Hof Amsterdam, 05-07-2022, nr. 200.266.429/01
ECLI:NL:GHAMS:2022:1960
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
05-07-2022
- Zaaknummer
200.266.429/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2022:1960, Uitspraak, Hof Amsterdam, 05‑07‑2022; (Beschikking)
ECLI:NL:GHAMS:2021:528, Uitspraak, Hof Amsterdam, 23‑02‑2021; (Hoger beroep, Beschikking)
- Vindplaatsen
NTHR 2021, afl. 3, p. 132
Uitspraak 05‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Betreft verzoek tot verlening van exequatur aan uitspraak International Court of Arbitration Parijs. Geschil tussen een reisbureau en zijn (voormalige) agent. De Court of Arbitration oordeelde - samengevat – dat het reisbureau de overeenkomst rechtsgeldig had beëindigd, en dat de agent op straffe van dwangsommen, het gebruik van onder meer naam en handelsmerken van het reisbureau moest staken, en dat zij USD 10.000,-- aan boetes verschuldigd was aan het reisbureau. De vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak is vervolgens door het Cour d’Appel te Parijs afgewezen. In de onderhavige procedure verzet de agent zich tegen het verlenen van exequatur aan de arbitrale uitspraak omdat zich weigeringsgronden zouden voordoen zoals bedoeld in de artikelen V lid 1 sub b en d en artikel V lid 2 sub b van het Verdrag van New York: een van de drie arbiters zou partijdig zijn geweest, en het scheidsgerecht zou buiten haar opdracht zijn getreden. Het hof verwerpt beide stellingen, en oordeelt voorts dat er geen aanleiding bestaat om het cassatieberoep af te wachten. Het arbitrale vonnis wordt erkend en het exequatur wordt verleend.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.266.429/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 juli 2022
inzake
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,verzoekster,advocaat: mr. J.K. van Hezewijk te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Ecuadoraans recht [verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] , [land] ,gerekwestreerde,advocaat: mr. A.E. de Paepe te Amsterdam.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
Partijen worden hierna [verzoekster] en [verweerster] genoemd.
1.2.
Verwezen wordt naar de tussenbeschikking van 23 februari 2021, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
1.3.
Hierna zijn de volgende processtukken gewisseld:- akte uitlating uitspraak Cour d’Appel Parijs van 12 januari 2021 (hierna ook “Franse hof”) van 17 juni 2021 zijdens [verweerster] , met producties;- akte uitlating n.a.v. uitspraak Cour d’Appel Parijs 12 januari 2021 van 15 juli 2021 van [verzoekster] ;- akte houdende overlegging producties zijdens [verzoekster] van 17 september 2021;- akte uitlating producties zijdens [verweerster] van 14 oktober 2021.
Voorafgaand aan inzending van de laatste twee aktes heeft nog schriftelijke correspondentie op 26 en 27 juli 2021 plaatsgevonden tussen partijen en de griffie van het hof. Deze correspondentie bevindt zich bij de stukken.
1.4.
Partijen is bij e-mail van 14 maart 2022 bericht dat de samenstelling van het hof die de tussenbeschikking heeft gegeven enigszins is gewijzigd en dat ingevolge ECLI:NL:HR:2020:472 partijen een termijn van veertien dagen is verleend om kenbaar te maken of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen, bij gebreke waarvan uitspraak zou worden gedaan door de nieuwe samenstelling. Geen van partijen heeft hierop gereageerd.
2. De feiten
2.1.
[verweerster] is een lokaal reisbureau in [land] . [verzoekster] is een internationaal reisconcern gericht op dienstverlening voor zakelijke reizen. [verzoekster] gaat daarvoor partnerschappen aan met lokale reisbureaus, zoals voorheen [verweerster] en thans [bedrijf] (hierna “ [bedrijf] ”), die net als [verweerster] een reisbureau exploiteert. Directeur van [bedrijf] is [naam 1] (hierna “ [directeur bedrijf] ”).
2.2.
[verzoekster] en [verweerster] zijn met ingang van 1 april 2011 een “Partnership Agreement” (hierna: “de overeenkomst”) aangegaan, op grond waarvan [verzoekster] zich verbond aan [verweerster] een aantal diensten ter beschikking te stellen waaronder handelsmerken, contacten en marketing.
2.3.
Op 20 december 2011 heeft [verweerster] [verzoekster] in kennis gesteld van haar voornemen te fuseren met [bedrijf] , en heeft zij [verzoekster] verzocht in te stemmen met deze fusie.Deze toestemming werd verleend op 23 januari 2012. In februari 2012 heeft [verweerster] aan [verzoekster] laten weten dat de fusie niet doorging. [verzoekster] heeft vervolgens de samenwerkingsovereenkomst met [verweerster] opgezegd op 1 maart 2012 en is per 20 april 2012 een samenwerkingsovereenkomst met [bedrijf] aangegaan.
2.4.
[verzoekster] heeft op 6 november 2012 een arbitrage procedure aanhangig gemaakt bij de International Court of Arbitration. Bij uitspraak van 7 april 2015 zijn de vorderingen van [verzoekster] grotendeels toegewezen en de tegenvorderingen van [verweerster] afgewezen. De International Court of Arbitration oordeelde - samengevat – dat [verzoekster] de overeenkomst met [verweerster] rechtsgeldig heeft beëindigd, dat [verweerster] , op straffe van dwagsommen, het gebruik van onder meer naam en handelsmerken van [verzoekster] moest staken, en dat zij USD 10.000,-- aan boetes verschuldigd is aan [verzoekster] .
2.5.
Bij arrest van 12 januari 2021 heeft het Cour d’Appel te Parijs het verzoek van [verweerster] tot vernietiging van de arbitrale uitspraak afgewezen. [verweerster] heeft tegen deze beslissing op 26 maart 2021 cassatieberoep ingesteld bij het Cour de Cassation in Frankrijk.
3. 3. De verdere beoordeling
3.1.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel III van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, New York, 10 juni 1958 (Trb.1058,154), hierna “het verdrag van New York”, het uitgangspunt is dat scheidsrechterlijke uitspraken die zijn gewezen in andere verdragsluitende staten worden erkend en voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn.
3.2.
Artikel V lid 1 van het Verdrag van New York luidt, voor zover thans van belang, als volgt:“Recognition and enforcement of the award may be refused, at the request of the party against whom it is invoked, only if that party furnishes tot the competent authority where the recognition and enforcement is sought, proof that: (…)(b) The party against whom the award is invoked was not given proper notice of the appointment of the arbitrator or of the arbitration proceedings or was otherwise unable to present his case; or
(c ) The award deals with a difference not contemplated by or not falling within the terms of submission to arbitration, or it contains decisions on matters beyond the scope of the submission to arbitration (…);
(…)(d) The composition of the arbitral authority or the arbitral procedure was not in accordance with the agreement of the parties (…).(…)” 3.4. In artikel V lid 2 sub b van het Verdrag van New York is voorts als weigeringsgrond opgenomen: “The recognition or enforcement of the award would be contrary to the public policy of that country.”
3.5.
In de onderhavige exequaturprocedure heeft [verweerster] aangevoerd dat een van de drie arbiters, [naam 2] (hierna: [arbiter] ), ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn disclosure verplichtingen op grond van de artikelen 11 lid 2 en lid 3 van de toepasselijke ICC Rules, en 1456 lid 2 en 1510 van de Franse Code de Procedure Civile, en dat [arbiter] niet onpartijdig was. Daarmee doen zich volgens [verweerster] de hiervoor genoemde weigeringsgronden van artikel V lid 1 sub b en d, alsmede de weigeringsgrond van artikel V lid 2 sub b voor. Voorts heeft [verweerster] aangevoerd dat het scheidsgerecht meer heeft toegewezen dan gevorderd, waarmee de in artikel V lid 1 sub c geformuleerde weigeringsgrond zich voordoet.
3.6.
De door [verweerster] geëntameerde procedure bij het Franse Hof strekte tot vernietiging van de arbitrale uitspraak waarvan in de onderhavige procedure tenuitvoerlegging wordt verzocht. In de procedure bij het Franse Hof heeft [verweerster] daartoe – in de kern – dezelfde gronden aangevoerd, te weten dat het scheidsgerecht oneigenlijk was samengesteld en dat het scheidsgerecht buiten haar opdracht is getreden. Het hof toetst in de onderhavige zaak zelfstandig of zich weigeringsgronden voordoen zoals genoemd in artikel V van het verdrag van New York. Dit laat onverlet dat het hof bij zijn oordeel kan meewegen dat het Franse hof het verzoek tot vernietiging van de arbitrale uitspraak heeft afgewezen en dat (in Frankrijk) de arbitrale uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
Samenstelling scheidsgerecht, onpartijdigheid arbiter
3.7.
Het hof is van oordeel dat zich geen weigeringsgronden voordoen zoals bedoeld in de artikelen V lid 1 sub b en d en artikel V lid 2 sub b van het Verdrag van New York, en zal het verzoek van [verzoekster] toewijzen. Het volgende is daartoe redengevend.
3.8.
Vooropgesteld wordt dat van (een schijn van) partijdigheid onder meer sprake is wanneer de arbiter zakelijke, vriendschappelijke en/of familiebetrekkingen onderhoudt met een partij die op enige wijze direct dan wel indirect belang heeft bij de uitkomst van de arbitrage. Het hof is - op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden - van oordeel dat daarvan geen sprake is: [bedrijf] is geen partij in de arbitrage, en de samenwerkingsovereenkomst tussen [verzoekster] en [bedrijf] is gesloten ruim vóór het aanhangig maken van de arbitrage, zodat de uitkomst van de arbitrageprocedure geen verandering kon brengen in de contractuele betrekkingen tussen [verzoekster] en [bedrijf] . [verweerster] heeft betoogd dat het belang van [bedrijf] is gelegen in de concurrentiebelangen van [bedrijf] : bij een voor [verzoekster] nadelige uitkomst van de procedure zouden [bedrijf] en [verweerster] de markt moeten delen, terwijl bij een gunstige uitkomst [verweerster] als concurrent van [bedrijf] zou verdwijnen. Het hof verwerpt dit betoog. Inzet van de arbitrage aan de zijde van [verweerster] was immers niet dat [verweerster] op enige wijze zou terugkeren als agent van [verzoekster] . [verweerster] heeft ook geen herstel en/of naleving van de samenwerkingsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] gevorderd. [verweerster] heeft voorts betoogd dat een belang van [bedrijf] bij de uitkomst van de arbitrageprocedure is gelegen in het feit dat de tussen [verweerster] en [bedrijf] in [land] aanhangige procedure, welke gegrond is op onrechtmatige concurrentie, deels hetzelfde feitencomplex betreft. Ook dit betoog faalt, omdat in een (arbitraal) geding waarbij [bedrijf] geen partij is, niet kan worden vastgesteld of [bedrijf] onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld zoals [verweerster] lijkt te betogen.Het feit dat [bedrijf] in de arbitrageprocedure is aangemerkt als “Other Relevant Entity” doet aan het voorgaande niet af. Ten slotte kan ook de stelling van [verweerster] dat [bedrijf] een reis voor [arbiter] heeft betaald, evenmin tot een ander oordeel leiden nu niet is gebleken dat [bedrijf] de bedoelde reis heeft betaald.
Scheidsgerecht buiten opdracht getreden? 3.9. [verweerster] heeft voorts als weigeringsgrond aangevoerd dat het scheidsgerecht buiten haar opdracht is getreden (artikel V lid 1 sub c Verdrag van New York), door andere en hogere dwangsommen op te leggen dan gevorderd door [verzoekster] in de arbitrale procedure. [verzoekster] had twee dwangsommen van USD 1.000,-- per onderdeel gevorderd, terwijl het scheidsgerecht het volgende heeft toegewezen:“342. Grants [verzoekster] ’s request to award judicial penalties in an amount of USD 10.000,- per day.(…)348. [verweerster] shall pay USD 10.000,-- per day until all signage displaying [verzoekster] ’s name and trademarks are removed, and a further USD 1.000,- per day until [verzoekster] ’s domain name is refunded to [verzoekster] .”[verweerster] stelt dat het scheidsgerecht (i) hiermee buiten haar opdracht is getreden, (ii) de beslissing tot het opleggen van andere en hogere dwangsommen dan verzocht had moeten motiveren en (iii) partijen de gelegenheid had moeten bieden zich uit te laten over haar voornemen om een hogere dwangsom dan verzocht toe te kennen.
Het hof oordeelt dat, nu vast staat dát door [verzoekster] dwangsommen zijn gevorderd, het bepalen van de hoogte behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het scheidsgerecht, en dat het scheidsgerecht evenmin was gehouden om haar beslissing dienaangaande te motiveren en/of partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.
Opschorting in afwachting van cassatie
3.10
[verweerster] heeft, ten slotte, betoogd dat de zaak (opnieuw) moet worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het tegen de uitspraak van het Franse Hof ingestelde cassatieberoep. Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat het Verdrag van New York een sterke presumptie kent van tenuitvoerlegging, en dat aanhouding van de exequaturprocedure slechts in bijzondere gevallen dient plaats te vinden. Nu reeds een aanhouding heeft plaatsgevonden in verband met de vernietigingsprocedure bij het Franse Hof, deze als laatste feitelijke instantie de vernietigingsvordering heeft afgewezen, cassatieberoep slechts op beperkte juridische gronden mogelijk is en [verweerster] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan een vernietiging van de uitspraak van het Franse Hof te verwachten is terwijl voorts geen concrete datum is genoemd waarop de uitspraak door het Franse Cour de Cassation verwacht kan worden, ziet het hof geen aanleiding voor een verdere aanhouding.
Conclusie 3.11. Het voorgaande betekent dat de door [verzoekster] verzochte erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging zullen worden verleend. [verweerster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
4. Beslissing
Het hof:
erkent het op 7 april 2015 door het International Court of Arbitration te Parijs onder nummer 19058/GFC tussen partijen gewezen arbitraal vonnis en verleent verlof tot tenuitvoerlegging daarvan;
veroordeelt [verweerster] in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 741,-- aan verschotten en € 2.228,-- aan salaris.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, G.C. Boot en T.S. Pieters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022.
Uitspraak 23‑02‑2021
Inhoudsindicatie
Verzoek tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging buitenlands arbitraal vonnis; aanhouding in verband met vernietigingsprocedure; Verdrag van New York, artikel VI;
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.266.429/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 februari 2021
inzake
CW TRAVEL HOLDINGS N.V.,
gevestigd te Diemen,
verzoekster,
advocaat: mr. J.K. van Hezewijk te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Ecuadoraans recht SEITUR AGENCIA DE VIAJES Y TURISMO CIA. LTDA.,
gevestigd te Quitto, Ecuador,
gerekwestreerde,
advocaat: mr. A.A.M. Veenstra te Amsterdam.
1. Het procesverloop
Partijen worden hierna CWTH en Seitur genoemd.
CWTH heeft bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 20 september 2019, verzocht om volledige, althans gedeeltelijke erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging op de voet van het Verdrag van New York van 10 juni 1958 (Trb. 1958, 154) (hierna het Verdrag) van het op 7 april 2015 in Parijs tussen partijen gewezen arbitrale vonnis, met veroordeling van Seitur in de kosten van het geding.
Seitur heeft bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van het hof op 14 september 2020, verzocht dat het hof zich onbevoegd verklaart, althans het verzoek van CWTH geheel dan wel gedeeltelijk afwijst, althans niet-ontvankelijk verklaart, subsidiair de beslissing op het verzoek opschort totdat het Cour d’Appel in Parijs op haar vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis heeft beslist, met veroordeling van CWTH in de kosten van het geding.
Op 18 september 2020 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Partijen hebben bij die gelegenheid het woord gevoerd, CWTH bij monde van mr. Hezewijk voornoemd en mr. A.J. Schuring, advocaat te Amsterdam, en Seitur bij monde van mr. A.A.B. Veenstra en mr. G.W. van der Bend, beiden advocaat te Amsterdam, aan beide zijden aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd.
Ten slotte heeft het hof uitspraak bepaald.
2. De bevoegdheid van het hof
2.1.
2.2.
Het hof verwerpt dit betoog. Het hof volgt eerdere uitspraken waarin op dit punt is beslist dat in een geval als waar het hier om gaat - een buitenlandse arbitrage waarvan het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging is ingediend na inwerkingtreding van de Wet modernisering Arbitragerecht - het op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift (20 september 2019) geldende procesrecht van toepassing is (ECLI:NL:GHAMS:2018:1842; ECLI:NL:GHAMS:2018:4155; ECLI:NL:GHDHA: 2019:2461). De daartegen ingebrachte argumenten van Seitur werpen geen ander licht op de zaak en nopen dan ook niet tot een andere beslissing. Het hof acht zich dus op de voet van artikel 1075 lid 2 Rv, althans artikel 1076 lid 6 Rv bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
3. De beoordeling
3.1.1.
In het arbitraal vonnis waarvan in dit geding erkenning en tenuitvoerlegging wordt gevorderd, heeft het scheidsgerecht op vordering van CWTH (onder meer) voor recht verklaard dat de samenwerkingsovereenkomst door opzegging van CWTH rechtsgeldig is geëindigd, Seitur bevolen om onmiddellijk te stoppen met het gebruik van de naam, merken en domeinnaam van CWTH onder oplegging van een dwangsom, de tegenvorderingen van Seitur afgewezen en Seitur veroordeeld in de kosten van de procedure.
3.1.2.
Seitur heeft op 3 april 2017 een procedure aanhangig gemaakt bij het Cour d’Appel in Parijs tot vernietiging van het arbitraal vonnis. Hierop was bij het bepalen van uitspraak in deze zaak nog niet beslist.
3.1.3.
Verder loopt er nog een gerechtelijke procedure tussen partijen in Ecuador waarvan de inzet een vordering is van Seitur op CWTH.
3.2.
Niet is in geschil dat eerdergenoemd Verdrag van New York (hierna het Verdrag) op het verzoek van toepassing is, nu zowel Nederland als Frankrijk (alwaar het arbitraal vonnis is gewezen) partij is bij het Verdrag. Ingevolge artikel III van het Verdrag moeten scheidsrechtelijke uitspraken die zijn gewezen in andere verdragsluitende staten worden erkend en voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn als aan de voorwaarden van het Verdrag is voldaan.
3.3.
Seitur bepleit primair dat zich afwijzingsgronden voordoen als bedoeld in artikel V van het Verdrag. Zij voert daarvoor als redenen aan dat (i) één van de arbiters (Serrano) partijdig was en (ii) het tribunaal meer heeft toegewezen dan gevorderd. Subsidiair vraagt zij dat de beslissing op het verzoek op de voet van artikel VI van het Verdrag wordt opgeschort in verband met de vernietigingsprocedure in Parijs.
3.4.
Niet is in geschil dat de voor afwijzing van het verzoek aangevoerde redenen ook zijn aangevoerd als vernietigingsgrond in de vernietigingsprocedure bij het Cour d’Appel in Parijs. Vernietiging van een arbitraal vonnis is een zelfstandige weigeringsgrond onder het Verdrag (artikel V lid 1, aanhef en onder e). Artikel VI van het Verdrag voorziet in de mogelijkheid dat een beslissing op een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging wordt opgeschort als er - zoals hier het geval - een procedure tot vernietiging loopt in het land waar het arbitrale vonnis is gewezen. Gelet op de gestelde redenen voor vernietiging en het in dat verband gevoerde debat tussen partijen kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de vernietigingsvordering geen reële kans van slagen heeft. Dat pleit voor opschorting. Daarbij komt dat partijen het erover eens zijn dat de uitspraak in de vernietigingsprocedure op (relatief) korte termijn wordt verwacht; volgens CWTH zelf in het eerste of tweede kwartaal van dit jaar. Tegenover de expliciet in artikel VI van het Verdrag gegeven mogelijkheid van opschorting en de evidente proceseconomische belangen die zijn gediend bij afwachting van procedure bij het Cour d’Appel in Parijs, heeft CWTH niet aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarder wegend belang heeft bij een spoedige beslissing op haar verzoek. Zo heeft zij na het in geding zijnde arbitrale vonnis maar liefst bijna vier en een half jaar gewacht met het doen van haar verzoek. Verder is niet in geschil dat Seitur geen vermogensbestanddelen in Nederland heeft waarop CWTH zich zou kunnen verhalen; de reden van het verzoek is daarin gelegen dat CWTH de mogelijkheid wil hebben om beslag te doen leggen onder zichzelf ter afwering van een mogelijke claim van Seitur uit hoofde van een uitspraak in de in Ecuador lopende zaak. Die zaak loopt echter al sinds 2016 en gesteld noch is gebleken dat binnen afzienbare termijn een uitspraak in die zaak wordt verwacht, waarbij het bovendien nog maar de vraag is wat de uitkomst daarvan zal zijn, oftewel of Seitur daarmee een claim zal verkrijgen op CWTH.
3.5.
Het hof ziet in het voorgaande grond voor opschorting van de beslissing op het in geding zijnde verzoek. Aan een beoordeling van de door Seitur primair ingeroepen afwijzingsgronden wordt niet toegekomen. Dat is, zoals gezegd, ook in het belang van een efficiënte rechtsbedeling omdat - als overwogen - de daartoe aangevoerde redenen al ter beoordeling en beslissing voorliggen bij het Cour d‘Appel in Parijs en in die procedure binnen afzienbare termijn een beslissing wordt verwacht.
3.6.
Het hof zal de zaak als administratief afgedaan beschouwen. Indien alsnog een beslissing op het verzoek wordt verlangd, is het aan de meest gerede partij om de zaak weer op te brengen.
4. Beslissing
Het hof:
schort de beslissing op het verzoek om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 7 april 2015 op;
verstaat dat de meest gerede partij, indien daartoe aanleiding bestaat, de zaak voor verdere beoordeling en beslissing weer kan opbrengen bij het hof.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, A.S. Arnold en T.S. Pieters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.