Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.6:2.6 Conclusie
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.6
2.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404642:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Cahn & Donald 2010, p. 848.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de bedrijfseconomische literatuur bestaat vooralsnog geen consensus over de optimale afstemming tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de vennootschap. Duidelijk is dat aandeelhouders het verwachte rendement op hun investering kunnen verhogen door de vennootschap te doen financieren met schulden, maar omdat de spreiding van de rendementen daarmee gelijke tred houdt, creëren zij zo geen daadwerkelijke ondernemingswaarde. Dat neemt niet weg dat aan de financiering met vreemd vermogen een fiscaal voordeel verbonden is, en dat daarmee mogelijk het bestuur kan worden gestimuleerd tot een efficiënte aanwending van de kasstromen. Financiering met te veel vreemd vermogen kan echter de financiële weerbaarheid van de vennootschap uithollen en brengt daarom kosten van financial distress mee. Uit de financieringspraktijk blijkt dat ook macro-economische omstandigheden een belangrijke invloed hebben op de populariteit van financiering met vreemd vermogen. Zo lijkt de golf van LBO’s tussen 2004 en 2007 primair te zijn ingegeven door de grote beschikbaarheid van goedkoop krediet. Nu aandeelhouders soms op rationele gronden de voorkeur geven aan een risicovolle financieringsstructuur, rijst de vraag in welke mate, en op welke wijze, het recht grenzen moet stellen aan de financieringsvrijheid van aandeelhouders. Om die vraag te kunnen beantwoorden, zal in het volgende hoofdstuk aan de hand van de rechtseconomische literatuur worden bezien in welke mate aandeelhouders door een riskante financieringsstructuur de overige bij de vennootschap betrokken partijen kunnen benadelen.
Cahn en Donald concluderen in 2010: “The 2008 financial crisis was addressed primarily through banking regulation and increased oversight of derivative instruments. Company law must address the “excessive leverage” that arises when a company takes on burdensome debt in connection with a purchase of its own shares, regardless of the cause.”1