Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/4.4
4.4 Conclusie
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197339:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Al bestaat er geen garantie dat het HvJ EU niet binnen korte tijd een andersluidend arrest zal wijzen, zoals het PMT-arrest HvJ 2 juni 2016, zaak C-252/14 Pensioenfonds Metaal en Techniek, ECLI:EU:C:2016:402 het nauwelijks oudere Miljoen-arrest HvJ 17 september 2015, zaak C-10/14, C-14/14 en C-17/14 Miljoen, ECLI:EU:C:2015:608 tegensprak en het Brisal-arrest HvJ 13 juli 2016, zaak C-18/14 Brisal en KBC Finance Ireland, ECLI:EU:C:2016:549 het nauwelijks oudere Société-Générale-arrest HvJ 17 september 2015, zaak C-10/14, C-14/14 en C-17/14 Société Générale, ECLI:EU:C:2015:608 tegensprak.
In belastingzaken kan met betrekking tot de toegang tot artikel 1 Eerste Protocol een onderscheid worden gemaakt tussen geschillen over een te betalen bedrag aan belasting en geschillen over een vermindering, verrekening of teruggaaf van belasting. In de eerste categorie zaken wordt de aantasting van eigendom als inherent aan de belastingheffing beschouwd en kan de toegangsvraag in beginsel worden overgeslagen. Dit ligt anders bij de tweede categorie zaken, waarin het EHRM onderzoekt of er een aanspraak op aftrek, verrekening, vermindering of teruggaaf bestaat die “sufficiently established to be enforceable is”. Het begrip aanspraak (“claim”) moet in dit verband ruim worden opgevat. Zo kunnen wettelijk toegekende aftrekposten, verrekeningsrechten en restitutierechten die rechtstreeks uit de belastingwet voorvloeien als een vordering worden gezien. Een belastingplichtige zal dan op zijn minst een legitimate expectation moeten hebben dat hij recht heeft op een terugbetaling of vermindering van belasting. Het begrip legitimate expectations speelt in belastingzaken met name een rol als de belastingautoriteiten weigeren om een belastingteruggaaf waarop ingevolge de wet recht bestaat te erkennen of als de wet met terugwerkende kracht of zonder overgangsrecht ten nadele van de belastingplichtige wordt gewijzigd. Legitimate expectations kunnen ook worden gebaseerd op vaste rechtspraak. Inconsistente en achterhaalde rechtspraak kunnen geen gerechtvaardigde verwachtingen wekken.
Uit Dangeville v. France en Ioviţoni e.a. c. Roumanie volgt dat het bestaan van een aanspraak op aftrek, verrekening, teruggaaf of vermindering van belasting op grond van het EU-recht alleen kan worden aangenomen als de weigering daarvan evident in strijd is met het EU-recht. In Dangeville v. France was daarover geen twijfel mogelijk, omdat de ten onrechte niet geïmplementeerde BTW-richtlijn aan duidelijkheid niet te wensen overliet (acte clair). In gevallen waar een belastingplichtige zich beroept op meer algemeen geformuleerde bepalingen van het EU-recht, zoals bijvoorbeeld de verkeersvrijheden, zal niet snel aangenomen kunnen worden dat een als eigendom kwalificerende vordering op de fiscus bestaat omdat – zeker gezien de inconsistente rechtspraak van het HvJ EU op dat vlak – geenszins evident is wat het HvJ EU beslist zou hebben als de vraag naar de strijd van de desbetreffende belastingmaatregel met de verkeersvrijheden aan hem zou zijn voorgelegd. Als een nationale rechter aanleiding heeft gezien om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU, is dat een sterkte aanwijzing dat de nationale wet niet evident in strijd is met het EU-recht. Het is moeilijk voorstelbaar dat in zo een geval een vordering in de zin van Dangeville v. France bestaat. Maar als het HvJ EU reeds gesproken heeft in een identieke of goed vergelijkbare kwestie, zal dat anders zijn (acte éclairé immers).1