HR, 14-09-2018, nr. 18/00486
ECLI:NL:HR:2018:1618, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-09-2018
- Zaaknummer
18/00486
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑09‑2018
ECLI:NL:HR:2018:1618, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑09‑2018; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2017:5431, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Herziening: ECLI:NL:HR:2020:585
- Vindplaatsen
NLF 2018/2009
NTFR 2018/2203 met annotatie van Mr. F.C. van der Bogt
FutD 2018-2423
Viditax (FutD) 2018091422
Beroepschrift 14‑09‑2018
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende, [X] woonachtig te [Z] dient ondergetekende [C] hierbij de gronden van het beroep in cassatie in tegen de -in aanhef dezes vernoemde- (tussen)uitspraken in hoger beroep.
Motivering;
Het Gerechtshof Amsterdam, verder Hof, heeft in zijn bovenvermelde uitspraak de navolgende verkeerde veronderstellingen c.q. wetgeving gehanteerd, procedure gevolgd en onvoldoende onderzoek verricht;
Vaststelling WOZ-objecten / objectafbakening;
1.
Tot en met 2013 heeft de Dienst Belastingen Gemeente Amsterdam, verder DBGA, voor het perceel [1-STR.] 1047 altijd 1 gecombineerde aanslag en kennisgeving waardebeschikking opgelegd voor 1 WOZ-object. Voor het jaar 2012 is deze opgelegd met dagtekening d.d. 31-07-2012 (bijlage 28 hoger beroep (HB)).
2.
Tegen deze aanslag is door belanghebbende geen rechtsmiddel ingesteld waardoor deze in kracht van gewijsde is gegaan.
3.
Medio 2014 heeft de DBGA, na taxatie in mei 2014, het tot en met 2013 bestaande WOZ-object gesplitst in een 4 tal losse WOZ-objecten met terugwerkende kracht vanaf 2012.
4.
Op d.d. 12-06-2014 (bijlage 29HB) heeft de DBGA een kennisgeving op ambtshalve besluit naar belanghebbende verzonden waarin de eerder opgelegde aanslag en waardebeschikking voor 2012 d.d. 31-07-2012 (bijlage 28HB) wordt verminderd. Hiertegen staat, ondanks dat de DBGA wel een rechtsmiddel heeft verleend, wettelijk geen rechtsmiddel open.
5.
Daarnaast wordt op d.d. 30-09-2014 door de DBGA voor een 3-tal nieuwe WOZ-objecten op hetzelfde adres nieuwe aanslagen en waardebeschikkingen opgelegd (de hier in behandeling zijnde primaire aanslag).
6.
Voor het jaar 2013 is op d.d. 28-02-2013 door de DGBA op het perceel [A-STR.] 1047 1 gecombineerde aanslag en kennisgeving waardebeschikking opgelegd voor 1 WOZ-object. Hiertegen is bezwaar aangetekend door belanghebbende. Dit bezwaar is door de DBGA gegrond verklaard en heeft de WOZ-waarde verlaagd d.d. 23–12-2013.
7.
Tegen deze uitspraak op bezwaar is door belanghebbende beroep aangetekend bij de rechtbank Amsterdam. Tijdens de behandeling van dit beroep heeft de DBGA in mei 2014 het perceel bezocht en getaxeerd. Hierna nam de DBGA in de beroepsprocedure het gewijzigde standpunt in dat er sprake was van 4 losse WOZ-objecten en werd bepleit dat de primaire aanslag reeds ambtshalve was verlaagd d.d. 11-09-2014 en er 3 extra WOZ-objecten op hetzelfde perceel/adres zijn beslagen. Tijdens de 1e zitting bij de rechtbank werd het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend waarmee de DBGA de gelegenheid verkreeg om nader onderzoek uit te voeren.
8.
Hierna heeft de DBGA de rechtbank d.d. 05-01-2015 bericht dat hij zich, na overwegingen, akkoord verklaard met de visie van belanghebbende omtrent de objectafbakening en dat er sprake is van 1 object. Het beroep is door de rechtbank Amsterdam d.d. 29-06-2015 gegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep aangetekend bij het gerechtshof Amsterdam. De extra opgelegde aanslagen voor de 3 extra opgevoerde WOZ-objecten zijn door de DBGA ambtshalve verminderd tot nihil.
9.
Het gerechtshof Amsterdam heeft het hoger beroep met kenmerk BK/BK-AMS 15/00633 ter zitting d.d. 19-09-2017 gegrond verklaard.
10.
Hierdoor is belanghebbende van mening dat het gerechtshof de hier in behandeling zijnde hoger beroepen gegrond had moeten verklaren, de onderliggende aanslagen te vernietigen en alleen de eerder opgelegde aanslag voor 2012, welke ook uitging van 1 WOZ-object en al in kracht van gewijsde was gegaan in stand laten, zoals ook voor het jaar 2013 is beslist. Het kan immers niet zo zijn dat er elk jaar verschillende objectafbakeningen worden vastgesteld terwijl er onderliggend niets wordt/is gewijzigd.
11.
Belanghebbende is daarnaast van mening dat op basis van een taxatie in 2014 het wettelijk niet mogelijk is om met terugwerkende kracht een nieuwe objectafbakening vast te stellen, (aanvullende) aanslagen op te leggen voor het jaar 2012 met een peildatum van d.d. 01-01-2011. Immers er was al eerder een aanslag door de DBGA opgelegd voor het hele perceel welke in kracht van gewijsde was gegaan (bijlage 28 HB). Hieraan hoort belanghebbende rechtszekerheid aan te kunnen ontlenen. De DBGA verwijst in dit verband ten onrecht naar de ‘situatie in 2012’ , voor 2012 geldt immers de waardepeildatum d.d. 01-01-2011.
12.
Daarnaast speelt ook mee dat de feitelijke situatie op het onderhavige perceel [1-STR.] 1047, na aankoop in 1986, nimmer is gewijzigd in omvang of gebruik.
Vergoeding griffierecht:
13.
Het gerechtshof heeft de hier bestreden uitspraak in hoger beroep gegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de beslissing van de rechtbank (met 3 zaaknummers) om geen vergoeding toe te kennen voor kosten van in de beroepsfase door derden verleende rechtsbijstand.
14.
Het gerechtshof heeft in de hier bestreden uitspraak met een 3-tal kenmerken besloten om slechts 1x griffierecht ad € 123 te vergoeden.
15.
Echter is door belanghebbende 3x € 123 griffierechten voldaan voor alle 3 afzonderlijke kenmerken, zoals hierboven vermeldt, van het gerechtshof en in rekening s gebracht door het gerechtshof via het Landelijk Dienstencentrum.
16.
Derhalve heeft belanghebbende nog recht op vergoeding van 2x €123= € 246 (betaalde griffierechten in hoger-beroep).
Vergoeding van gemaakte onkosten door deskundige en uit openbare registers;
17.
Het gerechtshof heeft ten onrechte geen vergoeding toegekend voor de door belanghebbende gemaakte onkosten zoals vermeld in de bijlagenlijst d.d. 29-10-2015 bij de aanvullende gronden beroep omdat het beroep ten aanzien van de waardebeschikkingen en de aanslagen onroerendezaakbelasting ongegrond wordt verklaard. Echter zoals hierboven onder punt 1 t/m 12 is betoogd had het beroep gegrond verklaard moeten worden en dienen de onderhavige aanslagen te worden vernietigd waardoor alle gemaakte kosten in aanmerking komen voor vergoeding.
18.
Daarnaast heeft belanghebbende tijdens de hoger-beroepsprocedure aanvullende onkosten gemaakt voor documenten uit openbare registers om zijn standpunten nader te kunnen onderbouwen zoals verantwoord op bijlagenlijst d.d. 08-09-2017 tot een bedrag van € 179,90. Dit bedrag had het gerechtshof ook moeten toekennen aan belanghebbende.
Vergoeding proceskostenvergoeding gemachtigde;
19.
Het gerechtshof heeft de navolgende proceskostenvergoeding toegekend;
Beroepsfase; Indienen beroepschrift d.d. 07-04-2015 : 1 punt
Indienen conclusie van repliek d.d. 29-10-2015 : 0,5 punt
Verschijnen ter zitting d.d. 12-11-2015 : 1 punt
Hoger beroepsfase; Indienen hoger beroepschrift d.d. 24-03-2016 : 1 punt
Verschijnen ter zitting d.d. 19-09-2017 : 1 punt
Echter door belanghebbende is in de hoger beroepsprocedure op d.d. 08-09-2017 (ook) een conclusie van repliek ingediend, deze is kennelijk ten onrechte niet door het gerechtshof voor vergoeding meegenomen.
Hier had het gerechtshof, gelijk als in de beroepsfase, 0,5 punt met een wegingsfactor van 1 voor moeten toekennen.
Derhalve heeft belanghebbende nog recht op een vergoeding van 0,5 x € 495 = € 247,50.
Verklaringen tijdens mondelinge behandeling, toelating bewijs;
20.
Het gerechtshof heeft de uitspraak op hoger beroep hoofdzakelijk gebaseerd op verklaringen van verweerder omdat deze met 3 personen tijdens de mondelingen behandelingen waren vertegenwoordigd en belanghebbende maar door 1 persoon. Dan geldt de wet van de meerderheid der stemmen. Op sommige essentiële punten stonden de standpunten en verklaringen haaks op elkaar. Het gerechtshof heeft dit feit onvoldoende herkent en laten meewegen in zijn besluiten. Belanghebbende had door het gerechtshof in de gelegenheid moeten worden gesteld om de verklaringen en stellingen van verweerder te mogen weerleggen met nadere bewijsmiddelen zoals ook door belanghebbende in zijn ingediende gronden is aangeboden.
Met conclusie;
Op grond van het voorgaande moge ondergetekende Uw Raad eerbiedig in overweging geven, de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen, en zelf in de zaak te voorzien, althans om na vernietiging van de uitspraak van het gerechtshof de zaak naar een (ander) gerechtshof te verwijzen om alsnog overeenkomstig Uw aanwijzingen tot juiste afdoening van de geschillen te komen.
Gegeven de conclusie verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding vast te stellen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht alsmede om vergoeding van het betaalde griffierecht.
Inmiddels in afwachting van Uw nader bericht, verblijft ondergetekende,
Uitspraak 14‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Art. 8:74, lid 1, Awb. Veroordeling vergoeding griffierecht ten onrechte achterwege gebleven.
Partij(en)
14 september 2018
nr. 18/00486
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 december 2017, nrs. 16/00095 tot en met 16/00097, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 15/1387 tot en met 15/1389) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken betreffende de onroerende zaken [a-straat] 1047A, [a-straat] 1047B en [a-straat] 1049 te [Z] en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen en de rioolheffing van de gemeente Amsterdam betreffende de onroerende zaken [a-straat] 1047A en [a-straat] 1049 te [Z] voor het jaar 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard voor zover het betreft de aanslagen rioolheffing die zijn opgelegd voor twee onroerende zaken, omdat de heffingsambtenaar ten onrechte niet heeft beslist op het daartegen gemaakte bezwaar. De Rechtbank heeft aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toegekend.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank. Het Hof heeft de heffingsambtenaar gelast het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123 te vergoeden.
2.2.
De tegen dit oordeel gerichte klacht slaagt. Voor de behandeling van het hoger beroep is driemaal griffierecht geheven ter grootte van € 123. Voor de hoger beroepen betreffende twee van de drie onroerende zaken is dus tweemaal € 123 griffierecht geheven zodat het Hof de heffingsambtenaar had moeten veroordelen tot vergoeding aan belanghebbende van € 246.
2.3.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3. Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof voor zover het betreft de beslissing omtrent het griffierecht,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126 en het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 246, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.