Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.2.1
4.2.1 Argumenten vóór de declaratieve werking op basis van de wettekst
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948265:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sommigen hebben daar wel moeite mee gehad. Zie met name M.J.A. van Mourik die in de tweede druk van zijn monografie over de gemeenschap nog schreef: “Het feit dat (met toestemming) kan worden beschikt over een aandeel in een tot de bijzondere gemeenschap behorend goed afzonderlijk, impliceert dat elke deelgenoot voor een ‘aandeel’ tot elk afzonderlijk goed gerechtigd is. Ik acht dat in zoverre opmerkelijk dat met kracht betoogd kan worden dat een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap slechts tot een aandeel in de gehele gemeenschap gerechtigd is. Eerst de verdeling stelt de gerechtigdheid tot de specifieke goederen vast.” Zie M.J.A. van Mourik, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9), 2e druk, nr. 12. Vanaf de 3e druk van voornoemde monografie heeft Van Mourik dit standpunt verlaten, en volgt ook hij de opvatting dat ieder van de erfgenamen voor de verdeling reeds een eigen aandeel in de afzonderlijke goederen van de gemeenschap heeft. Zie M.J.A. van Mourik, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9), 3e druk, nr. 12. Vgl. in dit verband ook Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 87-88. Ook hij lijkt er nog steeds van uit te gaan dat iedere erfgenaam slechts een aandeel in de nalatenschap als geheel heeft verkregen: “Indien er meerdere erfgenamen zijn, waarvan de echtgenoot er één is of bij de making van een aandeel in een goed, wordt de verkrijgende echtgenoot deelgerechtigde in de goederen van de erflater, tezamen met andere. Hij heeft geen goed of goederen verkregen, maar een onverdeeld aandeel daarin. De verkrijging krachtens erfopvolging bij versterf, making of gift omvat dus niet altijd een (volledig) recht op een of meer goederen. De echtgenoot die als mede erfgenaam, legataris of begiftigde onder uitsluitingsclausule verkrijgt, is deelgerechtigde in een onverdeeldheid. Zolang de verdeling uitblijft behoort tot het privévermogen van de echtgenoot een onverdeeld aandeel in de goederen van de gemeenschap.” Zie ook B. Breederveld, ‘De beperkte gemeenschap van goederen (deel 2), REP 2017/7, p. 26.
Zie paragraaf 2.2 van hoofdstuk 3.
Zie W.C.L. van der Grinten, ‘Scheiding en deling van de gemeenschap naar geldend en komend recht’, in: Eén kapitein, twee schepen (Luijten-bundel) 1984, p. 147; E.A.A Luijten, ‘Declaratief of translatief? Het rechtskarakter van de verdeling na de invoering van het nieuwe vermogensrecht’, WPNR 1993/6075 en 6076; M.J.A. van Mourik, ‘Algemene beschouwingen’, in: Verdeling in de notariële praktijk (Preadvies KNB) 2012, p. 41; Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon BW nr. B9) 2015/36, 66 en 67; Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht 2022/228; Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/297-298 en R.E. Brinkman e.a., ‘Zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht’, WPNR 2018/7198, p. 472-473. Zie in dit verband ook Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A (2020), die op pagina 308-310 weliswaar schrijven dat de discussie over de translatieve of declaratieve opvatting over de verdeling zou zijn terug te brengen tot een kwestie van begripsverwarring, maar op p. 154 wel menen dat, wanneer een gemeenschappelijke nalatenschap wordt verdeeld, de goederen krachtens erfrecht worden verkregen en daarbij het Vier Huizen-arrestnog steeds leidend achten.
Vgl. Asser/Perrick 3-V 2023/189: “Ziet men in, dat de verdeling van de goederen der gemeenschap is de toedeling van die goederen aan de deelgenoten, dan spreekt de wettekst duidelijk. Voor de overgang van het toebedeelde stelt de tekst het vereiste van een levering op dezelfde wijze [waarbij Perrick de woorden ‘op dezelfde wijze’ accentueert door deze cursief te drukken, TS] als voor overdracht voorgeschreven is, in andere woorden: alsof de toedeling een overdracht ware. Duidelijker kan het niet.”
Zie Van Mourik/Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/67. Zij schrijven dat artikel 3:186 lid 2 BW de declaratieve werking van de verdeling impliceert. Zie echter ook Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/298. Zij menen dat de declaratieve werking van de verdeling reeds in artikel 3:186 lid 1 BW besloten ligt, zodat artikel 3:186 lid 2 BW niets meer is dan een instructie hoe lid 1 moet worden gelezen. Welke opvatting men echter ook volgt, in beide gevallen vormt de tekst van artikel 3:186 lid 2 BW een belangrijk argument vóór de declaratieve werking van de verdeling.
229. Uit de beschrijving van het Franse en Nederlandse oude recht is gebleken dat de declaratieve werking van de verdeling ten nauwste samenhing met de goederenrechtelijke structuur die men aan (in ieder geval) de ‘boedelgemeenschappen’ toekende. Vóór de verdeling hadden de deelgenoten in een dergelijke gemeenschap slechts een aandeel in de gemeenschap als geheel. Aldus werd pas door de verdeling vastgesteld wie welke afzonderlijke goederen had verkregen. Dat was dan logischerwijs een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten, omdat de deelgenoten zélf nimmer gerechtigd waren tot de afzonderlijke goederen van de gemeenschap. Onder de werking van het huidige BW kan echter niet meer worden volgehouden dat de deelgenoten vóór de verdeling geen aandeel in de afzonderlijke goederen van de gemeenschap hebben.1 Uitgangspunt van de wet is immers dat iedere gemeenschap waarop de bepalingen van Titel 3.7 BW van toepassing zijn zich hierdoor kenmerkt, dat ieder van de deelgenoten reeds vanaf het ontstaan van de gemeenschap een eigen aandeel heeft in de afzonderlijke goederen die tot die gemeenschap behoren.2 Naar geldend recht worden deze aandelen in de afzonderlijke goederen als vermogensrechten sui generis beschouwd, die als afzonderlijke goederen tot het vermogen van de deelgenoten behoren. Dat geldt niet alleen voor eenvoudige gemeenschappen, maar ook voor de bijzondere gemeenschappen van Afdeling 3.7.2 BW.3 Dit is dus een aanzienlijke wijziging ten opzichte van het systeem zoals dit onder het oud BW voor de boedelgemeenschappen gold. Op het eerste gezicht lijkt die goederenrechtelijke zelfstandigheid van de aandelen ervoor te pleiten dat de verdeling van een gemeenschap als een overdracht van die afzonderlijke aandelen moet worden gezien. De (over)heersende opvatting is echter dat de verdeling weliswaar zijn terugwerkende kracht heeft verloren, maar nog steeds een declaratieve werking heeft.4 Zoals hiervóór reeds aangegeven, wordt daarmee dan bedoeld dat het bestaan van de gemeenschap niet meer door de verdeling wordt ‘weggepoetst’, maar dat de verdeling nog wel steeds is ‘het toedelen van de gemeenschappelijke goederen als geheel’, en dat een verdeling van een gemeenschap per saldo leidt tot een verkrijging van goederen uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten. Bij de verdeling van een nalatenschap betekent dit dan dat de erfgenaam die door verdeling goederen verkrijgt, deze goederen ‘krachtens erfrecht’ verkrijgt.
230. Als men de letterlijke tekst van artikel 3:182 en 3:186 BW leest, valt er veel voor deze declaratieve visie te zeggen. Zo spreekt artikel 3:182 BW over de verdeling als een rechtshandeling ‘krachtens welke een of meer van de deelgenoten een of meer goederen van de gemeenschap verkrijgt’. Artikel 3:182 BW spreekt dus niet over de verkrijging van de aandelen van de andere deelgenoten in die goederen, maar over de verkrijging van die goederen als geheel. Artikel 3:186 lid 1 BW spreekt vervolgens over ‘de overgang’ van ‘het toegedeelde’ en een levering ‘zoals voor overdracht is voorgeschreven’. Omdat artikel 3:182 BW spreekt over ‘de verkrijging van de goederen als geheel’ kan ‘het toegedeelde’ van artikel 3:186 lid 1 BW niets anders zijn dan die goederen als geheel, en dus niet de afzonderlijke aandelen daarin. De leveringshandeling van artikel 3:186 lid 1 BW heeft logischerwijs dan óók betrekking op die gemeenschappelijke goederen als geheel. Als de verdeling een overdracht van afzonderlijke aandelen zou zijn, zou artikel 3:186 lid 1 BW bovendien niet van een ‘overgang’, maar van een ‘overdracht’ moeten spreken, en zou het ook niet nodig zijn om te bepalen dat een levering is vereist ‘zoals voor overdracht is voorgeschreven’ (dan zou het immers een ‘echte’ overdracht zijn). Bovendien zou artikel 3:186 lid 1 BW een overbodige bepaling zijn, als de verdeling per saldo een overdracht zou zijn.5 De door artikel 3:186 lid 1 BW geëiste levering zou in dat geval al uit de algemene eisen voor overdracht volgen (artikel 3:84 lid 1 BW). En het laatste, maar niet het minste argument kan worden gevonden in artikel 3:186 lid 2 BW. Dat artikel bepaalt dat hetgeen een deelgenoot uit de verdeling verkrijgt, door hem wordt gehouden onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden. De tekst en achtergrond van deze bepaling is allerminst duidelijk (zie hierover paragraaf 4.3 hierna), maar als men deze bepaling zo leest dat met ‘het houden van een goed onder een titel’ wordt gedoeld op de titel krachtens welke dat goed is verkregen, dan ligt in deze bepaling bij uitstek de (bevestiging van de) declaratieve werking van de verdeling besloten.6