De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.2.1
4.3.2.1 Het regeringsontwerp van het Driemanschap 1957
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391967:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1956/57, 4572, 2 (Vaststelling van Boek 5 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Ontwerp van wet van 17 januari 1957) en 3 (MvT). De Memorie van Toelichting ging in op de punten waar het regeringsontwerp was afgeweken van het ontwerp dat door Meijers was opgesteld en door het Driemanschap werd voltooid, het zogenoemde Groenboek. Het Driemanschap bestond uit prof.mr. J. Drion (1915-1964), hoogleraar aan de Universiteit Leiden, prof.mr. J. Eggens (1891-1964), advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en mr. F.J. de Jong (1901-1974), raadsheer bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Het voorgestelde artikel 5 lid 1, PG Boek 5 BW, p. 311: “In de akte van vestiging kan worden bepaald dat de erfpachter zijn recht niet zonder toestemming van de eigenaar kan splitsen door zijn recht op een deel van de zaak over te dragen.”
Zoals gememoreerd door Scholten 1926 en Scholten 1920. In 1926 stelde Scholten dat ‘de erfpacht als zakelijk recht geregeld, is zij een bijzonder recht op het goed, dat uit zijn aard vervreemdbaar is (…). Juist die vervreemdbaarheid typeert de erfpacht als zakelijk recht en scheidt haar van de huur’. Naar Scholtens mening sloot dit echter niet uit, dat vervreemding voor een beperkte, korte tijd werd uitgesloten of van bijzondere voorwaarden zoals de goedkeuring van de eigenaar, afhankelijk werd gemaakt.
Kamerstukken II 1961/62, 4572, 4 (VV van 25 oktober 1961).
De Kamercommissie verwees naar opmerkingen die zij gemaakt had in het voorlopig verslag over art. 3.4.2.1 NBW omdat deze van bijzondere betekenis waren voor erfpacht, zie Kamerstukken II 1958/59, 3770, 4, p. 14 (VV).
Houwing 1957, p. 277-280 gaf een handzame samenvatting van de preadviezen van Plantenga en Treurniet uit 1957 waarin duidelijk werd gemaakt dat de algemene erfpachtvoorwaarden van de vooral gemeentelijke grondeigenaren in de praktijk meer bepalend waren voor de inhoud van erfpachtrechten dan de wettelijke regeling uit 1838. Houwing ging nader in op de vraag in hoeverre kwalitatieve verbintenissen aan het recht konden worden verbonden (p. 279-280), met name ten aanzien van een aan de erfpachter opgelegd vervreemdingsverbod (p. 280). Plantenga had gepleit voor kwalitatieve werking van een vervreemdingsverbod, Treurniet voor persoonlijke werking. Omdat een verbod op vervreemding in strijd was met het beginsel van de vrije circulatie van goederen stelde Houwing bij wijze van compromis het vereiste van goedkeuring van de eigenaar voor vervreemding voor. De eigenaar was daarbij gebonden aan de goede trouw zodat het erfpachtrecht niet naar willekeur aan het verkeer zou worden onttrokken.
Deze gedachte werd ondersteund door het Rapport van de Broederschappen der notarissen, NBW 1976.
Het door het Driemanschap opgestelde Ontwerp van Wet voor Boek 5 Nieuw BW bevatte op verzoek van de gemeentelijke praktijk een toestemmingsvereiste voor splitsing van een erfpachtrecht.1 Verschillende gemeentelijke erfpachtvoorwaarden sloten splitsing door overdracht van een deel van het recht uit en hadden in het kader van de wetgevingsprocedure de vraag gesteld of een dergelijk beding in overeenstemming was met de aard van het recht, een zakelijk recht was immers overdraagbaar, en of een dergelijk beding in overeenstemming was met de wet. De wetgever zag er geen bezwaar in deze praktijk te faciliteren.2 In de toelichting werd gepreciseerd dat de erfpachter altijd zijn gehele recht zou kunnen overdragen, dat was een regel van dwingend recht, maar dat hij voor overdracht van een gedeelte vooraf toestemming van de erfverpachter nodig zou kunnen hebben indien dat bij vestigingsakte was bepaald, een regel van regelend recht. De toestemming was bedoeld om ongewenste splitsing van erfpachtrechten tegen te gaan en het weigeren van de toestemming tot splitsing zonder enig redelijk belang kon misbruik van bevoegdheid opleveren. Een algeheel vervreemdingsverbod was in strijd met de uitgangspunten van het oude en nieuwe BW.3 De stap van een vervreemdingsverbod zonder meer naar een verbod op vervreemding zonder voorafgaande toestemming werd gezet bij de parlementaire behandeling van dit ontwerp, op initiatief van de Tweede Kamer waar de discussie zich concentreerde op de invoering van dwingend recht in de erfpachttitel, mede naar aanleiding van de literatuur over het wetsvoorstel.4 Bij het artikel over overdracht stelde de vaste Kamercommissie de vraag of zakelijke rechten altijd overdraagbaar moesten zijn.5 De Kamercommissie verwees daarbij naar een publicatie van Houwing die als tussenoplossing tussen de vrije overdraagbaarheid van erfpachtrechten en een vervreemdingsverbod de toestemming van de eigenaar voor vervreemding had voorgesteld.6. Dit voorstel voor een toestemmingsvereiste werd door de Kamercommissie gesteund omdat gemeenten op die wijze invloed zouden krijgen op de persoon van de opvolgend erfpachter.7