Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/1.1.b
1.1.b Verlofstelsels in hoger beroep en cassatie
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605885:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1986/87, 19953, nr. 3, p. 4-5; Sillevis Smitt 1978; Wiarda 1978; Ras 1983; Koopmans 1985 en Snijders 1986. Voor de volledigheid zij gewezen op ‘verlofachtige’ voorzieningen zoals de rekestenkamer van de HR (Veegens 2005, nr. 13) en als onderdeel van de bijzondere naoorlogse rechtspleging (De Hullu 1989, p. 73-78).
Kamerstukken II 1988/89, 21206, nr. 2, p. 43-44 (Kabinetsstandpunt HRO); zie over de voorbereiding en uitvoering van dit project Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie 1978; Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie 1984; Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie 1985; de bijdragen in Corstens 1990; Stroink 1993, p. 170-204 en Albers 1996.
Kamerstukken II 1988/89, 21206, nr. 2, p. 43-44 (Kabinetsstandpunt HRO).
Kamerstukken II 1988/89, 21206, nr. 2, p. 41 (Kabinetsstandpunt HRO), over de derde fase Kamerstukken II 1993/94, 23701, nr. 2 (Discussienota derde fase HRO).
Kamerstukken II 1988/89, 21206, nr. 2, p. 42 (Kabinetsstandpunt HRO).
Kamerstukken II 1988/89, 21206, nr. 2, p. 42 (Kabinetsstandpunt HRO).
Groen 1990; Van Koppen 1990, p. 23-24; De Doelder 1990, p. 526.
Corstens 1990a; Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad 1996, p. 22-23.
Corstens 1990a, p. 170; Frins-Ernes 1990, p. 194; Van Koppen 1990, p. 23.
Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad 1996, p. 21.
Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad 1996, p. 22.
Zie als uitzondering Kamerstukken II 1998/99, 26027, nr. 4; Kamerstukken II 1998/99, 26027, nr. 5; Handelingen II 1999/2000, nr. 48, p. 3267-3288; Handelingen I 1999/2000, nr. 2, p. 56, inhoudende toelichting op en debat over de Wetten Haak (Kamerstukken 25927 en 26027).
Ook niet of nauwelijks na publicatie van het rapport van de Commissie Haak. Zie als uitzonderingen het verslag van een congresdiscussie in Planells 1994, Stamhuis 2002, Stamhuis 2004 en Köhne 2000.
Wet van 5 oktober 2006 (Stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470, i.w.tr. 1 maart dan wel 1 juli 2007, Stb. 2007, 70 (Kamerstukken 30320).
Wet van 15 maart 2012 (Versterking cassatierechtspraak), Stb. 2012, 116, i.w.tr. 1 juli 2012, Stb. 2012, 175 (Kamerstukken 32576); zie voor het woordgebruik bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 7 en 13 en Van Duijvendak-Brand 2010, p. 553-560.
Van Woensel 2007, p. 13; Kuiper 2009, p. 166-171; Van Kempen & Pesselse 2014, p. 96-97.
Van Duijvendak-Brand 2010, p. 553-560; Kuiper 2009, p. 166-171.
Keulen 2009, p. 201-213; Loth 2009a, p. 3-16; Loth 2009b, p. 5-10; Loth 2009c, p. 410-415.
Corstens 2007, p. 37; Corstens 2008, p. 773; Loth 2009a, p. 10; Asser 2011a, p. 24; Feteris 2014, p. 77.
Sinds 1989 is de term ‘verlofstelsel’ stevig verankerd in de Nederlandse discussie over rechtsmiddelen. Waar vóór dat jaar zowel wetgever als wetenschap eensluidend tegen verlofstelsels waren,1 veranderde het kabinet in 1989 wezenlijk van standpunt. In dat jaar maakte het kabinet plannen bekend voor een grootschalige herziening van de rechterlijke organisatie (HRO).2 Het kabinet wilde de bestuursrechtspraak in eerste aanleg in de rechtbanken integreren (eerste fase HRO), de kantongerechten en de rechtbanken samenvoegen (tweede fase HRO), en als slotakkoord de appel- en cassatierecht- spraak in diverse rechtsgebieden opnemen in de rechterlijke macht (derde fase HRO).3 Het kabinet wilde berechting in twee feitelijke instanties ook in het bestuursrecht mogelijk te maken, waarna cassatie bij de Hoge Raad zou moeten openstaan. Dat zou onvermijdelijk leiden tot forse vergroting van de werklast van de Hoge Raad, terwijl de druk op dat college toch al jaren als probleem werd ervaren.4 Tegen deze achtergrond werd het “onontkoombaar” geacht om “op een incisieve doch verantwoorde wijze een halt toe te roepen aan het aantal zaken dat jaarlijks door de Hoge Raad moet worden beoordeeld”.5 Een systeem van rechterlijk verlof, waarin de Hoge Raad zelf bepaalt welke zaken worden behandeld, was volgens het kabinet een aanvaardbaar middel om dat doel te bereiken.6
Op het voorstel voor een verlofstelsel in cassatie is voornamelijk kritisch gereageerd. Gewezen werd op een verlies aan rechtsbescherming,7 het bestaan van goede alternatieven,8 de twijfelachtige effectiviteit van een verlofstelsel,9 de breuk met de uitgangspunten van cassatierechtspraak,10 en de mogelijk averechtse effecten op de instroom van cassatieberoepen.11 Wellicht als gevolg van deze kritiek heeft het voorgestelde verlofstelsel in cassatie de tekentafel nooit verlaten.12 In de toelichting op wetgeving (mede) ter verlichting van de werklast in cassatie in de periode ná 1989 is het woord ‘verlofstelsel’ verder nauwelijks gevallen.13 Als serieuze suggestie voor werklastverlichting is een verlofstelsel sindsdien niet voorgesteld. Ook in de wetenschappelijke literatuur doofde enige jaren na 1989 het vuur voor bestudering van verlofstelsels in cassatie.14
Echter, na de millenniumwisseling zijn in het Nederlandse strafprocesrecht twee toegangsvoorzieningen geïntroduceerd die sterke gelijkenis ver- tonen met het in 1989 voorgestelde verlofstelsel. De Wet stroomlijnen hoger beroep introduceerde in 2007 artikel 410a Sv, uitdrukkelijk aangeduid als verlofstelsel.15 Hoger beroep tegen bepaalde strafzaken wordt sindsdien uitsluitend in behandeling genomen indien dat in het belang van de goede rechtsbedeling is vereist. In 2012 introduceerde de Wet versterking cassatierechtspraak artikel 80a RO, aangeduid als selectiemechanisme of selectie aan de poort.16 Een beroep in cassatie kan sindsdien niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De invoering van deze bepalingen heeft de discussie over de wenselijkheid van verlofstelsels in strafzaken weer aangewakkerd. De vraag is gesteld of het verlofstelsel in hoger beroep wel effectief is.17 Andere kanttekeningen bij zowel artikel 410a Sv als artikel 80a RO zien op de open en op zichzelf onduidelijke ontvankelijkheidscriteria die volgens commentatoren zorgen voor rechtsonzekerheid en mogelijk uiteenlopende rechtstoepassing.18 Anderzijds is vooral ten aanzien van artikel 80a RO de vraag opgeworpen of deze toegangsdrempel wel ver genoeg gaat.19 Niet zonder belang lijkt mij dat enkele (voormalige) leden van de Hoge Raad – onder wie twee presidenten – de ontwikkeling in de richting van een ‘echt’ verlofstelsel in cassatie niet uitsluiten of uiteindelijk zelfs onontkoombaar achten.20
Verlofstelsels zouden dus onder meer de werklast van gerechten beheersbaar kunnen houden en de gerechten daardoor in staat stellen voldoende aandacht aan belangrijke zaken te besteden. Maar onder meer de accuratesse van de berechting, rechtsbescherming en rechtsgelijkheid zouden door verlofstelsels kunnen verminderen. De discussie over de wenselijkheid van verlofstelsels in hoger beroep en cassatie is dan ook belangwekkend en sinds de introductie van de artikelen 410a Sv en 80a RO weer behoorlijk levendig. Al die tijd zijn evenwel twee voorvragen onderbelicht gebleven. Is een verlofstelsel wel toelaatbaar met het oog op verdragsrecht? En wat is eigenlijk een verlofstelsel?