Vgl. HR 10 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1919.
HR, 01-10-2024, nr. 22/03677 B
ECLI:NL:HR:2024:1350
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-10-2024
- Zaaknummer
22/03677 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1350, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:604
ECLI:NL:PHR:2024:604, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1350
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0215
Uitspraak 01‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op 2 personenauto’s en geldbedrag onder klaagster i.h.k.v. strafzaak tegen ander, waarna strafrechter heeft beslist tot onttrekking aan het verkeer van 1 auto, andere auto is verkocht en opbrengst daarvan en geldbedrag zijn teruggegeven aan klaagster. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 134.2.a Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep van klaagster niet in behandeling nemen. CAG: In vonnis Rb in strafzaak tegen ander, dat zich bij stukken bevindt, is 1 auto onttrokken aan het verkeer, terwijl dit vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden, zodat cassatieberoep op dit punt n-o is. Uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat andere auto is verkocht voor € 9.345 en dat dit bedrag inmiddels is teruggegeven aan klaagster. Hetzelfde geldt voor inbeslaggenomen geldbedrag van € 12.500. Dit betekent dat beslag op auto en geldbedrag o.g.v. art. 134.2.a Sv is geëindigd en klaagster ook t.a.v. deze voorwerpen n-o is in haar cassatieberoep. Klaagster n-o. Samenhang met 22/03678 B (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03677 B
Datum 1 oktober 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 september 2022, nummer RK 22/549, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024.
Conclusie 18‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv. Uit de gedingstukken en uit ingewonnen inlichtingen blijkt dat de in beslag genomen spullen zijn teruggegeven aan de klaagster, zodat de conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03677 B
Zitting 18 juni 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de klaagster
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 20 september 2022 het klaagschrift ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van twee personenauto’s en een geldbedrag waarvan de klaagster stelt dat die haar in eigendom toebehoren ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/03678. In deze zaak is het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
In het middel wordt geklaagd over de ongegrondverklaring van het klaagschrift, in het bijzonder over het oordeel van de rechtbank dat sterke aanwijzingen bestaan dat de voorwerpen niet aan de klaagster toebehoren.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van de strafzaak tegen verdachte [ betrokkene 1] is op 30 juni 2021 op een Volkswagen Golf, een Seat Leon en een geldbedrag beslag gelegd. Op 14 juli 2022 is door de klaagster een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave van de auto’s en het geldbedrag waarvan zij stelt de rechthebbende te zijn. Het beklag is op 20 september 2022 door de rechtbank Den Haag ongegrond verklaard.
2.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 november 2022 in de strafzaak tegen [ betrokkene 1] . In dit vonnis is de in beslag genomen Seat onttrokken aan het verkeer. Mij is ambtshalve bekend dat dit vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden, zodat het cassatieberoep van de klaagster op dit punt niet-ontvankelijk is.1.
2.4
Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt voorts dat de Volkswagen Golf is verkocht voor een bedrag van € 9.345 en dat dit bedrag inmiddels is teruggegeven aan de klaagster. Hetzelfde geldt voor het in beslag genomen geldbedrag van € 12.500. Dit betekent dat het beslag op de auto en het geldbedrag op grond van art. 134 lid 2 onder a Sv is geëindigd en de klaagster ook ten aanzien van deze voorwerpen niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep.2.
3. Conclusie
3.1
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑06‑2024
HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:999, rov. 2.2-2.4.