Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.3.1.1
III.3.1.1 Het juridisch kader op hoofdlijnen
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS299516:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor uitgebreidere besprekingen onder meer Kooijmans 2012 en Kessler 2015.
Zie bijvoorbeeld Kessler 2015, p. 16 waar hij opmerkt dat de officier van justitie bij het uitvaardigen van een strafbeschikking zodanige bewijsmiddelen moet kunnen aandragen dat daarop ook een bewezenverklaring en schuldigverklaring door de rechter moet kunnen berusten.
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 30.
Zie Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 31.
In die zin verschilt de taak van de strafrechter dus (gradueel) van de taak van de bestuursrechter die primair de bestuurlijke boete en de wijze waarop deze is opgelegd, beoordeelt. Zie onder meer Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 2-3.
De strafbeschikking kent, zoals in het voorgaande al gememoreerd, drie varianten: de OM-strafbeschikking (art. 257a Sv), de politiestrafbeschikking (art. 257b Sv) en de bestuurlijke strafbeschikking (art. 257ba Sv). Van deze drie is de OM-strafbeschikking het meest verstrekkend; de politiestrafbeschikking en de bestuurlijke strafbeschikking zijn gemitigeerde varianten daarvan, in die zin dat opsporingsambtenaren ingevolge art. 257b Sv bij strafbeschikking enkel geldboetes kunnen opleggen, terwijl de reikwijdte van de bestuurlijke strafbeschikking van geval tot geval wordt bepaald door de algemene maatregel van bestuur waarin het betreffende bestuursorgaan de bevoegdheid tot het uitvaardigen van strafbeschikkingen wordt verleend. De navolgende bespreking van het juridisch kader op hoofdlijnen gaat uit van de OM-strafbeschikking, al geldt hetgeen over de hoorplicht en het rechtsmiddel van verzet wordt gezegd ook voor andere typen strafbeschikkingen.1
Art. 257a Sv geeft de officier van justitie de bevoegdheid overtredingen en misdrijven waarop een gevangenisstraf van maximaal zes jaar is gesteld zelfstandig af te doen door een strafbeschikking jegens de verdachte uit te vaardigen. Aan deze strafbeschikking ligt – conform de normale regels van het bewijsrecht2 – een schuldvaststelling door de officier van justitie ten grondslag. Mede om deze reden dient, zoals in het voorgaande al naar voren kwam, het uitvaardigen van een strafbeschikking – anders dan de transactie en het voorwaardelijk sepot – te worden beschouwd als een daad van vervolging. Van berechting is volgens de wetgever evenwel geen sprake. Dat moge zo zijn, sanctionering door de officier van justitie is echter wel degelijk aan de orde. De officier van justitie kan bij wege van een strafbeschikking een uitgebreid arsenaal aan straffen en maatregelen aan de verdachte opleggen. Zo voorziet lid 2 in de mogelijkheid tot het opleggen van de volgende straffen en maatregelen: a) een taakstraf van maximaal honderdtachtig uur; b) een geldboete; c) onttrekking aan het verkeer; d) de verplichting tot het betalen aan de staat van een schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer; en e) ontzegging van de rijbevoegdheid voor maximaal zes maanden. Lid 3 voegt daaraan de mogelijkheid toe aan de strafbeschikking zogenoemde aanwijzingen te verbinden, te weten: a) afstand van inbeslaggenomen voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer; b) uitlevering van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring; c) voldoening aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; d) storting van een geldbedrag in het Schadefonds Geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die opkomt voor de belangen van slachtoffers; en e) andere aanwijzingen het gedrag van de verdachte betreffend. Aldus beschikt de officier van justitie binnen de gestelde strafmaxima voor het strafbare feit en binnen de grenzen van de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie over een ruime discretionaire bevoegdheid bij strafbeschikking een straf op maat op te leggen. Enkel voor het opleggen van vrijheidsbenemende sancties is hij in verband met art. 113 lid 3 Grondwet nog steeds afhankelijk van de strafrechter.
Art. 257c Sv bepaalt vervolgens het nodige ten aanzien van de procedure die dient te worden gevolgd voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking. Deze bepaling voorziet voor bepaalde gevallen in de verplichting de verdachte te horen alsmede in het recht op rechtsbijstand in het verband van deze hoorplicht. In de praktijk vindt het horen van de verdachte in het kader van een voorgenomen strafbeschikking veelal plaats tijdens een zogenoemde OM-zitting. Het eerste lid bepaalt dat een strafbeschikking inhoudende een taakstraf, een ontzegging van de rijbevoegdheid of een aanwijzing betreffende het gedrag van de verdachte slechts kan worden uitgevaardigd indien de verdachte daaraan voorafgaand door de officier van justitie is gehoord en hij bij die gelegenheid heeft aangegeven bereid te zijn de betreffende straf te voldoen dan wel zich aan de gestelde aanwijzing(en) te houden. Bij gelegenheid van dit horen kan de verdachte zich desgewenst door een raadsman laten bijstaan. De ratio van deze hoorplicht van lid 1 in combinatie met het vereiste dat de verdachte zich bij die gelegenheid bereid dient te verklaren ‘mee te werken’, is gelegen in het feit dat – gezien de aard van de bedoelde sancties die nu eenmaal medewerking van de verdachte vereisen – de oplegging daarvan anders toch zinledig zou zijn en beter direct tot dagvaarding kan worden overgegaan.3 De ratio van deze hoorplicht lijkt derhalve veeleer te zijn gelegen in (begrijpelijke) redenen van proces-economie dan in overwegingen die samenhangen met de aanspraak op hoor en wederhoor en het recht op rechtsbijstand als onderdelen van het recht op een eerlijk proces. Dat lijkt anders te liggen bij de hoorplicht zoals voorgeschreven door art. 257c lid 2 Sv, dat bepaalt dat in geval wordt overwogen een strafbeschikking op te leggen inhoudende een of meer betalingsverplichtingen uit hoofde van een geldboete en/of een schadevergoedingsmaatregel die gezamenlijk of afzonderlijk een bedrag van € 2.000,- te boven gaan, de verdachte verplicht dient te worden gehoord en wel in aanwezigheid van een raadsman. Indien de verdachte feitelijk geen raadsman heeft (los van de vraag of hij al dan niet in aanmerking komt voor een toevoeging), is afdoening door de rechter aangewezen.4 In deze gevallen van lid 2 lijkt de hoorplicht niet zozeer in het leven te zijn geroepen met het oog op het verkrijgen van instemming met de inhoud van de strafbeschikking (de betalingsverplichting kan los daarvan immers ook worden geëxecuteerd), maar veeleer met overwegingen van procedurele rechtvaardigheid mede gelet op het gewicht van de betrokken belangen en de ernst van de voorgenomen sanctie.
Ingevolge art. 257e Sv kan elke verdachte jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd daartegen binnen twee weken verzet aantekenen, hetgeen – behoudens de mogelijkheid van intrekking van de strafbeschikking door de officier van justitie (art. 257e lid 8 Sv) – betekent dat zijn zaak aan de rechter zal worden voorgelegd. Deze zal de strafzaak op de normale wijze (als ware deze aanhangig gemaakt door middel van een dagvaarding) ten gronde behandelen op grondslag van de tenlastelegging, hetgeen betekent dat de rechter zich in beginsel niet uitlaat over de strafbeschikking zelf en de wijze waarop deze is uitgevaardigd.5 Behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen komt de beslissing van de rechter dan ook in de plaats van de eerder uitgevaardigde strafbeschikking. In die zin ondervindt de verdachte die prijs stelt op een volledige berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter dan ook geen nadeel van het feit dat zijn strafzaak in eerste instantie is ingeleid door middel van een strafbeschikking in plaats van direct bij de rechter aanhangig gemaakt door middel van een dagvaarding (vanzelfsprekend mits hij tijdig verzet instelt tegen de jegens hem uitgevaardigde strafbeschikking).