Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.0
6.3.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499483:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze vernieuwing betekende een verbetering, getuige Caroli 1906, p. 268, over de oude regeling: een regeling die ‘bezwaarlijk meer willekeurig kan zijn’ door slordigheid bij het ontwerpen daarvan. Ook Schenk/Blaauw & De Bruijn-Luikinga 1984, p. 135, vermelden dat de regeling met betrekking tot conservatoir beslag ‘in de hoogste mate onsystematisch’ is waardoor bij uitleg van de bepalingen argumenten ontleend aan de wettelijke systematiek ‘waardeloos’ zijn.
Jansen (Burgerlijke Rechtsvordering III) losbladige Kluwer 1987.
In oudere handboeken ook wel ‘cautie’ genoemd, waarbij uitgangspunt is dat indien de beslagene zekerheid stelt, daarmee het doel van het conservatoir beslag is bereikt (namelijk zekerheid), zodat het beslag kan vervallen.
Met onder meer verwijzing naar HR 30 oktober 1970, LJN AB6480, NJ 1971, 55 (Emba/ Koppens).
Reehuis & Slob 1992, p. 313-315.
Met de invoering van het Nieuw BW in 1992 werden tevens de tekst en structuur van de regeling inzake conservatoir beslag in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en daarmee de bepalingen over de opheffing van conservatoir beslag, aanzienlijk gewijzigd.1 Zo is de toenmalige separate vanwaardeverklaringsprocedure, waarin de formele rechtmatigheid van het beslag beoordeeld werd, verdwenen en opgegaan in de hoofdprocedure van artikel 700 lid 3 Rv.
Met betrekking tot opheffing van conservatoir beslag luidde de wettekst van de voorloper van het huidige artikel 705 lid 2 Rv (artikel 732 Rv oud) als volgt:
‘De opheffing van het beslag zal worden gelast, indien door den schuldenaar genoegzame zekerheid wordt gesteld voor de schuldvordering, waarvoor het beslag is gelegd, alsmede, indien na verhoor van partijen, summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het onnoodige van het beslag mogt blijken.’ (…).
Jansen2 schrijft in 1987, in een toelichting op artikel 732 Rv (oud), dat de beslagene opheffing van het beslag kon vorderen op grond van artikel 731 Rv (oud), dat luidde:
‘Degeen tegen wien het verlof tot inbeslagneming zijner roerende goederen verleend is, kan onverwijld daartegen opkomen, het zij in kort geding voor den president, het zij voor de arrondissements-regtbank’.
Daarbij bestond de beoordeling uit een belangenafweging, waarna het beslag kon (cursief MM) worden opgeheven. Ook bestond de mogelijkheid om opheffing te vorderen op de gronden van artikel 732 Rv (oud), waarbij opheffing van het beslag moest (cursief MM) plaatsvinden indien sprake was van het stellen van voldoende zekerheid door de beslagene,3 summierlijk bleek van de ondeugdelijkheid der vordering of van het onnodige van het beslag. De bewijslast dat de vordering deugdelijk, dus bestaand of binnen redelijke termijn opeisbaar was, drukte op de beslaglegger, 4 aldus deze toelichting.
De opheffingsgronden van artikel 732 Rv (oud) zijn dus dezelfde als die naar huidig recht, waarbij de formulering dat opheffing van het beslag ‘zal worden gelast’ indien van een van deze situaties mocht blijken in het huidige artikel 705 lid 2 Rv gewijzigd is in: ‘de opheffing wordt onder meer uitgesproken’, met toegevoegd het verzuim op straffe van nietigheid van voorgeschreven vormen. De parlementaire geschiedenis vermeldt dat de bedoeling van de voorloper van de huidige regeling inzake opheffing van beslag geen andere is dan die van het huidige artikel 705 Rv.5 Men zou derhalve als gevolg hiervan geen grote veranderingen verwachten. Toch heeft de ontwerp wettekst tot de nodige discussie geleid en blijkt uit oudere handboeken dat in vroeger dagen nuances naar voren werden gebracht die niet als zodanig terug te vinden zijn in de lijn die de Hoge Raad sedertdien, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, door middel van een aantal spraakmakende arresten heeft uitgezet.