De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.5:IV.5.5 Bevindingen: schaf art. 2:342 BW af
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.5.5
IV.5.5 Bevindingen: schaf art. 2:342 BW af
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380989:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 714.
Hamers (1996), p. 213.
Bos (2005), p. 153, bespreekt in zijn dissertatie over het vruchtgebruik op aandelen uiterst summier de vordering van art. 2:342 BW en de positie van de vruchtgebruiker. Over (het nut van) de vordering doet hij in het geheel geen uitspraak.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stel dat de stellingen van Darenales op waarheid berustten: de pandhouder Millennium wint het pandrecht uit en verkoopt de aandelen. Vervolgens eist de bank onmiddellijk haar lening op, met als resultaat dat Larmag failleert. Is dit grond voor toewijzing van de vordering van art. 2:342 BW? De pandhouder gebruikt het stemrecht om de aandelen te kunnen verkopen, omdat ingevolge art. 2:198 lid 5 BW de goedkeuringsregeling eveneens bij overdracht van de aandelen door de pandhouder geldt. Overgang van het stemrecht zou dus effect sorteren. Het is ook evident dat het belang van de vennootschap met de gedragingen van de pandhouder wordt geschaad; het faillissement van de BV is immers het gevolg. Toch vind ik dat de rechter in dit hypothetische geval de vordering niet mag toewijzen. Het is in het belang van een gezond financieel handelsverkeer dat een pandrecht op aandelen in een BV niet wordt doorkruist door een art. 2:342 BW-vordering. Een zekerheidsrecht mag niet onzeker worden. De uitoefening van aan het pandrecht verbonden rechten is mijns inziens pas onrechtmatig, indien sprake is van misbruik van recht als bedoeld in art. 3:13 BW. Bij de afweging van de belangen van de pandhouder tegen het belang van de vennootschap, weegt voor mij het belang van de pandhouder zwaarder.1 Ik wijs in dit verband ook op Hamers, die voorspelt dat in de praktijk de pandhouder en de aandeelhouder (pandgever) proberen de problemen onderling op te lossen. Ook kan de pandakte voorzieningen bevatten, teneinde `problemen betrekkelijk de geschillenregeling' te voorkomen.2
In de praktijk verkrijgt een bank tot zekerheid van een verstrekte lening niet zelden een pandrecht op de aandelen. Het stemrecht gaat eerst over op de bank als pandhouder indien de schuldenaar in gebreke blijft met het voldoen van betalings- of rentetermijnen. De bank kan vervolgens met het stemrecht de noodzakelijke besluiten initiëren teneinde de aandelen `verkoopklaar' te maken. Het pandrecht op aandelen in een BV (of besloten NV) is zo een werkbaar zekerheidsrecht. Zou de vordering van art. 2:342 BW regelmatig worden toegewezen, dan leidt dit volgens mij tot onacceptabele problemen en consequenties in de financieringspraktijk. In een voorkomend geval kan altijd in een kort gedingprocedure een verbod op het uitoefenen van het stemrecht door de pandhouder worden gevorderd.
Voor het vruchtgebruik op aandelen met het stemrecht voor de vruchtgebruiker geldt hetzelfde. Bovendien biedt art. 3:221 BW de aandeelhouder de helpende hand: hij kan een vruchtgebruiker die in ernstige mate tekortschiet door de rechter tot de orde laten roepen.3
De vordering tot gedwongen overgang van het stemrecht kan volgens mij beter uit de wet worden verwijderd. Na eenentwintig jaar blijkt dat de praktijk geen enkele behoefte heeft aan deze vordering. Er is mij van geen enkel vonnis ex art. 2:342 BW gebleken. Vóór handhaving pleit de reden waarom de wetgever het destijds nodig achtte de vordering in de geschillenregeling op te nemen: ook andere stemgerechtigden dan de stemgerechtigde aandeelhouders kunnen het belang van de vennootschap schaden. Gezien de meest minimale hoeveelheid procedures voorspel ik dat de afschaffing van de uitstoting van de stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker niet tot grote protesten zal leiden.