Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.5:9.4.5 Vermogensverschaffer voor onjuiste bedrag tot stemming toegelaten
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.5
9.4.5 Vermogensverschaffer voor onjuiste bedrag tot stemming toegelaten
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens , datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192731:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie §8.3 over de regeling omtrent de vaststelling van de omvang van vorderingen.
Vgl. §9.4.4.
Let wel, ook bij een gebrek in de informatieverschaffing, klassenindeling of stemprocedure bestaan er escapes, die zijn echter beperkt tot de gevallen waarin het gebrek redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst van de stemming had kunnen leiden. Vgl. §9.4.4.
In die zin: Tollenaar 2017b, p. 77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
508. De rechter kan de homologatie van een akkoord weigeren, wanneer hij vaststelt dat een bepaalde vermogensverschaffer voor een ander bedrag tot de stemming had moeten worden toegelaten. Deze bepaling is het laatste element van de door de wetgever gevonden middenweg in het streven naar een eerlijke regeling, waarin echter geen tijd is voor een (verplicht) uitgebreid verificatieproces.1 Mocht blijken dat een schuldeiser voor het onjuiste bedrag is toegelaten tot de stemming, dan kan de rechter desondanks tot homologatie overgaan, indien “die beslissing” niet tot een andere uitkomst van de stemming had kunnen leiden. Met ‘die beslissing’ wordt vermoedelijk gedoeld op de genomen beslissing om de schuldenaar voor een bepaald bedrag tot de stemming toe te laten. Bedoeld zal zijn dat de rechter na moet gaan of de stemuitslag anders zou zijn geweest wanneer de vermogensverschaffer voor het juiste bedrag tot de stemming zou zijn toegelaten. Als het akkoord bij de stemming is aangenomen, maar verworpen zou zijn wanneer alle vermogensverschaffers voor een juist bedrag waren ingedeeld, kan de rechter dus niet homologeren. Ook de omgekeerde situatie is denkbaar. Indien het akkoord werd verworpen tijdens de stemming, maar zou zijn aangenomen wanneer schuldeisers voor het juiste bedrag tot de stemming zouden zijn toegelaten, is homologatie niet mogelijk.
Deze regel is rigide omdat de stemuitslag normaliter slechts het startpunt vormt voor de homologatie. Indien vermogensverschaffers voor een onjuist bedrag tot de stemming zijn toegelaten én de stemuitslag anders zou hebben uitgepakt bij een juiste toelating, bestaat er wat mij betreft iets meer ruimte voor coulance dan in geval van onjuiste informatieverstrekking, een gebrek in de klassenindeling of een manco in de stemprocedure.2 De omvang van een vordering raakt niet aan het wezen van het besluitvormingsproces, maar heeft wel invloed op de vaststelling van de uitslag. Er mogen daarom iets ruimere correctiemogelijkheden bestaan.3
Een passender regel zou zijn de rechter de bevoegdheid te geven het akkoord ondanks een gebrek in de toelating tot de stemming te homologeren, indien het akkoord aan de in art. 384 lid 4 Fw vervatte redelijkheidstoets voldoet en dus voor homologatie in aanmerking zou komen.4 De huidige wettelijke regeling is echter zo opgezet dat slechts de crediteuren die tegen het akkoord stemden en zelf zijn ingedeeld in een klasse die als geheel tegen het akkoord stemde, een weigeringsverzoek kunnen stoelen op de eerlijkheidsnorm van art. 384 lid 4 Fw.5 De stemuitslag is bepalend geweest voor de bezwaren die de crediteuren naar voren brachten in hun verzoeken tot weigering van de homologatie. Voor zover dus tijdens de homologatiezitting door de rechter wordt vastgesteld dat de uitslagen anders zouden zijn geweest indien partijen voor het juiste bedrag zouden zijn toegelaten, zou de homologatiebeslissing moeten worden aangehouden om partijen opnieuw te informeren over de homologatiezitting en over de gronden waarop zij bezwaar kunnen maken. Partijen moeten de kans krijgen een verzoek tot weigering van de cross class cram down in te dienen.
Ik betoog in §9.6.5.1 dat de rechter ambtshalve zou moeten kunnen nagaan of aan de voorwaarden van art. 384 lid 4 Fw is voldaan, voordat hij het akkoord homologeert. De rechter zou daarvoor niet afhankelijk moeten zijn van eventuele ingediende bezwaren van vermogensverschaffers. Als een regel van die strekking wordt opgenomen in de wet, zou ook kunnen worden overwogen om de rechter de bevoegdheid te geven een akkoord te homologeren ondanks het feit dat een of enkele vermogensverschaffers voor het onjuiste bedrag tot de stemming zijn toegelaten én de stemuitslag anders zou uitpakken bij een juiste toelating. De rechter zal dan namelijk ambtshalve nagaan of het akkoord de strengste redelijkheidstoets doorstaat. In dat geval is het niet nodig de homologatiezitting aan te houden na de vaststelling dat bepaalde vermogensverschaffers voor een onjuist bedrag tot de stemming zijn toegelaten.