HR 5 november 2010, LJN: BN6196, NJ 2013/124.
HR, 28-06-2013, nr. 12/02004
ECLI:NL:HR:2013:42
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-06-2013
- Zaaknummer
12/02004
- Conclusie
Mr. P. Vlas
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:42, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑06‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9962, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:BZ9962, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑04‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:42, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. IPR. Internationale bevoegdheid rechter. Vermogensrechtelijke afwikkeling buitenhuwelijkse relatie.
Partij(en)
28 juni 2013
Eerste Kamer
nr. 12/02004
EE/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats], Australië,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. B.J. van Dorp.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 349167 HA ZA 09-3391 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2009;
het arrest in de zaak 200.064.780/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 28 juni 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat. Wat betreft de toelichting door de vrouw zij verwezen naar de rolbeschikking van 16 november 2012, LJN BY3317, NJ 2012/655.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsherenC.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 28 juni 2013.
Conclusie 26‑04‑2013
Mr. P. Vlas
Partij(en)
Conclusie inzake:
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
1.
Deze zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van een geschil betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van een buitenhuwelijkse relatie tussen een Australische man en een vrouw met de Australische en de Nederlandse nationaliteit. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2.
De vrouw en de man hebben elkaar in 1992/1993 in Australië ontmoet en hadden sedertdien een affectieve relatie. Volgens de man woonden zij vanaf september 1993 samen in het huis van de vrouw in Australië; volgens de vrouw zijn partijen pas gaan samenwonen toen zij in 1997 naar Nederland zijn verhuisd. Partijen hebben gezamenlijk de woning [a-straat 1] te Den Haag in eigendom verkregen. De vrouw heeft in 2007 een eigen woning gekocht en in eigendom verkregen aan de [b-straat] in Den Haag. Beide partijen hebben bezittingen in Australië. Zij zijn nimmer met elkaar gehuwd. De man is in augustus of september 2009 afgereisd naar Australië.
3.
Bij vonnis van 2 december 2009 heeft de rechtbank 's‑Gravenhage bij verstek enkele vorderingen van de vrouw betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van de buitenhuwelijkse relatie toegewezen en ook enkele vorderingen afgewezen.
4.
De vrouw heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en de man incidenteel appel. De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het hof niet bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen (behoudens ten aanzien van de gemeenschappelijke woning), nu hij ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg op 22 september 2009 in Australië woonde. Hij heeft daartoe een kopie van zijn vliegticket overgelegd waaruit blijkt dat hij op 28 augustus 2009 van Amsterdam naar Melbourne is vertrokken. De vrouw heeft een groot aantal omstandigheden aangevoerd waaruit zou volgen dat de man op 22 september 2009 nog woonplaats had in Nederland, althans nog niet definitief naar Australië was vertrokken, zodat de Nederlandse rechter wel bevoegd was. Uit het door haar overgelegde uittreksel uit de basisadministratie blijkt dat de man daar eerst op 13 oktober 2009 is uitgeschreven.
5.
Het hof heeft in rov. 7 van het bestreden arrest overwogen het standpunt van de vrouw niet te volgen, omdat uit de door de man overgelegde brief van 7 september 2009 van de advocaat van de man gericht aan de advocaat van de vrouw, valt af te leiden dat de man definitief naar Australië was vertrokken. Volgens het hof was de vrouw derhalve op de hoogte van de omstandigheid dat de man niet alleen de wil had zijn woonplaats in Nederland prijs te geven, maar dat hij ook de daad bij deze wil had gevoegd door zijn woonplaats definitief van Nederland naar Australië te verleggen. Dat de man zich eerst in oktober 2009 heeft doen uitschrijven uit de basisadministratie doet hieraan volgens het hof niet af. Die inschrijving levert slechts een vermoeden op, welk vermoeden moet wijken voor het hiervoor omschreven tegenbewijs, aldus het hof. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de man op 22 september 2009 noch woonstede noch werkelijk verblijf in Nederland had. Uit art. 4 lid 1 EEX-Verordening volgt dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd moet worden op de Nederlandse wetgeving, in het bijzonder art. 2 Rv. Het hof is van oordeel dat, nu de man op de dag van de dagvaarding in eerste aanleg naar Nederlands recht geen woonplaats in Nederland had, terwijl zich ook niet de omstandigheden genoemd in art. 9 Rv voordoen, de Nederlandse rechter — behoudens wat betreft het in Nederland liggende onroerend goed — in deze zaak geen internationale bevoegdheid heeft.
6.
Aangezien partijen hebben verzocht een uitspraak te doen over de verdeling van de gemeenschappelijke woning is volgens het hof sprake van een uitdrukkelijke forumkeuze in de zin van art. 8 Rv en wijst het hof op dit punt arrest. Dit deel van het arrest wordt in cassatie niet bestreden.
7.
De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten. Een verzoek tot mondeling pleidooi van de vrouw is bij rolbeschikking van 16 november 2012 (LJN BY3317, NJ 2012/655) afgewezen.
8.
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 7 en 8 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van partijen, met uitzondering van de verzochte verdeling van de gemeenschappelijke woning in Den Haag.
9.
Voor zover de vrouw een beroep doet op stellingen zonder in de cassatiedagvaarding te verwijzen naar de vindplaatsen in de stukken in feitelijke aanleg waar deze stellingen zijn opgeworpen, falen de klachten reeds omdat deze niet voldoen aan de daaraan op grond van art. 407 Rv te stellen eisen.1. Voor zover de klachten niet duidelijk maken waarom het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is, voldoen zij evenmin aan de eisen van art. 407 Rv.
10.
Ook overigens slagen de klachten niet. De beoordeling van de voor de vaststelling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter relevante feiten is aan de rechter in feitelijke aanleg overgelaten en kan in cassatie in beginsel niet worden getoetst. Het oordeel van het hof dat de man geen woonstede of werkelijk verblijf had in Nederland is feitelijk en niet onbegrijpelijk of onjuist. Gezien de brief van de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw van 9 september 2009 dat de man definitief naar Australië was vertrokken hebben het grote aantal door de vrouw aangevoerde omstandigheden het hof niet tot het oordeel kunnen brengen dat de man op 22 september 2009 ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg nog woonplaats in Nederland zou hebben.
11.
Voor zover het middel betoogt dat de Nederlandse rechter bevoegdheid toekomt op grond van art. 9 aanhef en onder c Rv, faalt het eveneens. Wanneer op basis van art. 2 tot en met 8 Rv aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, heeft hij ingevolge art. 9 aanhef en onder c Rv niettemin rechtsmacht wanneer een zaak die bij dagvaarding moet worden ingeleid voldoende met de rechtssfeer van Nederland is verbonden en het onaanvaardbaar is van de eiser te vergen dat hij de zaak aan het oordeel van een rechter van een vreemde staat onderwerpt (forum necessitatis).2. Dit artikel dient restrictief te worden uitgelegd.3. Dat de man, zoals het middel (onder 1.1.2 en 1.1.3) betoogt, ‘thans aan het forum shoppen in Australië’ is en dat het Australische recht mogelijk tot een andere uitkomst van het geschil leidt, is geen grond voor toepassing van art. 9 aanhef en onder c Rv. Evenmin is relevant of en hoeveel belang de vrouw heeft bij de door haar gevraagde verklaring voor recht (subonderdelen 1.1.6 en 1.1.8). Niet is gesteld dat er voor de vrouw in Australië geen behoorlijke rechtsgang openstaat of dat zij in Australië een discriminerende behandeling kan verwachten. De vergelijking met de beschikking van het hof 's‑Gravenhage van 17 december 2003 (LJN: AO1780) gaat niet op omdat art. 2 en 9 Rv in die zaak geen onderwerp van het geschil waren.
12.
In subonderdeel 1.1.6 wordt nog een beroep gedaan op art. 4 lid 3 Rv. Dit artikel is in deze zaak niet van toepassing, omdat de bepaling betrekking heeft op de met een echtscheidingsprocedure verband houdende nevenvoorzieningen. In deze zaak staat vast dat partijen niet waren getrouwd, zodat van een echtscheidingsprocedure bij de Nederlandse rechter dan ook geen sprake kan zijn.
13.
Ten slotte betoogt subonderdeel 1.1.7 dat zonder motivering onbegrijpelijk is dat het hof zich niet uitspreekt over de gevorderde verdeling van de inboedel en teruggave van de muntenverzameling van de vrouw. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft dit deel van het vonnis van de rechtbank vernietigd en zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van deze vorderingen.
14.
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑04‑2013
Tweede Kamer 1999–2000, 26 855, nr. 3, p. 41; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9 Rv, aant. 6 (M.V. Polak); Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 9 Rv, aant. 3 (P. Vlas). Zie ook F. Ibili, Gewogen rechtsmacht in het IPR, serie Recht en Praktijk nr. 148, 2007, p. 107 e.v.