HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2812, rov. 2.5, onder verwijzing naar HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114, NJ 1994, 674.
HR, 07-07-2020, nr. 19/01083
ECLI:NL:HR:2020:1184
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-07-2020
- Zaaknummer
19/01083
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1184, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 07‑07‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:339
ECLI:NL:PHR:2020:339, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑04‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1184
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0261
Uitspraak 07‑07‑2020
Inhoudsindicatie
Opzettelijk aanwezig hebben 2092,24 gram hennep en 4,85 gram hasjiesj (art. 3.C Opiumwet). Aanwezig hebben 4,85 gram hasjiesj aan te merken als misdrijf of overtreding? Art. 11.6 Ow is van belang voor beantwoording van vraag of in art. 11.2 Ow bedoelde handelingen misdrijf dan wel overtreding opleveren; v.zv. deze handelingen betrekking hebben op hoeveelheid van hennep of hasjiesj van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook in geval van opzet, niet ex art. 11.2 Ow als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door art. 11.1 Ow (vgl. ECLI:NL:HR:1994:AD2114). Hof heeft vastgesteld dat in woning van verdachte 2 tonnen met hennep en bij zijn fouillering 18 gram hennep en 4,85 gram hasjiesj zijn aangetroffen. Op basis daarvan heeft hof bewezenverklaard dat verdachte 2.092,24 gram hennep aanwezig heeft gehad en dat hij 4,85 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad. Hof heeft deze gedragingen gekwalificeerd als opzettelijk handelen in strijd met in art. 3.C Ow gegeven verbod, meermalen gepleegd, en verdachte o.m. voor deze gedragingen 1 (taak)straf van 80 uren opgelegd, daarbij toepassing gevend aan art. 57 Sr. Aldus heeft hof aanwezig hebben van 4,85 gram hasjiesj klaarblijkelijk opgevat als afzonderlijk tlgd. en daarbij miskend dat dienovereenkomstig bewezenverklaard feit wordt bestreken door art. 11.1 Ow en dat o.g.v. art. 62.1 Sr voor zo’n overtreding afzonderlijk straf wordt opgelegd. Gelet op andere bewezenverklaarde feiten is die vergissing echter van zodanig ondergeschikte betekenis dat ‘s hofs verzuim consequenties te verbinden aan gegeven dat het hier om overtreding ging, niet tot cassatie behoeft te leiden. Volgt verwerping. Samenhang met 19/01148 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/01083
Datum 7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 augustus 2018, nummer 23/003208-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en dat de Hoge Raad het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het bewezenverklaarde onder 1, tweede cumulatief heeft gekwalificeerd als een misdrijf. Het voert daartoe onder meer aan dat het bewezenverklaarde op grond van artikel 11 lid 6 van de Opiumwet (hierna: Ow) een overtreding oplevert.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam en/of [plaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad 2092,24 gram van een materiaal bevattende hennep,
en
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,85 gram van hasjiesj.
2.
hij op 19 juni 2014 te [plaats], een wapen van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, te weten een pistool van het merk FN, model HP35, voorhanden heeft gehad.”
2.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 3 Ow:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
(...)
C. aanwezig te hebben;
(...).”
- Artikel 11 Ow:
“1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
(...)
6. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.
(...)”
- Artikel 13 Ow:
“1. De in artikel 10, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
2. De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
(...)”
- Artikel 62 lid 1 Sr:
“Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.”
2.4
Artikel 11 lid 6 Ow is van belang voor de beantwoording van de vraag of de in artikel 11 lid 2 Ow bedoelde handelingen een misdrijf dan wel een overtreding opleveren; voor zover deze handelingen betrekking hebben op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook in geval van opzet, niet ingevolge artikel 11 lid 2 Ow als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door lid 1 van dit artikel (vgl. HR 31 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2114).
2.5
Het hof heeft vastgesteld dat op 19 juni 2014 in de woning van de verdachte twee tonnen met hennep en bij zijn fouillering 18 gram hennep en 4,85 gram hasjiesj zijn aangetroffen. Op basis daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte 2.092,24 gram hennep aanwezig heeft gehad en dat hij 4,85 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad. Het hof heeft deze gedragingen gekwalificeerd als “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en de verdachte onder meer voor deze gedragingen één (taak)straf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, opgelegd, daarbij toepassing gevend aan artikel 57 Sr. Aldus heeft het hof het aanwezig hebben van 4,85 gram hasjiesj klaarblijkelijk opgevat als afzonderlijk tenlastegelegd en daarbij miskend dat het dienovereenkomstig bewezenverklaarde feit wordt bestreken door artikel 11 lid 1 Ow en dat op grond van artikel 62 lid 1 Sr voor zo’n overtreding afzonderlijk straf wordt opgelegd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Gelet op de andere bewezenverklaarde feiten is die vergissing echter van een zodanig ondergeschikte betekenis dat het verzuim van het hof consequenties te verbinden aan het gegeven dat het hier om een overtreding ging, niet tot cassatie behoeft te leiden.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2020.
Conclusie 07‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Opzettelijke overtreding art. 3.C Opiumwet, meermalen gepleegd, door opzettelijk aanwezig hebben van 2092,24 gram hennep en 4,85 gram hasjiesj. Had de bewezenverklaring v.z.v. betrekking hebbend op de hasj ex art. 11.6 Opiumwet als (inmiddels verjaarde) overtreding gekwalificeerd moeten worden? Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01083
Zitting 7 april 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 augustus 2018 wegens het onder 1 bewezenverklaarde “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en het onder 2 bewezenverklaarde “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek. Daarnaast heeft het hof de teruggave gelast van de in beslag genomen, maar nog niet teruggegeven voorwerpen, als genoemd in het arrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/01148. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 19 juni 2014 stond de verdachte achter de balie van een coffeeshop toen het Horeca Interventie Team daar binnenkwam. Bij een eerdere controle door dat team was een familielid van de eigenaar van de coffeeshop met de voorraad naar buiten gelopen. Het leek er volgens de verbalisanten op dat de verdachte ditmaal ook naar buiten wilde lopen. Daarop zijn zij overgegaan tot onderzoek aan de kleding van de verdachte, waarbij verschillende hoeveelheden softdrugs bij hem zijn aangetroffen. Diezelfde dag hebben doorzoekingen van zijn auto en woning plaatsgevonden, waarbij twee tonnen weed en een balletjespistool werden aangetroffen.
5. Het eerste middel klaagt naar de kern genomen over de kwalificatie van het tweede (cumulatieve) deel van het onder 1 bewezenverklaarde. Wat betreft het voorhanden hebben van de 4,35 gram hasjiesj had de bewezenverklaring op grond van artikel 11 lid 6 Opiumwet moet worden gekwalificeerd als overtreding. Dit delict was ingevolge artikel 70 lid 1 onder 1° Sr reeds verjaard toen het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een aanvang nam. Bovendien heeft het hof in strijd met artikel 62 één straf opgelegd.
6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“1:
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam en/of [plaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad 2092,24 gram van een materiaal bevattende hennep,
en
hij op 19 juni 2014 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,85 gram van hasjiesj”
Aan die bewezenverklaring heeft het hof de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 augustus 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik kan mij nog wel voor de geest halen wat er zich op 19 juni 2014 heeft afgespeeld.
De hennep die in mijn auto is aangetroffen, heb ik gekocht.
Het balletjespistool is in mijn toilettafél gevonden. Ik heb 5 of 6 jaar geleden twee van deze exemplaren gekocht.
2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer PL1302-2014151369-33 van 21 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 101-108].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:
V: In de woning, [a-straat 1] zijn twee tonnen aangetroffen met weed, is het van u.
A: Ja, alles is van mij.
2. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1302-2014151369-2 van 20 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 01-02].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op 19 juni 2014, hielden wij te Amsterdam, als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1963
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1] , [plaats]
Bij de fouillering werden meerdere zakjes met cannabis gelijkende producten aangetroffen.
11 zakjes met weed en 3 zakjes met hasj.
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1302-2014151369-5 van 20 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 04-05].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op 19 juni 2014 bevonden wij ons, verbalisanten, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , op het politiebureau. Daar bevonden zich de goederen afkomstig van de fouillering van [verdachte] . Tussen deze goederen bevond zich een autosleutel. Na controle op het woonadres van [verdachte] in de politiesystemen zagen wij, dat er op het adres ook [betrokkene 1] stond ingeschreven. Op haar naam stond in het politiesysteem een personenauto met kenteken [kenteken] . Hierna, zijn wij, met de autosleutel naar de plaats gereden waar verdachte was aangehouden, op [b-straat 1] te Amsterdam in “ [A] ”. Daar zagen wij bovengenoemd voertuig geparkeerd staan in een parkeervak schuin voor de ingang van de coffeeshop. Met de autosleutel hebben wij de auto geopend en in de kofferbank troffen wij een tas van het merk Ortlieb Waterproof met dichte rits. Na het openmaken van de rits zagen wij, dat de tas gevuld was met plastic doorzichtige zakken met daarin kleinere sealzakje met vermoedelijk cannabis daarin van de hennepplant. Wij roken een sterke geur die wij ambtshalve herkennen als de geur van cannabis. Ook troffen wij in de kofferbak een boodschappentas van Albert Heijn aan. Wij zagen dat de tas gevuld was met doorzichtige lege plastic sealbags. Wij roken in deze lege sealbags een sterke geur die wij ambtshalve herkennen als de geur van cannabis.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het hof leest sealzakjes in de zinsnede ‘dat de tas gevuld was met plastic doorzichtige zakken met daarin kleinere sealzakje met vermoedelijk cannabis’
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
4. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94) met nummer PL1302-2014151369-11 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 44-46].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [c-straat] , Amsterdam
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780033
Inhoud: Inhoud tas bestaat uit zakken met zakjes met vermoedelijk cannabis
Bijzonderheden: Zwarte waterproof ortlieb tas
Goednummer: PL1302-2014151369-4780064
Object: Zak
Inhoud: Albert Heijn tas met daarin lege zakken van ongeveer 40 bij 40 centimeter met daarin de ambtshalve bekende geur van cannabis
5. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94) met nummer PL1302-2014151369-15 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 49-50].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [b-straat 1] , [postcode] Amsterdam
Datum: 20 juni 2014
Beslagene: [verdachte] Goednummer: PL1302-2014151369-4780058
Bijzonderheden: Aangetroffen tijdens de fouillering van de verdachte in diens zak.
Object: Verdovende mid (Hashish)
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Naar het hof begrijpt is ten aanzien van de datum van inbeslagneming sprake van een kennelijke verschrijving, nu blijkens het onder 2 vermelde bewijsmiddel (proces-verbaal van bevindingen) de verdachte op 19 juni 2014 is aangehouden en gefouilleerd.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
6. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) met nummer PL1302-2014151369-25 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina 21].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780081
Object: Verdovende mid (Hennep)
Bijzonderheden: Een witte ton met rode deksel vol met hennep
7. Een geschrift, zijnde een Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) met nummer PL1302-2014151369-26 van 20 juni 2014, opgesteld door rapporteur [verbalisant 6] [doorgenummerde pagina’s 53-54].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats: [a-straat 1] , [plaats]
Datum: 19 juni 2014
Goednummer: PL1302-2014151369-4780082
Object: Verdovende mid (Hennep)
Bijzonderheden: Een (1) witte ton met rode deksel vol met hennep
8. Een geschrift, zijnde een rapport in de zaak contra de verdachte [verdachte] van 28 augustus 2014, BVH nummer 2014151369, opgesteld door [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina 342].
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
4780033
4 dichtgeknoopte plastic zakken waarin 326 plastic zakjes met 444 g gedroogde plantendelen is hennep
4780058 subitems A en B
A 11 plastic zakjes met 18,0 g gedroogde plantendelen is hennep
B 3 plastic zakjes met 4,85 g bruine substantie is hasjiesj
4780064 subitems A en B
A 1 plastic zakje met 3,24 g gedroogde plantendelen is hennep
4780081 subitems A tot en met C
B diverse plastic zakken met 117 g gedroogde plantendelen is hennep
4780082
3 plastic zakken met 1,51 kg gedroogde plantendelen is hennep”
De Opiumwet (Ow) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, voor zover relevant:
“Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
(…)
C. aanwezig te hebben;
(…)
Artikel 11
1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
(…)
6. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.
(…)
Artikel 13
1. De in artikel 10, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
2. De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
(…)”
Lijst II bij de Opiumwet luidde, voor zover relevant:
“International Non-proprietary Name (INN) | andere benamingen | nadere omschrijving |
(…)
- | hasjiesj | een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten |
- | hennep | elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden” |
10. Artikel 11 lid 6 Ow bepaalt of de in het tweede lid van artikel 11 Ow bedoelde handelingen een misdrijf dan wel een overtreding opleveren; voor zover deze handelingen betrekking hebben op een hoeveelheid hennep van niet meer dan 30 gram zijn zij, ook in geval van opzet, niet ingevolge artikel 11 lid 2 Ow als misdrijf strafbaar, maar worden zij bestreken door het eerste lid van dit artikel.1.
11. De klacht veronderstelt een uitleg van artikel 11 lid 6 Ow die mij niet geheel logisch voorkomt. Iemand die bijvoorbeeld in het bezit is van zestig gram hennepproducten (“hennep of hasjiesj”, aldus artikel 11 lid 6 Ow) begaat één misdrijf, en niet twee overtredingen. Dan maakt het niet uit of de ene helft hennep is en de andere helft hasjiesj.2.
12. De in cassatie naar voren gebrachte stelling dat de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de hasjiesj ten onrechte niet is aangemerkt als overtreding, stuit op het voorgaande af. In ’s hofs oordeel ligt immers besloten dat de twee onderdelen van het onder 1 (cumulatief) bewezenverklaarde hetzelfde feitencomplex beslaan, terwijl in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat dit hier anders ligt.
13. Het middel faalt in zoverre. Nu de overige deelklachten voortbouwen op het (onjuiste) uitgangspunt dat het voorhanden hebben van de hasjiesj een overtreding betreft, behoeven ze geen nadere bespreking.
14. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
15. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
16. Blijkens de akte rechtsmiddel is namens de verdachte op 29 augustus 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 1 november 2019 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zes maanden is overschreden. Een voortvarende behandeling kan die overschrijding van de inzendtermijn niet meer compenseren. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Wegens de aard en hoogte van door het hof opgelegde straf behoeft het voorgaande niet tot strafvermindering te leiden, nu het hof een taakstraf heeft opgelegd van minder dan honderd uren.3.Volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.
17. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt, maar kan niet tot cassatie leiden.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
19. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑04‑2020
Vgl. Kamerstukken II 1974/75, 13407, nrs. 1-3, p. 17.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:20018:BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2 onder C.