Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.2.3:4.2.3 Koren-Tekstra (MI 2002, 371; JOR 2001, 50)
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.2.3
4.2.3 Koren-Tekstra (MI 2002, 371; JOR 2001, 50)
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS589941:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 12 januari 2001, NJ 2002, 371 m.nt. HJS en JOR 2001, 50 m.nt. S.C.J.J. Kortmann en A. Steneker. Over dit arrest onder meer Groenwegen (2001) p. 383-389; Salomons (2001) p. 357-359; Schoordijk (2003); Wolfert (2006a) p. 439-440, met reactie Broekveldt (2006) p. 826-829 en naschrift Wolfert (2006b) p. 829-831.
Wolfert (2006a) p. 439-440, met reactie Broekveldt (2006) p. 826-829 en naschrift Wolfert (2006b) p. 829-831.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Koren q.q.-Teksta q.q.1 heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan de reikwijdte van artikel 25 Wn. De feiten waren als volgt. Kramer was bestuurder van een aantal vennootschappen, hierna kortheidshalve aan te duiden als `EMS'. Eind 1992 wordt EMS failliet verklaard. Mr. A.J. Tekstra wordt aangesteld als curator. Hij stelde een procedure in bij de rechtbank Amsterdam waarin hij vordert voor recht te verklaren dat Kramer op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk is voor de tekorten in het faillissement van EMS. Hangende de procedure hebben Kramer en zijn vrouw hun toenmalige woonhuis verkocht. Op 23 november 1993 heeft Tekstra q.q. beslag gelegd op dit woonhuis. Om de levering vrij van beslag mogelijk te maken komen Kramer en zijn echtgenote met Tekstra q.q. overeen dat de overwaarde van het huis bij notaris Moulijn in bewaring wordt gegeven. Hiertoe worden door de notaris een aparte derdenrekening geopend waarvan de tenaamstelling voldoet aan de eisen van een kwaliteitsrekening, en een depotovereenkomst opgesteld en ondertekend. Op 20 november 1998 wordt Kramer in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. B.F.G. Koren tot zijn curator. Koren q.q. vordert afgifte door de notaris van het in depot gehouden bedrag. De notaris voldoet niet aan dit verzoek omdat Tekstra q.q. weigert hiervoor toestemming te geven. In een aanhangig gemaakte procedure stelt de curator onder meer dat, nu geen van de voorwaarden in de depotakte vervuld is, het depot het vermogen van Kramer niet heeft verlaten en na diens faillissement ook niet meer kan verlaten en, subsidiair dat Kramer en Tekstra q.q. konden weten dat de storting van het desbetreffende bedrag in depot zou leiden tot de benadeling van Kramers overige crediteuren. De rechtbank verwerpt (r.o. 7) de primaire stelling van Koren q.q..
`(...) Door het sluiten van de depot-overeenkomst met mr Tekstra en de Notaris en door voornoemd bedrag aldus in depot te geven hebben K. en zijn echtgenote hun onvoorwaardelijk recht op dit bedrag prijsgegeven en behielden zij nog slechts een voorwaardelijk recht op uitkering van dit bedrag, terwijl ook mr Tekstra een voorwaardelijk recht op uitkering verkreeg. De Notaris is op grond van de door hem mede ondertekende depot-akte gehouden om het bedrag slechts uit te keren overeenkomstig de door K., zijn echtgenote en mr Tekstra overeengekomen voorwaarden en houdt het depot derhalve niet alleen voor K., maar voor K., zijn echtgenote en mr Tekstra. Zulks is, anders dan de Curator meent, ook in overeenstemming met het ontwerp van de Wet op het Notarisambt. Artikel 25 van dit ontwerp houdt immers in dat het bij een notaris in depot gegeven bedrag toebehoort aan de belanghebbenden bij dat depot. In dit geval moeten zowel K. en diens echtgenote als mr Tekstra als belanghebbenden bij het depot worden aangemerkt, zodat het in depot gegeven bedrag aan beide (voorwaardelijk) toebehoort. Toen K. failliet werd verklaard viel dan ook dit voorwaardelijk vorderingsrecht in de boedel en niet het reeds vier jaren daarvoor prijsgegeven onvoorwaardelijke recht op dit bedrag dan wel het bedrag zelf. De primaire stelling van de Curator wordt derhalve verworpen. (...)'
Partijen besluiten hun geschil in sprongcassatie aan de Hoge Raad voor te leggen. De Hoge Raad oordeelt eerst over het rechtskarakter van de algemene notariële kwaliteitsrekening (r.o. 3.3):
`(...) In zijn arrest van 3 februari 1984, nr. 12219, NJ 1984, 752, [Slis-Stroom, BB] heeft de Hoge Raad — voor zover thans van belang — geoordeeld "(...) dat niet de weg is gekozen van storting van het bedrag op een afzonderlijke rekening ten name van de notaris met vermelding van diens hoedanigheid van opdrachtnemer van de betreffende koper en verkoper, noch een — wat betreft het afgescheiden blijven van het overgemaakte bedrag van het vermogen van de notaris — daarmee gelijk te stellen weg." Aldus heeft de Hoge Raad de mogelijkheid aanvaard van de bijzondere notariële kwaliteitsrekening, geopend voor één transactie. Ook onder de werking van alt 3:84 lid 3 BW "blijft [toegelaten] de figuur van de girorekening die door bijv. een notaris ten behoeve van één of meer anderen wordt geopend in dier voege dat het daarop gestorte bedrag niet in zijn vermogen valt, mits van de hoedanigheid waarin hij ten behoeve van die anderen optreedt, uit de tenaamstelling van de rekening blijkt", aldus Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1202. Voormeld arrest heeft voorts voor de wetgever de aanleiding gevormd om in alt 25 van de nieuwe Wet op het Notarisambt een regeling te treffen voor de algemene notariële kwaliteitsrekening. Blijkens deze bepaling is de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze rechthebbenden geldt met betrekking tot die gelden een gemeenschap als bedoeld in alt 3:166 lid 1 BW.'
Vervolgens past de Hoge Raad deze regels op overeenkomstige wijze toe op de bijzondere notariële kwaliteitsrekening:
`Met het in de vorige alinea overwogene strookt het ook bij een bijzondere notariële kwaliteitsrekening aan te nemen dat de gezamenlijke rechthebbenden deelgenoot zijn in een gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW. De deelgenoten hebben bij de verdeling van deze gemeenschap een voorwaardelijk recht op toedeling van de door de notaris beheerde vordering op de kredietinstelling. Wordt een van de deelgenoten failliet verklaard, dan brengt het beginsel dat de curator vermogensrechtelijk dezelfde positie inneemt als de gefailleerde ten opzichte van zijn wederpartij had of zou hebben gehad, mee dat het voorwaardelijk recht dat aan de deelgenoot toekwam in diens faillissement valt.'
De Hoge Raad verwerpt het beroep. De wijze waarop de Hoge Raad invulling geeft aan het rechtskarakter van de (notariële) kwaliteitsrekening en rechtsfiguren gemeenschap en voorwaardelijke rechten toepast, heeft geleid tot enige discussie in de literatuur. Ik zal daar later nog op terugkomen bij de uiteenzetting van mijn visie op de kwaliteitsrekening.2