Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.3.5
1.3.5 De acties van de mede-eigenaar
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645007:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 6, 1, 3, 2 (Ulpianus): “Pomponius scribit, si quid quod eiusdem naturae est ita confusum est atque commixtum, ut deduci et separari non possint, non totum sed pro parte esse vindicandum. Ut puta meum et tuum argentum in massam redactum est: erit nobis commune, et unusquisque pro rata ponderis quod in massa habemus vindicabimus, etsi incertum sit, quantum quisque ponderis in massa habet.” “Pomponius schrijft dat als dingen die uit dezelfde grondstof bestaan, zodanig zijn versmolten en vermengd dat zij niet meer uit elkaar gehaald en gescheiden kunnen worden, niet het geheel, maar naar verhouding moet worden gerevindiceerd. Stel dat mijn en uw zilver tot één massa zijn versmolten: het zal dan aan ons gemeenschappelijk toebehoren en wij kunnen beiden de eigendomsactie instellen naar verhouding van het gewicht dat wij in de massa hebben, zelfs als het onzeker is hoeveel ieder in de massa aan gewicht heeft.”
D. 6, 1, 35, 3 (Paulus): “Eorum quoque, quae sine interitu dividi non possunt, partem petere posse constat.” “Het staat vast dat ook van voorwerpen die niet kunnen worden gescheiden zonder dat zij teniet gaan, een deel kan worden opgeëist.”
D. 6, 1, 5, 1 (Ulpianus): “(…) Sed si deduci, inquit, non possit, ut puta si aes et aurum mixtum fuerit, pro parte esse vindicandum: nec quaquam erit dicendum, quod in mulso dictum est, quia utraque materia etsi confusa manet tamen.”
Gaius 4, 53a: “plus autem quattor modis petitur; re, tempore, loco, causa. Re, velut si quis pro X milibus quae ei debentur, XX milia petierit, aut si is cuius ex parte res est, totam eam aut maiore ex parte suam esse intenderit.”
D. 8, 2, 26 (Paulus): “(…) itaque propter immensas contentiones plerumque res ad divisionem pervenit.” “Zodoende komt de zaak meestal wegens eindeloze meningsverschillen tot verdeling”.
Het deel dat een deelgenoot had verkregen bij de verdeling van de gemeenschappelijke zaak werd aangeduid met de term pars pro diviso, niet te verwarren dus met het hierboven vermelde onverdeelde aandeel van de mede-eigenaar, de pars pro indiviso. Zie D. 50, 16, 25, 1 (Paulus). Zie ook: Van Hemel (1998), p. 7.
D. 10, 3, 6, 8 (Ulpianus): “Si fundus communis nobis sit, sed pignori datus a me, venit quidem in communi dividundo iudicio, sed ius pignoris creditori manebit, etiamsi adiudicatus fuerit: nam et si pars socio tradita fuisset, integrum maneret.”
De adiudicatio kon ook beperkte rechten in het leven roepen, zie D. 10, 2, 22, 3 (Ulpianus): “Sed etiam cum adiudicat, poterit imponere aliquam servitutem, ut alium alii servum faciat ex quos adiudicat: sed si pure alii adiudicaverit fundum, alium adiudicando amplius servitutem imponere non poterit” “Maar ook als hij die toewijzing verricht, zal hij enigerlei erfdienstbaarheid kunnen opleggen teneinde van de percelen die hij toewijst het ene aan het andere dienstbaar te doen zijn. Maar als hij gerechtelijk aan de één een perceel grond al onbelast heeft toegewezen, zal hij bij het toewijzen van het andere perceel niet alsnog een erfdienstbaarheid kunnen opleggen.”
D. 10, 3, 6, 9 (Ulpianus): “Idem Iulianus scribit, si is, cum quo servum communem habebam, partem suam mihi pignori dederit et communi dividundo agere coeperit, pigneraticia exceptione eum summoveri debere: sed si exceptione usus non fuero, officium iudicis erit, ut, cum debitori totum hominem adiudicaverit, partis aestimatione eum condemnet. Manere enim integrum ius pignoris: quod si adiudicaverit iudex mihi, tanti dumtaxat me condemnet, quanto pluris pignus sit quam pecunia credita, et debitorem a me iubeat liberari.” “Dezelfde Julianus schrijft dat, als degene met wie ik gezamenlijk een slaaf had, zijn aandeel aan mij in pand gegeven heeft en met de delingsactie een proces begint, hij met behulp van de exceptie van verpanding moet worden geweerd. Als ik echter van die exceptie geen gebruik gemaakt heb, zal het de taak van de rechter zijn om, wanneer hij de gehele slaaf gerechtelijk aan de schuldenaar toewijst, laatstgenoemde tot de geschatte waarde van mijn aandeel te veroordelen; het pandrecht blijft immers onaangetast. Maar als de rechter hem aan mij toewijst, moet hij mij slechts tot zoveel veroordelen als het pand de geleende geldsom in waarde overtreft en moet hij gelasten dat de schuldenaar door mij bevrijd wordt.”
D. 10, 2, 43 (Ulpianus): “Arbitrum familiae erciscundae vel unus petere potest: nam provocare apud iudicem vel unum heredem posse palam est: igitur et praesentibus ceteris et invitis poterit vel unus arbitrum poscere” “Zelfs één erfgenaam kan om een scheidsrechter voor de boedelscheiding vragen. Het is immers duidelijk dat zelfs een enkele erfgenaam rechtstreeks een verdeling kan aanvechten bij de rechter. Daarom kan zelfs één erfgenaam een scheidsrechter eisen, zelfs in tegenwoordigheid en tegen de zin van de overige erfgenamen.”
D. 10, 2, 22, 4 (Ulpianus): “Familiae erciscundae iudicium ex duobus constat, id est rebus atque praestationibus, quae sunt personales actiones” “De boedelscheidingsactie heeft tweeërlei object, namelijk zaken en het voldoen aan verplichtingen, hetgeen leidt tot persoonlijke acties.” Zie ook: D. 10, 2, 2, 5 en D. 10, 2, 3.
D. 10, 2, 25, 14 (Paulus): “Idem observatur in pignoribus luendis: nam nisi universum quod debetur offeratur, iure pignus creditor vendere potest.” “Hetzelfde moet in acht genomen worden bij pandlossing: als immers het totale verschuldigde bedrag niet wordt aangeboden, kan de schuldeiser rechtens het pand verkopen”. De erfgenaam die de gehele schuld betaalde om zo pandlossing te bewerkstelligen waardoor executie werd voorkomen, kon met de actio communi dividundo het verschuldigde deel bij de mede-erfgenamen vorderen.
Een erflater kon per legaat een zaak aan iemand anders dan een erfgenaam vermaken. In bijzondere gevallen kon hij ook aan een erfgenaam via een speciaal legaat zaken toebedelen, bijvoorbeeld via het voorafnemingslegaat. De erfgenaam aan wie de zaak was gelegateerd kreeg dan voorafgaand aan de berekening van de erfdelen de zaak als legataris. Zo telde de zaak niet mee bij deze berekening. Zie over dit legaat en de verschillende legaten in het Romeinse recht: Boelens (2015), Deel I, §I.2; Kaser/Knütel/Lohsse (2021), p. 485.
D. 10, 2, 28 (Gaius): “Rem pignori creditori datam si per praeceptionem legaverit testator, officio iudicis continetur, ut ex communi pecunia luatur eamque ferat is cui eo modo fuerat legata” “Als de erflater een zaak die aan een schuldeiser in pand is gegeven bij voorafnemingslegaat heeft nagelaten, valt het onder de ambtsplicht van de rechter het pand uit de gemeenschappelijke gelden te doen lossen en het geld aan diegene ter beschikking te stellen aan wie de zaak op die manier was gelegateerd.”
Het recht van mede-eigendom was, zoals gezegd, afgeleid van het eigendomsrecht dat op de gehele zaak rustte. De mede-eigenaren hadden dat eigendomsrecht niet en konden derhalve niet afzonderlijk tegen de bezitter de reivindicatio instellen. Dat kon alleen de eigenaar. De mede-eigenaren konden wel hun deel opeisen met een actie die weer van de reivindicatio was afgeleid: de reivindicatio partis.1 Dat was bijvoorbeeld het geval wanneer mede-eigendom ontstond omdat de vermengde zaken niet uit elkaar konden worden gehaald.2 Waren de vermengde zaken niet meer in hun oorspronkelijke gedaante terug te brengen, zoals bij vermenging van brons en goud, dan ontstond gemeenschappelijk eigendom naar rato van ieders inbreng.
“Maar, zegt hij (Pomponius), indien scheiding niet mogelijk is, bijv. als brons met goud is vermengd, moet in verhouding tot ieders aandeel worden gerevindiceerd. In geen geval mag worden gesteld hetgeen over de mede is opgemerkt, omdat beide grondstoffen, ook al zijn ze vermengd, toch nog voorhanden zijn.”3
Als de mede-eigenaar de gehele zaak opeiste, terwijl hij maar een recht van mede-eigendom had, dan overvroeg hij (plus petitio):
“Nu kan men op vier manieren overvragen: ten aanzien van de zaak, het tijdstip, de plaats en de rechtsgrond. Ten aanzien van de zaak, als iemand bijv. 20.000 heeft gevorderd in plaats van 10.000 die hem verschuldigd zijn, of als iemand aan wie een zaak gedeeltelijk toebehoort, als rechtsbewering stelt dat die geheel of voor een groter deel van hem is.”4
Naast de rei vindicatio partis kon een mede-eigenaar met de actie van scheiding en deling oftewel met de actio communi dividundo vorderen dat de zaak werd verdeeld. Paulus stelde vast dat deze actie vaak gebruikt werd om tot een verdeling te komen, “wegens de eindeloze meningsverschillen.”5 De actie van scheiding en deling eindigde met een vonnis, de adiudicatio. Dit vonnis bewerkstelligde de toewijzing van de eigendom van de gehele zaak aan één deelgenoot.6 Deze moest vervolgens de andere deelgenoten financieel compenseren. Door de adiudicatio werd het recht van mede-eigendom beëindigd doordat dit transformeerde in een exclusief eigendomsrecht. De deelgenoot aan wie de eigendom niet was toegewezen, raakte door het vonnis zijn mede-eigendom kwijt. Voor dit verlies moest hij door de exclusieve eigenaar worden gecompenseerd.
De vraag is natuurlijk of het toegewezen eigendomsrecht onbezwaard was of dat de reeds gevestigde zakelijke rechten daar op bleven rusten. Ulpianus was daarover duidelijk:
“Als wij een perceel grond gezamenlijk hebben, maar het is door mij in pand gegeven, dan valt het weliswaar onder de delingsactie maar het pandrecht blijft voor de schuldeiser bestaan. Zelfs wanneer het gerechtelijk is toegewezen. Het zou namelijk ook onaangetast blijven, indien het verpande deel aan een medevenoot zou zijn overgedragen.”7
Het vonnis van de adiudicatio schoonde dus de eigendomsverhoudingen op, maar liet de overige zakelijke rechten in stand.8 Deze bleven bestaan. Voor roerende zaken was de regeling niet anders. Zo verhaalde Ulpianus over een geval waarin twee personen mede-eigenaren waren van een slaaf. De ene eigenaar (A) had ten behoeve van de andere (B) een pandrecht op zijn aandeel gevestigd. Als de rechter de gehele slaaf aan A toewees, dan moest deze de waarde van het aandeel aan B vergoeden. Ondanks deze verdeling bleef het pandrecht van B onaangetast. Wees de rechter de roerende zaak toe aan pandhouder B in plaats van aan A, dan hoefde B slechts A geldelijk te compenseren als de zaak het geleende in waarde overtrof. Het pandrecht kwam in dat geval wél te vervallen door vermenging. B heeft immers de eigendom verkregen van de zaak waarop zijn pandrecht rustte.9
Naast de actio communi dividundo bestond ook de actio familiae erciscundae. Deze boedelscheidingsactie konden de erfgenamen gezamenlijk of afzonderlijk instellen als zij de nalatenschap wilden verdelen.10 Niet alleen de zaken uit deze nalatenschap maar ook de vorderingen en schulden werden verdeeld.11 De rechter hield bij de verdeling rekening met zakelijke rechten van derden. Het pandrecht ging bijvoorbeeld niet teniet door de boedelscheidingsactie en het daarop volgende vonnis van de rechter (adiudicatio). Dit tenietgaan gebeurde pas na de “gewone” aflossing van de schuld, want “als immers het totale verschuldigde bedrag niet wordt aangeboden, kan de schuldeiser rechtens het pand verkopen”.12 Als bij een boedelverdeling een verpande zaak toegewezen werd aan één erfgenaam, dan waren ondanks deze toewijzing alle erfgenamen gezamenlijk gehouden de pandschuld af te lossen. Zo gaf Gaius het voorbeeld van een in pand gegeven zaak die bij voorafnemingslegaat (legatum per praeceptionem)13 was nagelaten aan één erfgenaam. Het behoorde volgens hem tot de ambtsplicht van de rechter om dit pandrecht te lossen met het geld uit de gemeenschappelijke boedel.14 De erfgenaam die de gehele schuld betaalde om zo pandlossing te bewerkstelligen waardoor executie werd voorkomen, kon met de actio communi dividundo het verschuldigde deel bij de mede-erfgenamen vorderen.