Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.1
II.5.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460230:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wolswijk 2007a, p. 85. “[Feitelijk] leiding geven kan daarom overlappen met medeplegen (..). Zelfs als iemand de gehele delictsomschrijving vervult – dus pleger is – lijkt dat niet aan [feitelijk] leiding geven in de weg te staan. Iemand geeft in zo’n geval dus leiding aan een door de rechtspersoon gepleegd feit dat hij tevens zélf heeft gepleegd. Dan is er overlap tussen [feitelijk] leiding geven en plegen.”
Zie par. II.1.3 waarom ik in de afbakening van dit onderzoek ervoor heb gekozen de andere deelnemingsvormen buiten beschouwing te laten.
Kelk/De Jong 2019, p. 462.
De Hullu 2018, p. 443-444; Knigge & Wolswijk 2015, p. 257-258.
Er is niet altijd één natuurlijke persoon die alle bestanddelen vervult, en dus is er niet altijd een pleger van een delict aan te wijzen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer de objectieve zijde van het delict niet wordt vervuld door één persoon, maar door bijdragen van verschillende personen; of wanneer degene die de delictsgedraging verricht niet de benodigde kwaliteit bezit en dus geen adressaat is van de geschonden norm. Maar ook als er wél iemand is die alle bestanddelen vervult, kan het soms wenselijk zijn om (naast de pleger ook) andere (rechts)personen die betrokken zijn geweest bij een strafbaar feit strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Voor die gevallen kan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkenen mogelijk worden vastgesteld via deelneming.
Er bestaan verschillende deelnemingsfiguren, elk met een eigen karakter en criteria, soms met een overlappend bereik.1 In deze paragraaf sta ik stil bij twee deelnemingsfiguren, namelijk medeplegen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr) en feitelijk leidinggeven (art. 51 lid 2 sub 2 Sr). Daarnaast komt medeplichtigheid (art. 48 Sr) in deze paragraaf ook (zijdelings) aan bod. Zodoende ontstaat een goed beeld van de mogelijkheden om een natuurlijk persoon met een leidinggevende functie aan te spreken als deelnemer aan een milieudelict.2
Zonder de deelnemingsfiguren van artikelen 47, 48 en 51 Sr, zouden slechts de personen die de volledige delictsomschrijving vervullen (de plegers) gestraft kunnen worden voor een strafbaar feit. Ingevolge het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel (art.1 Sr) is een gedeeltelijke schending van een wettelijk voorschrift immers niet strafbaar. Artikelen 47, 48 en 51 Sr bepalen welke vormen van betrokkenheid bij het schenden van een wettelijk voorschrift strafwaardig zijn, zodat de deelnemers bij het delict die niet zelf alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervullen niet straffeloos blijven.3 Op deze manier zorgen de deelnemingsfiguren voor een uitbreiding van de kring van personen die kunnen worden gestraft voor een strafbaar feit.
De relevantie van deelnemingsvormen is echter enigszins afgenomen door de abstractere interpretatie van delictsgedragingen en de mogelijkheid om een gedraging van een ander toe te rekenen aan de pleger. Een deelnemer kan in veel gevallen ook worden aangesproken als functionele pleger. Aan de andere kant is ook de actieradius van de deelnemingsfiguren door de abstractere delictsinterpretatie verruimd, want het is ook mogelijk om op een functionele wijze deel te nemen. Daardoor is het bijvoorbeeld minder van belang bij medeplegen dat de medepleger betrokken is bij de (fysieke) uitvoering van de delictsgedraging.4
Of het meer voor de hand ligt om een persoon strafrechtelijk aansprakelijk te stellen als deelnemer of als pleger, zal afhangen van de omstandigheden van het geval en het type delict. In de bestudeerde jurisprudentie blijken deelnemingsfiguren in de praktijk een belangrijke rol te spelen bij het aansprakelijk stellen van leidinggevenden van milieudelicten. De deelnemingsfiguur feitelijk leidinggeven blijkt in het bijzonder een populaire aansprakelijkheidsfiguur voor dit soort gevallen.
Hierna ga ik in paragraaf II.5.2 in op enkele algemene aspecten van deelneming. In dat kader sta ik stil bij de verhouding tussen plegers en deelnemers, en bespreek ik achtereenvolgens twee vereisten die gelden voor alle deelnemingsvormen; namelijk het accessoriteitsvereiste en het dubbel-opzet vereiste. In paragraaf II.5.3 ga ik in op het medeplegen van een milieudelict door leidinggevenden; daarbij komt ook het onderscheid tussen medeplegen en medeplichtigheid aan bod. In paragraaf II.5.4 behandel ik de deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven. Bij alle deelnemingsvormen zal ik naast de algemene kenmerken van en criteria voor deelneming, ook op basis van de literatuur en jurisprudentie de toepassing van deze aansprakelijkheidsfiguur in het milieustrafrecht bespreken, en dan natuurlijk met name in situaties waarin leidinggevenden worden aangesproken.