publiceren per 31 december 2000 een referentieaanbod voor de ontbundelde toegang tot hun aansluitnetwerken en bijbehorende faciliteiten dat ten minste de in de bijlage genoemde punten bevat, en werken dit regelmatig bij. Het aanbod is in voldoende mate ontbundeld, zodat de ontvanger niet hoeft te betalen voor onderdelen of faciliteiten van het netwerk die niet nodig zijn om zijn diensten te verlenen, en bevat een beschrijving van de verschillende onderdelen en de respectieve voorwaarden en tarieven.
- 2.
Per 31 december 2000 willigen de aangemelde exploitanten elk redelijk verzoek van een ontvanger om ontbundelde toegang tot hun aansluitnetwerk en bijhorende faciliteiten in, onder transparante, billijke en niet-discriminerende voorwaarden. Een verzoek kan alleen worden afgewezen op grond van objectieve criteria die betrekking hebben op de technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. […] De aangemelde exploitanten leveren aan de ontvangers faciliteiten die gelijkwaardig zijn aan die welke zij aan hun eigen diensten of hun geassocieerde ondernemingen leveren, en dit volgens dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijnen.
[…]’
6
Krachtens de artikelen 4 en 6 van richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB 2009, L 337, blz. 37), is verordening nr. 2887/2000 ingetrokken met ingang van 19 december 2009.
Richtlijn 2002/21
7
Artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, bepaalt:
‘[…]
- 2.
De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- b)
zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud;
[…]
- 5.
Bij het nastreven van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beleidsdoelstellingen passen de nationale regelgevende instanties objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele regelgevingsbeginselen toe, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- f)
zij leggen regelgevende verplichtingen ex ante uitsluitend daar op waar geen effectieve en duurzame concurrentie is en zij verlichten de verplichtingen of heffen deze op zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan.’
Voorgeschiedenis van het geding
8
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 53 van het bestreden arrest uiteengezet en kan als volgt worden samengevat.
9
Rekwirante is de gevestigde telecomexploitant in Duitsland en moedermaatschappij van het Deutsche Telekom-concern. In de periode van 12 augustus 2005 tot 31 december 2010 bezat rekwirante een deelneming van 51 % in het kapitaal van Slovak Telekom a.s. (hierna: ‘ST’), de gevestigde telecomexploitant in Slowakije.
10
ST had tot het jaar 2000 een wettelijk monopolie op de Slowaakse telecommarkt en is de grootste telecomexploitant en leverancier van breedbandtoegang in Slowakije. Het kopernetwerk en het mobiele netwerk van ST beslaan bijna het volledige Slowaakse grondgebied.
11
Na de markt te hebben geanalyseerd, heeft de Slowaakse nationale regelgevende instantie op het gebied van telecommunicatie (hierna: ‘TUSR’) ST in 2005 aangewezen als exploitant die over een aanmerkelijke macht beschikt op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk in de zin van verordening nr. 2887/2000.
12
Op grond hiervan heeft de TUSR ST onder meer verplicht om alle redelijke en gerechtvaardigde verzoeken om ontbundelde toegang tot haar aansluitnetwerk in te willigen, zodat alternatieve exploitanten gebruik konden maken van dit netwerk om hun eigen diensten aan te bieden op de retailmassamarkt voor breedbandinternetdiensten vanaf een vaste locatie in Slowakije. Om deze verplichting na te komen, heeft ST haar referentieaanbod voor ontbundeling — met daarin de contractuele en technische voorwaarden voor toegang tot haar aansluitnetwerk — gepubliceerd.
13
De Commissie heeft ambtshalve een onderzoek uitgevoerd naar onder meer de voorwaarden voor de ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk van ST en heeft op respectievelijk 7 en 8 mei 2012 een mededeling van punten van bezwaar aan ST en rekwirante doen toekomen. Na een voorstel van toezeggingen, verschillende briefwisselingen en bijeenkomsten, heeft de Commissie op 15 oktober 2014 het litigieuze besluit vastgesteld.
14
In dit besluit heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de onderneming die door ST en rekwirante werd gevormd, gedurende de periode van 12 augustus 2005 tot en met 31 december 2010 één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) heeft gepleegd met betrekking tot breedbandinternetdiensten in Slowakije.
15
Zij heeft in het bijzonder opgemerkt dat het aansluitnetwerk van ST, dat na de ontbundeling van de betrokken lijnen van deze exploitant kon worden gebruikt om breedbandinternetdiensten aan te bieden, in de periode 2005---8211---2010 75,7 % van alle Slowaakse huishoudens dekte. In die periode is slechts voor enkele aansluitnetten van ST de toegang ontbundeld, met name sinds 18 december 2009, en hiervan is slechts gebruikgemaakt door één alternatieve exploitant, namelijk om retaildiensten voor supersnel internet aan ondernemingen te leveren.
16
Volgens de Commissie bestond de inbreuk die de door rekwirante en ST gevormde onderneming heeft gepleegd uit, ten eerste, het onthouden aan de alternatieve exploitanten van de netwerkinformatie die nodig is voor de ontbundeling van de aansluitnetten, ten tweede, de beperking van de omvang van de verplichtingen van ST ten aanzien van de ontbundeling van de aansluitnetten, ten derde, de vaststelling van onbillijke ontbundelingsvoorwaarden in het referentieaanbod van ST met betrekking tot colocatie, kwalificatie, prognoses, reparaties en bankgaranties en, ten vierde, de toepassing van onbillijke tarieven waardoor een even efficiënte exploitant als ST die gebruikmaakt van de wholesaletoegang tot de ontbundelde aansluitnetten van ST niet in staat was de door ST aangeboden retaildiensten te repliceren zonder verlies te lijden.
17
In het litigieuze besluit heeft de Commissie wegens die inbreuk een hoofdelijke geldboete van 38 838 000 EUR opgelegd aan rekwirante en ST en een geldboete van 31 070 000 EUR opgelegd aan rekwirante.
Procedure bij het gerecht en bestreden arrest
18
Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Gerecht op 24 december 2014, heeft rekwirante beroep ingesteld. Dit verzoek strekte primair tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en subsidiair tot verlaging van de haar opgelegde geldboeten.
19
Ter ondersteuning van dat beroep heeft rekwirante vijf middelen aangevoerd die betrekking hebben op, ten eerste, een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste toepassing van het recht bij de toepassing van artikel 102 VWEU op het onrechtmatige gedrag van ST, en schending van de rechten van de verdediging, ten tweede, een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste toepassing van het recht ten aanzien van de duur van het onrechtmatige gedrag van ST, ten derde, een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste toepassing van het recht bij de toerekening van het onrechtmatige gedrag van ST aan rekwirante, aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed op ST heeft uitgeoefend, ten vierde, onjuiste toepassing van het begrip ‘onderneming’ in de zin van het Unierecht en van het beginsel van het persoonlijke karakter van sancties alsook een motiveringsgebrek en, ten vijfde, fouten bij de berekening van het bedrag van de hoofdelijke geldboete die aan ST en rekwirante is opgelegd.
20
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht alle middelen van rekwirante afgewezen, met uitzondering van het tweede middel, dat het gedeeltelijk heeft aanvaard op grond dat de Commissie niet had aangetoond dat de in een marge-uitholling resulterende praktijk van ST plaatsvond van 12 augustus tot 31 december 2005, en het vierde middel, dat het heeft toegewezen omdat de Commissie in het litigieuze besluit het begrip ‘onderneming’ in de zin van het Unierecht onjuist had toegepast door rekwirante een geldboete op te leggen die was berekend met toepassing van de ter afschrikking bedoelde vermenigvuldigingsfactor van 1,2. Derhalve heeft het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard en het bedrag van de hoofdelijk door ST en rekwirante verschuldigde geldboete vastgesteld op 38 061 963 EUR en het bedrag van de uitsluitend door rekwirante verschuldigde geldboete vastgesteld op 19 030 981 EUR. Het heeft het beroep verworpen voor het overige.
21
In het bijzonder verweet rekwirante de Commissie met het eerste onderdeel van haar eerste middel dat zij bij de vaststelling dat ST misbruik van haar machtspositie had gemaakt wegens de door haar vastgestelde voorwaarden waaronder alternatieve exploitanten toegang tot haar netwerk kregen, ten onrechte had verzuimd om het in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C-7/97, EU:C:1998:569; hierna: ‘arrest Bronner’), uiteengezette vereiste dat die toegang onontbeerlijk is voor de werkzaamheid van die exploitanten, te onderzoeken. Het Gerecht heeft dit onderdeel van het eerste middel in de punten 92 tot en met 116 van het bestreden arrest afgewezen en in wezen geoordeeld dat de in casu geldende regelgeving inzake de telecommunicatiesector een relevante factor was voor de toepassing van artikel 102 VWEU en dat in die regelgeving werd erkend dat toegang tot het aansluitnetwerk van ST noodzakelijk was met het oog op het ontstaan en de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten, zodat de Commissie niet meer hoefde aan te tonen dat die toegang onontbeerlijk was.
22
Met het tweede onderdeel van haar eerste middel stelde rekwirante dat haar recht om te worden gehoord was geschonden omdat zij pas tijdens de bijeenkomst van 29 september 2014 kennis had kunnen nemen van bepaalde gegevens die in aanmerking waren genomen bij de berekening van de uitholling van de marges en zij een zeer korte termijn had om haar standpunt met betrekking tot deze gegevens kenbaar te maken. Het Gerecht heeft dit tweede onderdeel in de punten 123 tot en met 145 van het bestreden arrest afgewezen en in wezen geoordeeld dat de betrokken gegevens de aard van de in het litigieuze besluit jegens ST en rekwirante geuite bezwaren niet hadden gewijzigd en geen betrekking hadden op feiten waarover zij zich niet hadden kunnen uitspreken.
23
Met haar derde middel voerde rekwirante met name aan dat de Commissie het recht onjuist had toegepast en de feiten onjuist had opgevat door haar het gedrag van ST toe te rekenen op grond van het feit dat zij een beslissende invloed op die onderneming had kunnen uitoefenen, waarbij de Commissie ervan uitging dat zij die invloed op die onderneming ook daadwerkelijk had uitgeoefend, en niet aantoonde dat zij een beslissende invloed op die onderneming had uitgeoefend. Het Gerecht heeft deze grieven in de punten 227 tot en met 473 van het bestreden arrest onder meer afgewezen omdat de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed van de moedermaatschappij op het gedrag van de dochteronderneming kan worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende elementen en dat dit in het litigieuze besluit het geval was, aangezien de Commissie onder meer heeft aangetoond dat hogere leidinggevenden van rekwirante deel uitmaken van de raad van bestuur van ST, dat medewerkers van rekwirante ter beschikking worden gesteld aan ST en dat ST regelmatig over haar commerciële beleid rapporteert aan rekwirante. Het Gerecht heeft geoordeeld dat uit de economische, organisatorische en juridische banden tussen rekwirante en ST bleek dat de algemene strategie van ST op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten was vastgelegd door rekwirante.
Conclusies van partijen
24
Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin het beroep in eerste aanleg is verworpen;
- —
het litigieuze besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair de haar opgelegde geldboeten nietig te verklaren of te verlagen;
- —
meer subsidiair, de zaak ter hernieuwde afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de Commissie te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure en de procedure voor het Gerecht.
25
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen;
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten van het geding.
Hogere voorziening
26
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan onjuiste uitlegging en toepassing van het beginsel volgens hetwelk een toegangsweigering slechts misbruik vormt in de zin van artikel 102 VWEU wanneer die toegang ‘onontbeerlijk’ is voor de indiener van het verzoek om toegang. Het tweede middel heeft betrekking op onjuiste uitlegging en toepassing van het beginsel volgens hetwelk een inbreuk van een dochteronderneming slechts aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend indien laatstgenoemde daadwerkelijk een beslissende invloed op haar dochteronderneming uitoefent. Het derde middel ziet op onjuiste toepassing van het beginsel dat een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk slechts aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend indien de dochteronderneming hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies heeft gevolgd. Het vierde middel is ontleend aan schending van rekwirantes recht om te worden gehoord.
27
Voorts verzoekt rekwirante dat een gunstig arrest van het Hof in de verwante zaak C-165/19 P, betreffende de door ST tegen het arrest van het Gerecht van 13 december 2018, Slovak Telekom/Commissie (T-851/14, EU:T:2018:929), ingestelde hogere voorziening, ook haar ten goede zal komen.
Eerste middel
Argumenten van partijen
28
Rekwirante is van mening dat het Gerecht in de punten 86 tot en met 115 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet hoefde aan te tonen dat de toegang tot het aansluitnetwerk van ST voor de alternatieve exploitanten onontbeerlijk was om de toegangsbeperkingen van die onderneming als ‘misbruik’ in de zin van artikel 102 VWEU te kunnen aanmerken.
29
Volgens rekwirante heeft het Gerecht in de punten 97, 98, 101 en 103 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de in het arrest Bronner geformuleerde criteria in het onderhavige geval niet van toepassing waren omdat op ST de wettelijke verplichting rustte om toegang tot haar aansluitnetwerk te verlenen. Die verplichting kan de onontbeerlijkheid van de toegang in de zin van het arrest Bronner niet vervangen en dit om de volgende redenen.
30
Ten eerste zijn het bestaan van een wettelijke verplichting om toegang te verlenen en de onontbeerlijkheid van die toegang twee verschillende kwesties. Bij het opleggen van de verplichting aan ST om toegang tot haar aansluitnetwerk te verlenen heeft de TUSR uitsluitend rekening gehouden met de historische positie van ST op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk. De TUSR heeft niet onderzocht of die toegang onontbeerlijk is voor de activiteit op de downstreammarkt, en is bijgevolg evenmin nagegaan in hoeverre de ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk had kunnen worden vervangen door de aanleg van een eigen alternatieve infrastructuur. Bij het onderzoek naar de ‘onontbeerlijkheid’ van die toegang in de zin van het arrest Bronner, is het daarentegen juist van belang te weten of er een reëel of potentieel alternatief voor die toegang bestaat. Rekwirante heeft voor het Gerecht aangetoond dat dit in casu het geval is.
31
Ten tweede wordt de wettelijke toegangsverplichting, anders dan een veroordeling voor misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, ex ante opgelegd. De materiële vaststellingen die aan die verplichting ten grondslag liggen kunnen dan ook snel achterhaald blijken te zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de zich zeer snel ontwikkelende markten voor telecommunicatiediensten.
32
Ten derde berust de wettelijke toegangsverplichting op extrapolaties, terwijl misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU moet worden vastgesteld na een concreet onderzoek naar met name de onontbeerlijkheid van de toegang tot het aansluitnetwerk.
33
Ten vierde hebben de regelgeving op het gebied van telecommunicatie en de criteria van het arrest Bronner verschillende doelen. De bevoegde nationale regelgevende instanties op het gebied van telecommunicatie hebben niet alleen tot taak de concurrentie te bevorderen, maar ook bij te dragen tot de ontwikkeling van de interne markt en de belangen van de burgers te bevorderen. Deze benadering komt ook terug in het arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603), waarnaar het Gerecht in punt 97 van het bestreden arrest heeft verwezen.
34
Voorts meent rekwirante dat de onontbeerlijkheid van de toegang tot het aansluitnetwerk ook concreet moet worden onderzocht wanneer er een wettelijke toegangsverplichting bestaat, aangezien het anders makkelijker zou worden om vast te stellen dat er sprake is van misbruik en de rechtspraak van het Hof zou worden uitgehold.
35
Bovendien verschilt een impliciete weigering van toegang tot het aansluitnet, zoals die aan ST wordt verweten, anders dan het Gerecht in de punten 106 tot en met 112 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, niet van de toegangsweigering die voorwerp was van het arrest Bronner, aangezien de eigenaar van infrastructuur in beide gevallen een legitiem belang heeft bij de bescherming van zijn investering, het moeilijk is om de twee vormen van toegangsweigering van elkaar te onderscheiden, en de minder ernstige inbreuk, namelijk de impliciete toegangsweigering, makkelijker kan worden aangetoond dan de ernstigere inbreuk, te weten de expliciete toegangsweigering.
36
Ten slotte kan op grond van de door het Hof in punt 55 van het arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2011:83; hierna: ‘arrest TeliaSonera’), gebruikte formulering niet worden geconcludeerd dat de criteria van het arrest Bronner niet van toepassing zijn op een impliciete toegangsweigering.
37
De Commissie is in wezen van mening dat het in het litigieuze besluit vastgestelde misbruik fundamenteel anders is dan het misbruik waarvan in het arrest Bronner sprake was, zodat de in dat arrest geformuleerde criteria in het onderhavige geval niet van toepassing zijn.
Beoordeling door het hof
38
Met haar eerste middel keert rekwirante, de moedermaatschappij van ST waaraan het gedrag van laatstgenoemde is toegerekend, zich met name tegen de punten 86 tot en met 115 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de gegrondheid van het litigieuze besluit heeft bevestigd voor zover de Commissie niet hoefde aan te tonen dat de toegang van alternatieve exploitanten tot het aansluitnetwerk van ST onontbeerlijk was, teneinde de praktijken van ST die de Commissie in overweging 365 van het litigieuze besluit als een impliciete leveringsweigering had beschouwd, als ‘misbruik’ te kunnen aanmerken, welke praktijken erin bestonden dat, ten eerste, aan de alternatieve exploitanten de voor de ontbundeling van haar aansluitnet benodigde netwerkinformatie werd onthouden, ten tweede, haar uit de toepasselijke regelgeving voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de ontbundeling werden beperkt en, ten derde, onbillijke ontbundelingsclausules en -voorwaarden in haar referentieaanbod voor ontbundeling werden vastgesteld (hierna: ‘litigieuze praktijken’).
39
In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest geoordeeld dat, aangezien in de op het gebied van telecommunicatie toepasselijke regelingen duidelijk is erkend dat toegang tot het aansluitnetwerk van ST noodzakelijk was met het oog op het ontstaan en de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten, de Commissie niet hoefde aan te tonen dat die toegang onontbeerlijk was in de zin van de laatste voorwaarde zoals geformuleerd in punt 41 van het arrest Bronner. Voorts heeft het Gerecht in de punten 106 tot en met 114 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat de voorwaarden van het arrest Bronner, in het bijzonder de voorwaarde dat een dienst of infrastructuur van de onderneming met een machtspositie onontbeerlijk is, niet van toepassing zijn op andere gedragingen dan een toegangsweigering, zoals de litigieuze praktijken.
40
Om te beoordelen of deze overwegingen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirante beweert, zij eraan herinnerd dat artikel 102 VWEU bepaalt dat het verboden is, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan. Op de onderneming met een machtspositie rust dus een bijzondere verantwoordelijkheid om niet door haar gedrag afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het begrip ‘misbruik maken van een machtspositie’ in de zin van artikel 102 VWEU een objectief begrip dat betrekking heeft op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die, op een markt waar de mededinging juist door de aanwezigheid van deze onderneming reeds is verzwakt, de instandhouding of de ontwikkeling van de nog op deze markt aanwezige mededinging verhinderen door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een normale, op ondernemersprestaties berustende mededinging van goederen of diensten gebruikelijk zijn (arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Bij de beoordeling van de vraag of een praktijk van een onderneming met een machtspositie misbruik vormt in de zin van artikel 102 VWEU, moet rekening worden gehouden met alle specifieke omstandigheden van de zaak (zie in die zin arresten TeliaSonera, punt 68; 6 oktober 2015, Post Danmark, C-23/14, EU:C:2015:651, punt 68, en 19 april 2018, MEO — Serviços de Comunicações e Multimédia, C-525/16, EU:C:2018:270, punten 27 en 28).
43
Blijkens punt 37 van het arrest Bronner had de zaak die tot dat arrest heeft geleid betrekking op de vraag of de omstandigheid dat de eigenaar van het enige landelijke thuisbezorgingssysteem op het grondgebied van een lidstaat, die dit systeem gebruikt voor de distributie van zijn eigen dagbladen, de toegang daartoe weigert aan de uitgever van een concurrerend dagblad, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU vormt, op grond dat die weigering de concurrent een voor de verkoop van haar producten essentieel geachte distributiewijze ontzegt.
44
In antwoord op die vraag heeft het Hof in punt 41 van dat arrest geoordeeld dat die weigering misbruik van machtspositie zou hebben gevormd wanneer niet alleen de weigering om de dienst van thuisbezorging te verlenen elke mededinging op de dagbladmarkt door de verzoeker van de dienst kon uitsluiten en niet objectief kon worden gerechtvaardigd, maar de dienst op zich bovendien onontbeerlijk was voor de uitoefening van de werkzaamheid van deze laatste, in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief voor dat thuisbezorgingssysteem bestond.
45
Deze voorwaarden werden gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin alleen sprake was van een weigering van een onderneming met een machtspositie om een concurrent toegang te verlenen tot een infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid had ontwikkeld, en niet van andere gedragingen.
46
Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 68, 73 en 74 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de vaststelling dat een onderneming met een machtspositie misbruik heeft gemaakt van haar positie door te weigeren met een concurrent een contract te sluiten, tot gevolg dat die onderneming gedwongen is met die concurrent een contract te sluiten. Een dergelijke verplichting vormt een ernstige inbreuk op de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie, aangezien het een onderneming — zelfs een onderneming met een machtspositie — in beginsel vrijstaat om te weigeren contracten te sluiten en de door haar opgebouwde infrastructuur voor eigen doeleinden te gebruiken (zie naar analogie arrest van 5 oktober 1988, Volvo, 238/87, EU:C:1988:477, punt 8).
47
Bovendien kan de veroordeling van een onderneming wegens misbruik van haar machtspositie, door te weigeren om met een concurrent contracten te sluiten, de mededinging weliswaar op korte termijn bevorderen, maar op lange termijn is het in het algemeen gunstig voor de ontwikkeling van de mededinging en in het belang van de consumenten om een onderneming toe te staan om de infrastructuur die zij voor haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, uitsluitend zelf te gebruiken. Indien al te gemakkelijk toegang wordt verschaft tot een productie-, aankoop- of distributievoorziening, zou een concurrent immers niet worden gestimuleerd concurrerende voorzieningen te creëren. Bovendien zou een onderneming met een machtspositie minder snel bereid zijn om in efficiënte voorzieningen te investeren, wanneer zij kan worden gedwongen om de vruchten van haar eigen investeringen op eenvoudig verzoek van haar concurrenten met hen te delen.
48
Wanneer een onderneming met een machtspositie weigert om toegang te verlenen tot infrastructuur die zij voor haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, kan het besluit om die onderneming te verplichten die toegang te verlenen derhalve op het gebied van het mededingingsbeleid uitsluitend worden gerechtvaardigd wanneer deze onderneming een echt stevige greep op de betrokken markt heeft.
49
Aan de hand van de door het Hof in het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden (zie punt 44 hierboven), in het bijzonder de voorwaarde inzake de onontbeerlijkheid van de toegang tot de infrastructuur van de onderneming met een machtspositie, kan de bevoegde nationale instantie of rechter in elk concreet geval vaststellen of die onderneming door middel van die infrastructuur een dergelijke stevige greep op de betrokken markt heeft. Die onderneming kan dus uitsluitend worden gedwongen om een concurrent toegang te verlenen tot infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, wanneer die toegang onontbeerlijk is voor de activiteit van die concurrent, oftewel wanneer er geen reëel of potentieel alternatief voor die infrastructuur is.
50
Wanneer een onderneming met een machtspositie toegang tot haar infrastructuur verleent, maar onbillijke voorwaarden stelt voor die toegang, de levering van diensten of de verkoop van producten, zijn de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden daarentegen niet van toepassing. Indien de toegang tot die infrastructuur of zelfs tot een dienst of input onontbeerlijk is voor de concurrenten van de onderneming met een machtspositie om winstgevend actief te zijn op een downstreammarkt, is het ongetwijfeld des te waarschijnlijker dat onbillijke praktijken op die markt ten minste potentieel de mededinging verstoren en misbruik in de zin van artikel 102 VWEU vormen (zie in die zin arresten van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 234, en TeliaSonera, punten 70 en 71). Bij praktijken die geen toegangsweigering vormen, is het ontbreken van die onontbeerlijkheid evenwel als zodanig niet doorslaggevend voor het onderzoek van het potentieel als misbruik aan te merken gedrag van een onderneming met een machtspositie (zie in die zin arrest TeliaSonera, punt 72).
51
Hoewel zulke gedragingen een vorm van misbruik kunnen zijn wanneer zij de mededinging ten minste potentieel kunnen verstoren, of zelfs potentiele uitsluitingseffecten kunnen hebben op de betrokken markten, kunnen zij niet worden gelijkgesteld aan een regelrechte weigering om een concurrent toegang te verlenen tot een infrastructuur, aangezien de bevoegde nationale mededingingsautoriteit of de bevoegde nationale rechter de onderneming met een machtspositie niet zal dwingen om een toegang tot haar infrastructuur te verlenen die reeds verleend is. De maatregelen die in dergelijke gevallen zullen worden genomen, zullen de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie derhalve minder inperken dan de verplichting om toegang te verlenen tot haar infrastructuur die zij uitsluitend voor haar eigen werkzaamheden gebruikte.
52
In die zin heeft het Hof in de punten 75 en 96 van het arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062), reeds geoordeeld dat de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde inzake de onontbeerlijkheid van de toegang, niet van toepassing zijn op misbruik dat bestaat in de uitholling van de marges van concurrerende exploitanten op een downstreammarkt.
53
In dezelfde zin heeft het Hof in punt 58 van het arrest TeliaSonera in wezen geoordeeld dat het onderzoek naar de onontbeerlijkheid van elke gedraging van een onderneming met een machtspositie jegens haar concurrenten systematisch moet plaatsvinden in het licht van de voorwaarden die het Hof heeft uiteengezet in het arrest Bronner, dat betrekking had op een weigering om een dienst te leveren. Het Gerecht heeft in de punten 108 tot en met 110 van het bestreden arrest derhalve terecht geoordeeld dat het Hof in de punten 55 tot en met 58 van het arrest TeliaSonera bij de beoordeling van de gedragingen waarop de voorwaarden van het arrest Bronner niet van toepassing zijn, niet uitsluitend doelde op de bijzondere vorm van misbruik bestaande in de uitholling van de marges van concurrerende exploitanten op een downstreammarkt.
54
In de onderhavige zaak kenmerkt de situatie van ST, zoals in punt 99 van het bestreden arrest is vermeld, zich door het feit dat zij was onderworpen aan een wettelijke verplichting op het gebied van telecommunicatie om toegang te verlenen tot haar aansluitnetwerk. Overeenkomstig het besluit van 8 maart 2005 van de TUSR, dat op 14 juni 2005 door de directeur van die instantie is bevestigd, was ST namelijk als ondernemer met aanmerkelijke marktmacht verplicht om alle redelijke en gerechtvaardigde verzoeken van alternatieve exploitanten om ontbundelde toegang tot haar aansluitnetwerk in te willigen, zodat zij dit netwerk konden gebruik om hun eigen diensten op de retailmassamarkt voor breedbanddiensten op een vaste locatie in Slowakije aan te bieden.
55
Een dergelijke verplichting strookt met de door de Uniewetgever vastgestelde doelstelling om een daadwerkelijke mededinging op de telecommunicatiemarkten te bevorderen. Zoals in de overwegingen 3, 6 en 7 van verordening nr. 2887/2000 staat te lezen, wordt die toegangsverplichting gerechtvaardigd door het feit dat, aangezien de exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht hun lokale aansluitnetwerk gedurende lange tijd hebben kunnen opzetten terwijl zij exclusieve rechten genoten, en hun investeringskosten konden financieren uit de opbrengsten van hun monopoliepositie, het voor nieuwe aanbieders economisch niet haalbaar zou zijn om het lokale aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant te dupliceren, en door het feit dat alternatieve infrastructuren niet kunnen dienen als een goede vervanging voor dat lokale aansluitnetwerk. De ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk stelt nieuwe aanbieders dus in staat om de concurrentie aan te gaan met ondernemers met een aanmerkelijke marktmacht. Zoals het Gerecht in punt 99 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is de in casu door de TUSR opgelegde toegangsverplichting bedoeld om ST en haar concurrenten te stimuleren om te investeren en te innoveren en tegelijkertijd de mededinging op de markt veilig te stellen.
56
Deze wettelijke verplichting gold voor ST gedurende de gehele door de Commissie in het litigieuze besluit in aanmerking genomen inbreukperiode, te weten van 12 augustus 2005 tot 31 december 2010. Naast het feit dat de regelgevende instanties op het gebied van telecommunicatie een dergelijke toegangsverplichting krachtens artikel 8, lid 5, onder f), van richtlijn 2002/21, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, uitsluitend kunnen opleggen wanneer er geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is en zij deze verplichtingen moeten verlichten of opheffen zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan, heeft rekwirante namelijk noch gesteld noch bewezen dat zij heeft betwist dat ST gedurende de inbreukperiode aan die verplichting was onderworpen. Bovendien heeft de Commissie het bestaan van die toegangsverplichting ook in afdeling 5.1 van het litigieuze besluit gemotiveerd en in punt 377 daarvan aangegeven dat zij een eigen ex-postanalyse van de betrokken markten had uitgevoerd, op basis waarvan zij heeft geconcludeerd dat de situatie op die markten gedurende de inbreukperiode in dat opzicht niet aanmerkelijk was veranderd.
57
Naar analogie van hetgeen het Hof in punt 224 van het arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603), waar in punt 97 van het bestreden arrest naar wordt verwezen, reeds heeft aangegeven, moet worden vastgesteld dat een wettelijke verplichting relevant kan zijn voor de beoordeling of het gedrag van een onderneming met een machtspositie waarop een sectorregeling van toepassing is, misbruik vormt in de zin van artikel 102 VWEU. Hoewel in het onderhavige geval de aan ST opgelegde verplichting om toegang tot haar aansluitnetwerk te verlenen, de Commissie niet vrijstelde van het vereiste om het bestaan van misbruik in de zin van artikel 102 VWEU aan te tonen en daarbij met name rekening te houden met de toepasselijke rechtspraak, kon ST vanwege die verplichting gedurende de gehele in casu vastgestelde inbreukperiode niet regelrecht weigeren om toegang te verlenen tot haar aansluitnetwerk en heeft zij dit ook niet gedaan.
58
Ondanks voornoemde wettelijke verplichting behield ST gedurende die periode evenwel de autonomie om over de voorwaarden voor die toegang te beslissen. Met uitzondering van enkele leidende beginselen, was de verplichte inhoud van het referentieaanbod voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2887/2000 namelijk niet voorgeschreven door de regelgeving of de besluiten van de TUSR. Bij de litigieuze praktijken heeft ST van deze beslissingsautonomie gebruikgemaakt.
59
Aangezien de litigieuze praktijken geen weigering vormden om toegang te verlenen tot het aansluitnetwerk van ST, maar betrekking hadden op de voorwaarden voor die toegang, zijn de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner geformuleerde voorwaarden (zie punt 44 hierboven) om de in de punten 45 tot en met 51 van het onderhavige arrest genoemde redenen evenwel niet op de onderhavige zaak van toepassing.
60
Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 101 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, teneinde vast te stellen dat ST door de litigieuze praktijken haar machtspositie had misbruikt, niet hoefde aan te tonen dat de toegang tot het aansluitnetwerk van ST ‘onontbeerlijk’ was in de zin van de laatste voorwaarde zoals geformuleerd in punt 41 van het arrest Bronner.
61
Het eerste middel van de hogere voorziening berust derhalve op een rechtens onjuiste aanname en moet dan ook in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
62
Met haar tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door het door ST gepleegde misbruik van machtspositie aan haar toe te rekenen.
63
Met het eerste onderdeel van het tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht, om het misbruik van ST aan haar toe te rekenen, ten onrechte heeft geoordeeld dat feiten die uitsluitend aantonen dat rekwirante de mogelijkheid had om een beslissende invloed op ST uit te oefenen, ook kunnen worden gebruikt als aanwijzingen dat zij die invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend. Indien wordt aangenomen dat feiten die uitsluitend aantonen dat een moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed uit te oefenen op haar dochteronderneming, volstaan als bewijs voor het feit dat die invloed daadwerkelijk is uitgeoefend, zou dit volgens rekwirante tot gevolg hebben dat elke vorm van onderscheid tussen de mogelijke en de daadwerkelijke uitoefening van die invloed wordt opgeheven en dat het op 100 %-dochterondernemingen rustende vermoeden op een onrechtmatige manier wordt uitgebreid.
64
Dat leidinggevenden van ST ook bij rekwirante leidinggevende functies bekleedden of dat hogere leidinggevenden van rekwirante lid waren van de raad van bestuur van ST (zie de punten 233 en 249 en volgende van het bestreden arrest), dat rekwirante aan ST medewerkers ter beschikking heeft gesteld (zie de punten 280---8211---285 van het bestreden arrest), en dat ST aan rekwirante heeft gerapporteerd over haar commercieel beleid (zie punt 294 van het bestreden arrest), zijn volgens rekwirante derhalve feiten die uitsluitend aantonen dat zij een beslissende invloed op ST kon uitoefenen, en niet dat zij die invloed ook daadwerkelijk heeft uitgeoefend.
65
Voorts stelt rekwirante dat het in punt 63 van het onderhavige arrest bedoelde onderscheid de Commissie niet belet om voor de vaststelling dat er daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend, alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen. Bovendien betwist zij de relevantie van de verwijzing van het Gerecht in het bestreden arrest en van de Commissie in haar memorie van antwoord naar het arrest van 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21), aangezien de zaak die tot dat arrest heeft geleid betrekking had de naleving van besluitvormingsregels binnen een gemeenschappelijke onderneming en niet op de mogelijkheid om een beslissende invloed uit te oefenen. Rekwirante is tevens van mening dat het Hof, anders dan de Commissie in haar memorie van antwoord stelt, in punt 93 van het arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416), niet heeft geoordeeld dat een gegevensuitwisseling een aanwijzing is voor de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed.
66
Met het tweede onderdeel van haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht bij de juridische kwalificatie van de feiten waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, het beginsel volgens hetwelk een beslissende invloed daadwerkelijk dient te zijn uitgeoefend, onjuist heeft toegepast door enkel op grond van het feit dat een beslissende invloed kon worden uitgeoefend te concluderen dat die invloed daadwerkelijk is uitgeoefend. Rekwirante stelt dat het Gerecht niet alleen in de punten van het bestreden arrest waarop het eerste onderdeel van dit middel betrekking heeft, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook in, ten eerste, punt 262 van dat arrest, voor zover het Gerecht rekening heeft gehouden met het feit dat de directie van ST rapporteerde aan de raad van bestuur van rekwirante en dat laatstgenoemde de commerciële strategie van die directie goedkeurde, ten tweede, de punten 273 en 274 van dat arrest, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld de loyaliteitsplicht van de leden van de raad van bestuur jegens de aandeelhouders en het niet-bindende karakter van het aan ST verstrekte advies niet uitsloten dat rekwirante een beslissende invloed had uitgeoefend op ST en, ten derde, in punt 278 van dat arrest, voor zover het Gerecht heeft geoordeeld de vertegenwoordigers van rekwirante in de raad van bestuur van ST op grond van het aandeelhouderspact een beslissende invloed konden uitoefenen op alle zakelijke besluiten van ST. Bovendien betwist rekwirante de door de Commissie tegen het tweede onderdeel van haar tweede middel aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid. Zij stelt dat zij met dat onderdeel niet opkomt tegen de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, maar uitsluitend stelt dat de onjuiste toepassing door het Gerecht van het beginsel van een daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed berust op een onjuiste rechtsopvatting.
67
De Commissie betoogt dat het tweede onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is omdat het de feitelijke vaststellingen van het Gerecht ter discussie stelt en impliceert dat het Hof het bewijs opnieuw beoordeelt. Hoe dan ook is het tweede middel ongegrond omdat de vaststelling dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend, met inachtneming van alle relevante omstandigheden kan worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende gegevens, zoals in casu is gebeurd.
Beoordeling door het hof
68
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het tweede middel zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, het Hof krachtens artikel 256 VWEU enkel bevoegd is om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht overgelegde bewijzen (zie met name arrest van 17 oktober 2019, Alcogroup en Alcodis/Commissie, C-403/18 P, EU:C:2019:870, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Rekwirante heeft in het kader van het tweede middel niet aangevoerd dat het Gerecht de bewijzen die aantonen dat zij aansprakelijk kan worden gesteld voor het gedrag van ST, onjuist heeft opgevat. Het staat niet aan het Hof om de bewijskracht van die bewijzen opnieuw te onderzoeken.
70
Met het tweede onderdeel van dat middel stelt rekwirante echter dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie op grond van bepaalde feiten kon concluderen dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed op ST had uitgeoefend, terwijl die feiten uitsluitend aantonen dat rekwirante de mogelijkheid had om die invloed uit te oefenen. Derhalve heeft het Gerecht volgens rekwirante ten onrechte geoordeeld dat deze feiten aantonen dat zij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST. Met dit onderdeel van het tweede middel verzoekt rekwirante het Hof dus niet om de feiten opnieuw te beoordelen, maar om de juridische kwalificatie ervan door het Gerecht te toetsen.
71
Hieruit volgt dat het tweede onderdeel van het tweede middel ontvankelijk is.
72
Ten gronde zij eraan herinnerd dat de opstellers van de Verdragen ervoor gekozen hebben het begrip ‘onderneming’ te gebruiken ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht die kan worden bestraft krachtens de artikelen 101 en 102 VWEU. Dit autonome Unierechtelijke begrip omvat elke uit personele, materiële en immateriële componenten bestaande entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C-724/17, EU:C:2019:204, punten 29, 36 en 47). Het in de artikelen 101 en 102 VWEU gebruikte begrip ‘onderneming’ ziet dus op een economische eenheid wat betreft het voorwerp van de betrokken mededingingsverstorende praktijk, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke of rechtspersonen gevormd (zie in die zin arresten van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, EU:C:1984:271, punt 11, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, EU:C:2011:620, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Uit die keuze vloeit voort dat, wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor moet dragen (zie in die zin arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, EU:C:2011:620, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat een rechtspersoon in bepaalde omstandigheden hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het mededingingsverstorende gedrag van een andere rechtspersoon die tot die economische entiteit behoort (zie in die zin arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
Zo kan volgens vaste rechtspraak van het Hof het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend onder meer wanneer deze dochteronderneming ondanks het bezit van een eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij gegeven instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten (zie met name arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 58; 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 30, en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie, C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 45). In een dergelijk geval kunnen de door de moedermaatschappij gegeven instructies een vorm van beslissende invloed van de moedermaatschappij op de dochteronderneming opleveren.
75
Om te bepalen of de moedermaatschappij een beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochteronderneming kan uitoefenen, moeten alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij in aanmerking worden genomen en moet dus rekening worden gehouden met de economische realiteit (arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 76, en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie, C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 46).
76
Hoewel door de moedermaatschappij aan haar dochteronderneming gegeven instructies die haar marktgedrag beïnvloeden, kunnen volstaan als bewijs dat die beslissende invloed is uitgeoefend, vormen zij niet het enige bewijs dat in aanmerking kan worden genomen. Het feit dat de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van de dochteronderneming kan ook worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende gegevens, ook al volstaat geen van die gegevens op zichzelf beschouwd om van een dergelijke invloed te kunnen spreken (arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 77, en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie, C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 47).
77
Uit de punten 75 en 76 van het onderhavige arrest blijkt dat het voor de toerekening van de aansprakelijkheid voor het gedrag van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij kan volstaan om te onderzoeken of laatstgenoemde de mogelijkheid had om een beslissende uitvloed op haar dochteronderneming uit te oefenen. Anders dan rekwirante stelt kan de Commissie bij de algemene beoordeling van de situatie derhalve ook rekening houden met een feit dat erop wijst dat de moedermaatschappij een beslissende invloed kan uitoefenen op haar dochteronderneming, wanneer dat feit in het licht van of in samenhang met andere feiten die de situatie kenmerken, onderdeel is van een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen die betrekking hebben op een daadwerkelijke beslissende invloed van de moedermaatschappij op haar dochteronderneming.
78
Rekwirante stelt dan ook ten onrechte dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat feiten waaruit blijkt dat zij een beslissende invloed op ST kon uitoefenen, niet in aanmerking mogen worden genomen als aanwijzingen die bijdragen tot het bewijs dat die invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.
79
Met betrekking tot de vraag of het Gerecht de in de punten 233, 249 tot en met 262, 273, 274, 278, 280 tot en met 285 en 294 van het bestreden arrest uiteengezette bijzondere omstandigheden ten onrechte heeft gekwalificeerd als aanwijzingen dat rekwirante — die een deelneming van 51 % in het kapitaal van ST had — daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST, moet het volgende worden opgemerkt.
80
Met betrekking tot, in de eerste plaats, het in aanmerking nemen van het feit dat hogere leidinggevenden van rekwirante deel uitmaakten van de raad van bestuur van ST, heeft het Gerecht in punt 233 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat voor de beoordeling of de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op haar dochteronderneming, rekening moet worden gehouden met het feit dat leidinggevenden van de moedermaatschappij binnen de dochteronderneming leidinggevende functies bekleedden. Het feit dat zij die leidinggevende functies bij de dochteronderneming bekleedden vormt namelijk een aanwijzing waarmee — indien zij door andere aanwijzingen wordt bevestigd — kan worden aangetoond dat de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op het marktgedrag van haar dochteronderneming.
81
In het onderhavige geval heeft het Gerecht in de punten 250 tot en met 256 van het bestreden arrest onder meer vastgesteld dat R. R. gedurende de inbreukperiode tegelijkertijd lid was van de raad van bestuur van ST en leidinggevende functies bij rekwirante heeft bekleed en dat hij de rekeningen van ST controleerde om die te consolideren op het niveau van het concern Deutsche Telekom. Uit deze punten van het bestreden arrest komt tevens naar voren dat R. R. betrokken was bij het opstellen van de financiële planning en het investeringsbeleid van ST om ervoor te zorgen dat die aansloten bij de doelstellingen van dat concern, en dat hij controleerde of die dochteronderneming in iedere referentieperiode haar eigen financiële doelen haalde. Het Gerecht heeft voorts opgemerkt dat die betrokkenheid van R. R. bij ST noodzakelijkerwijs nauw samenhing met het commercieel beleid van ST.
82
Het Gerecht heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze feitelijke gegevens te beschouwen als aanwijzingen dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST. De combinatie van de functies van R. R. als directeur van rekwirante en lid van de raad van bestuur van ST, alsmede de verschillende taken die hij bij ST had, vormen immers aanwijzingen dat rekwirante betrokken was bij de vaststelling en de controle van het commercieel beleid van ST.
83
Voor zover rekwirante stelt dat het Gerecht in punt 262 van het bestreden arrest bepaalde feiten ten onrechte heeft aangemerkt als aanwijzingen dat zij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST, moet worden vastgesteld dat het door rekwirante betwiste gedeelte uit dit punt, in dat stadium van de argumentatie specifiek betrekking heeft op het door de raad van bestuur van ST op haar directie uitgeoefende toezicht, en niet op het door rekwirante door middel van haar raad van bestuur op ST uitgeoefende toezicht. Voorts heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de verplichting voor de directie van ST om periodiek aan de raad van bestuur verslag uit te brengen over de werkzaamheden en de toestand van ST en haar dochterondernemingen, alsook de bevoegdheid van de raad van bestuur om het door de directie voorbereide bedrijfsplan goed te keuren, aanwijzingen waren voor het feit dat de raad van bestuur van ST toezicht uitoefende op de directie van ST. Anders dan rekwirante stelt, heeft het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest de feiten dus niet juridisch onjuist gekwalificeerd.
84
Voor zover rekwirante kritiek uit op, ten eerste, punt 273 van het bestreden arrest, volgens hetwelk de in het Slowaakse recht geldende loyaliteitsplicht van de leden van de raad van bestuur jegens de aandeelhouders geen juridische belemmering vormt voor een moedermaatschappij die een meerderheidsdeelneming heeft in het aandelenkapitaal van een dochteronderneming, om een beslissende invloed uit te oefenen op het marktgedrag van die dochteronderneming, ten tweede, punt 274 van het bestreden arrest, volgens hetwelk het niet-bindende karakter van de adviesdiensten die rekwirante aan ST verstrekte krachtens de door hen gesloten raamovereenkomst inzake strategische samenwerking, niet uitsloot dat rekwirante een beslissende invloed had uitgeoefend op het commercieel beleid van ST en, ten derde, punt 278 van dat arrest, waarin wordt verwezen naar de door de Commissie in het litigieuze besluit uiteengezette redenen waarom de vertegenwoordigers van rekwirante in de raad van bestuur van ST op grond van het aandeelhouderspact een beslissende invloed konden uitoefenen op alle zakelijke besluiten van ST, daaronder begrepen de goedkeuring van de begroting, moet worden vastgesteld dat rekwirante niet aanvoert dat het Gerecht de in die punten van het bestreden arrest onderzochte feiten onjuist heeft opgevat, zodat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat die aanwezigheid van leidinggevenden van rekwirante in de raad van bestuur van ST een aanwijzing is dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST, zoals het Gerecht met name in de punten 250 tot en met 256 van het bestreden arrest heeft vastgesteld.
85
Met betrekking tot, in de tweede plaats, het feit dat de terbeschikkingstelling van werknemers van rekwirante aan ST is beschouwd als aanwijzing dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST, heeft het Gerecht in punt 285 van het bestreden arrest geoordeeld dat er redelijkerwijs van uit kon worden gegaan dat die medewerkers — hoewel zij gedurende hun detachering bij ST niet meer onder het directe gezag van rekwirante stonden — een gedegen kennis hadden van het beleid en de bedrijfsdoelstellingen van rekwirante en derhalve in een uitstekende positie verkeerden om ervoor te zorgen dat ST in overeenstemming met de belangen van rekwirante handelde. Deze vaststellingen zijn voor de kwalificatie van die terbeschikkingstelling van werknemers als aanwijzing dat rekwirante daadwerkelijk een beslissende invloed op ST heeft uitgeoefend, relevant, aangezien zij moeten worden bezien in samenhang met de door rekwirante niet betwiste vaststellingen van het Gerecht in de punten 281 en 287 van het bestreden arrest, volgens welke de aan ST ter beschikking gestelde hogere leidinggevenden bij ST functies met veel verantwoordelijkheid hebben bekleed waardoor zij het beleid en de bedrijfsdoelstellingen van ST hebben kunnen beïnvloeden, zij gedurende hun detachering bij rekwirante in dienst zijn gebleven en het vervolg van hun loopbaan bij het concern Deutsche Telekom afhing van rekwirante. Bovendien heeft het Gerecht in de punten 374 en 417 van het bestreden arrest feiten uiteengezet die aantonen dat rekwirante via de door haar aan ST ter beschikking gestelde personen op de hoogte kon blijven van de zakelijke besluiten van ST en daarbij betrokken kon zijn.
86
Met betrekking tot, in de derde plaats, de door ST aan rekwirante uitgebrachte verslagen betreft, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 294 van het bestreden arrest te oordelen dat het feit dat een dochteronderneming regelmatig aan haar moedermaatschappij gedetailleerde informatie zendt over haar commercieel beleid, aantoont dat de moedermaatschappij op de hoogte is van het marktgedrag van haar dochteronderneming, waardoor die moedermaatschappij in staat wordt gesteld het commercieel beleid van die dochteronderneming op basis van meer informatie en dus efficiënter te beïnvloeden. Het feit dat een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij moet rapporteren over haar commercieel beleid en haar resultaten kan weliswaar als zodanig geen aanwijzing vormen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend op haar dochteronderneming, maar het kan wel bijdragen tot de onderbouwing van dergelijke aanwijzingen. Het Gerecht heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 294 van het bestreden arrest te oordelen dat het feit dat ST regelmatig informatie aan rekwirante zendt over haar commercieel beleid, samen met andere aanwijzingen kon bijdragen tot het bewijs dat die ondernemingen een economische eenheid vormden.
87
Bijgevolg dient het tweede middel van de hogere voorziening ongegrond te worden verklaard.
Derde middel
Argumenten van partijen
88
Ter ondersteuning van haar derde middel stelt rekwirante dat voor de toerekening van een inbreuk van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij volgens de rechtspraak ter zake van het Hof en het in het arrest van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C-286/98 P, EU:C:2000:630), geformuleerde vermoeden, moet zijn voldaan aan vier cumulatieve voorwaarden: ten eerste moet de moedermaatschappij over de mogelijkheid beschikken om een beslissende invloed uit te oefenen, ten tweede moet de moedermaatschappij die beslissende invloed daadwerkelijk hebben uitgeoefend, ten derde moet de dochteronderneming als gevolg daarvan haar marktgedrag niet zelfstandig hebben bepaald en ten vierde moet de dochteronderneming hoofdzakelijk de instructies van de moedermaatschappij hebben gevolgd. Volgens rekwirante is deze laatste voorwaarde bedoeld om te toetsen of de door de moedermaatschappij uitgeoefende beslissende invloed relevant is en vormt zij een uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel. Het zou onevenredig zijn om een moedermaatschappij een geldboete op te leggen voor een door een van haar dochterondernemingen gepleegde inbreuk wanneer die moedermaatschappij niet op een wezenlijke manier een beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming en laatstgenoemde hoofdzakelijk geen instructies van haar moedermaatschappij volgt.
89
In casu heeft het Gerecht evenwel niet vastgesteld dat ST instructies van rekwirante had ontvangen en deze hoofdzakelijk had gevolgd. Volgens rekwirante heeft het Gerecht genoegen genomen met de vaststelling, in punt 470 van het bestreden arrest, dat een zekere zelfstandigheid van de dochteronderneming niet onverenigbaar is met het feit dat die dochteronderneming tot dezelfde economische eenheid behoort als haar moedermaatschappij en, in punt 471 van dat arrest, dat de algemene strategie van ST op de Slowaakse telecommunicatiemarkt was vastgelegd door rekwirante. Wat die tweede vaststelling betreft, wijst rekwirante erop dat zij niet wordt gestaafd door de punten 237 tot en met 464 van het bestreden arrest, waarnaar het Gerecht in punt 471 van dat arrest verwijst. Volgens haar heeft het Gerecht in die punten enkel aanwijzingen voor de uitoefening door rekwirante van een beslissende invloed op ST opgesomd, zonder vast te stellen dat zij enige concrete instructie aan ST had verstrekt.
90
Het Gerecht heeft volgens rekwirante dan ook niet vastgesteld dat in het onderhavige geval was voldaan aan de voorwaarden van het beginsel voor vaststelling van de toerekenbaarheid.
91
Daarnaast stelt rekwirante dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door niet uiteen te zetten om welke redenen het heeft geoordeeld dat ST hoofdzakelijk haar instructies had gevolgd.
92
De Commissie is in wezen van mening dat het Gerecht zijn motiveringsplicht wel is nagekomen en geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting bij de toerekening van de inbreuk van ST aan rekwirante, aangezien ST haar marktgedrag niet onafhankelijk van rekwirante bepaalde.
Beoordeling door het hof
93
Anders dan rekwirante stelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat voor de toerekening van het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij aan de vier in punt 88 van het onderhavige arrest opgenomen voorwaarden moet zijn voldaan.
94
Zoals blijkt uit punt 72 van het onderhavige arrest, is de mogelijkheid om het mededingingsverstorende gedrag van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij toe te rekenen, een van de gevolgen van de keuze van de opstellers van de Verdragen om het begrip ‘onderneming’ te gebruiken ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht die kan worden bestraft op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU. Deze rechtspersonen kunnen namelijk als het gaat om het voorwerp van de in die bepalingen bedoelde mededingingsverstorende gedragingen als een economische eenheid worden beschouwd wanneer de moedermaatschappij controle uitoefent op het marktgedrag van haar dochteronderneming, die de inbreuk op die bepalingen heeft gepleegd. In deze omstandigheden kan het feit dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in formele zin van elkaar gescheiden zijn omdat zij twee verschillende rechtspersonen zijn, er niet aan in de weg staan dat hun marktgedrag voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU als een eenheid wordt opgevat (zie in die zin arrest van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie, 48/69, EU:C:1972:70, punt 140).
95
Zoals de advocaat-generaal in punt 156 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de Commissie die controle van de moedermaatschappij op het marktgedrag van die dochteronderneming bewijzen door ofwel aan te tonen dat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend (zie in zie zin arresten van 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie, C-179/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:605, punt 55, en 26 september 2013, EI du Pont de Nemours/Commissie, C-172/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:601, punt 44), ofwel het bewijs te leveren dat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C-457/16 P en C-459/16 P-C-461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96
Deze twee wegen waarlangs het bestaan van die controle kan worden aangetoond zijn niet cumulatief, maar alternatief en dus gelijkwaardig. Dat de dochteronderneming de door haar moedermaatschappij verstrekte instructies op de door de betrokken mededingingsverstorende praktijken geraakte markt volgt, kan hooguit worden beschouwd als een potentiele vorm van beslissende invloed die de moedermaatschappij op haar dochteronderneming uitoefent en niet, zoals rekwirante stelt, als een aanvullende voorwaarde ten aanzien waarvan de Commissie moet aantonen dat die vervuld is om het gedrag van die dochteronderneming aan haar moedermaatschappij te kunnen toerekenen.
97
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 470 en 471 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat rekwirante en ST gedurende de inbreukperiode een economische eenheid vormden, aangezien er gelet op de in de punten 237 tot en met 464 van het bestreden arrest opgenomen gegevens van moet worden uitgegaan dat rekwirante een beslissende invloed heeft uitgeoefend op ST, doordat zij de algemene marktstrategie van ST bepaalde. Om de door ST gepleegde inbreuk aan rekwirante toe te rekenen, hoefde de Commissie niet aan te tonen dat ST bovendien hoofdzakelijk de instructies van rekwirante volgde.
98
Ten slotte zij er met betrekking tot de stelling van rekwirante dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit de motivering van een arrest duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van het Gerecht moet blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arrest van 11 juli 2013, Gosselin Group/Commissie, C-429/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:463, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99
In het onderhavige geval blijken de redenen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat het als misbruik aangemerkte gedrag van ST aan rekwirante kon worden toegerekend, duidelijk en ondubbelzinnig uit de punten 227 tot en met 473 van het bestreden arrest. Die redenen hebben rekwirante in staat gesteld om ze voor het Hof betwisten en het Hof om zijn rechterlijke controle uit te oefenen. De aan een gebrekkige motivering ontleende grief is dan ook ongegrond.
100
Gelet op het voorgaande dient het derde middel ongegrond te worden verklaard.
Vierde middel
Argumenten van partijen
101
Rekwirante meent dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 144 van het bestreden arrest te oordelen dat haar recht om te worden gehoord met betrekking tot de berekening van de uitholling van de marges niet was geschonden.
102
Rekwirante stelt dat de Commissie haar tijdens de bijeenkomst van 29 september 2014 drie nieuwe gegevens heeft voorgelegd, namelijk, ten eerste, nieuwe cijfers met betrekking tot de berekening van de uitholling van de marges van ST, ten tweede, het feit dat de marge voor 2005 positief was op basis van een berekening van de marge per jaar en, ten derde, het voornemen van de Commissie om bij de berekening van de marges eveneens meerdere jaren in aanmerking te nemen en aldus ook voor 2005 een negatieve marge vast te stellen. Volgens rekwirante heeft het Gerecht de relevantie van de laatste twee nieuwe gegevens voor het litigieuze besluit erkend, aangezien het Gerecht het in eerste aanleg door rekwirante aangevoerde tweede middel op grond van die gegevens in de punten 198 tot en met 221 van het bestreden arrest gedeeltelijk heeft toegewezen.
103
Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, stelt rekwirante dat de termijn van in totaal 36 uur die haar was toegekend om haar standpunt over die nieuwe gegevens, die aldus in het litigieuze besluit in aanmerking zijn genomen, kenbaar te maken, haar niet de mogelijkheid heeft gegeven om haar standpunt naar behoren kenbaar te maken. Rekwirante betwist ook dat ervan kan worden uitgegaan dat zij vóór de bijeenkomst van 29 september 2014 al op de hoogte was van die gegevens omdat ST deze aan haar had verschaft.
104
De Commissie stelt dat het vierde middel niet-ontvankelijk is omdat rekwirante heeft aangevoerd noch aangetoond dat het Gerecht de feiten op grond waarvan het heeft geoordeeld dat rekwirante al op de hoogte was van de tijdens de bijeenkomst van 29 september 2014 besproken gegevens, onjuist heeft opgevat. Daarnaast is het door rekwirante voor het eerst in repliek aangevoerde argument dat het feit dat ST ervan op de hoogte was, niet betekent dat rekwirante dit ook was, volgens de Commissie niet-ontvankelijk. Ten slotte meent de Commissie dat het vierde middel ongegrond is, met name omdat zij partijen de gelegenheid heeft gegeven om tijdens de bijeenkomst van 29 september 2014 en gedurende een korte tijd daarna hun standpunt kenbaar te maken.
Beoordeling door het hof
105
De rechten van de verdediging zijn fundamentele rechten die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (arrest van 25 oktober 2011, Solvay/Commissie, C-109/10 P, EU:C:2011:686, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit algemene beginsel van Unierecht is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a) en b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en is van toepassing wanneer de overheid voornemens is ten opzichte van een bepaalde persoon een bezwarend besluit vast te stellen (zie in die zin arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service, C-265/17 P, EU:C:2019:23, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106
Op het gebied van het mededingingsrecht verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de adressaat van een besluit waarin wordt vastgesteld dat hij een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, tijdens de administratieve procedure in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de hem verweten feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd (zie in die zin arresten van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C-448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 41, en 14 september 2017, LG Electronics en Koninklijke Philips Electronics/Commissie, C-588/15 P en C-622/15 P, EU:C:2017:679, punt 43).
107
In casu heeft het Gerecht in punt 144 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging van rekwirante niet had geschonden door haar slechts een korte termijn te verlenen om haar opmerkingen over de haar tijdens de informatiebijeenkomst van 29 september 2014 meegedeelde nieuwe gegevens in te dienen. Het Gerecht heeft immers geoordeeld dat die korte termijn rekwirante niet de gelegenheid heeft ontnomen om naar behoren te worden gehoord, gelet op het feit dat de bijeenkomst van 29 september 2014 plaatsvond in een vergevorderd stadium van de administratieve procedure en er redelijkerwijs van kon worden uitgegaan dat rekwirante op dat moment een gedegen kennis had van het dossier.
108
Voorts komt uit dat punt van het bestreden arrest uitdrukkelijk naar voren dat de overwegingen van het Gerecht in dat punt ten overvloede zijn gegeven. In de punten 123 tot en met 143 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ten principale in wezen vastgesteld dat de betrokken gegevens, waarvan rekwirante tijdens de informatiebijeenkomst van 29 september 2014 in kennis was gesteld, voortvloeiden uit het feit dat de Commissie rekening hield met data, berekeningen en methodologische bezwaren die ST zelf voorafgaand aan die bijeenkomst had aangevoerd.
109
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat grieven tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht niet tot vernietiging van dat arrest kunnen leiden en derhalve niet ter zake dienend zijn (zie in die zin arresten van 6 september 2017, Intel/Commissie, C-413/14 P, EU:C:2017:632, punt 105, en 17 oktober 2019, Alcogroup en Alcodis/Commissie, C-403/18 P, EU:C:2019:870, punt 52). Het vierde middel in hogere voorziening is derhalve niet ter zake dienend.
110
Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de stelling van rekwirante dat niet zij, maar ST voorafgaand aan de bijeenkomst van 29 september 2014 op de hoogte was van de betrokken nieuwe factoren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof blijkt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de hem overgelegde bewijzen te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van de bewijsstukken levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (arrest van 9 november 2017, TV2/Danmark/Commissie, C-649/15 P, EU:C:2017:835, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het is eveneens vaste rechtspraak dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 12 juli 2012, Cetarsa/Commissie, C-181/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:455, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111
Rekwirante heeft gesteld noch aangetoond dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat door in de punten 18 en 21 van het bestreden arrest te oordelen dat ST en rekwirante allebei hadden geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar en de brief met een uiteenzetting van de feiten. Bovendien heeft rekwirante niet gesteld en evenmin aangetoond dat het Gerecht in de punten 133, 138 en 139 van het bestreden arrest de feiten onjuist heeft opgevat door te oordelen, ten eerste, dat de Commissie in het litigieuze besluit haar beoordeling inzake de uitholling van de marges niet had gewijzigd door ST en rekwirante feiten ten laste te leggen waarover zij zich niet hadden kunnen uitspreken, en, ten tweede, dat de meerjarige analyse voor de vaststelling dat er sprake was van een uitholling van de marges, in het litigieuze besluit in aanmerking was genomen in antwoord op het bezwaar — waarmee rekwirante het eens was — dat door ST was geformuleerd in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, zodat de meerjarige analyse niet tot gevolg heeft gehad dat aan rekwirante en ST feiten ten laste zijn gelegd waarover zij zich niet hebben kunnen uitspreken.
112
Derhalve moet de beoordeling door het Gerecht dat rekwirante en ST vóór de bijeenkomst van 29 september 2014 op de hoogte waren van de door de Commissie in aanmerking genomen nieuwe gegevens, worden beschouwd als een vaststaand feit. Dat feit staaft de in punt 109 van het onderhavige arrest opgenomen beoordeling.
113
Gelet op alle voorgaande overwegingen, dient het vierde middel ongegrond te worden verklaard.
Verzoek dat een eventueel gunstige uitspraak wordt uitgebreid tot rekwirante
114
Rekwirante verzoekt dat een mogelijke toewijzing van het door ST ter ondersteuning van haar hogere voorziening in zaak C-165/19 P tegen het arrest van het Gerecht van 13 december 2018, Slovak Telekom/Commissie (T-851/14, EU:T:2018:929), aangevoerde middel waarmee zij stelt dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van de gemiddelde marginale langetermijnkosten ten bewijze dat er sprake was van een onrechtmatige uitholling van de marges door ST, wordt uitgebreid tot rekwirante. Ter ondersteuning van dat verzoek stelt rekwirante dat zij voor het Gerecht een middel met hetzelfde voorwerp heeft aangevoerd en dat in casu is voldaan aan de door het Hof in het arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29), opgesomde voorwaarden.
115
De Commissie meent dat dit verzoek moet worden afgewezen, aangezien het geen middel in hogere voorziening is, in het onderhavige geval niet aan alle in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden is voldaan en het door ST ter ondersteuning van die hogere voorziening aangevoerde middel hoe dan ook moet worden afgewezen.
116
Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen dat het Hof in het arrest van vandaag, Slovak Telekom/Commissie (C-165/19 P), de hogere voorziening van ST in die zaak heeft afgewezen, zodat het verzoek van rekwirante zonder voorwerp is geraakt en dus niet ter zake dienend is.
117
Derhalve dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
118
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
119
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
120
Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Deutsche Telekom AG draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑03‑2021
Uitspraak 25‑03‑2021
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededinging — Artikel 102 VWEU — Misbruik van machtspositie — Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten — Wettelijke verplichting voor exploitanten die over een aanmerkelijke macht beschikken om toegang tot het aansluitnetwerk te verlenen — Door de gevestigde exploitant vastgestelde voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk voor andere exploitanten — Onontbeerlijkheid van de toegang — Uitholling van marges — Kosten — Concurrent die minstens even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie — Rechten van de verdediging’
A. Prechal, K. Lenaerts, N. Wahl, F. Biltgen, L. S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-165/19 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 22 februari 2019,
Slovak Telekom a.s., gevestigd te Bratislava (Slowakije), vertegenwoordigd door D. Geradin, avocat, en R. O'Donoghue, QC,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Farley, M. Kellerbauer, L. Malferrari, C. Vollrath en L. Wildpanner als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Slovanet a.s., gevestigd te Bratislava, vertegenwoordigd door P. Tisaj, advokát,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Wahl, F. Biltgen en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 juni 2020,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 september 2020,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening vordert Slovak Telekom a.s., ten eerste, de gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 december 2018, Slovak Telekom/Commissie (T-851/14, EU:T:2018:929; hierna: ‘bestreden arrest’), houdende gedeeltelijke verwerping van haar beroep tot nietigverklaring van besluit C(2014) 7465 final van de Commissie van 15 oktober 2014 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39523 — Slovak Telekom), zoals gerectificeerd bij besluit C(2014) 10119 final van de Commissie van 16 december 2014 en bij besluit C(2015) 2484 final van de Commissie van 17 april 2015 (hierna: ‘litigieus besluit’), ten tweede, de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en, ten derde, subsidiair, de intrekking of verlaging van de bij dat besluit aan rekwirante opgelegde geldboete.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 2887/2000
2
In de overwegingen 3, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk (PB 2000, L 336, blz. 4), stond te lezen:
- ‘(3)
Onder het ‘aansluitnetwerk’ worden de metalen aderparen in het vaste openbare telefoonnetwerk verstaan die het netwerkaansluitpunt in de ruimten van de klant verbinden met de hoofdverdeler of een gelijkwaardige voorziening. Zoals opgemerkt in het vijfde verslag van de [Europese] Commissie over de tenuitvoerlegging van het pakket telecommunicatieregelgeving is het lokaletoegangsnetwerk nog steeds een van de onderdelen van de geliberaliseerde telecommunicatiemarkt waar de minste concurrentie bestaat. Nieuwe aanbieders beschikken niet over wijdverbreide alternatieve netwerkinfrastructuren en zijn niet in staat om met traditionele technologieën de schaalvoordelen en de dekkingsgraad te evenaren van exploitanten die zijn aangemeld als beschikkende over een aanmerkelijke marktmacht op de markt van vaste openbare telefoonnetwerken. Dit is het gevolg van het feit dat de exploitanten hun oude, metalen, lokale toegangsinfrastructuur hebben opgezet terwijl zij exclusieve rechten genoten, hetgeen zeer lang heeft geduurd, zodat zij investeringskosten konden financieren uit de opbrengsten van hun monopoliepositie.
[…]
- (6)
Het zou voor nieuwe aanbieders economisch niet haalbaar zijn om de metalen lokale toegangsinfrastructuur van de gevestigde exploitant volledig en binnen redelijke tijd te dupliceren. Alternatieve infrastructuren, zoals kabeltelevisie, satellieten en draadloze aansluitnetten, bieden vooralsnog over het algemeen niet dezelfde functionaliteit of dekkingsgraad, hoewel de situaties in de lidstaten kunnen verschillen.
- (7)
De ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk stelt nieuwe aanbieders in staat om de concurrentie aan te gaan met de aangemelde exploitanten, door het aanbieden van snelle datatransmissiediensten voor een permanente internettoegang en multimediatoepassingen op basis van ‘digital subscriber line’-technologie (DSL), alsmede van spraaktelefoniediensten. Een redelijk verzoek om ontbundelde toegang impliceert dat de toegang noodzakelijk is voor het verlenen van de diensten van de ontvanger en dat een afwijzing van het verzoek de concurrentie in deze sector verhindert, beperkt of verstoort.’
3
Artikel 1 (‘Doel en toepassingsgebied’) van deze verordening bepaalde:
- ‘1.
Doel van deze verordening is, door middel van geharmoniseerde voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk, de concurrentie op de lokaletoegangsmarkt te intensiveren en de technologische innovatie aldaar te stimuleren, om aldus te bevorderen dat in een concurrerend klimaat een breed scala van elektronische communicatiediensten wordt aangeboden.
- 2.
Deze verordening is van toepassing op de ontbundelde toegang tot de aansluitnetwerken en bijbehorende faciliteiten van aangemelde exploitanten als omschreven in artikel 2, onder a).
[…]’
4
Artikel 2 van deze verordening bevatte de volgende definities:
‘[…]
- a)
‘aangemelde exploitant’: exploitanten van vaste openbare telefoonnetwerken die door de nationale regelgevende instantie zijn aangemeld als beschikkende over een aanmerkelijke marktmacht op de markt van de levering van vaste openbare telefoonnetwerken […];
[…]
- c)
‘aansluitnetwerk’: de metalen aderparen die het netwerkaansluitpunt in de ruimte van de klant verbinden met de hoofdverdeler of gelijkwaardige voorziening in het vaste openbare telefoonnetwerk;
[…]’
5
Artikel 3 van verordening nr. 2887/2000 luidde als volgt:
- ‘1.
De aangemelde exploitanten publiceren per 31 december 2000 een referentieaanbod voor de ontbundelde toegang tot hun aansluitnetwerken en bijbehorende faciliteiten dat ten minste de in de bijlage genoemde punten bevat, en werken dit regelmatig bij. Het aanbod is in voldoende mate ontbundeld, zodat de ontvanger niet hoeft te betalen voor onderdelen of faciliteiten van het netwerk die niet nodig zijn om zijn diensten te verlenen, en bevat een beschrijving van de verschillende onderdelen en de respectieve voorwaarden en tarieven.
- 2.
Per 31 december 2000 willigen de aangemelde exploitanten elk redelijk verzoek van een ontvanger om ontbundelde toegang tot hun aansluitnetwerk en bijhorende faciliteiten in, onder transparante, billijke en niet-discriminerende voorwaarden. Een verzoek kan alleen worden afgewezen op grond van objectieve criteria die betrekking hebben op de technische haalbaarheid of de noodzaak om de integriteit van het netwerk te handhaven. […] De aangemelde exploitanten leveren aan de ontvangers faciliteiten die gelijkwaardig zijn aan die welke zij aan hun eigen diensten of hun geassocieerde ondernemingen leveren, en dit volgens dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde termijnen.
[…]’
6
Verordening nr. 2887/2000 is met ingang van 19 december 2009 ingetrokken overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB 2009, L 337, blz. 37).
Richtlijn 2002/21
7
Artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, bepaalt:
‘[…]
- 2.
De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- b)
zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is;
[…]
- 5.
Bij het nastreven van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beleidsdoelstellingen passen de nationale regelgevende instanties objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en proportionele regelgevingsbeginselen toe, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- f)
zij leggen regelgevende verplichtingen ex ante uitsluitend daar op waar geen effectieve en duurzame concurrentie is en zij verlichten de verplichtingen of heffen deze op zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan.’
Voorgeschiedenis van het geding
8
De voorgeschiedenis van het geding, zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 53 van het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.
9
Rekwirante is de gevestigde telecomexploitant in Slowakije. In de periode van 12 augustus 2005 tot en met 31 december 2010 had Deutsche Telekom AG (hierna: ‘DT’), de gevestigde telecomexploitant in Duitsland en moedermaatschappij van het Deutsche Telekom-concern, een deelneming van 51 % in het kapitaal van rekwirante.
10
Rekwirante had tot het jaar 2000 een wettelijk monopolie op de Slowaakse telecommarkt en is de grootste telecomexploitant en leverancier van breedbandtoegang in Slowakije. Het kopernetwerk en het mobiele netwerk van rekwirante beslaan bijna het volledige Slowaakse grondgebied.
11
Na de markt te hebben geanalyseerd, heeft de Slowaakse regelgevende instantie op het gebied van telecommunicatie (hierna: ‘TUSR’) rekwirante in 2005 aangewezen als exploitant die over een aanmerkelijke macht beschikt op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk in de zin van verordening nr. 2887/2000.
12
Op grond hiervan heeft de TUSR rekwirante verplicht om alle redelijke en gerechtvaardigde verzoeken om ontbundelde toegang tot haar aansluitnetwerk in te willigen, zodat alternatieve exploitanten gebruik konden maken van dit netwerk om hun eigen diensten aan te bieden op de retailmassamarkt voor breedbandinternetdiensten vanaf een vaste locatie in Slowakije. Om deze verplichting na te komen, heeft rekwirante haar referentieaanbod voor ontbundeling — met daarin de contractuele en technische voorwaarden voor toegang tot haar aansluitnetwerk — gepubliceerd.
13
De Commissie heeft ambtshalve een onderzoek uitgevoerd naar onder meer de voorwaarden voor de ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk van rekwirante en heeft op respectievelijk 7 en 8 mei 2012 een mededeling van punten van bezwaar aan rekwirante en DT doen toekomen. Na een voorstel van toezeggingen, verschillende briefwisselingen en bijeenkomsten, heeft de Commissie op 15 oktober 2014 het litigieuze besluit vastgesteld.
14
In dit besluit heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de onderneming die door rekwirante en DT werd gevormd, gedurende de periode van 12 augustus 2005 tot en met 31 december 2010 één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) heeft gepleegd met betrekking tot breedbandinternetdiensten in Slowakije.
15
Zij heeft in het bijzonder opgemerkt dat het aansluitnetwerk van rekwirante, dat na de ontbundeling van de betrokken lijnen van deze exploitant kon worden gebruikt om breedbandinternetdiensten aan te bieden, in de periode 2005---8211---2010 75,7 % van alle Slowaakse huishoudens dekte. In die periode is slechts voor enkele aansluitnetten van ST de toegang ontbundeld, met name sinds 18 december 2009, en hiervan is slechts gebruikgemaakt door één alternatieve exploitant, namelijk om retaildiensten voor supersnel internet aan ondernemingen te leveren.
16
Volgens de Commissie bestond de inbreuk die de door rekwirante en DT gevormde onderneming heeft gepleegd uit, ten eerste, het onthouden aan de alternatieve exploitanten van de netwerkinformatie die nodig is voor de ontbundeling van de aansluitnetten, ten tweede, de beperking van de omvang van de verplichtingen van rekwirante ten aanzien van de ontbundeling van de aansluitnetten, ten derde, de vaststelling van onbillijke ontbundelingsvoorwaarden in het referentieaanbod van rekwirante met betrekking tot colocatie, kwalificatie, prognoses, reparaties en bankgaranties en, ten vierde, de toepassing van onbillijke tarieven waardoor een even efficiënte exploitant als rekwirante die gebruikmaakt van de wholesaletoegang tot de ontbundelde aansluitnetten van ST niet in staat was de door ST aangeboden retaildiensten te repliceren zonder verlies te lijden.
17
In het litigieuze besluit heeft de Commissie wegens die inbreuk een hoofdelijke geldboete van 38 838 000 EUR opgelegd aan rekwirante en DT en een geldboete van 31 070 000 EUR opgelegd aan DT.
Procedure bij het gerecht en bestreden arrest
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 december 2014, heeft rekwirante beroep ingesteld dat primair strekte tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover dit haar betrof, en, subsidiair, tot verlaging van de haar opgelegde geldboete.
19
Tot staving van haar beroep voerde rekwirante vijf middelen aan. Ten eerste heeft de Commissie blijk gegeven van kennelijk onjuiste beoordelingen en kennelijk onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 102 VWEU. Ten tweede heeft zij rekwirantes rechten van verdediging geschonden met betrekking tot de beoordeling van de praktijk die tot de uitholling van de marges heeft geleid. Ten derde heeft de Commissie fouten gemaakt bij de vaststelling van de marge-uitholling. Ten vierde heeft zij blijk gegeven van kennelijk onjuiste beoordelingen en kennelijk onjuiste rechtsopvattingen toen zij tot de slotsom kwam dat rekwirante met DT één onderneming vormde en dat beide ondernemingen verantwoordelijk waren voor de betrokken inbreuk. Ten vijfde en subsidiair heeft de Commissie fouten gemaakt bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete.
20
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht alle door rekwirante aangevoerde middelen afgewezen, met uitzondering van het derde middel, dat het gedeeltelijk heeft aanvaard op grond dat de Commissie niet had bewezen dat rekwirante tussen 12 augustus en 31 december 2005 de praktijk had toegepast die tot een uitholling van de marges had geleid. Het Gerecht heeft derhalve het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard en het bedrag van de geldboete waarvoor DT en rekwirante hoofdelijk aansprakelijk waren verklaard, vastgesteld op 38 061 963 EUR. Het heeft het beroep verworpen voor het overige.
21
In het bijzonder verweet rekwirante met haar eerste middel, dat vijf grieven bevatte, de Commissie — in de eerste en de vijfde grief — met name dat zij volgende gedragingen van rekwirante had aangemerkt als een weigering om toegang te verlenen tot haar aansluitnetwerk: ten eerste, het onthouden aan de alternatieve exploitanten van de voor de ontbundeling van haar aansluitnetwerk benodigde netwerkinformatie (punten 431-534 van het litigieuze besluit), ten tweede, het beperken van de uit het toepasselijke regelgevingskader voortvloeiende verplichtingen inzake ontbundeling (punten 535-651 van het litigieuze besluit) en, ten derde, het opnemen van verschillende oneerlijke clausules en voorwaarden in haar referentieaanbod voor ontbundeling (punten 655-819 van het litigieuze besluit), zonder vooraf te zijn nagegaan of een dergelijke toegang onontbeerlijk was in de zin van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C-7/97, EU:C:1998:569; hierna: ‘arrest Bronner’). In de punten 107 tot en met 129 van het bestreden arrest heeft het Gerecht deze grieven afgewezen door in wezen te oordelen dat in het in casu toepasselijke regelgevingskader was erkend dat toegang tot het aansluitnetwerk van rekwirante noodzakelijk was om het ontstaan en het ontwikkelen van een daadwerkelijke mededinging op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten mogelijk te maken, zodat de Commissie niet langer hoefde aan te tonen dat die toegang onontbeerlijk was.
22
Met de tweede grief van het eerste middel betoogde rekwirante dat het litigieuze besluit in strijd was met de leer van het arrest van 9 september 2009, Clearstream/Commissie (T-301/04, EU:T:2009:317), omdat het de voorwaarden van het arrest Bronner niet had toegepast. Het Gerecht heeft deze grief in de punten 138 tot en met 140 van het bestreden arrest verworpen op grond dat de bij het Gerecht aanhangige zaak niet vergelijkbaar was met die welke tot dat arrest had geleid.
23
Met de derde grief van het eerste middel voerde rekwirante aan dat hoewel in geval van een impliciete weigering om toegang te verlenen niet hoefde te worden nagegaan of de toegang onontbeerlijk was in de zin van de door het Hof in de zaak Bronner gestelde voorwaarden, het gemakkelijker is om aan te tonen dat er sprake is van een impliciete weigering om toegang te verlenen dan van een regelrechte weigering om toegang te verlenen. Het Gerecht heeft deze grief in de punten 133 tot en met 135 van het bestreden arrest verworpen met het argument dat de ernst van een inbreuk kon afhangen van talrijke factoren die losstaan van de expliciete of impliciete aard van de weigering, zodat rekwirante zich niet op de vorm van een inbreuk kon baseren om de ernst ervan te beoordelen.
24
De vierde grief van het eerste middel, waarmee werd aangevoerd dat de Commissie feitelijk en rechtens had gedwaald ten aanzien van de rechtvaardigingsgronden die zij had aangevoerd om af te wijken van de voorwaarden van het arrest Bronner — namelijk dat deze voorwaarden niet van toepassing zijn wanneer het betrokken net zijn historische oorsprong vindt in een staatsmonopolie —, is door het Gerecht in de punten 153 en 154 van het bestreden arrest verworpen op grond van vaste rechtspraak volgens welke het bestaan van een uit een wettelijk monopolie voortvloeiende machtspositie in aanmerking moet worden genomen in het kader van de toepassing van artikel 102 VWEU.
25
Met haar tweede middel betoogde rekwirante met name dat haar rechten van verdediging waren geschonden doordat zij niet door de Commissie was gehoord over de methode, de beginselen en de gegevens die deze instelling had gebruikt voor de berekening van de ‘gemiddelde marginale langetermijnkosten’ (long run average incremental costs; hierna: ‘LRAIC’), op basis waarvan moest worden vastgesteld in hoeverre zij haar marges had uitgehold. Het Gerecht heeft dit middel verworpen en met name in de punten 186 tot en met 192 en 209 van het bestreden arrest overwogen dat de Commissie rekwirante naar behoren in kennis had gesteld van haar berekeningsmethode en -beginselen en dat zij niet verplicht was om haar definitieve berekeningen van de marges mee te delen alvorens rekwirante het litigieuze besluit te doen toekomen.
26
Met haar derde middel betoogde rekwirante dat de Commissie de praktijk die tot de marge-uitholling had geleid, niet correct had vastgesteld, met name omdat zij bij de berekening van de LRAIC geen rekening had gehouden met haar optimaliseringsaanpassingen. Het Gerecht heeft dit middel in de punten 223 tot en met 239 van het bestreden arrest verworpen en in wezen verklaard dat de afwijzing van de door rekwirante voorgestelde optimaliseringsaanpassingen gerechtvaardigd was. Had de Commissie deze aanpassingen wel in aanmerking genomen, dan zou bij de berekening van de marge-uitholling ten onrechte zijn afgeweken van de kosten die rekwirante zelf tijdens de inbreukperiode had gemaakt.
Conclusie van partijen
27
Met haar hogere voorziening verzoekt rekwirante het Hof:
- —
het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
- —
het litigieuze besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren;
- —
subsidiair, de haar opgelegde geldboete in te trekken of het bedrag ervan verder te verlagen, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure in eerste aanleg.
28
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen, en
- —
rekwirante te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
29
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan. Met haar eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen omdat het de door rekwirante toegepaste beperkingen van de toegang tot haar aansluitnetwerk heeft gekwalificeerd als misbruik van machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU. Het tweede middel is ontleend aan schending van haar rechten van verdediging bij de beoordeling of er sprake was van marge-uitholling. Met het derde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling of er sprake was van marge-uitholling.
30
Voorts verzoekt rekwirante dat de toewijzing van de middelen die DT heeft aangevoerd in de verwante zaak C-152/19 P betreffende de hogere voorziening die DT heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 13 december 2018, Deutsche Telekom/Commissie (T-827/14, EU:T:2018:930), waarmee DT betwist dat zij met rekwirante één onderneming vormde, wordt uitgebreid tot rekwirante.
Eerste middel
Argumenten van partijen
31
Met haar eerste middel, dat uit vijf onderdelen bestaat, betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie, om aan te tonen dat rekwirante haar machtspositie had misbruikt in de zin van artikel 102 VWEU door de toegang tot haar aansluitnetwerk te beperken, niet hoefde te bewijzen dat die toegang onontbeerlijk was voor de uitoefening van de activiteit van de betrokken marktdeelnemers in de zin van het arrest Bronner, omdat op haar reeds een wettelijke verplichting rustte om toegang tot haar aansluitnetwerk te verlenen.
32
Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht, door in punt 121 van het bestreden arrest te oordelen dat de voorwaarden van het arrest Bronner in casu niet van toepassing waren, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het verschil tussen de controle achteraf op grond van artikel 102 VWEU, die ertoe strekt een einde te maken aan misbruiken, en de controle vooraf door een regelgevende instantie voor de telecommunicatiesector, die ertoe strekt specifieke vormen van mededinging te bevorderen. Bovendien zijn de relevante markten niet identiek. De wettelijke verplichting om toegang te verlenen heeft betrekking op het onontbeerlijke karakter van de toegang tot de wholesalemarkt voor toegang tot het ontbundelde aansluitnetwerk, terwijl het door de Commissie vastgestelde misbruik betrekking had op een veel ruimere retailmarkt dan die voor diensten op basis van het aansluitnetwerk, waarvoor niet was aangetoond dat de toegang tot het aansluitnetwerk onontbeerlijk was. Ten slotte stelt rekwirante dat de overweging dat schending van een wettelijke verplichting automatisch schending van artikel 102 VWEU oplevert, berust op een onjuiste uitlegging van die bepaling, welke uitlegging strenger is en tot gevolg heeft dat een onderneming met een machtspositie waarvoor een reeds bestaande wettelijke voorwaarde geldt, anders wordt behandeld.
33
Met het tweede onderdeel van dat middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 126 en 127 van het bestreden arrest ten onrechte uit het arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2011:83; hierna: ‘arrest TeliaSonera’), heeft afgeleid dat de voorwaarden van het arrest Bronner in casu niet van toepassing waren. Volgens rekwirante heeft het arrest TeliaSonera geen betrekking op een weigering om een overeenkomst te sluiten, zoals in de onderhavige zaak, maar op een marge-uitholling. Voorts heeft het Hof in de punten 55 tot en met 58 van dat arrest vragen beantwoord die in de onderhavige zaak niet aan de orde zijn.
34
Met het derde onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht in de punten 138 en 139 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het arrest van 9 september 2009, Clearstream/Commissie (T-301/04, EU:T:2009:317), niet ter zake dienend was. Volgens rekwirante blijkt in de eerste plaats uit laatstgenoemd arrest niet dat het bestaan van een oud staatsmonopolie of van een wettelijke verplichting van invloed was geweest op de analyse van het Gerecht in dat arrest. In de tweede plaats is dat arrest gebaseerd op een wettelijke voorwaarde ex ante, zoals in de onderhavige zaak. In de derde plaats beschikte Clearstream in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ten tijde van het misbruik van haar machtspositie nog over een monopolie, terwijl rekwirantes monopoliepositie vijf jaar vóór het begin van het gestelde misbruik was beëindigd. Ten slotte en in de vierde plaats zijn de weigeringen van Clearstream en van rekwirante vergelijkbaar.
35
Met het vierde onderdeel van het eerste middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, een kennelijk onjuiste beoordeling of een ontoereikende motivering door in de punten 133 en 134 van het bestreden arrest te oordelen dat een impliciete weigering niet noodzakelijk minder ernstig was dan een daadwerkelijke weigering en dat een beoordeling per geval vereist was. Volgens rekwirante is er geen rechtvaardiging voor de benadering van het Gerecht volgens welke de in casu aan de orde zijnde impliciete weigering, om als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU te worden aangemerkt, niet aan de voorwaarden van het arrest Bronner moet voldoen, terwijl een uitdrukkelijke of categorische weigering wel aan die voorwaarden moet voldoen. Een dergelijke benadering leidt er volgens rekwirante toe dat ernstiger gedrag gunstiger wordt behandeld dan minder ernstig gedrag.
36
Met het vijfde en laatste onderdeel van dat middel voert rekwirante aan dat het Gerecht in de punten 153 en 154 van het bestreden arrest ten onrechte van oordeel was dat het feit dat zij een oud staatsmonopolie had genoten, kon rechtvaardigen dat de voorwaarden van het arrest Bronner niet werden toegepast. Volgens rekwirante is die benadering niet verenigbaar met de leer die voortvloeit uit het arrest van 27 maart 2012, Post Danmark (C-209/10, EU:C:2012:172), is zij in strijd met de verplichting om rekening te houden met de omstandigheden ten tijde van het gestelde misbruik, schendt zij de beginselen van rechtszekerheid en non-discriminatie en houdt zij geen rekening met de investeringen die zij in haar netwerk heeft gedaan.
37
De Commissie is in wezen van mening dat de criteria van het arrest Bronner in de onderhavige zaak niet van toepassing waren, aangezien het misbruik van machtspositie dat aan de orde was in de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, verschilde van dat in de onderhavige zaak.
Beoordeling door het hof
38
Met haar eerste middel keert rekwirante zich met name tegen de punten 113 tot en met 122 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de gegrondheid van het litigieuze besluit heeft bevestigd voor zover de Commissie niet hoefde aan te tonen dat de toegang van alternatieve exploitanten tot het aansluitnetwerk van ST onontbeerlijk was, teneinde de praktijken van rekwirante die de Commissie in overweging 365 van het litigieuze besluit als een impliciete leveringsweigering had beschouwd, als ‘misbruik’ te kunnen aanmerken, welke praktijken erin bestonden dat, ten eerste, aan de alternatieve exploitanten de voor de ontbundeling van haar aansluitnet benodigde netwerkinformatie werd onthouden, ten tweede, haar uit de toepasselijke regelgeving voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot de ontbundeling werden beperkt en, ten derde, onbillijke ontbundelingsclausules en -voorwaarden in haar referentieaanbod voor ontbundeling werden vastgesteld (hierna: ‘litigieuze praktijken’).
39
In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 121 van het bestreden arrest geoordeeld dat, aangezien in de op het gebied van telecommunicatie toepasselijke regelingen duidelijk is erkend dat toegang tot het aansluitnetwerk van rekwirante noodzakelijk was met het oog op het ontstaan en de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten, de Commissie niet hoefde aan te tonen dat die toegang onontbeerlijk was in de zin van de laatste voorwaarde zoals geformuleerd in punt 41 van het arrest Bronner. Voorts heeft het Gerecht in de punten 123 tot en met 127 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat de voorwaarden van het arrest Bronner, in het bijzonder de voorwaarde dat een dienst of infrastructuur van de onderneming met een machtspositie onontbeerlijk is, niet van toepassing zijn op andere gedragingen dan een toegangsweigering, zoals de litigieuze praktijken.
40
Om te beoordelen of deze overwegingen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirante beweert, zij eraan herinnerd dat artikel 102 VWEU bepaalt dat het verboden is, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan. Op de onderneming met een machtspositie rust dus een bijzondere verantwoordelijkheid om niet door haar gedrag afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 153 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het begrip ‘misbruik maken van een machtspositie’ in de zin van artikel 102 VWEU een objectief begrip dat betrekking heeft op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die, op een markt waar de mededinging juist door de aanwezigheid van deze onderneming reeds is verzwakt, de instandhouding of de ontwikkeling van de nog op deze markt aanwezige mededinging verhinderen door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een normale, op ondernemersprestaties berustende mededinging van goederen of diensten gebruikelijk zijn (arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Bij de beoordeling van de vraag of een praktijk van een onderneming met een machtspositie misbruik vormt in de zin van artikel 102 VWEU, moet rekening worden gehouden met alle specifieke omstandigheden van de zaak (zie in die zin arresten TeliaSonera, punt 68; 6 oktober 2015, Post Danmark, C-23/14, EU:C:2015:651, punt 68, en 19 april 2018, MEO — Serviços de Comunicações e Multimédia, C-525/16, EU:C:2018:270, punten 27 en 28).
43
Blijkens punt 37 van het arrest Bronner had de zaak die tot dat arrest heeft geleid betrekking op de vraag of de omstandigheid dat de eigenaar van het enige landelijke thuisbezorgingssysteem op het grondgebied van een lidstaat, die dit systeem gebruikt voor de distributie van zijn eigen dagbladen, de toegang daartoe weigert aan de uitgever van een concurrerend dagblad, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU vormt, op grond dat die weigering de concurrent een voor de verkoop van haar producten essentieel geachte distributiewijze ontzegt.
44
In antwoord op die vraag heeft het Hof in punt 41 van dat arrest geoordeeld dat die weigering misbruik van machtspositie zou hebben gevormd wanneer niet alleen de weigering om de dienst van thuisbezorging te verlenen elke mededinging op de dagbladmarkt door de verzoeker van de dienst kon uitsluiten en niet objectief kon worden gerechtvaardigd, maar de dienst op zich bovendien onontbeerlijk was voor de uitoefening van de werkzaamheid van deze laatste, in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief voor dat thuisbezorgingssysteem bestond.
45
Deze voorwaarden werden gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin alleen sprake was van een weigering van een onderneming met een machtspositie om een concurrent toegang te verlenen tot een infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid had ontwikkeld, en niet van andere gedragingen.
46
Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 68, 73 en 74 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, heeft de vaststelling dat een onderneming met een machtspositie misbruik heeft gemaakt van haar positie door te weigeren met een concurrent een contract te sluiten, tot gevolg dat die onderneming gedwongen is met die concurrent een contract te sluiten. Een dergelijke verplichting vormt een ernstige inbreuk op de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie, aangezien het een onderneming — zelfs een onderneming met een machtspositie — in beginsel vrijstaat om te weigeren contracten te sluiten en de door haar opgebouwde infrastructuur voor eigen doeleinden te gebruiken (zie naar analogie arrest van 5 oktober 1988, Volvo, 238/87, EU:C:1988:477, punt 8).
47
Bovendien kan de veroordeling van een onderneming wegens misbruik van haar machtspositie, door te weigeren om met een concurrent contracten te sluiten, de mededinging weliswaar op korte termijn bevorderen, maar op lange termijn is het in het algemeen gunstig voor de ontwikkeling van de mededinging en in het belang van de consumenten om een onderneming toe te staan om de infrastructuur die zij voor haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, uitsluitend zelf te gebruiken. Indien al te gemakkelijk toegang wordt verschaft tot een productie-, aankoop- of distributievoorziening, zou een concurrent immers niet worden gestimuleerd concurrerende voorzieningen te creëren. Bovendien zou een onderneming met een machtspositie minder snel bereid zijn om in efficiënte voorzieningen te investeren, wanneer zij kan worden gedwongen om de vruchten van haar eigen investeringen op eenvoudig verzoek van haar concurrenten met hen te delen.
48
Wanneer een onderneming met een machtspositie weigert om toegang te verlenen tot infrastructuur die zij voor haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, kan het besluit om die onderneming te verplichten die toegang te verlenen derhalve op het gebied van het mededingingsbeleid uitsluitend worden gerechtvaardigd wanneer deze onderneming een echt stevige greep op de betrokken markt heeft.
49
Aan de hand van de door het Hof in het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden (zie punt 44 hierboven), in het bijzonder de voorwaarde inzake de onontbeerlijkheid van de toegang tot de infrastructuur van de onderneming met een machtspositie, kan de bevoegde nationale instantie of rechter in elk concreet geval vaststellen of die onderneming door middel van die infrastructuur een dergelijke stevige greep op de betrokken markt heeft. Die onderneming kan dus uitsluitend worden gedwongen om een concurrent toegang te verlenen tot infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid heeft ontwikkeld, wanneer die toegang onontbeerlijk is voor de activiteit van die concurrent, oftewel wanneer er geen reëel of potentieel alternatief voor die infrastructuur is.
50
Wanneer een onderneming met een machtspositie toegang tot haar infrastructuur verleent, maar onbillijke voorwaarden stelt voor die toegang, de levering van diensten of de verkoop van producten, zijn de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden daarentegen niet van toepassing. Indien de toegang tot die infrastructuur of zelfs tot een dienst of input onontbeerlijk is voor de concurrenten van de onderneming met een machtspositie om winstgevend actief te zijn op een downstreammarkt, is het ongetwijfeld des te waarschijnlijker dat onbillijke praktijken op die markt ten minste potentieel de mededinging verstoren en misbruik in de zin van artikel 102 VWEU vormen (zie in die zin arresten van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 234, en TeliaSonera, punten 70 en 71). Bij praktijken die geen toegangsweigering vormen, is het ontbreken van die onontbeerlijkheid evenwel als zodanig niet doorslaggevend voor het onderzoek van het potentieel als misbruik aan te merken gedrag van een onderneming met een machtspositie (zie in die zin arrest TeliaSonera, punt 72).
51
Hoewel zulke gedragingen een vorm van misbruik kunnen zijn wanneer zij de mededinging ten minste potentieel kunnen verstoren, of zelfs potentiele uitsluitingseffecten kunnen hebben op de betrokken markten, kunnen zij niet worden gelijkgesteld aan een regelrechte weigering om een concurrent toegang te verlenen tot een infrastructuur, aangezien de bevoegde nationale mededingingsautoriteit of de bevoegde nationale rechter de onderneming met een machtspositie niet zal dwingen om een toegang tot haar infrastructuur te verlenen die reeds verleend is. De maatregelen die in dergelijke gevallen zullen worden genomen, zullen de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie derhalve minder inperken dan de verplichting om toegang te verlenen tot haar infrastructuur die zij uitsluitend voor haar eigen werkzaamheden gebruikte.
52
In die zin heeft het Hof in de punten 75 en 96 van het arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062), reeds geoordeeld dat de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner uiteengezette voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde inzake de onontbeerlijkheid van de toegang, niet van toepassing zijn op misbruik dat bestaat in de uitholling van de marges van concurrerende exploitanten op een downstreammarkt.
53
In dezelfde zin heeft het Hof in punt 58 van het arrest TeliaSonera in wezen geoordeeld dat het onderzoek naar de onontbeerlijkheid van elke gedraging van een onderneming met een machtspositie jegens haar concurrenten systematisch moet plaatsvinden in het licht van de voorwaarden die het Hof heeft uiteengezet in het arrest Bronner, dat betrekking had op een weigering om een dienst te leveren. Het Gerecht heeft in de punten 125 tot en met 127 van het bestreden arrest derhalve terecht geoordeeld dat het Hof in punt 58 van het arrest TeliaSonera bij de beoordeling van de gedragingen waarop de voorwaarden van het arrest Bronner niet van toepassing zijn, niet uitsluitend doelde op de bijzondere vorm van misbruik bestaande in de uitholling van de marges van concurrerende exploitanten op een downstreammarkt.
54
In de onderhavige zaak kenmerkt de situatie van rekwirante, zoals in punt 119 van het bestreden arrest is vermeld, zich door het feit dat zij was onderworpen aan een wettelijke verplichting op het gebied van telecommunicatie om toegang te verlenen tot haar aansluitnetwerk. Overeenkomstig het besluit van 8 maart 2005 van de TUSR, dat op 14 juni 2005 door de directeur van die instantie is bevestigd, was rekwirante namelijk als ondernemer met aanmerkelijke marktmacht verplicht om alle redelijke en gerechtvaardigde verzoeken van alternatieve exploitanten om ontbundelde toegang tot haar aansluitnetwerk in te willigen, zodat zij dit netwerk konden gebruik om hun eigen diensten op de retailmassamarkt voor breedbanddiensten op een vaste locatie in Slowakije aan te bieden.
55
Een dergelijke verplichting strookt met de door de Uniewetgever vastgestelde doelstelling om een daadwerkelijke mededinging op de telecommunicatiemarkten te bevorderen. Zoals in de overwegingen 3, 6 en 7 van verordening nr. 2887/2000 staat te lezen, wordt die toegangsverplichting gerechtvaardigd door het feit dat, aangezien de exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht hun lokale aansluitnetwerk gedurende lange tijd hebben kunnen opzetten terwijl zij exclusieve rechten genoten, en hun investeringskosten konden financieren uit de opbrengsten van hun monopoliepositie, het voor nieuwe aanbieders economisch niet haalbaar zou zijn om het lokale aansluitnetwerk van de gevestigde exploitant te dupliceren, en door het feit dat alternatieve infrastructuren niet kunnen dienen als een goede vervanging voor dat lokale aansluitnetwerk. De ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk stelt nieuwe aanbieders dus in staat om de concurrentie aan te gaan met ondernemers met een aanmerkelijke marktmacht. Zoals het Gerecht in punt 119 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is de in casu door de TUSR opgelegde toegangsverplichting bedoeld om rekwirante en haar concurrenten te stimuleren om te investeren en te innoveren en tegelijkertijd de mededinging op de markt veilig te stellen.
56
Deze wettelijke verplichting gold voor ST gedurende de gehele door de Commissie in het litigieuze besluit in aanmerking genomen inbreukperiode, te weten van 12 augustus 2005 tot 31 december 2010. Naast het feit dat de regelgevende instanties op het gebied van telecommunicatie een dergelijke toegangsverplichting krachtens artikel 8, lid 5, onder f), van richtlijn 2002/21, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, uitsluitend kunnen opleggen wanneer er geen daadwerkelijke en duurzame mededinging is en zij deze verplichtingen moeten verlichten of opheffen zodra er wel aan die voorwaarde is voldaan, heeft rekwirante namelijk noch gesteld noch bewezen dat zij heeft betwist dat rekwirante gedurende de inbreukperiode aan die verplichting was onderworpen. Bovendien heeft de Commissie het bestaan van die toegangsverplichting ook in afdeling 5.1 van het litigieuze besluit gemotiveerd en in punt 377 daarvan aangegeven dat zij een eigen ex-postanalyse van de betrokken markten had uitgevoerd, op basis waarvan zij heeft geconcludeerd dat de situatie op die markten gedurende de inbreukperiode in dat opzicht niet aanmerkelijk was veranderd.
57
Naar analogie van hetgeen het Hof in punt 224 van het arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603), waar in punt 117 van het bestreden arrest naar wordt verwezen, reeds heeft aangegeven, moet worden vastgesteld dat een wettelijke verplichting relevant kan zijn voor de beoordeling of het gedrag van een onderneming met een machtspositie waarop een sectorregeling van toepassing is, misbruik vormt in de zin van artikel 102 VWEU. Hoewel in het onderhavige geval de aan rekwirante opgelegde verplichting om toegang tot haar aansluitnetwerk te verlenen, de Commissie niet vrijstelde van het vereiste om het bestaan van misbruik in de zin van artikel 102 VWEU aan te tonen en daarbij met name rekening te houden met de toepasselijke rechtspraak, kon rekwirante vanwege die verplichting gedurende de gehele in casu vastgestelde inbreukperiode niet regelrecht weigeren om toegang te verlenen tot haar aansluitnetwerk en heeft zij dit ook niet gedaan.
58
Ondanks voornoemde wettelijke verplichting behield rekwirante gedurende die periode evenwel de autonomie om over de voorwaarden voor die toegang te beslissen. Met uitzondering van enkele leidende beginselen, was de verplichte inhoud van het referentieaanbod voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk in de zin van artikel 3 van verordening nr. 2887/2000 namelijk niet voorgeschreven door de regelgeving of de besluiten van de TUSR. Bij de litigieuze praktijken heeft rekwirante van deze beslissingsautonomie gebruikgemaakt.
59
Aangezien de litigieuze praktijken geen weigering vormden om toegang te verlenen tot het aansluitnetwerk van rekwirante, maar betrekking hadden op de voorwaarden voor die toegang, zijn de door het Hof in punt 41 van het arrest Bronner geformuleerde voorwaarden (zie punt 44 hierboven) om de in de punten 45 tot en met 51 van het onderhavige arrest genoemde redenen evenwel niet op de onderhavige zaak van toepassing.
60
Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 121 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, teneinde vast te stellen dat ST door de litigieuze praktijken haar machtspositie had misbruikt, niet hoefde aan te tonen dat de toegang tot het aansluitnetwerk van rekwirante ‘onontbeerlijk’ was in de zin van de laatste voorwaarde zoals geformuleerd in punt 41 van het arrest Bronner.
61
Het eerste middel van de hogere voorziening berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting en moet dan ook in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
62
Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte heeft nagelaten schending van haar rechten van verdediging vast te stellen. De methode, de beginselen en de gegevens die de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar heeft gebruikt om de kosten te bepalen op basis waarvan moest worden nagegaan of er sprake was van marge-uitholling, waren namelijk gebaseerd op historische kostengegevens uit een intern kostenrapportagesysteem van rekwirante, te weten de zogenoemde ‘účelové členenie nákladov’-gegevens (‘specifieke kostenclassificatie’; hierna: ‘UCN-gegevens’), terwijl zij in het litigieuze besluit waren gebaseerd op de LRAIC, zonder dat de Commissie rekwirante in de gelegenheid had gesteld hierover een zinvol standpunt in te nemen.
63
Voorts verwijt rekwirante de Commissie dat zij de bewijslast heeft omgekeerd, aangezien deze instelling haar heeft verzocht haar beginselen, methode en gegevens betreffende de vaststelling van de LRAIC uiteen te zetten, terwijl de Commissie zelf van meet af aan heeft verzuimd haar eigen beginselen en methode mee te delen en haar gegevens te verstrekken. Het feit dat de Commissie niet van meet af aan over een eigen kostenmodel beschikte om aan te tonen dat er sprake was van marge-uitholling, had door het Gerecht moeten worden erkend als een onrechtmatige omkering van de bewijslast. In dit verband zijn de overwegingen in de punten 186 en 189 van het bestreden arrest, volgens welke rekwirante in de gelegenheid is gesteld om op de mededeling van punten van bezwaar te antwoorden en de Commissie zich in dat document op de LRAIC heeft gebaseerd, respectievelijk irrelevant en onjuist, aangezien er op de datum van de mededeling van punten van bezwaar geen gegevens over de LRAIC bestonden.
64
Evenzo heeft het Gerecht in punt 189 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit geen nieuwe bezwaren met betrekking tot de marge-uitholling had aangevoerd. De omstandigheid dat de Commissie zowel in de mededeling van punten van bezwaar als in het litigieuze besluit heeft overwogen, ten eerste, dat een even efficiënte concurrent als rekwirante negatieve marges zou hebben, ten tweede, dat de conclusie inzake de negatieve marges geldig bleef indien bepaalde andere diensten in de inkomsten werden opgenomen en, ten derde, dat de in het litigieuze besluit vastgestelde inbreukperiode korter was dan die welke in de mededeling van punten van bezwaar was vermeld, was irrelevant voor de vaststelling of rekwirantes rechten van verdediging waren geschonden omdat de in de mededeling van punten van bezwaar in aanmerking genomen methode, beginselen en gegevens niet overeenstemden met die welke de Commissie in het litigieuze besluit had gehanteerd.
65
Voorts bekritiseert rekwirante punt 190 van het bestreden arrest. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, verschilden de ten tijde van de mededeling van punten van bezwaar door de Commissie in aanmerking genomen netwerkkosten, methode en beginselen namelijk aanzienlijk van die welke zij ten tijde van de vaststelling van het litigieuze besluit in aanmerking had genomen. Volgens rekwirante heeft het Gerecht voorts in punt 192 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat haar rechten van verdediging waren geëerbiedigd omdat de Commissie op haar argumenten had geantwoord. Dat rekwirante in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar of in de in de loop van 2013 ingediende stukken de resultaten van nieuwe bewerkingen inzake de LRAIC had meegedeeld, is in dit verband irrelevant, aangezien de Commissie vóór de vaststelling van het litigieuze besluit niet alle elementen van haar beginselen, methode en gegevens betreffende de berekening van de LRAIC had uiteengezet.
66
Ten slotte betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 209 van het bestreden arrest tevens blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting alsook de feiten en het bewijs onjuist heeft opgevat door de in dat punt genoemde ‘evaluatiebijeenkomst’ van 16 september 2014 als irrelevant te beschouwen. Door op die bijeenkomst voor het eerst haar voorlopige berekeningen van de LRAIC bekend te maken, heeft de Commissie erkend dat zij die berekeningen voordien niet had meegedeeld en dat zij daartoe verplicht was. Ook bleek uit die bekendmaking in dat stadium van de procedure dat de Commissie vastbesloten was een verbodsbesluit vast te stellen, zodat rekwirante in dat stadium niet meer naar behoren kon worden gehoord.
67
De Commissie is van mening dat het tweede middel moet worden afgewezen, aangezien niet is aangetoond, ten eerste, dat het Gerecht de feiten die het in aanmerking heeft genomen, onjuist heeft opgevat en, ten tweede, dat rekwirantes rechten van verdediging zijn geëerbiedigd.
Beoordeling door het hof
68
Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepalen dat de hogere voorziening tegen beslissingen van het Gerecht beperkt is tot rechtsvragen. Volgens vaste rechtspraak is dus enkel het Gerecht bevoegd om de feiten vast te stellen en, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het tot staving van die feiten in aanmerking neemt. Deze beoordeling levert dan ook geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens wanneer deze bewijzen onjuist zijn opgevat (arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
In casu voert rekwirante niet aan dat het Gerecht de in de punten 177 en 185 tot en met 187 van het bestreden arrest beschreven feiten onjuist heeft opgevat.
70
Tijdens het onderzoek dat aan de mededeling van punten van bezwaar was voorafgegaan, had de Commissie rekwirante verzocht om haar de nodige gegevens te verstrekken ter berekening van de kosten betreffende de aanvullende input die nodig was om haar wholesalediensten te transformeren tot retaildiensten. In antwoord daarop heeft rekwirante de Commissie tabellen toegezonden met kostenberekeningen voor de jaren 2003 tot en met 2010 op basis van de UCN-gegevens. De kosten in deze tabellen waren derhalve berekend op basis van volledig toegerekende historische kosten en verschilden van de LRAIC. De Commissie heeft rekwirante bijgevolg verzocht om haar de rentabiliteitsgegevens voor de breedbanddiensten te verstrekken, zoals herberekend aan de hand van een op de LRAIC gebaseerde methode. Aangezien rekwirante te kennen heeft gegeven dat zij de rentabiliteitsgegevens ten aanzien van de breedbanddiensten niet volgens de LRAIC-methode berekende, heeft de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar gebruikgemaakt van de UCN-gegevens gegevens waarover zij beschikte, om de door rekwirante toegepaste marge-uitholling te beoordelen. De Commissie was namelijk van oordeel dat, bij gebreke van gegevens betreffende de LRAIC, de UCN-gegevens de best beschikbare bron waren om de marge-uitholling te berekenen. Op basis van deze gegevens heeft de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar vastgesteld dat een concurrent die even efficiënt was als rekwirante en die toegang tot haar aansluitnetwerk had, met aanzienlijke negatieve marges zou zijn geconfronteerd, indien hij had geprobeerd de retailportefeuille van rekwirante in de jaren 2005---8211---2010 te repliceren. In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft rekwirante nieuwe gegevens verstrekt om de kosten voor de periode tussen 2005 en 2010 te beoordelen. Deze gegevens waren gebaseerd op de gegevens van 2011. In het bijzonder heeft rekwirante in dat antwoord gesteld dat bij de berekening van de LRAIC enerzijds haar activa moesten worden geherwaardeerd en anderzijds rekening moest worden gehouden met de inefficiënties van haar netwerk voor het breedbandaanbod. Zij heeft een aantal optimaliseringsaanpassingen doorgevoerd, te weten 1) het vervangen van de bestaande activa door de moderne equivalenten ervan die efficiënter en minder duur zijn, 2) het zoveel mogelijk in stand houden van de technologische coherentie en 3) het afbouwen van de activa op basis van de daadwerkelijk gebruikte capaciteit in plaats van de geïnstalleerde capaciteit (hierna samen: ‘optimaliseringsaanpassingen’). In het litigieuze besluit heeft de Commissie ermee ingestemd om onder meer de herwaardering van de activa van rekwirante te betrekken bij haar analyse van de marge-uitholling, maar heeft zij de optimaliseringsaanpassingen afgewezen. Aldus is de Commissie in het litigieuze besluit en in de mededeling van punten van bezwaar tot verschillende resultaten gekomen met betrekking tot de omvang van de marge-uitholling door rekwirante.
71
In het licht van deze feiten, waarvan niet wordt gesteld dat zij onjuist zijn opgevat, dient te worden beoordeeld of het Gerecht blijk heeft gegeven van de door rekwirante in haar tweede middel aangevoerde onjuiste rechtsopvattingen.
— omkering van de bewijslast
72
Met betrekking tot de grief dat het Gerecht ten onrechte de omkering van de bewijslast door de Commissie heeft bevestigd, zij eraan herinnerd dat het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels moet worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C-413/08 P, EU:C:2010:346, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Om misbruik bestaande in een marge-uitholling vast te stellen, is het meer in het bijzonder van belang dat de Commissie aantoont dat het verschil tussen de groothandelsprijzen voor de betrokken diensten en de detailhandelsprijzen voor de downstream aan eindgebruikers geleverde diensten negatief was of onvoldoende was om de specifieke kosten van de betrokken diensten te dekken die de onderneming met een machtspositie moet dragen voor het verlenen van haar eigen detailhandelsdiensten aan eindgebruikers, zodat dit verschil een even efficiënte concurrent als die onderneming niet in staat stelt met haar te concurreren betreffende de verlening van die diensten aan eindgebruikers (zie in die zin arrest TeliaSonera, punt 32).
74
Het Hof heeft ook geoordeeld dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het door een onderneming met een machtspositie gevoerde prijsbeleid in beginsel een beroep dient te worden gedaan op prijscriteria die gebaseerd zijn op de kosten en de strategie van de onderneming met de machtspositie (arrest TeliaSonera, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
In casu kan, gelet op de door het Gerecht vastgestelde feiten, zoals samengevat in punt 70 van het onderhavige arrest, niet worden geoordeeld dat het Gerecht een omkering van de bewijslast heeft bevestigd omdat het niet van oordeel was dat de Commissie niet van meet af aan haar methode en gegevens betreffende de berekening van de LRAIC had uiteengezet.
76
Uit deze feiten blijkt namelijk dat de Commissie rekwirante vanaf het begin van de administratieve procedure te kennen heeft gegeven dat zij haar beoordeling of er sprake was van een marge-uitholling zou baseren op de LRAIC-methode. Zo heeft de Commissie naar aanleiding van de indiening van de UCN-gegevens door rekwirante — vóór de mededeling van punten van bezwaar — rekwirante verzocht om haar de rentabiliteitsgegevens voor breedbanddiensten te verstrekken, zoals herberekend volgens de LRAIC-methode. Uit overweging 870 van het litigieuze besluit, waarnaar in punt 185 van het bestreden arrest wordt verwezen, blijkt evenwel dat rekwirante in antwoord op dit verzoek heeft verklaard dat zij de LRAIC toepaste voor de berekening van de prijzen voor interconnectiediensten en dat zij slechts één keer, in 2005, de LRAIC voor breedbanddiensten had berekend. Voorts heeft het Gerecht in punt 189 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit de punten 996 tot en met 1002 van de mededeling van punten van bezwaar bleek dat de Commissie de leidende beginselen voor de berekening van de kosten op basis van de LRAIC had uiteengezet, zonder dat dienaangaande enige onjuiste opvatting werd aangevoerd. Uit het voorgaande blijkt dat de Commissie haar methode ter bepaling van de kosten aan het begin van de administratieve procedure had uiteengezet en dat rekwirante daarvan op de hoogte was.
77
Wat de in aanmerking genomen gegevens betreft, zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 73 van het onderhavige arrest, de Commissie zich voor de vaststelling dat er sprake is van een marge-uitholling in beginsel baseert op de door de onderneming met een machtspositie gemaakte kosten. Het feit dat de Commissie rekwirante heeft verzocht om haar gegevens over haar kosten over te leggen, vormt bijgevolg geen omkering van de bewijslast. Evenmin is daarvan sprake wanneer de Commissie rekening houdt met de bewerkte gegevens die rekwirante na de mededeling van punten van bezwaar heeft verstrekt.
78
Ten slotte vormt het feit dat de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar haar op de LRAIC gebaseerde methode niet heeft kunnen toepassen wegens gebrek aan toereikende gegevens, anders dan rekwirante stelt, geen verzuim van de Commissie om haar eigen methode te ontwikkelen die is bedoeld om te voldoen aan de op haar rustende bewijsplicht.
79
Bijgevolg moet de grief dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet vast te stellen dat de op de Commissie rustende bewijslast was omgekeerd, ongegrond worden verklaard.
— schending van de rechten van de verdediging
80
Wat de grief betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te erkennen dat rekwirantes rechten van verdediging zijn geschonden, zij eraan herinnerd dat de rechten van de verdediging fundamentele rechten zijn die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (arrest van 25 oktober 2011, Solvay/Commissie, C-109/10 P, EU:C:2011:686, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit algemene beginsel van Unierecht is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a) en b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en is van toepassing wanneer de overheid voornemens is ten opzichte van een bepaalde persoon een bezwarend besluit vast te stellen (zie in die zin arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service, C-265/17 P, EU:C:2019:23, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81
Op het gebied van het mededingingsrecht verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de adressaat van een besluit waarin wordt vastgesteld dat hij een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, tijdens de administratieve procedure in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de hem verweten feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd (zie in die zin arresten van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C-448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 41, en 14 september 2017, LG Electronics en Koninklijke Philips Electronics/Commissie, C-588/15 P en C-622/15 P, EU:C:2017:679, punt 43).
82
In die zin bepaalt artikel 27, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), zoals het Gerecht in de punten 179 tot en met 183 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, dat aan de partijen een mededeling van punten van bezwaar moet worden gezonden. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat deze mededeling duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert. Dit kan evenwel beknopt geschieden en het besluit dat de Commissie vervolgens vaststelt, hoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van punten van bezwaar, daar die mededeling een voorbereidend document is met zuiver voorlopige beoordelingen feitelijk en rechtens (arrest van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C-448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83
Hieruit volgt dat, aangezien de juridische kwalificatie van de feiten in de mededeling van punten van bezwaar per definitie slechts voorlopig kan zijn, een later besluit van de Commissie niet nietig kan worden verklaard op de enkele grond dat de definitieve conclusies die uit deze feiten worden getrokken, niet precies overeenstemmen met deze voorlopige kwalificatie. De Commissie moet immers de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar horen en in voorkomend geval rekening houden met de opmerkingen die zij in antwoord op de aangevoerde bezwaren maakten, door haar analyse te wijzigen, juist om hun rechten van verdediging te eerbiedigen. De Commissie moet deze kwalificatie van de feiten dus in haar eindbesluit kunnen preciseren op basis van de elementen die tijdens de administratieve procedure aan het licht zijn gekomen, hetzij om ongegrond gebleken punten van bezwaar te laten vallen, hetzij om haar argumentatie ter onderbouwing van de door haar in aanmerking genomen punten van bezwaar zowel feitelijk als rechtens aan te passen en aan te vullen, op voorwaarde echter dat zij zich enkel baseert op feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken en dat zij hun in de loop van de administratieve procedure de voor het voeren van verweer noodzakelijke gegevens heeft verstrekt (arrest van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C-448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84
In de onderhavige zaak verwijt rekwirante het Gerecht in de eerste plaats dat het niet heeft vastgesteld dat haar rechten van verdediging zijn geschonden omdat de Commissie voor de beoordeling van de mate waarin rekwirante een marge-uitholling kon worden verweten, respectievelijk in de mededeling van punten van bezwaar en in het litigieuze besluit, wat de berekening van de kosten betreft, niet dezelfde methode, beginselen en gegevens heeft gehanteerd.
85
Dienaangaande blijkt uit de door het Gerecht vastgestelde feiten, zoals samengevat in punt 70 van het onderhavige arrest, dat de Commissie rekwirante vóór de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar heeft verzocht om haar de volgens de LRAIC-methode herberekende rentabiliteitsgegevens te verstrekken. Omdat de Commissie die gegevens niet had ontvangen, heeft zij zich in de mededeling van punten van bezwaar gebaseerd op de UCN-gegevens waarover zij op dat moment beschikte, om na te gaan of er sprake was van een marge-uitholling. Zoals blijkt uit overweging 875 van het litigieuze besluit, waarnaar in punt 185 van het bestreden arrest wordt verwezen, was de Commissie van mening dat deze gegevens een voldoende betrouwbare indicator vormden voor de berekening van de LRAIC. Vervolgens heeft rekwirante in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar nieuwe gegevens verstrekt en verduidelijkt dat bij de berekening van de LRAIC enerzijds rekening moest worden gehouden met een herwaardering van haar activa en anderzijds met de inefficiënties van haar netwerk voor het aanbieden van breedband. Ten slotte wordt niet betwist dat de Commissie in het litigieuze besluit de LRAIC-methode heeft toegepast.
86
In het licht van deze feiten, met name de omstandigheid dat rekwirante in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ramingen van de LRAIC voor de periode 2005---8211---2011 had overgelegd, en de overwegingen in punt 76 van dit arrest, moet worden vastgesteld dat rekwirante tijdens de administratieve procedure perfect wist dat de Commissie zou trachten het bestaan van een marge-uitholling vast te stellen op basis van een op de LRAIC gebaseerde methode en beginselen.
87
Voorts blijkt uit de feitelijke omstandigheden die het Gerecht in aanmerking heeft genomen, zoals samengevat in punt 70 van het onderhavige arrest, dat het in de punten 189 en 190 van het bestreden arrest op goede gronden kon oordelen dat de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar en dat van het litigieuze besluit dezelfde methode en dezelfde beginselen voor de berekening van de LRAIC had toegepast. Het feit dat de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar van oordeel was dat de UCN-gegevens van rekwirante een voldoende betrouwbare indicator voor de vaststelling van de LRAIC vormden, impliceert niet dat de Commissie haar methode en beginselen voor de berekening van deze kosten heeft gewijzigd.
88
Bovendien wijst het Gerecht in punt 190 van het bestreden arrest terecht op de overeenstemming tussen de tabellen in de mededeling van punten van bezwaar en in het litigieuze besluit ter ondersteuning van het argument dat de Commissie tijdens de procedure die tot het litigieuze besluit heeft geleid, een en dezelfde methode heeft gebruikt. Uit de opschriften van de tabellen blijkt immers dat daarmee wordt beoogd gelijkwaardige gegevens te verzamelen.
89
Hieruit volgt dat rekwirante ten onrechte aanvoert dat haar rechten van verdediging zijn geschonden op grond dat de methode en de beginselen voor de berekening van de kosten met het oog op de vaststelling van een marge-uitholling verschilden in de respectieve stadia van de mededeling van punten van bezwaar en het litigieuze besluit. Bijgevolg is rekwirantes stelling dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een dergelijke schending van haar rechten van verdediging niet te erkennen, ongegrond.
90
In de tweede plaats verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet heeft erkend dat haar rechten van verdediging waren geschonden omdat de kostengegevens die in aanmerking waren genomen in de mededeling van punten van bezwaar verschilden van die welke in aanmerking waren genomen in het litigieuze besluit.
91
Dienaangaande blijkt uit de punten 187, 190 en 192 van het bestreden arrest dat de verschillen tussen de kosten en marges in respectievelijk de mededeling van punten van bezwaar en het litigieuze besluit voortvloeien uit het feit dat de Commissie rekening heeft gehouden met een aantal door rekwirante zelf voorgestelde aanpassingen, om haar rechten van verdediging te eerbiedigen. Zoals blijkt uit punt 83 van het onderhavige arrest, impliceert het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging echter niet alleen dat de Commissie de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar hoort, maar ook dat zij in voorkomend geval rekening houdt met hun opmerkingen om op de aangevoerde bezwaren te reageren door haar analyse te wijzigen, juist om hun rechten van verdediging te eerbiedigen. In casu kunnen de door rekwirante aangevoerde verschillen dus niet aantonen dat haar rechten van verdediging zijn geschonden.
92
Bovendien vormt het feit dat de Commissie deze aanpassingen met betrekking tot de berekening van rekwirantes marges had verricht zonder rekwirante opnieuw te hebben gehoord, geen schending van haar rechten van verdediging. De berekening is namelijk aangepast op basis van de gegevens die rekwirante zelf had verstrekt overeenkomstig de beginselen en de methode van de LRAIC, zoals de Commissie tijdens de administratieve procedure had aangekondigd.
93
In de derde plaats moet met betrekking tot de tegen punt 209 van het bestreden arrest gerichte grieven betreffende de ‘evaluatiebijeenkomst’ over de stand van het dossier van 16 september 2014 worden vastgesteld dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in dat punt te oordelen dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet vereiste dat de Commissie haar definitieve berekeningen van de marges bekendmaakte alvorens het litigieuze besluit tot rekwirante te richten. Dit beginsel verplicht de Commissie er enkel toe om rekwirante in de gelegenheid te stellen haar standpunt kenbaar te maken over de elementen, feitelijk en rechtens, die zij bij de vaststelling van haar besluit in aanmerking zal nemen. Rekwirante toont evenwel niet aan dat de tijdens deze bijeenkomst meegedeelde gegevens waren ontleend aan elementen feitelijk of rechtens waarover zij zich tijdens de aan deze bijeenkomst voorafgaande administratieve procedure niet had kunnen uitspreken.
94
Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 209 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat rekwirante in kennis was gesteld van alle relevante informatie betreffende de berekening van de marges door de Commissie en dat zij in de gelegenheid was gesteld om vóór de vaststelling van het litigieuze besluit haar opmerkingen in te dienen.
95
Gelet op een en ander moet het tweede middel dat rekwirante ter ondersteuning van haar hogere voorziening aanvoert, ongegrond worden verklaard.
Derde middel
Ontvankelijkheid
— argumenten van partijen
96
De Commissie is van mening dat het derde middel van rekwirante niet-ontvankelijk is voor zover zij daarin stelt dat deze instelling een wezenlijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen gegevens van derden te verzamelen of door geen eigen berekening van de LRAIC te maken met het oog op de toepassing van het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’, aangezien dit middel niet voor het Gerecht is aangevoerd.
97
Rekwirante betwist dat dit middel niet-ontvankelijk is. Zij is van mening dat zij de Commissie in haar antwoord voor het Gerecht heeft verweten dat zij de methode, de beginselen en de gegevens voor de berekening van de LRAIC waarop zij zich wilde baseren, niet volledig had uiteengezet.
— beoordeling door het hof
98
In herinnering zij gebracht dat het voorwerp van het geschil voor het Gerecht op grond van artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof in hogere voorziening niet mag worden gewijzigd. In hogere voorziening is het Hof enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd.
99
Een partij kan bijgevolg een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen (arrest van 11 november 2004, Ramondín e.a./Commissie, C-186/02 P en C-188/02 P, EU:C:2004:702, punt 60).
100
Tevens dient eraan te worden herinnerd dat bij de beoordeling, of een in een prijssqueeze resulterende tariefpraktijk misbruik oplevert, in beginsel in eerste instantie rekening moet worden gehouden met de prijzen en de kosten van de betrokken onderneming op de markt voor retaildiensten. Slechts wanneer het, gelet op de omstandigheden, onmogelijk is zich op die prijzen en kosten te baseren, moeten de prijzen en de kosten van de concurrenten op deze markt worden onderzocht (arrest TeliaSonera, punt 46).
101
Met haar derde middel, waarmee rekwirante aanvoert dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door haar argument te verwerpen dat de Commissie haar verzoeken om optimaliseringsaanpassingen ten onrechte heeft afgewezen, stelt rekwirante in het bijzonder dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat, aangezien de structuur van rekwirantes LRAIC om objectieve redenen niet precies kon worden vastgesteld, de Commissie de gegevens van haar concurrenten had moeten verzamelen of een eigen coherente databank had moeten aanleggen om een op de LRAIC gebaseerd model te ontwikkelen.
102
Rekwirante toont evenwel niet aan dat zij een dergelijke grief voor het Gerecht had aangevoerd. Met haar betoog voor het Gerecht dat de Commissie de methode, de beginselen en de gegevens voor de berekening van de LRAIC op basis waarvan zij voornemens was na te gaan of er in de onderhavige zaak sprake was van een marge-uitholling, niet volledig had uiteengezet, heeft rekwirante enkel een schending van haar procedurele rechten aangevoerd. Zij heeft niet betoogd dat die kosten daarom niet als grondslag konden dienen. Bovendien heeft rekwirante niet aangevoerd dat het Gerecht in punt 231 van het bestreden arrest haar argumenten onjuist heeft opgevat. In dat punt heeft het Gerecht echter uitdrukkelijk geoordeeld dat rekwirante niet had aangevoerd dat het in casu noodzakelijk was om de prijzen en kosten van haar concurrenten te onderzoeken, aangezien het niet mogelijk was om haar eigen prijzen en kosten als uitgangspunt te gebruiken.
103
Er is dus geen bewijs dat rekwirante voor het Gerecht heeft aangevoerd dat de Commissie zich niet op haar gegevens kon baseren om de relevante kosten vast te stellen, of dat alleen de gegevens van haar concurrenten of volledig geconstrueerde gegevens het mogelijk zouden hebben gemaakt om die kosten vast te stellen.
104
Bijgevolg moet, zoals blijkt uit punt 98 van het onderhavige arrest, de door rekwirante tot staving van haar derde middel aangevoerde grief dat de Commissie een wezenlijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen gegevens van derden te verzamelen of door geen eigen berekening van de LRAIC te maken met het oog op de toepassing van het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
— argumenten van partijen
105
Rekwirante is van mening dat het Gerecht bij de beoordeling of er sprake was van de onrechtmatige praktijk van marge-uitholling, het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’ onjuist heeft toegepast door haar optimaliseringsaanpassingen af te wijzen.
106
Volgens rekwirante heeft de Commissie weliswaar haar cijfergegevens betreffende de LRAIC in het kader van de herwaardering en de afschrijving van activa aanvaard, maar was er geen reden om de optimaliseringsaanpassingen af te wijzen, aangezien ook die waren gebaseerd op de kosten die een op de datum van het litigieuze besluit uitgerold netwerk zou genereren. Het betrof volgens haar een kwestie van consistentie of gelijke behandeling.
107
Aangezien de Commissie geen kostenmodel op basis van de LRAIC had opgesteld en rekwirantes LRAIC voor de periode 2005---8211---2010 waren gebaseerd op verhoudingen die waren afgeleid uit de analyse van haar LRAIC met betrekking tot het jaar 2011, waren er volgens rekwirante geen geldige redenen om haar optimaliseringsaanpassingen af te wijzen. Zo kon het Gerecht in punt 233 van het bestreden arrest niet zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting oordelen dat de optimaliseringsaanpassingen ertoe zouden hebben geleid dat werd ‘afgeweken’ van de kosten die rekwirante tijdens de inbreukperiode had gemaakt, en kon het evenmin aangeven dat daarbij rekening moest worden gehouden met een modern netwerk. Evenzo is de overweging in punt 226 van het bestreden arrest dat de kwesties van herwaardering en afschrijving van activa enerzijds en de optimaliseringsaanpassingen anderzijds een ‘ander doel’ hadden, irrelevant — bij gebreke van een door de Commissie vastgesteld model — en onjuist, aangezien beide kwesties betrekking hadden op de berekening van de LRAIC. Bovendien betoogt rekwirante dat de Commissie met betrekking tot de aanpassingen die zijn verricht om ervoor te zorgen dat de kosten van activa en afschrijvingen worden gebaseerd op de beginselen van de op de actuele kosten gebaseerde boekhoudmethode (hierna: ‘AKB’), het beginsel heeft aanvaard dat rekening moest worden gehouden met een actualisering van de uitrusting- en exploitatiekosten die met het uitrollen van een netwerk gemoeid zouden zijn, op het tijdstip waarop die berekeningen op basis van die kosten werden gemaakt, terwijl zij de optimaliseringsaanpassingen, die nochtans op hetzelfde beginsel waren gebaseerd, heeft afgewezen. Rekwirante betwist ook de stelling in punt 234 van het bestreden arrest dat haar optimaliseringsaanpassingen waren gebaseerd op een ‘volkomen efficiënte exploitant’, aangezien deze volgens haar waren gebaseerd op een even efficiënte exploitant die in 2011 een netwerk uitrolde en op haar LRAIC voor het jaar 2011, die de enige beschikbare waren. De aldus verkregen kosten komen volgens rekwirante overeen met die welke zij zou vermijden indien zij de betrokken breedbanddiensten niet zou aanbieden.
108
De Commissie is van mening dat het Gerecht in de punten 233 tot en met 235 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, aangezien rekwirantes standpunt geen rekening houdt met de aard en de gevolgen van elk type aanpassingen, noch met de redenen waarom de Commissie deze heeft aanvaard of afgewezen.
— beoordeling door het hof
109
Er zij aan herinnerd dat de toepassing door een onderneming met een machtspositie van een tariefpraktijk die resulteert in het uithollen van de marges van concurrenten die even efficiënt zijn als zijzelf, misbruik in de zin van artikel 102 VWEU oplevert wanneer zij die concurrenten mogelijk uitsluit door het hun moeilijker of zelfs onmogelijk te maken om de betrokken markt te betreden (zie in die zin arrest TeliaSonera, punten 63---8211---65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110
Voorts dient voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het door een onderneming met een machtspositie gevoerde prijsbeleid in beginsel een beroep te worden gedaan op prijscriteria die gebaseerd zijn op de kosten en de strategie van de onderneming met de machtspositie. In het bijzonder kan in geval van een bij haar concurrenten in een prijssqueeze resulterende tariefpraktijk aan de hand van dergelijke toetsingscriteria worden nagegaan of de onderneming met de machtspositie zelf voldoende efficiënt zou zijn geweest om haar retaildiensten zonder verlies aan te bieden aan de eindgebruikers indien zij vooraf haar eigen groothandelsprijzen voor de intermediaire diensten had moeten betalen (zie in die zin arresten van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 201, en TeliaSonera, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111
In casu blijkt uit de punten 186, 187 en 217 van het bestreden arrest dat de Commissie bij de beoordeling van de kosten van een minstens even efficiënte concurrent als rekwirante die via zijn eigen netwerk breedbandinternetdiensten aanbiedt, rekening heeft gehouden met de kosten van de activa waaruit dit netwerk is opgebouwd. Zoals blijkt uit punt 70 van het onderhavige arrest, heeft rekwirante de Commissie bij de indiening van deze kosten namelijk verzocht om de activa te herwaarderen en tevens rekening te houden met de inefficiënties van haar netwerk door middel van optimaliseringsaanpassingen. De Commissie heeft ermee ingestemd om onder meer de herwaardering van de activa van rekwirante te betrekken bij haar analyse van de marge-uitholling en om, ten aanzien van de specifieke vaste kosten, de bijbehorende en gemeenschappelijke kosten niet mee te tellen. Zij heeft daarentegen de optimaliseringsaanpassingen afgewezen.
112
In de punten 222 tot en met 239 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie terecht had geweigerd om rekening te houden met de optimaliseringsaanpassingen. Ter rechtvaardiging van dat oordeel heeft het Gerecht in punt 225 van het bestreden arrest met name vastgesteld dat die optimaliseringsaanpassingen erin bestonden om de activa aan te passen aan het geschatte niveau van de activa van een efficiënte exploitant die een optimaal netwerk zou uitrollen dat geschikt is om te voldoen aan een toekomstige vraag die gebaseerd is op de informatie van ‘nu’ en op voorspellingen van de vraag. Het Gerecht heeft derhalve geoordeeld dat de optimaliseringsaanpassingen waren gebaseerd op een projectie en op een model van een optimaal netwerk en niet op een raming die de marginale kosten van de bestaande activa van rekwirante weerspiegelde.
113
Daaruit heeft het Gerecht in punt 226 van het bestreden arrest afgeleid dat de optimaliseringsaanpassingen in het algemeen en de vervanging van de bestaande activa door hun modernere equivalenten in het bijzonder een ander doel hadden dan de door rekwirante voorgestelde herwaardering van de activa. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat het feit dat de Commissie rekening had gehouden met de door rekwirante voorgestelde herwaardering van de bestaande activa, wegens het ontbreken van andere, meer betrouwbare gegevens over de LRAIC niet noodzakelijkerwijs impliceerde dat de Commissie daarmee had ingestemd met de optimaliseringsaanpassingen. De Commissie had dus terecht de vervanging van de bestaande activa door hun modernere equivalenten anders behandeld dan de door rekwirante voorgestelde herwaardering van de activa.
114
Voorts heeft het Gerecht in de punten 227 tot en met 235 van het bestreden arrest de conclusie van de Commissie bevestigd dat de optimaliseringsaanpassingen zouden leiden tot de berekening van de LRAIC niet op basis van rekwirantes activa, maar op basis van die van een hypothetische concurrent. In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 232 van het bestreden arrest ten eerste geoordeeld dat de vervanging van de bestaande activa door modernere equivalenten ertoe strekte om de kosten van de activa aan te passen door van de waarde van de ‘vlottende’ activa uit te gaan, zonder dat echter de afschrijvingen dienovereenkomstig werden aangepast, en ten tweede dat de inaanmerkingneming van de overtollige capaciteit van de netwerken op basis van de ‘daadwerkelijk’ gebruikte capaciteit tot gevolg zou hebben gehad dat de activa van rekwirante die niet voor productiedoeleinden werden gebruikt, buiten beschouwing bleven. Het Gerecht heeft hieruit in punt 233 van het bestreden arrest afgeleid dat de Commissie op goede gronden kon concluderen dat de inaanmerkingneming van de optimaliseringsaanpassingen ertoe zouden hebben geleid dat werd afgeweken van de kosten die rekwirante tussen 12 augustus 2005 en 31 december 2010 had gedragen. Ten slotte heeft het Gerecht in punt 234 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie niet het beginsel had geschonden dat het onderzoek van een marge-uitholling moest worden gebaseerd op het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’, door in wezen te overwegen dat het onvermijdelijk was dat een bepaalde capaciteit bij tijd en wijle onbenut bleef. Indien de Commissie de optimaliseringsaanpassingen in verband met de overtollige capaciteit had aanvaard, zouden de berekeningen van de LRAIC van rekwirante de kosten hebben weerspiegeld van een optimaal netwerk dat aansloot bij de vraag en niet te lijden had onder de inefficiënties van het netwerk van deze exploitant.
115
Rekwirante betoogt dat het Gerecht het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’ onjuist heeft toegepast en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie de optimaliseringsaanpassingen terecht heeft afgewezen. Tot staving van dit argument voert rekwirante in wezen aan dat deze aanpassingen enkel betrekking hadden op de bestaande LRAIC-gegevens, namelijk haar gegevens voor het jaar 2011, die als indicatie voor de periode 2005---8211---2011 werden gebruikt. Voorts betoogt zij dat deze aanpassingen waren bedoeld om de huidige uitrustings- en exploitatiekosten weer te geven die een op de datum van het litigieuze besluit (‘nu’) uitgerold netwerk zou meebrengen, op dezelfde wijze als de aanpassingen van de AKB die de Commissie had aanvaard als elementen die in aanmerking dienden te worden genomen.
116
Het feit dat de LRAIC die de Commissie voor de periode 2005---8211---2010 in aanmerking heeft genomen, waren geraamd op basis van rekwirantes gegevens uit 2011 en dat de optimaliseringsaanpassingen tot doel hadden de uitrustings- en exploitatiekosten te actualiseren met betrekking tot een netwerk dat was uitgerold op de datum van het litigieuze besluit, volstaat echter niet om aan te tonen dat de beoordeling van het Gerecht in de punten 225 en 232 van het bestreden arrest, dat met deze aanpassingen werd beoogd de kosten van bestaande activa te evalueren door deze te vervangen door modernere equivalenten, zodat zij niet langer de kosten van een even efficiënte concurrent als rekwirante zouden weergeven, rechtens onjuist is. Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 226 en 233 van het bestreden arrest te oordelen dat de inaanmerkingneming van de optimaliseringsaanpassingen een ander doel had dan de herwaardering van de activa en ertoe zou hebben geleid dat werd afgeweken van de door rekwirante tussen 12 augustus 2005 en 31 december 2010 gemaakte kosten.
117
Evenzo volstaat het feit dat de enige gegevens die de Commissie in aanmerking heeft genomen voor de berekening van de LRAIC, de gegevens van rekwirante met betrekking tot het jaar 2011 waren en dat de optimaliseringsaanpassingen tot doel hadden de uitrustings- en exploitatiekosten te actualiseren met betrekking tot een op de datum van het litigieuze besluit uitgerold netwerk, niet als bewijs dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd vanwege de toepassing van het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’ op de omstandigheden van het geval, door in punt 234 van het bestreden arrest te oordelen dat de inaanmerkingneming van de optimaliseringsaanpassingen in verband met de overtollige capaciteit de kosten zou hebben weerspiegeld van een optimaal netwerk dat aansloot bij de vraag en dat niet te lijden had onder de inefficiënties van rekwirantes netwerk.
118
Aangezien niet is aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te bevestigen dat de Commissie op goede gronden de door rekwirante voorgestelde optimaliseringsaanpassingen heeft uitgesloten op basis van het criterium van de ‘even efficiënte exploitant’, is het feit dat deze aanpassingen zijn verricht op basis van dezelfde gegevens als die welke het voorwerp waren van andere door de Commissie in aanmerking genomen aanpassingen, zoals de door rekwirante verrichte AKB-aanpassingen, irrelevant. De inaanmerkingneming van de kosten en de aanpassingen ervan bij het onderzoek van een tariefpraktijk die leidt tot een uitholling van de marges van de concurrenten van de onderneming met een machtspositie, moet niet worden beoordeeld in het licht van het feit dat de Commissie reeds andere aanpassingen van deze kosten heeft aanvaard, maar aan de hand van het criterium van een concurrent die minstens even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie.
119
Hoe dan ook kan een onjuiste toepassing van dit criterium als gevolg van het in aanmerking nemen van bepaalde kostenaanpassingen op zichzelf niet rechtvaardigen dat uit naam van het beginsel van gelijke behandeling ook andere aanpassingen in aanmerking worden genomen. Het beginsel van gelijke behandeling moet namelijk worden afgewogen tegen het legaliteitsbeginsel, volgens hetwelk niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (zie in die zin arrest van 13 september 2017, Pappalardo e.a./Commissie, C-350/16 P, EU:C:2017:672, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120
Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten niet juridisch onjuist gekwalificeerd door te bevestigen dat de Commissie op goede gronden heeft geweigerd om de optimaliseringsaanpassingen in aanmerking te nemen.
121
Het derde middel van de hogere voorziening moet dan ook gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.
Verzoek dat een eventueel gunstige uitspraak wordt uitgebreid tot rekwirante
122
Rekwirante verzoekt dat een mogelijke toewijzing van het door DT ter ondersteuning van haar hogere voorziening in zaak C-152/19 P tegen het arrest van het Gerecht van 13 december 2018, Deutsche Telekom/Commissie (T-827/14, EU:T:2018:930), aangevoerde middel waarmee DT dat arrest bekritiseert voor zover daarin is geoordeeld dat de Commissie terecht had geoordeeld dat rekwirante en zijzelf deel uitmaakten van één onderneming en dat zij beide verantwoordelijk waren voor de in het litigieuze besluit vastgestelde inbreuk, wordt uitgebreid tot rekwirante. Tot staving van dit verzoek voert rekwirante aan dat dit middel hetzelfde voorwerp heeft als haar vierde voor het Gerecht aangevoerde middel.
123
De Commissie is van mening dat een dergelijk verzoek moet worden verworpen, aangezien het geen middel in hogere voorziening is, de aansprakelijkheid van rekwirante niet voortvloeit uit het gedrag van DT en de hogere voorziening van DT in zaak C-152/19 P hoe dan ook moet worden afgewezen.
124
Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen dat het Hof in het arrest van vandaag, Deutsche Telekom/Commissie (C-152/19 P), de hogere voorziening van DT in die zaak heeft afgewezen, zodat het verzoek van rekwirante zonder voorwerp is geraakt en dus niet ter zake dienend is.
125
Derhalve dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.
Kosten
126
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
127
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
128
Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Slovak Telekom a.s. draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑03‑2021
Procestaal: Engels.
Conclusie 09‑09‑2020
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededinging — Misbruik van machtspositie — Slowaakse markt voor breedbandtelecommunicatiediensten — Door gevestigde exploitant vastgestelde voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk voor andere exploitanten — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 EER wordt vastgesteld — Toegangsverplichting uit hoofde van het regelgevingskader — Bronner-rechtspraak — Niet-toepasselijkheid — Toerekenbaarheid van het gedrag van de dochteronderneming aan de moedermaatschappij — Begrip ‘economische eenheid’ — Beslissende invloed — Daadwerkelijke uitoefening — Reeks onderling overeenstemmende elementen’
H. saugmandsgaard øe
Partij(en)
Zaken C-152/19 P en C-165/19 P1.
Deutsche Telekom AG (C-152/19 P),
Slovak Telekom, a.s. (C-165/19 P)
tegen
Europese Commissie
I. Inleiding
1.
In de onderhavige zaken wordt het Hof verzocht om nogmaals de draagwijdte van het arrest Bronner2. te verduidelijken binnen het normatieve landschap van artikel 102 VWEU. Die zaak betrof de weigering van een onderneming met een machtspositie om infrastructuur die zij in eigendom had beschikbaar te stellen voor concurrerende ondernemingen.
2.
Rekwiranten, Deutsche Telekom AG (hierna: ‘DT’) in zaak C-152/19 P en Slovak Telekom, a.s. (hierna: ‘ST’) in zaak C-165/19 P, suggereren in wezen om de in punt 41 van dat arrest vastgestelde voorwaarden, met name het vereiste van onontbeerlijkheid, toe te passen op de impliciete toegangsweigeringen die niet voortvloeien uit een uitdrukkelijke weigering door de onderneming met een machtspositie, maar uit onbillijke contractvoorwaarden.
3.
Om de redenen die ik hieronder zal uiteenzetten, zal ik het Hof in overweging geven om dat begrip ‘impliciete toegangsweigering’ van de hand te wijzen en de beperkte draagwijdte van het arrest Bronner te beklemtonen. Mijns inziens vormt het arrest Bronner een specifiek geval in het normatieve landschap van artikel 102 VWEU en dient dat ook te blijven.
4.
Ik zal het Hof eveneens in overweging geven om het door DT in zaak C-152/19 P aangevoerde tweede en derde middel af te wijzen. In het kader van het onderzoek van die middelen zal het Hof de beginselen inzake de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming (ST) aan de moedermaatschappij (DT) kunnen herhalen, met dien verstande dat de deelneming van die moedermaatschappij in het kapitaal van de dochteronderneming te klein is om onder het zogeheten Akzo Nobel-vermoeden3. te vallen.
II. Feitelijke en reglementaire achtergrond van de gedingen
5.
De feitelijke achtergrond van de gedingen is uiteengezet in de punten 1 tot en met 11 van het door het Gerecht gewezen arrest Deutsche Telekom/Commissie (hierna: ‘arrest DT’)4. en in de punten 1 tot en met 11 van het door het Gerecht gewezen arrest Slovak Telekom/Commissie (hierna: ‘arrest ST’)5. en kan als volgt worden samengevat.
6.
DT en ST zijn de gevestigde telecomexploitanten in respectievelijk Duitsland en Slowakije. DT heeft vanaf 4 augustus 2000 en gedurende de hele periode die in het litigieuze besluit wordt onderzocht — van 12 augustus 2005 tot en met 31 december 2010 — een deelneming van 51 % gehad in het kapitaal van ST.
7.
In de context van de verlening van internettoegang verwijst het aansluitnetwerk naar de metalen aderparen (eveneens ‘lijn’ genoemd) die het netwerkaansluitpunt in de ruimte van de klant verbinden met de hoofdverdeler of een gelijkwaardige voorziening in het vaste openbare telefoonnetwerk.
8.
De ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk stelt nieuwkomers — doorgaans aangeduid als ‘alternatieve exploitanten’ — in staat om gebruik te maken van de reeds bestaande telecommunicatie-infrastructuur die eigendom is van de gevestigde exploitanten, teneinde verschillende diensten aan de eindafnemers aan te bieden, waarbij zij concurreren met die gevestigde exploitanten.
9.
De ontbundeling van het aansluitnetwerk is op het niveau van de Europese Unie geregeld door onder meer verordening (EG) nr. 2887/20006. en richtlijn 2002/21/EG7..
10.
Dat regelgevingskader schreef in wezen voor dat de exploitant die door de nationale regelgevende instantie was aangewezen als de exploitant ‘die over een aanmerkelijke macht op de markt beschikte’, aan alternatieve exploitanten ontbundelde toegang tot zijn aansluitnetwerk en bijbehorende faciliteiten diende te verlenen onder transparante, billijke en niet-discriminerende voorwaarden, en steeds over een referentieaanbod voor die ontbundelde toegang diende te beschikken.
11.
Na de binnenlandse markt te hebben geanalyseerd, heeft de Slowaakse nationale regelgevende instantie op het gebied van telecommunicatie op 8 maart 2005 een besluit vastgesteld waarbij zij ST heeft aangewezen als de exploitant die over een aanmerkelijke macht beschikt op de wholesalemarkt voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk in de zin van verordening nr. 2887/2000. Dit besluit, dat door ST is betwist, is op 14 juni 2005 bevestigd door de voorzitter van die instantie.
12.
Ter uitvoering van dat besluit heeft ST haar referentieaanbod voor ontbundeling op 12 augustus 2005 gepubliceerd. In dit document, dat in de periode vanaf deze datum tot einde 2010 negenmaal is gewijzigd, werden de contractuele en technische voorwaarden voor ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk van ST gedefinieerd.
13.
Het aanbod van ST dekte 75,7 % van alle Slowaakse huishoudens en alle aansluitnetten waarmee breedbandsignalen konden worden uitgezonden. Gedurende de periode 2005–2010 is de toegang tot de aansluitnetten van ST echter slechts enkele malen ontbundeld sinds 18 december 2009, en is hiervan gebruikgemaakt door één alternatieve exploitant, namelijk om retailbreedbanddiensten aan ondernemingen te leveren.
III. Litigieus besluit
14.
Op 15 oktober 2014 heeft de Europese Commissie een besluit vastgesteld waarbij zij DT en ST heeft gesanctioneerd wegens inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (hierna: ‘litigieus besluit’) op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten.8.
15.
In het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de onderneming die door DT en ST tezamen wordt gevormd, gedurende de periode van 12 augustus 2005 tot en met 31 december 2010 één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst heeft gepleegd met betrekking tot de voorwaarden waaronder ST ontbundelde toegang tot haar aansluitnetwerk heeft aangeboden.
16.
De door de door de Commissie vastgestelde inbreuk hield meer bepaald de volgende praktijken in:
- —
het onthouden aan de alternatieve exploitanten van de voor de ontbundeling van de aansluitnetten benodigde netwerkinformatie;
- —
de beperking van de omvang van de verplichtingen van ST ten aanzien van de ontbundeling van de aansluitnetten;
- —
de vaststelling van onbillijke ontbundelingsvoorwaarden in het referentieaanbod van ST met betrekking tot collocatie, kwalificatie, prognoses, reparaties en bankgaranties, en
- —
de toepassing van onbillijke tarieven waardoor een even efficiënte exploitant die gebruikmaakt van de wholesaletoegang tot de ontbundelde aansluitnetten van ST niet in staat was de door ST aangeboden retaildiensten te repliceren zonder verlies te lijden.
17.
De Commissie heeft een hoofdelijke geldboete van 38 838 000 EUR aan DT en ST, en een geldboete van 31 070 000 EUR aan DT opgelegd.
IV. Procedures bij het gerecht en bestreden arresten
A. Arrest dt
18.
Ter ondersteuning van haar beroep bij het Gerecht heeft DT vijf middelen aangevoerd die respectievelijk zijn ontleend aan:
- —
een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 102 VWEU op het onrechtmatige gedrag van ST, en schending van de rechten van de verdediging;
- —
een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de duur van het onrechtmatige gedrag van ST;
- —
een onjuiste opvatting van de feiten en een onjuiste rechtsopvatting bij de toerekening van het onrechtmatige gedrag van ST aan DT, aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat DT daadwerkelijk een beslissende invloed op ST heeft uitgeoefend;
- —
schending van het begrip ‘onderneming’ in de zin van het Unierecht en van het beginsel van het persoonlijke karakter van sancties, alsook een motiveringsgebrek, en
- —
fouten bij de berekening van het bedrag van de geldboete die aan DT en ST is opgelegd.
19.
Bij het arrest DT heeft het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard. Het heeft vervolgens het bedrag van de hoofdelijk door DT verschuldigde geldboete vastgesteld op 38 061 963 EUR en het bedrag van de uitsluitend door DT verschuldigde geldboete op 19 030 981 EUR. Het heeft het beroep van DT verworpen voor het overige.
B. Arrest st
20.
Ter ondersteuning van haar beroep bij het Gerecht heeft ST vijf middelen aangevoerd die respectievelijk zijn ontleend aan:
- —
kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste rechtsopvattingen in het kader van de toepassing van artikel 102 VWEU;
- —
schending van haar rechten van verdediging met betrekking tot de beoordeling van de in een marge-uitholling resulterende praktijk;
- —
fouten bij de vaststelling van de marge-uitholling;
- —
kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste rechtsopvattingen van de Commissie bij haar vaststelling dat DT en ST tezamen één enkele onderneming vormden en beide aansprakelijk waren voor de betrokken inbreuk;
- —
subsidiair, fouten bij het bepalen van het bedrag van de geldboete.
21.
Bij het arrest ST heeft het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard. Het heeft vervolgens het bedrag van de hoofdelijk door ST verschuldigde geldboete vastgesteld op 38 061 963 EUR. Het heeft het beroep van ST verworpen voor het overige.
V. Hogere voorzieningen die bij het hof zijn ingesteld
A. Hogere voorziening van dt tegen het arrest dt
22.
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening tegen het arrest DT in zaak C-152/19 P, voert DT vier middelen aan die respectievelijk zijn ontleend aan:
- —
een onjuiste uitlegging en toepassing van het beginsel volgens hetwelk toegangsweigering slechts een inbreuk op artikel 102 VWEU kan vormen wanneer is voldaan aan het vereiste dat de gewenste toegang onontbeerlijk is voor de activiteit op een downstreammarkt;
- —
een onjuiste uitlegging en toepassing van het beginsel volgens hetwelk een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk op artikel 102 VWEU slechts aan een moedermaatschappij kan worden toegerekend indien laatstgenoemde ook daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend;
- —
een onjuiste toepassing van het beginsel volgens hetwelk een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk op artikel 102 VWEU slechts aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend indien eerstgenoemde de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies in hoofdzaak heeft gevolgd, en
- —
schending van het recht om in de bestuurlijke procedure te worden gehoord.
23.
Voorts vraagt DT dat de eventuele toewijzing door het Hof van een door ST in zaak C-165/19 P aangevoerd middel dat overeenkomt met het derde onderdeel van het door DT voor het Gerecht aangevoerde eerste middel, te weten het kader van de berekening van de gemiddelde marginale langetermijnkosten als grondslag voor de vaststelling van een onrechtmatige prijssqueeze, aan haar ten goede zou komen.
24.
In het kader van haar hogere voorziening verzoekt DT het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen voor zover haar beroep daarbij is verworpen;
- —
het litigieuze besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover dit besluit haar betreft, en subsidiair de haar opgelegde geldboeten nietig te verklaren of te verlagen;
- —
subsidiair, de zaak ter hernieuwde afdoening terug te verwijzen naar het Gerecht, en
- —
de Commissie in alle kosten van de onderhavige procedure en de procedure voor het Gerecht te verwijzen.
25.
De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van DT in de kosten.
B. Hogere voorziening van st tegen het arrest st
26.
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening tegen het arrest ST in zaak C-165/19 P voert ST drie middelen aan die respectievelijk ontleend zijn aan:
- —
onjuiste rechtsopvattingen bij de vaststelling van misbruik in de zin van artikel 102 VWEU bestaande in de weigering om een overeenkomst te sluiten;
- —
schending van de rechten van de verdediging bij de beoordeling van de marge-uitholling, en
- —
onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van het bestaan van marge-uitholling.
27.
Voorts vraagt ST dat de eventuele toewijzing door het Hof van een door DT in zaak C-152/19 P aangevoerd middel dat overeenkomt met het door ST voor het Gerecht aangevoerde vierde middel, te weten de vaststelling door de Commissie dat DT en ST tezamen één enkele onderneming vormden en beide aansprakelijk waren voor de beweerdelijk door ST gepleegde inbreuk, aan haar ten goede komt.
28.
In het kader van haar hogere voorziening verzoekt ST het Hof concluderend:
- —
het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
- —
het litigieuze besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren;
- —
subsidiair, de haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of het bedrag ervan verder te verlagen, en
- —
de Commissie in de kosten van de onderhavige procedure en de procedure voor het Gerecht te verwijzen.
29.
De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van ST in de kosten.
VI. Procedures bij het hof
30.
In zaak C-152/19 P heeft DT haar hogere voorziening tegen het arrest DT ingesteld op 21 februari 2019. De Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.
31.
In zaak C-165/19 P heeft ST haar hogere voorziening tegen het arrest ST ingesteld op 22 februari 2019. De Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.
32.
DT, ST en de Commissie waren aanwezig op de voor de twee zaken gemeenschappelijke pleitzitting van 17 juni 2020, alwaar zij mondelinge opmerkingen hebben gemaakt.
VII. Analyse
33.
Op verzoek van het Hof is de onderhavige conclusie toegespitst op de eerste drie middelen die door DT in zaak C-152/19 P zijn aangevoerd en op het eerste middel dat door ST in zaak C-165/19 P is aangevoerd.
A. Eerste middel van dt en eerste middel van st
34.
Zowel het eerste middel van DT als het eerste middel van ST is ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht beweerdelijk blijk heeft gegeven met betrekking tot het in het arrest Bronner geformuleerde vereiste van ‘onontbeerlijkheid’ ter beoordeling of sprake is van misbruik in de zin van artikel 102 VWEU.
35.
Die twee middelen overlappen elkaar grotendeels, net zoals de relevante passages uit het arrest DT (punten 86–116) en die uit het arrest ST (punten 92–154), zodat zij op zinvolle wijze gezamenlijk kunnen worden behandeld.
36.
Alvorens te starten met het onderzoek van de door DT en ST aangevoerde argumenten, lijkt het mij zinvol in herinnering te brengen wat de betrokken praktijken inhielden.
37.
Uit de punten 92 tot en met 94 van het arrest DT en uit de punten 113 en 114 van het arrest ST blijkt dat DT en ST het bestaan van de door de Commissie in het zevende deel van het litigieuze besluit vastgestelde gedragingen (hierna: ‘betrokken praktijken’) niet hebben betwist. Die praktijken hielden in dat:
- —
de voor de ontbundeling van het aansluitnetwerk benodigde informatie over het netwerk van ST aan de alternatieve exploitanten werd onthouden;
- —
ST de krachtens de toepasselijke regelgeving op haar rustende verplichtingen op het gebied van de ontbundeling beperkte en
- —
ST verschillende onbillijke voorwaarden in haar referentieaanbod voor ontbundeling opnam.
38.
Deze feitelijke elementen zijn voor het Gerecht niet ter discussie gesteld en dienen derhalve in het kader van de onderhavige procedure als vaststaand te worden beschouwd.
1. Samenvatting van de door dt en st aangevoerde argumenten
39.
DT en ST betogen in essentie dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op het bestaan van een wettelijke verplichting tot het verlenen van toegang tot het aansluitnetwerk, de Commissie voor de kwalificatie van de betrokken praktijken als ‘één enkele voortdurende inbreuk’ op artikel 102 VWEU niet hoefde te bewijzen dat die toegang onontbeerlijk was in de zin van het arrest Bronner voor de uitoefening van de werkzaamheid van concurrerende aanbieders op de retailmarkt.
40.
Voor de duidelijkheid zal ik de opbouw volgen van het door ST aangevoerde eerste middel, dat uit vijf onderdelen bestaat.
41.
In het kader van het eerste onderdeel van haar eerste middel betoogt ST dat het Gerecht in de punten 151 en 152 van het arrest ST ten onrechte tot de vaststelling is gekomen dat de in het arrest Bronner voor de toepassing van artikel 102 VWEU geformuleerde voorwaarden niet van toepassing zijn wanneer er een wettelijke verplichting ex ante bestaat. Bij die vaststelling wordt evenwel geen rekening gehouden met het feit dat het toezicht ex post uit hoofde van artikel 102 VWEU fundamenteel verschilt van bestuurlijke controles die ex ante door de Slowaakse nationale regelgevende instantie op het gebied van telecommunicatie worden verricht.9.
42.
Voorts voert ST aan dat het Gerecht in punt 121 van het arrest ST ten onrechte van oordeel was dat de Commissie niet diende na te gaan of aan het in het arrest Bronner geformuleerde vereiste van ‘onontbeerlijkheid’ was voldaan, aangezien de ‘noodzaak’ van toegang tot rekwirantes aansluitnetwerk reeds was vastgesteld door regelgeving ex ante. De beoordeling uit hoofde van het regelgevingskader van de ‘noodzaak’ verschilt immers fundamenteel van de beoordeling uit hoofde van artikel 102 VWEU van de ‘onontbeerlijkheid’.
43.
Insgelijks voert DT aan dat het Gerecht in punt 101 van het arrest DT ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke toegangsverplichting in de plaats komt van de onontbeerlijkheid van toegang in de zin van het arrest Bronner. Aan een wettelijke toegangsverplichting, die een verplichting ex ante is, en aan het vereiste van onontbeerlijkheid in de zin van het arrest Bronner, dat ex post wordt beoordeeld, liggen evenwel fundamenteel verschillende overwegingen ten grondslag.
44.
DT maakt voorts bezwaar tegen de verwijzing in punt 97 van het arrest DT naar het arrest Deutsche Telekom/Commissie10., gelet op het feit dat laatstgenoemd arrest niet ziet op het verband tussen de wettelijke toegangsverplichting en de onontbeerlijkheid in de zin van het arrest Bronner.
45.
Met het tweede onderdeel stelt ST dat het Gerecht in de punten 126 en 127 van het arrest ST ten onrechte uit het arrest TeliaSonera Sverige11. heeft afgeleid dat de in het arrest Bronner geformuleerde voorwaarden niet van toepassing waren. ST benadrukt dat de punten 55 tot en met 58 van het arrest TeliaSonera Sverige een praktijk van marge-uitholling betroffen, terwijl zij wordt beschuldigd van weigering om een overeenkomst met de alternatieve exploitanten te sluiten. Volgens ST dient een dergelijke weigering te worden beoordeeld in het licht van de rechtspraak inzake contracteerweigering, waarvan het arrest Bronner deel uitmaakt.
46.
DT heeft een soortgelijk argument naar voren gebracht om te wijzen op een onjuiste rechtsopvatting in punt 109 van het arrest DT.
47.
Met het derde onderdeel stelt ST dat het Gerecht in de punten 138 en 139 van het arrest ST blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het door het Gerecht gewezen arrest Clearstream/Commissie12. niet relevant was ter beoordeling van het gedrag van ST, op grond dat in laatstgenoemde zaak geen sprake was van een wettelijke verplichting om de betrokken dienst te leveren en de onderneming met een machtspositie haar handelspositie niet had ontwikkeld in het kader van een wettelijk monopolie.
48.
Met het vierde onderdeel voert ST aan dat het Gerecht in de punten 133 en 134 van het arrest ST ten onrechte heeft bevestigd dat een uitdrukkelijke of categorische contracteerweigering moet voldoen aan de strikte voorwaarden van het arrest Bronner om als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU te worden aangemerkt, terwijl een impliciete contracteerweigering niet aan die voorwaarden hoeft te voldoen. Als gevolg van dat standpunt van het Gerecht zouden meer ernstige gedragingen (uitdrukkelijke contracteerweigeringen) gunstiger worden behandeld dan minder ernstige gedragingen (impliciete contracteerweigeringen). Volgens ST is het arrest van het Gerecht dienaangaande tevens ontoereikend gemotiveerd.
49.
DT heeft ten aanzien van punt 111 van het arrest DT een soortgelijk argument aangevoerd door bezwaar te maken tegen het verschil in behandeling tussen de uitdrukkelijke toegangsweigering, die in het arrest Bronner aan de orde is, en de impliciete toegangsweigering, die in de onderhavige zaak aan de orde is.
50.
Met het vijfde en laatste onderdeel voert ST aan dat het Gerecht in de punten 153 en 154 van het arrest ST ten onrechte van oordeel was dat het voormalige staatsmonopolie van ST een rechtsgrond biedt om de voorwaarden uit het arrest Bronner niet toe te passen. ST betoogt dat dit standpunt geen enkele steun vindt in het enige door het Gerecht in dat verband aangehaalde arrest, te weten het arrest Post Danmark13.. ST voegt daaraan toe dat de onontbeerlijkheid volgens het arrest Bronner dient te worden beoordeeld op het moment van het gestelde misbruik, zodat het bestaan van een voormalig wettelijk monopolie niet relevant is.
2. Antwoord op de door dt en st aangevoerde argumenten
51.
Alle door DT en ST aangevoerde argumenten berusten op een premisse, namelijk dat de onrechtmatigheid van de betrokken praktijken niet kon worden vastgesteld zonder dat de onontbeerlijkheid in de zin van het arrest Bronner was getoetst.
52.
Anders gesteld, indien het arrest Bronner geen relevante rechtsbron vormt voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van die praktijken, dienen alle argumenten van DT en ST ongegrond of niet ter zake dienend te worden verklaard.
53.
Welnu, om de hieronder uiteengezette redenen ben ik er daadwerkelijk van overtuigd dat het arrest Bronner in casu niet relevant is.
54.
Meer in het algemeen stelt deze zaak het Hof in de gelegenheid verduidelijking aan te brengen in de draagwijdte van het arrest Bronner, die tijdens de pleitzitting heel wat vragen heeft doen rijzen.
55.
Ik zal hieronder in essentie laten zien dat het arrest Bronner een specifiek geval vormt in het normatieve landschap van artikel 102 VWEU. De draagwijdte van dat geval dient strikt te worden uitgelegd teneinde de nuttige werking van artikel 102 VWEU te behouden.14. Anders gesteld: de voorwaarden uit het arrest Bronner zijn in beginsel niet van toepassing ter beoordeling van het bestaan van een inbreuk op artikel 102 VWEU.
a) In het arrest bronner bedoeld geval en vastgestelde voorwaarden
56.
De door het Hof in het arrest Bronner bedoelde situatie is duidelijk aangegeven in punt 37 van dat arrest: in wezen heeft het Hof onderzocht of ‘de omstandigheid dat de eigenaar van het enige landelijke thuisbezorgingssysteem op het grondgebied van een lidstaat, die dit systeem gebruikt voor de distributie van zijn eigen dagbladen, de toegang daartoe weigert aan de uitgever van een concurrerend dagblad’ als ‘misbruik’ in de zin van artikel 102 VWEU kan worden aangemerkt.
57.
De in het arrest Bronner bedoelde situatie betreft met andere woorden de weigering van een onderneming met een machtspositie om infrastructuur die zij in eigendom heeft — in dit geval een thuisbezorgingssysteem — beschikbaar te stellen voor een of meerdere concurrerende ondernemingen. Gemakshalve zal ik verder in de onderhavige conclusie de uitdrukking ‘weigering van beschikbaarstelling’ hanteren om naar deze situatie te verwijzen.
58.
Deze principiële kwestie verschilt niet fundamenteel van die met betrekking tot de grenzen die uit hoofde van artikel 102 VWEU kunnen worden gesteld aan de uitoefening door de houder van een intellectuele-eigendomsrecht van zijn uitsluitend recht. Dat verklaart waarom in het arrest Bronner veelvuldig naar het arrest RTE en ITP/Commissie, het zogenaamde arrest Magill15., wordt verwezen.
59.
In punt 41 van het arrest Bronner heeft het Hof een aantal voorwaarden vastgesteld waaraan een weigering van beschikbaarstelling dient te voldoen om te kwalificeren als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU. Volgens de bewoordingen van het Hof is dat het geval ‘wanneer niet alleen de weigering om de dienst van thuisbezorging te verlenen, elke mededinging op de dagbladmarkt door de verzoeker van de dienst kan uitsluiten en niet objectief kan worden gerechtvaardigd, maar de dienst op zich bovendien onontbeerlijk is voor de uitoefening van de werkzaamheid van deze laatste, in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief voor het thuisbezorgingssysteem bestaat’.
60.
Uit de lezing van punt 41 van het arrest Bronner leid ik drie voorwaarden af waaraan een weigering van beschikbaarstelling dient te voldoen om als ‘onrechtmatig’ te kunnen worden aangemerkt (hierna: ‘voorwaarden uit het arrest Bronner’):
- —
de weigering van beschikbaarstelling kan elke mededinging op de relevante markt door de concurrerende onderneming uitsluiten;
- —
die weigering is niet objectief gerechtvaardigd;
- —
de betrokken infrastructuur is onontbeerlijk voor de uitoefening van de werkzaamheid van de concurrerende onderneming, in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief bestaat.
b) Inzet van de onderhavige zaak voor het mededingingsbeleid binnen de Unie
61.
Volgens DT en ST kunnen de betrokken praktijken slechts als ‘misbruik’ in de zin van artikel 102 VWEU worden aangemerkt wanneer cumulatief aan de voorwaarden uit het arrest Bronner is voldaan. De Commissie stelt omgekeerd dat de rechtspraak Bronner niet op dergelijke gedragingen van toepassing is.
62.
Ik wens in dit stadium de aandacht te vestigen op de inzet van de onderhavige zaak, die het loutere geschil tussen deze partijen ruimschoots overstijgt.
63.
De voorwaarden uit het arrest Bronner houden bijzonder strenge juridische eisen in voor de vaststelling van misbruik. Zij vormen in zekere zin een ‘top’ in het normatieve landschap van artikel 102 VWEU.
64.
Dus telkens wanneer de draagwijdte van de rechtspraak Bronner wordt verruimd, vermindert logischerwijze de nuttige werking van artikel 102 VWEU en verzwakt tegelijkertijd de macht van de Commissie om misbruiken te bestrijden. In de praktijk zal de Commissie voor de vaststelling van het bestaan van misbruik dan veel zwaarwegender bewijzen dienen aan te dragen. Ondernemingen met een machtspositie zullen dan logischerwijs meer bewegingsruimte krijgen doordat hun gedrag slechts wordt gesanctioneerd indien aan alle voorwaarden uit het arrest Bronner is voldaan.
65.
Plastischer gezegd leidt elke uitbreiding van de Bronner-rechtspraak ertoe dat enkel nog ‘supermisbruik’ van machtsposities, namelijk misbruik dat aan de voorwaarden uit het arrest Bronner voldoet, wordt verboden. Omgekeerd zullen praktijken van ondernemingen met een machtspositie die onder een van de drie volgende gevallen vallen, niet meer worden gesanctioneerd:
- —
een praktijk die niet elke mededinging op de relevante markt door de concurrerende onderneming uitsluit (omkering van de eerste voorwaarde uit het arrest Bronner);
- —
een praktijk die objectief is gerechtvaardigd (omkering van de tweede voorwaarde uit het arrest Bronner), of
- —
een praktijk die niet ziet op goederen of diensten die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheid van de concurrerende onderneming (omkering van de derde voorwaarde uit het arrest Bronner).
c) Bestaansreden van de voorwaarden uit het arrest bronner
66.
Nu de belangen van de onderhavige zaak zijn uiteengezet, rijst de vraag naar de bestaansreden van de voorwaarden uit het arrest Bronner, die niet als zodanig in de bewoordingen van artikel 102 VWEU zijn terug te vinden.
67.
Wat is de beweegreden van het Hof geweest om voor de onrechtmatigheid van een weigering van beschikbaarstelling een hogere juridische maatstaf te hanteren, terwijl andere praktijken van ondernemingen met een machtspositie — zoals de vaststelling van onbillijke prijzen16., een prijssqueeze17. of andere onbillijke contractvoorwaarden18. — worden beoordeeld zonder dat de voorwaarden uit het arrest Bronner ooit worden toegepast?
68.
Het antwoord op die vraag wordt mijns inziens duidelijk uiteengezet in de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Bronner.19. In wezen bestaat er een fundamenteel onderscheid tussen enerzijds het sanctioneren van de voorwaarden van een overeenkomst, met name de overeengekomen prijs, op grond dat zij een onderneming bevoordelen die vanwege haar machtspositie niet wordt onderworpen aan marktdiscipline, en anderzijds het sanctioneren van een weigering van beschikbaarstelling. Het sanctioneren van een weigering van beschikbaarstelling, hetgeen erop neerkomt dat een onderneming wordt verplicht een overeenkomst te sluiten, vormt een veel grotere aanslag op de vrijheid van ondernemingen.
69.
Dat verschil in aard vormt de rechtvaardigingsgrond voor de hogere juridische maatstaf in het arrest Bronner. Het vormt ook de basis voor de in het mededingingsrecht van de Verenigde Staten ontwikkelde doctrine inzake essentiële infrastructuur (essential facilities), die uitvoerig is uiteengezet door advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Bronner. De advocaat-generaal heeft dat verschil in aard bovendien verduidelijkt door erop te wijzen dat sprake is van een dubbele belangenafweging.
70.
In het kader van de eerste belangenafweging staan grondrechten en vrije mededinging tegenover elkaar.
71.
In punt 56 van zijn conclusie verduidelijkt advocaat-generaal Jacobs aldus dat ‘het recht zelf zijn handelspartners te kiezen, alsmede het recht over zijn eigendom te beschikken, tot de algemeen erkende beginselen van de wetgevingen der lidstaten [behoort], soms met grondwettelijke status. Inbreuken hierop moeten zorgvuldig worden gemotiveerd’.
72.
Inmiddels zijn de vrijheid van ondernemerschap, die de contractuele vrijheid20. omvat, en het recht op eigendom opgenomen in respectievelijk artikel 16 en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
73.
De verplichting die krachtens artikel 102 VWEU aan de onderneming met een machtspositie kan worden opgelegd om infrastructuur die zij in eigendom heeft beschikbaar te stellen voor concurrerende ondernemingen, houdt een ernstige en specifieke inbreuk in op de contractuele vrijheid en het recht op eigendom van die onderneming.
74.
Die ernstige en specifieke inbreuk op de voornoemde grondrechten is de reden waarom het Hof in een dergelijke situatie terecht extra voorwaarden heeft verbonden aan de toepassing van artikel 102 VWEU. Op die manier heeft het Hof enerzijds het belang van de — zwaardere — inbreuk op de grondrechten van de onderneming met een machtspositie bestaande in een verplichting om haar eigendom beschikbaar te stellen en anderzijds het belang van de in een dergelijke situatie — striktere — toepassingsvoorwaarden, te weten de voorwaarden uit het arrest Bronner, tegen elkaar afgewogen.
75.
In het kader van de tweede belangenafweging staan kortetermijnvoordelen en langetermijnvoordelen voor de mededinging, en uiteindelijk voor de consumenten, tegenover elkaar.
76.
In punt 57 van zijn conclusie wijst advocaat-generaal Jacobs er in dat verband op dat ‘op het gebied van het mededingingsbeleid […] de rechtvaardiging van een inmenging in de contractsvrijheid van een onderneming met een machtspositie veelal een zorgvuldige afweging van conflicterende belangen [vergt]. Op lange termijn is het in het algemeen bevorderlijk voor de concurrentie en in het belang van de consument, een onderneming toe te staan voorzieningen die zij ten behoeve van haar eigen bedrijfsactiviteiten heeft gecreëerd, voor eigen gebruik te reserveren. […] Bovendien zou de prikkel voor een dominante onderneming om in efficiënte voorzieningen te investeren, afnemen, indien haar concurrenten desgevraagd van de voordelen ervan zouden kunnen profiteren.’
77.
In punt 62 van zijn conclusie formuleert advocaat-generaal Jacobs soortgelijke beschouwingen met betrekking tot de weigering intellectuele-eigendomsrechten in licentie te geven: ‘[a]angezien dergelijke uitsluitende rechten voor een beperkte periode worden verleend, impliceert dat op zich reeds een afweging van het belang van vrije mededinging enerzijds en het belang van stimulering van onderzoek en ontwikkeling en creativiteit anderzijds. Het Hof heeft dus op goede gronden geoordeeld, dat de weigering een licentie te verlenen, bij ontbreken van andere factoren op zich geen misbruik oplevert’.
78.
Aldus kan voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de weigering van beschikbaarstelling eveneens een hogere juridische maatstaf worden gehanteerd uit economische overwegingen, waarbij wordt beoogd de langetermijnvoordelen van de vrije mededinging op het gebied van investeringen en creativiteit te waarborgen.
79.
Kortom, die dubbele belangenafweging, tussen grondrechten en vrije mededinging en daarnaast tussen kortetermijnvoordelen en langetermijnvoordelen van vrije mededinging, maakt het verschil in aard duidelijk tussen het sanctioneren van de voorwaarden van een overeenkomst en het sanctioneren van een weigering van beschikbaarstelling. Dat verschil in aard verklaart waarom in het arrest Bronner voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van een weigering van beschikbaarstelling een hogere juridische maatstaf wordt gehanteerd.
d) Misleidend karakter van het begrip ‘impliciete toegangsweigering’
80.
Een van de door DT en ST naar voren gebrachte argumenten om aan te tonen dat de voorwaarden uit het arrest Bronner op de betrokken praktijken dienen te worden toegepast, berust op het begrip ‘impliciete toegangsweigering’. Volgens DT en ST is de Bronner-rechtspraak niet alleen van toepassing in het geval van een uitdrukkelijke toegangsweigering als bedoeld door het Hof in punt 37 van het arrest Bronner, maar eveneens in het geval van onbillijke contractvoorwaarden die door de onderneming met een machtspositie worden opgelegd en die de facto hetzelfde resultaat opleveren, met andere woorden een impliciete toegangsweigering.
81.
Ik kan me voorstellen dat het begrip ‘impliciete toegangsweigering’ aanlokkelijk is aangezien sommige onbillijke contractvoorwaarden in bepaalde gevallen kunnen beletten dat een overeenkomst wordt gesloten. Toch wil ik meteen benadrukken dat door zich kunstmatig op dat gevolg van sommige contractvoorwaarden toe te spitsen wordt voorbijgegaan aan het ruimere analysekader waarop het arrest Bronner is gebaseerd, en met name de dubbele belangenafweging waarop ik zonet heb gewezen.
82.
Het strategische belang van een onderneming met een machtspositie, zoals de door DT en ST gevormde onderneming, om een dergelijke, op het begrip ‘impliciete weigering’ gebaseerde argumentatie naar voren te brengen, is duidelijk. Zoals ik in de punten 62 tot en met 65 van de onderhavige conclusie heb verduidelijkt, zou door de voorwaarden uit het arrest Bronner te gaan toepassen op nieuwe praktijken tegelijkertijd de nuttige werking van artikel 102 VWEU verminderen, de macht van de Commissie verzwakken en zouden ondernemingen met een machtspositie meer bewegingsruimte krijgen.
83.
Ik kan daarentegen moeilijker begrijpen waarom de Commissie erop aandringt dat onderscheid te maken, of het nu in die vorm is of in andere bewoordingen waarbij categorische tegenover impliciete toegangsweigering staat. Ofschoon haar op de pleitzitting herhaaldelijk daarnaar is gevraagd, had de Commissie moeite om duidelijk te maken waarom de betrokken praktijken niet als ‘impliciete toegangsweigering’ zouden kunnen worden aangemerkt.
84.
In feite vloeien die moeilijkheden voort uit het misleidende karakter van het begrip ‘impliciete toegangsweigering’ zelf. Dat begrip, waarvoor noch in het arrest Bronner noch in de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in die zaak enige steun kan worden gevonden, is immers een potentieel onbeperkt rekbaar begrip. Komt bijvoorbeeld het opleggen van een onbillijke prijs niet neer op een impliciete toegangsweigering?
85.
Extreem gesteld kan de vraag rijzen of niet elk misbruik op een of andere manier een impliciete toegangsweigering inhoudt, aangezien elke benadeling door de onderneming met een machtspositie potentiële klanten kan afschrikken om gebruik te maken van de door haar aangeboden goederen en diensten.
86.
Toch dient te worden vastgesteld dat het Hof de voorwaarden uit het arrest Bronner, of een soortgelijk juridisch criterium, nooit op onbillijke contractvoorwaarden heeft toegepast. Dat gebrek aan relevantie van de voorwaarden uit het arrest Bronner is bijzonder opmerkelijk wat tariefpraktijken betreft daar zij — als dat begrip zou bestaan — impliciete toegangsweigeringen bij uitstek zouden inhouden vanwege het belang voor de vrije mededinging van de prijs. In zijn rechtspraak over onbillijke prijzen van lang geleden heeft het Hof evenwel geen juridisch criterium gehanteerd dat vergelijkbaar is met de voorwaarden uit het arrest Bronner.21.
87.
Meer recentelijk heeft het Hof de voorwaarden uit het arrest Bronner evenmin toegepast in twee arresten over tariefpraktijken van organisaties voor het collectieve beheer van auteursrechten, ofschoon redelijkerwijze kon worden aangenomen dat hun diensten onontbeerlijk waren voor bepaalde downstreamactiviteiten.22. In de arresten TeliaSonera Sverige23. en Telefónica en Telefónica de España/Commissie heeft het Hof de relevantie van het arrest Bronner eveneens van de hand gewezen voor marge-uitholling (‘margin squeeze’), die een specifieke categorie onrechtmatige tariefpraktijken vormt.24.
88.
Kortom, het Hof heeft de voorwaarden uit het arrest Bronner nooit op onrechtmatige tariefpraktijken toegepast, ofschoon die praktijken impliciete toegangsweigeringen bij uitstek zouden vormen.
89.
Door dergelijke praktijken nu met impliciete toegangsweigeringen gelijk te stellen, zou derhalve worden ingegaan tegen grote delen van de rechtspraak inzake misbruik en zouden de voorwaarden uit het arrest Bronner de kern zelf van artikel 102 VWEU vormen. Het arrest Bronner zou het uitgangspunt worden en niet langer een specifiek geval vormen, wat zou indruisen tegen de bewoordingen van artikel 102 VWEU zelf, waarvan de draagwijdte niet beperkt is tot misbruiken met betrekking tot goederen of diensten die ‘onontbeerlijk’ zijn in de zin van dat arrest.
90.
Teneinde de draagwijdte van dat begrip ‘impliciete weigering’ te beperken, zouden sommigen het wenselijk kunnen achten om dat begrip voor te behouden voor de meest ernstige misbruiken. Zo zou bijvoorbeeld enkel een uiterst onbillijke prijs worden aangemerkt als ‘impliciete toegangsweigering’ die de voorwaarden uit het arrest Bronner toepasselijk maakt, terwijl enigszins onbillijke prijzen ‘gewone’ misbruiken zouden blijven.
91.
Mijns inziens zou het een ernstige vergissing zijn om deze weg in te slaan. Dat zou in belangrijke mate aanleiding geven tot willekeur in de kern zelf van het mededingingsrecht, een gebied waarin rechtszekerheid voor de ondernemingen cruciaal is. De scheidingslijn tussen impliciete toegangsweigering en gewoon misbruik kan immers niet anders dan willekeurig zijn.25.
92.
Bovendien zou die omdoping van de meest ernstige misbruiken tot ‘impliciete toegangsweigeringen’ resulteren in een situatie die op zijn zachtst gezegd paradoxaal te noemen is. Als gevolg ervan zouden immers op de meest ernstige misbruiken — die als ‘impliciete toegangsweigering’ worden aangemerkt — de voorwaarden uit het arrest Bronner worden toegepast waardoor het sanctioneren ervan moeilijker wordt gemaakt. Anders gesteld, voor de meest ernstige misbruiken (bijvoorbeeld een uiterst onbillijke prijs) zou een minder strikte juridische regeling gelden dan voor de minst ernstige misbruiken (bijvoorbeeld een enigszins onbillijke prijs).
93.
Anders dan het in de punten 48 en 49 van de onderhavige conclusie samengevatte betoog van rekwiranten, is het begrip ‘impliciete toegangsweigering’ dat ertoe zou leiden dat de meest ernstige gedragingen gunstiger worden behandeld.
94.
Ik wijs er in dat verband op dat de ernst van het gedrag van de onderneming met een machtspositie, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, geen relevant criterium ter beoordeling van het bestaan van een inbreuk op artikel 102 VWEU vormt. De ernst is enkel van belang in het stadium waarin overeenkomstig artikel 23, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/200326. het bedrag van de geldboete wordt vastgesteld.
95.
Kortom, de in de punten 66 tot en met 79 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte bestaansreden van de voorwaarden uit het arrest Bronner ligt in het verschil in aard tussen het sanctioneren van de voorwaarden van een overeenkomst en het sanctioneren van een weigering van beschikbaarstelling. Gelet op die bestaansreden lijdt het in mijn ogen weinig twijfel dat de voorwaarden uit het arrest Bronner niet bedoeld zijn om te worden toegepast op onbillijke contractvoorwaarden.
96.
In het licht van het voorgaande is het mijns inziens absoluut noodzakelijk om het begrip ‘impliciete toegangsweigering’ in het kader van artikel 102 VWEU van de hand te wijzen, of het nu in het komende arrest is of in gelijk welke andere context.
e) Niet-toepasselijkheid van de voorwaarden uit het arrest bronner op de betrokken praktijken
97.
Nu de aandacht is gevestigd op de inzet van de onderhavige zaak, de bestaansreden van de voorwaarden uit het arrest Bronner en het misleidende karakter van het begrip ‘impliciete toegangsweigering’, moet ik nog onderzoeken of de betrokken praktijken vallen onder de in het arrest Bronner bedoelde situatie, zoals dat in de punten 56 en 57 van de onderhavige conclusie in herinnering is gebracht.
98.
Die situatie betreft de weigering van een onderneming met een machtspositie om infrastructuur die zij in eigendom heeft beschikbaar te stellen voor een of meer concurrerende ondernemingen.
99.
Zoals het Gerecht er in de punten 98 en 99 van het arrest DT 118 en in de punten 119 van het arrest ST terecht op heeft gewezen, vallen de in punt 37 van de onderhavige conclusie omschreven betrokken praktijken evenwel niet onder die situatie.
100.
Zoals de Commissie terecht heeft benadrukt, heeft ST de ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk dat zij in eigendom heeft immers niet geweigerd, maar de ondernemingen die om toegang ertoe verzochten onbillijke voorwaarden opgelegd.
101.
Het is in dat verband niet relevant dat ST uit hoofde van wettelijke verplichtingen toegang tot het aansluitnetwerk heeft moeten verlenen. De slotsom zou niet anders zijn wanneer ST er uit vrije wil voor had gekozen toegang tot het aansluitnetwerk te verlenen. Het enige gegeven dat van belang is om de relevantie van het arrest Bronner uit te sluiten, is dat ST de toegang tot infrastructuur die zij in eigendom heeft niet heeft geweigerd.
102.
Zoals het Gerecht er in de punten 106 tot en met 110 van het arrest DT en in de punten 123 tot en met 127 van het arrest ST terecht op heeft gewezen, en anders dan DT en ST beweren, vindt die uitlegging steun in het arrest TeliaSonera Sverige.27.
103.
In punt 55 van het arrest TeliaSonera Sverige28. heeft het Hof in essentie in herinnering gebracht dat de voorwaarden uit het arrest Bronner, en met name het vereiste van onontbeerlijkheid, niet van toepassing zijn bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van gedrag bestaande in het aan de verlening van diensten of de verkoop van producten stellen van voorwaarden die nadelig zijn of waarin de koper mogelijkerwijs niet is geïnteresseerd.
104.
Bovendien heeft het Hof er in punt 58 van dat arrest op gewezen dat door verruiming van de draagwijdte van het arrest Bronner, gelijk welke gedraging van een onderneming met een machtspositie betreffende haar commerciële voorwaarden slechts kan worden geacht misbruik op de leveren ‘wanneer is voldaan aan alle voorwaarden [uit het arrest Bronner], waardoor op ongerechtvaardigde wijze afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van artikel 102 VWEU’.
105.
Daarmee heeft het Hof niet willen meegaan met het advies van advocaat-generaal Mazák in die zaak. De advocaat-generaal was, in lijn met het betoog van TeliaSonera Sverige, dat uiteindelijk op goede gronden door het Hof is verworpen, namelijk voorstander van de theorie van de impliciete leveringsweigering en van de daarmee samenhangende verplichting om de onontbeerlijkheid van de input te verifiëren.29.
106.
Daarnaast heeft het Hof in punt 96 van het arrest Telefónica en Telefónica de España/Commissie30. in herinnering gebracht dat de prijssqueeze een van een leveringsweigering verschillende autonome vorm van misbruik vormt, waarop de voorwaarden uit het arrest Bronner niet van toepassing zijn.
107.
Aldus vormen die twee arresten een bevestiging voor het feit dat het arrest Bronner, dat een specifiek geval in het normatieve landschap van artikel 102 VWEU betreft, een beperkte draagwijdte heeft.
108.
Dat gezegd zijnde, dienen de bezwaren van DT en ST tegen de verwijzingen in de arresten DT en ST naar de arresten Deutsche Telekom/Commissie31. en Post Danmark32. alsook naar het door het Gerecht gewezen arrest Clearstream/Commissie33. ongegrond te worden verklaard. Dat betoog houdt immers kritiek in op de redenering die het Gerecht heeft ontwikkeld om de relevantie van het arrest Bronner in de omstandigheden van de onderhavige zaken uit te sluiten. Zoals ik zonet heb verduidelijkt, heeft het Gerecht in dat verband geenszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
109.
Ik kom ten slotte tot het onderzoek van het laatste door DT en ST aangevoerde argument, dat in de punten 41 tot en met 44 van de onderhavige conclusie is samengevat. Dat argument ziet met name op punt 101 van het arrest DT en op punt 121 van het arrest ST, die gelijkluidend zijn:
‘Aangezien het relevante regelgevende kader dus duidelijk de noodzaak van toegang tot het aansluitnetwerk van [ST] erkende met het oog op het ontstaan en de ontwikkeling van een daadwerkelijke mededinging op de Slowaakse markt voor breedbandinternetdiensten, hoefde de Commissie niet aan te tonen dat die toegang onontbeerlijk was in de zin van de laatste voorwaarde zoals geformuleerd in punt 41 van het arrest [Bronner].’
110.
DT en ST zijn van mening dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat enerzijds het onderzoek van de noodzaak dat door de regelgevende instantie ex ante wordt verricht uit hoofde van het regelgevingskader en anderzijds het onderzoek van de onontbeerlijkheid dat door de Commissie ex post wordt verricht krachtens het in het arrest Bronner uitgelegde artikel 102 VWEU, gelijkwaardig zijn.
111.
Net als DT en ST wil ik zonder meer toegeven dat die twee soorten onderzoek mijns inziens moeilijk kunnen worden geacht op hetzelfde neer te komen. Hun argument is evenwel niet ter zake dienend aangezien het op een onjuiste lezing van de bestreden arresten berust.
112.
Anders dan DT en ST aanvoeren, heeft het Gerecht die twee soorten onderzoek namelijk niet met elkaar gelijkgesteld, maar op goede gronden geoordeeld dat de voorwaarden uit het arrest Bronner in de omstandigheden van de onderhavige zaken niet van toepassing zijn.
113.
Die lezing blijkt ten eerste uit de hierboven weergegeven formulering van punt 101 van het arrest DT en van punt 121 van het arrest ST, die er niet op wijst dat die twee soorten onderzoek met elkaar worden gelijkgesteld. Ten tweede maken die punten deel uit van een uitgebreidere redenering, die in de punten 97 tot en met 105 van het arrest DT en in de punten 117 tot en met 122 van het arrest ST wordt gevolgd en aan het einde waarvan het Gerecht terecht tot de slotsom is gekomen dat in die omstandigheden de voorwaarden uit het arrest Bronner eenvoudigweg niet van toepassing zijn.
114.
Zodoende heeft het Gerecht geenszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals ik in punt 101 van de onderhavige conclusie in herinnering heb gebracht, is het bepalende element om de relevantie van het arrest Bronner uit te sluiten dat ST de toegang tot infrastructuur die zij in eigendom heeft, niet heeft geweigerd.
115.
Voorts heeft het Gerecht in punt 97 van het arrest DT en in punt 117 van het arrest ST terecht in herinnering gebracht dat wanneer de regelgeving inzake de telecommunicatiesector het op deze sector toepasselijke rechtskader vormt en aldus mede de concurrentievoorwaarden bepaalt waaronder een onderneming haar activiteiten op de betrokken markten uitoefent, zij een relevante factor is voor de toepassing van artikel 102 VWEU op het gedrag van deze onderneming, of het nu gaat om de afbakening van de betrokken markten of om de beoordeling van de onrechtmatigheid van dit gedrag of om de vaststelling van het bedrag van de geldboeten.34.
116.
Zoals het Gerecht er in de punten 99 en 100 van het arrest DT en in de punten 119 en 120 van het arrest ST op heeft gewezen, wordt in casu niet betwist dat uit hoofde van het regelgevingskader een toegangsverplichting op ST rustte.
117.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het eerste middel van DT en het eerste middel van ST ongegrond dienen te worden verklaard.
B. Tweede middel van dt
1. Samenvatting van de door dt aangevoerde argumenten
118.
Met haar tweede middel voert DT aan dat het arrest DT op een onjuiste rechtsopvatting berust waar het de toepassing betreft van het beginsel volgens hetwelk de moedermaatschappij haar beslissende invloed op de dochteronderneming daadwerkelijk moet hebben uitgeoefend. DT wijst er immers op dat het Gerecht dat beginsel in punt 230 van het arrest DT correct in herinnering heeft gebracht, maar bij de toepassing ervan evenwel twee soorten fouten heeft gemaakt.
119.
Met het eerste onderdeel van haar tweede middel stelt DT dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat feiten waaruit blijkt dat een beslissende invloed kon worden uitgeoefend er eveneens op kunnen wijzen dat die beslissende invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.
120.
Volgens DT kunnen feiten waaruit louter een mogelijkheid blijkt om een beslissende invloed uit te oefenen, niet dienen om aan te tonen dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend. Elke andere uitlegging zou het onderscheid tussen mogelijke en daadwerkelijke uitoefening tenietdoen en het op 100 %-dochterondernemingen toepasselijke vermoeden op een onrechtmatige manier uitbreiden.35.
121.
Volgens DT heeft het Gerecht die fout in het arrest DT meermaals gemaakt door aan te nemen dat aanwijzingen voor een loutere mogelijkheid om een beslissende invloed uit te oefenen, het bewijs vormen voor het feit een dergelijke invloed daadwerkelijk is uitgeoefend:
- —
in punt 233, wat betreft het feit dat functies bij de dochteronderneming en de moedermaatschappij worden gestapeld;
- —
in de punten 249 en volgende, wat betreft het feit dat hogere kaderleden van rekwirante deel uitmaken van de raad van bestuur van ST;
- —
in de punten 280 en volgende, wat betreft het feit dat DT medewerkers ter beschikking stelt om bepaalde werkzaamheden bij ST te verrichten, en
- —
in punt 294, wat betreft het feit dat ST rapporteert over haar commerciële beleid.
122.
Met het tweede onderdeel van haar tweede middel betoogt DT dat het Gerecht bij de juridische beoordeling van de feiten waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, het beginsel volgens hetwelk beslissende invloed daadwerkelijk dient te zijn uitgeoefend, onjuist heeft toegepast.
123.
Aldus is het Gerecht in de punten 262, 273, 274 en 278 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend door zich te baseren op de loutere mogelijkheid dat die invloed is uitgeoefend en zonder die daadwerkelijke uitoefening afzonderlijk te onderzoeken.
2. Antwoord op de door dt aangevoerde argumenten
124.
Ter inleiding breng ik in herinnering dat enkel het Gerecht bevoegd is om de feiten vast te stellen en, in beginsel, om de bewijzen te onderzoeken die het tot staving van die feiten in aanmerking neemt. Deze beoordeling levert dan ook geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens wanneer deze bewijzen onjuist zijn opgevat.36.
125.
In casu heeft DT niet aangevoerd dat de door het Gerecht onderzochte bewijzen onjuist zijn opgevat. Derhalve staat het niet aan het Hof om de bewijskracht van de feitelijke aanwijzingen die door DT in het kader van haar tweede middel worden genoemd, opnieuw te onderzoeken in het stadium van de hogere voorziening.
126.
Om te achterhalen wat juist de strekking is van de argumentatie van DT, acht ik het, gelet op het feit dat de deelneming van die moedermaatschappij in het kapitaal van de dochteronderneming te klein is om onder het ‘Akzo Nobel-vermoeden’37. te vallen, zinvol om die argumentatie in ogenschouw te nemen tegen de achtergrond van de rechtspraak van het Hof inzake de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij. Tijdens de voor de onderhavige zaken relevante periode bezat DT immers 51 % van het kapitaal van ST.38.
127.
Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip ‘onderneming’ elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof ten eerste gepreciseerd dat in deze context onder het begrip ‘onderneming’ een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en ten tweede dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor moet dragen.39.
128.
Aldus kan het gedrag van een dochteronderneming volgens vaste rechtspraak aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming ondanks haar eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen.40.
129.
In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming namelijk deel uit van dezelfde economische eenheid en vormen zij bijgevolg één onderneming in de zin van de hierboven in herinnering gebracht rechtspraak. Dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming vormen, stelt de Commissie dus in staat een besluit houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij te richten, zonder dat behoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was.41.
130.
In de context van die centrale plaats van het economische begrip ‘onderneming’ in het mededingingsrecht heeft het Hof gepreciseerd dat om te bepalen of de moedermaatschappij een beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochteronderneming kan uitoefenen, alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij in aanmerking moeten worden genomen en dus rekening dient te worden gehouden met de economische realiteit.42.
131.
Het Hof heeft in dat verband daaraan toegevoegd dat de Commissie zich niet kan beperken tot de vaststelling dat een moedermaatschappij een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming kon uitoefenen, maar eveneens dient na te gaan of die invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.43.
132.
Het staat met andere woorden aan de Commissie om op grond van een geheel van feiten, waaronder in het bijzonder de eventuele bevoegdheid van een van deze ondernemingen om aan de andere leiding te geven, aan te tonen dat de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed op haar dochteronderneming uitoefent.44.
133.
Het Hof heeft met betrekking tot de bewijsmiddelen verduidelijkt dat de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed kan worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende elementen, ook al volstaat geen van deze elementen op zich om van een dergelijke invloed te kunnen spreken.45.
134.
De door DT in het kader van haar tweede middel ontwikkelde argumentatie dient in dit stadium te worden ingepast.
135.
DT stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het feitenkader waaruit louter blijkt dat een beslissende invloed kan worden uitgeoefend, eveneens kan dienen als aanwijzing voor de omstandigheid dat die beslissende invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.
136.
Met andere woorden: DT beoogt een hele categorie feitelijke aanwijzingen, namelijk die welke erop wijzen dat een beslissende invloed kán worden uitgeoefend, uit te sluiten van de bewijzen die de Commissie kan gebruiken om aan te tonen dat een dergelijke invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.
137.
Die argumentatie is mijns inziens volstrekt ongegrond om minstens drie redenen.
138.
Ten eerste vloeit een dergelijke beperking op geen enkele manier voort uit de door mij hierboven samengevatte rechtspraak van het Hof inzake de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij.
139.
Meer specifiek blijkt uitdrukkelijk uit die rechtspraak dat de daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed kan worden afgeleid uit een reeks onderling overeenstemmende elementen, ook al volstaat geen van deze elementen op zich om van een dergelijke invloed te kunnen spreken.46. Het Hof heeft in dat verband geen enkele beperking noch enig criterium vastgesteld voor de onderling overeenstemmende elementen die door de Commissie kunnen worden gebruikt.
140.
Ten tweede zie ik geen enkele logische reden waarom dezelfde feitelijke aanwijzing niet tegelijkertijd zou kunnen bijdragen tot enerzijds het bewijs van mogelijke beslissende invloed en anderzijds het bewijs dat die invloed daadwerkelijk is uitgeoefend.
141.
Uiteraard dient de reeks aanwijzingen voor de vaststelling van de daadwerkelijke uitoefening meer solide en meer omstandig te zijn dan de reeks aanwijzingen voor de vaststelling van een loutere mogelijke uitoefening. Dat neemt evenwel niet weg dat dezelfde feitelijke aanwijzing op goede gronden zowel in de ene als in de andere context kan worden gebruikt.
142.
Ten derde zou de argumentatie van DT mijns inziens er in de praktijk toe leiden dat de feitelijke elementen die door de Commissie kunnen worden gebruikt, worden beperkt tot elementen die ‘flagrante’47. bewijzen vormen, zoals bijvoorbeeld een schriftelijk bericht waarin de moedermaatschappij de dochteronderneming opdraagt om haar prijspolitiek te wijzigen.
143.
De Commissie beschikt evenwel slechts zelden over dergelijke flagrante bewijzen. Teneinde een doeltreffend optreden van de Commissie op het gebied van mededinging te waarborgen, is het dus absoluut nodig dat zij zich kan baseren op gelijk welke feitelijke aanwijzing, met dien verstande dat het feit dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend op grond van die reeks feitelijke aanwijzingen in hun geheel dient te worden aangetoond.
144.
Zoals de Commissie heeft beklemtoond, zouden bepaalde feiten en aanwijzingen volgens de redenering van DT slechts kunnen worden gebruikt wanneer voldaan is aan formele en niet aan de economische realiteit van de ondernemingen aangepaste criteria.
145.
Uit het voorgaande volgt dat de premisse waarop het tweede middel van DT berust onjuist is, zodat dit middel in zijn geheel dient te worden afgewezen.
C. Derde middel van dt
1. Samenvatting van de door dt aangevoerde argumenten
146.
Met haar derde middel voert DT aan dat het arrest DT op onjuiste rechtsopvattingen berust met betrekking tot de toepassing van het beginsel dat de dochteronderneming hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies moet hebben gevolgd.
147.
Volgens DT blijkt uit vaste rechtspraak sinds het arrest Imperial Chemical Industries/Commissie48. dat voor de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij dient te worden voldaan aan vier cumulatieve voorwaarden.
- —
de moedermaatschappij kon een beslissende invloed uitoefenen;
- —
de moedermaatschappij heeft een dergelijke beslissende invloed daadwerkelijk uitgeoefend;
- —
de dochteronderneming heeft om die reden haar marktgedrag niet zelfstandig bepaald, en
- —
de dochteronderneming heeft hoofdzakelijk de door de moedermaatschappij verstrekte instructies gevolgd.
148.
De vierde voorwaarde, die veronderstelt dat de dochteronderneming de door de moedermaatschappij verstrekte instructies in hoofdzaak heeft gevolgd, is bedoeld om te achterhalen of de beslissende invloed die door de moedermaatschappij is uitgeoefend, relevant is.
149.
Volgens DT heeft het Gerecht dienaangaande genoegen genomen met de vaststelling dat, ten eerste, een zekere zelfstandigheid van de dochteronderneming niet onverenigbaar is met het feit dat die dochteronderneming tot dezelfde economische eenheid behoort als haar moedermaatschappij (punt 470 van het arrest DT) en dat, ten tweede, de algemene marktstrategie van ST was vastgelegd door DT (punt 471 van het arrest DT).
150.
Wat die tweede vaststelling betreft, wijst DT erop dat zij niet wordt gestaafd door de punten 237 tot en met 464 van het arrest DT, waarnaar het Gerecht in punt 471 van dat arrest verwijst. Volgens DT heeft het Gerecht in die punten meerdere aanwijzingen voor de uitoefening door DT van een beslissende invloed op ST opgesomd, zonder evenwel vast te stellen dat DT concrete instructies aan ST had verstrekt.
151.
Het Gerecht zou bijgevolg, en a fortiori, niet hebben kunnen vaststellen dat ST de instructies van DT in hoofdzaak heeft gevolgd. DT voegt daaraan toe dat het arrest DT op dat punt niet toereikend is gemotiveerd.
2. Antwoord op de door dt aangevoerde argumenten
152.
Het derde middel van DT vertoont hetzelfde onherstelbare gebrek als haar eerste en tweede middel, te weten dat het op een onjuiste premisse berust.
153.
Anders dan DT aanvoert, heeft het Hof immers nooit geoordeeld dat voor de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij dient te worden voldaan aan de vier in punt 147 van de onderhavige conclusie opgenomen voorwaarden.
154.
Zoals de Commissie terecht aanvoert, bestaat er dienaangaande in feite een enkel relevant criterium, te weten het bestaan van een economische eenheid, met andere woorden een onderneming die door de moedermaatschappij en de dochteronderneming wordt gevormd. Enkel in dat geval acht de Commissie zich bevoegd om het gedrag van de dochteronderneming aan de moedermaatschappij toe te rekenen of, anders gesteld, om de ‘vennootschappelijke sluier’ tussen onderscheiden juridische structuren te lichten teneinde de doeltreffendheid van het mededingingsrecht te bevorderen.49.
155.
Het belang van de vier door DT genoemde voorwaarden dient tegen de achtergrond van deze beginselen te worden begrepen.
156.
Mijns inziens heeft het Hof in het huidige stadium van de ontwikkeling van zijn rechtspraak gewezen op twee wegen waarlangs de Commissie concreet kan aantonen dat er een economische eenheid bestaat tussen een moedermaatschappij en haar dochteronderneming:
- —
de Commissie kan ten eerste aantonen dat de moedermaatschappij de mogelijkheid heeft om een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming uit te oefenen en dat zij die invloed bovendien daadwerkelijk heeft uitgeoefend;50.
- —
de Commissie kan ten tweede het bewijs leveren dat die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten.51.
157.
Het betoog van DT komt er in wezen op neer dat die twee wegen worden samengevoegd door van de Commissie te verlangen dat zij een dubbel bewijs levert: zij zou tegelijkertijd moeten aantonen dat de moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed heeft uitgeoefend en dat de dochteronderneming hoofdzakelijk instructies heeft gevolgd.
158.
Het lijdt mijns inziens weinig twijfel dat dit betoog zowel in het licht van de rechtspraak als wat de logica ervan betreft elke grondslag mist.
159.
Wat de rechtspraak betreft, blijkt uit geen enkel arrest van het Hof dat de Commissie een dergelijk dubbel bewijs zou moeten leveren.
160.
Wat de logica van dat betoog betreft, dient te worden opgemerkt dat met die twee wegen van bewijsvoering hetzelfde wordt beoogd, namelijk het aantonen dat er sprake is van een door de moedermaatschappij en de dochteronderneming gevormde economische eenheid (of onderneming). Derhalve zou het dubbelop zijn van de Commissie te verlangen dat zij die twee wegen tegelijkertijd volgt. Zoals de Commissie heeft aangegeven, dienen die twee bewijsregelingen als gelijkwaardig te worden beschouwd.
161.
In punt 471 van het arrest DT heeft het Gerecht benadrukt dat de Commissie, gelet op de in de punten 237 tot en met 464 van dat arrest genoemde elementen waaruit blijkt dat DT daadwerkelijk de beslissende invloed op ST heeft uitgeoefend, terecht tot de slotsom was gekomen dat die twee juridische entiteiten een enkele economische eenheid vormden.
162.
Anders dan DT stelt, heeft het Gerecht dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet aanvullend hoefde aan te tonen dat ST in hoofdzaak de instructies van DT had gevolgd.
163.
Ik wijs er nog op dat de motivering van een arrest overeenkomstig de in vaste rechtspraak52. opgenomen vereisten de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijk toezicht kan uitoefenen.
164.
De punten 237 tot en met 473 van het arrest DT doen de redenen waarom het Gerecht van oordeel was dat DT en ST een enkele economische eenheid vormden, effectief duidelijk, ondubbelzinnig en omstandig tot uitdrukking komen.
165.
Uit het voorgaande volgt dat het derde middel van DT eveneens in zijn geheel dient te worden afgewezen.
VIII. Conclusie
166.
In het licht van de voorgaande overwegingen en zonder vooruit te lopen op de gegrondheid van de in het kader van de hogere voorzieningen aangevoerde andere middelen, geef ik het Hof in overweging de door Deutsche Telekom AG in zaak C-152/19 P aangevoerde eerste drie middelen en het door Slovak Telekom, a.s. in zaak C-165/19 P aangevoerde eerste middel af te wijzen.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2020
Oorspronkelijke taal: Frans.
Arrest van 26 november 1998 (C-7/97, EU:C:1998:569; hierna: ‘arrest Bronner’).
Zie met name arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60 en 63), en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 54).
Arrest van 13 december 2018 (T-827/14, EU:T:2018:930).
Arrest van 13 december 2018 (T-851/14, EU:T:2018:929).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk (PB 2000, L 336, blz. 4). Die verordening is ingetrokken bij artikel 4 van richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB 2002, L 108, blz. 33).
Besluit C(2014) 7465 final (zaak AT.39523 — Slovak Telekom). Dat besluit is gerectificeerd bij besluit C(2014) 10119 final van de Commissie van 16 december 2014 en bij besluit C(2015) 2484 final van de Commissie van 17 april 2015.
Zie punt 11 van de onderhavige conclusie.
Arrest van 14 oktober 2010 (C-280/08 P, EU:C:2010:603).
Arrest van 17 februari 2011 (C-52/09, EU:C:2011:83).
Arrest van 9 september 2009 (T-301/04, EU:T:2009:317).
Arrest van 27 maart 2012 (C-209/10, EU:C:2012:172, punt 23).
Zie in die zin arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2011:83, punt 58).
Arrest van 6 april 1995 (C-241/91 P en C-242/91 P, EU:C:1995:98).
Zie met name arresten van 13 november 1975, General Motors Continental/Commissie (26/75, EU:C:1975:150, punten 11 en 12); 11 november 1986, British Leyland/Commissie (226/84, EU:C:1986:421, punten 27–30); 13 juli 1989, Tournier (395/87, EU:C:1989:319, punt 38); 17 mei 2001, TNT Traco (C-340/99, EU:C:2001:281, punten 46 en 47); 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4 (C-52/07, EU:C:2008:703, punten 28 en 29); 16 juli 2009, Der Grüne Punkt — Duales System Deutschland/Commissie (C-385/07 P, EU:C:2009:456, punten 141 en 142); 27 februari 2014, OSA (C-351/12, EU:C:2014:110, punten 87 en 88), en 14 september 2017, Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra — Latvijas Autoru apvienība (C-177/16, EU:C:2017:689, punten 35–51).
Arresten van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2011:83, punten 54 en 55), en 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 75).
Zie met name arrest van het Gerecht van 22 november 2001, AAMS/Commissie (T-139/98, EU:T:2001:272, punt 76), en beschikking van 28 september 2006, Unilever Bestfoods/Commissie (C-552/03 P, EU:C:2006:607, punt 137).
C-7/97, EU:C:1998:264.
Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) is artikel 16 van het Handvest van de grondrechten met name gebaseerd op de jurisprudentie van het Hof met betrekking tot de contractuele vrijheid.
Zie met name arresten van 13 november 1975, General Motors Continental/Commissie (26/75, EU:C:1975:150, punten 11 en 12); 11 november 1986, British Leyland/Commissie (226/84, EU:C:1986:421, punten 27–30); 13 juli 1989, Tournier (395/87, EU:C:1989:319, punt 38); 17 mei 2001, TNT Traco (C-340/99, EU:C:2001:281, punten 46 en 47); 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4 (C-52/07, EU:C:2008:703, punten 28 en 29), en 16 juli 2009, Der Grüne Punkt — Duales System Deutschland/Commissie (C-385/07 P, EU:C:2009:456, punten 141 en 142).
Zie arresten van 27 februari 2014, OSA (C-351/12, EU:C:2014:110, punten 87 en 88), en 14 september 2017, Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra — Latvijas Autoru apvienība (C-177/16, EU:C:2017:689, punten 35–51).
Arrest van 17 februari 2011 (C-52/09, EU:C:2011:83, punten 55–58).
Arrest van 10 juli 2014 (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 96).
Vanaf welk niveau dient een onbillijke prijs bijvoorbeeld als impliciete toegangsweigering te worden beschouwd? Wanneer die prijs meer bedraagt dan 200 % van de door de onderneming met een machtspositie gemaakte kosten? Of veeleer 175 % van die kosten? Of is het misschien 150 % van de gemiddelde prijs die wordt toegepast op markten die gelijkwaardig worden geacht? Ik wijs erop dat die scheidingslijn mijns inziens nog moeilijker te trekken is wanneer het gaat om andere dan tariefvoorwaarden.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1). Artikel 23, lid 3, luidt: ‘[b]ij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden’.
Arrest van 17 februari 2011 (C-52/09, EU:C:2011:83).
Arrest van 17 februari 2011 (C-52/09, EU:C:2011:83).
Zie conclusie in de zaak TeliaSonera Sverige (C-52/09, EU:C:2010:483, punten 11–32 en in het bijzonder de punten 11 en 16).
Arrest van 10 juli 2014 (C-295/12 P, EU:C:2014:2062).
Arrest van 14 oktober 2010 (C-280/08 P, EU:C:2010:603).
Arrest van 27 maart 2012 (C-209/10, EU:C:2012:172, punt 23).
Arrest van 9 september 2009 (T-301/04, EU:T:2009:317).
Arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C-280/08 P, EU:C:2010:603, punt 224).
Zie met name arresten van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C-286/98 P, EU:C:2000:630, punt 29); 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60 en 63), en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 54).
Zie bijvoorbeeld arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de in voetnoot 3 aangehaalde rechtspraak.
Zie punt 6 van de onderhavige conclusie.
Zie met name arresten van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190, punt 95); 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie (C-521/09 P, EU:C:2011:620, punt 53), en 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie (C-457/16 P en C-459/16 P-C-461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punten 81 en 82).
Zie met name arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 58); 10 april 2014, Areva e.a./Commissie (C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 30), en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 75).
Zie met name arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 59); 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie (C-179/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:605, punt 53), en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 53).
Zie met name arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 76), en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 46).
Zie met name arresten van 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie (C-179/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:605, punt 55); 26 september 2013, EI du Pont de Nemours/Commissie (C-172/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:601, punt 44). Dat vereiste is eveneens regelmatig toegepast door het Gerecht: zie met name arresten van 15 juli 2015, Socitrel en Companhia Previdente/Commissie (T-413/10 en T-414/10, EU:T:2015:500, punt 200); 9 september 2015, Toshiba/Commissie (T-104/13, EU:T:2015:610, punt 95), en 12 juli 2018, The Goldman Sachs Group/Commissie (T-419/14, EU:T:2018:445, punt 84).
Zie met name arresten van 26 september 2013, EI du Pont de Nemours/Commissie (C-172/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:601, punt 47); 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie (C-179/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:605, punt 67), en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 48).
Zie met name arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 77), en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C-623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 47).
Zie punt 133 van de onderhavige conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak.
‘Flagrant’ is ontleend aan flagrans (brandend, ontstoken) uit het klassieke Latijn, dat in figuurlijke zin (opvallend en ogenblikkelijk zoals vuur) in juridisch volkslatijn wordt gebruikt in de uitdrukking flagranti crimine (op heterdaad). Als het gaat om een strafbaar feit verwijst het bijvoeglijk naamwoord naar het plegen van dat feit voor de ogen van de persoon die het vaststelt, vandaar het Franse ‘flagrant délit’, ofwel ‘op heterdaad’. Zie Rey, A, Dictionnaire historique de la langue française (Le Robert, Parijs, 2016).
Arrest van 14 juli 1972 (48/69, EU:C:1972:70, punt 137).
Zie punt 127 van de onderhavige conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie punten 130–132 van de onderhavige conclusie en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie met name arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 57); 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 52), en 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie (C-457/16 P en C-459/16 P-C-461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punt 83).
Zie met name arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punt 81); 25 oktober 2017, PPG en SNF/ECHA (C-650/15 P, EU:C:2017:802, punt 44), en 19 december 2019, HK/Commissie (C-460/18 P, EU:C:2019:1119, punt 38).